Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Luik d.d. 21.04.2023
WF 704-15-19/048959
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Horecasector – Geregistreerd kassasysteem – Niet-proportionele fiscale geldboeten – Gebrek aan of niet-conforme kassa
Wettelijke bepalingen
Artikel 70, § 4 WBTW Koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 Koninklijk besluit van 30 december 2009 Artikel 21bis van het Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, gewijzigd door het Koninklijk besluit van 16 juni 2016
Samenvatting
Arrest dat het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg dd. 19.01.2021, 19/4003/A, bevestigt
Belastingplichtige is sinds 21 januari 2014 voor btw-doeleinden geïdentificeerd als restaurantuitbater. Tijdens een controle in de inrichting werd vastgesteld dat belastingplichtige niet beschikte over een geregistreerd kassasysteem (afgekort GKS) dat voldeed aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen.
Deze inbreuk is in een proces-verbaal opgenomen en er werd een niet-proportionele geldboete opgelegd. De rechtbank van eerste aanleg was van oordeel dat het verzoek om vermindering van de geldboete ongegrond was en heeft het verzoek bijgevolg verworpen.
In zijn beroep bekritiseert belastingplichtige het feit dat het proces-verbaal de omzet in rooster 2 die overeenkomt met het percentage van 12 % voor het gehele jaar 2016 gebruikt om vast te stellen dat de drempel is bereikt, en betoogt hij dat niet kan worden uitgesloten dat voor de periode vanaf welke de verplichting om over een kasregister te beschikken geldt,-vanaf 1 juli 2016- de drempel niet is bereikt.
In ondergeschikte orde wijst hij erop dat hij zich in een catastrofale financiële situatie bevindt, aangezien hij zijn restaurant sinds oktober 2020 heeft moeten sluiten ingevolge de gezondheidsproblematiek waardoor hij de boete niet kon betalen en het geregistreerd kassasysteem overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen niet kon installeren.
Ter terechtzitting heeft de belastingplichtige aangevoerd dat zijn restaurant in zijn woning gelegen is en dat hij daar geen GKS kan installeren.
Het hof van beroep herinnert aan de draagwijdte van artikel 21bis §1 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, van toepassing vanaf 1 juli 2016, en van artikel 21bis §2, volgens hetwelk voor belastingplichtigen die op 1 juli 2016 een restaurant- of cateringactiviteit uitoefenen, de referentieperiode (voor de berekening van de drempel van 25.000 EUR) overeenstemt met het kalenderjaar 2015.
Het hof merkt op dat in het proces-verbaal van 22 augustus 2019 is vastgesteld dat de drempel voor de jaren 2016, 2017 en 2018 is overschreden en neemt kennis van de vaststelling op 28 juni 2019 – zoals vermeld in het proces verbaal van vaststellingen van 9 juli 2019 - van het ontbreken van een geregistreerd kassasysteem overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horeca moet voldoen.
In dit laatste proces-verbaal wordt tevens opgemerkt dat de drempel voor de jaren 2015 tot en met 2017 is overschreden. Het is dus duidelijk dat de belastingplichtige sinds 1 juli 2016 in overtreding is, aangezien de drempel voor de jaren 2015, 2016, 2017 en 2018 is overschreden.
De verplichting om over een GKS te beschikken die aan de voorschriften voldoet, "geldt wanneer de jaaromzet, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, met betrekking tot de restaurant- en cateringdiensten, met uitsluiting van de diensten die bestaan uit het verschaffen van dranken, meer bedraagt dan 25.000 euro", hetgeen het geval is voor de drie jaren die in het proces-verbaal van 22 augustus 2019 in aanmerking zijn genomen (2016 tot en met 2018). Bijgevolg is de voor deze periode opgelegde eenmalige geldboete van 1.500 euro gerechtvaardigd.
Het is in dat verband weinig van belang dat het restaurant in de woning van de belastingplichtige is gevestigd.
De geldboete is in overeenstemming met de wetgeving en er werd niet aangetoond, - dit werd overigens ook niet aangevoerd- dat deze onevenredig zou zijn aan de inbreuk. Belastingplichtige heeft geen enkel bewijsstuk voorgelegd met betrekking tot zijn financiële situatie. Deze is overigens niet van die aard dat zij kon leiden tot het intrekken van de opgelegde geldboete.
Het hof van beroep bevestigt het vonnis in al zijn bepalingen.
Opmerkingen
Zie in deze zin met name: Rb., Luik, 14 januari 2019, rolnr. 17/5486/A; Rb., Luik, 21 maart 2019, rolnr. 17/5752/A; Rb., Brussel, 21 september 2018, rolnr. 2017/6867/A; meer recent: Rb, Namen, 08.12.2021 (RG 18/533/A) en Rb., Namen, 06.09.2022 (RG 21/20/A), gepubliceerd op Fisconetplus.
Tot 10 juni 2017 voorzag artikel 2, rubriek II, punt A, van de bijlage bij koninklijk besluit nr. 44 in een geldboete wanneer het "gebruikte" kassasysteem niet voldeed aan het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen. Gelet op het belang van een duidelijke en uniforme bepaling voor alle betrokken belastingplichtigen, heeft de regering ervoor gekozen de bepaling in afdeling 2, rubriek II, duidelijker te maken om een einde te maken aan iedere rechtsonzekerheid. De in punt A bedoelde geldboete heeft nu betrekking op het "niet-houden" van een geregistreerd kassasysteem dat voldoet aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 30 december 2009, zodat deze bepaling zowel betrekking heeft op belastingplichtigen die een niet-conform geregistreerd kassasysteem gebruiken als belastingplichtigen die er geen in het bezit hebben.
Zoals in het verslag aan de Koning is vermeld, gaat het om een louter formele wijziging. De wijziging wijzigt in geen enkel opzicht de draagwijdte van de regels.
De bedoeling van de wetgever is zeer duidelijk: diegenen te bestraffen die geen gebruik maken van een conform geregistreerd kassasysteem, met inbegrip van het niet-houden of niet-gebruiken van een geregistreerd kassasysteem.
De modaliteiten voor de berekening van de drempel die moet worden bereikt om onderworpen te worden aan de verplichting over een geregistreerd kassasysteem te beschikken, is duidelijk beschreven in de tekst van het koninklijk besluit. De verplichting is op 1 juli 2016 in werking getreden voor belastingplichtigen waarvan de jaaromzet -tijdens de referentieperiode die overeenkomt met het kalenderjaar 2015-, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, met betrekking tot de restaurant- en cateringdiensten, met uitsluiting van de diensten die bestaan uit het verschaffen van dranken, meer bedraagt dan 25.000 euro.
Het feit dat de referentieperiode voor de vaststelling van de drempel op 1 juli 2016 overeenstemt met het kalenderjaar 2015 is, verleent geenszins een "terugwerkende kracht" aan de verplichting om over een geregistreerd kassasysteem te beschikken, zoals de belastingplichtige in zijn betoog lijkt te suggereren.
Ten slotte is de geldboete wettig en in beginsel gerechtvaardigd. Het bedrag van de geldboete is zeker aanzienlijk, maar evenredig en redelijk in verhouding tot de aard van de inbreuk.
Het barema op grond waarvan de sanctie wordt opgelegd, werd aangenomen met het oog op het nastreven van de dubbele doelstelling van artikel 70, § 4, eerste lid WBTW, namelijk een ontradend effect te creëren voor de niet-nakoming van de verplichtingen en de belastingplichtigen ertoe aan te zetten hun fiscale verplichtingen na te komen en, in onderhavig geval, de niet-nakoming van deze verplichtingen te bestraffen naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding (Verslag aan de Koning (M.B., van 17 juli 2012) voorafgaand aan koninklijk besluit nr. 44 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde) (zie rechtbank van eerste aanleg, Bergen, 19 juni 2018, rolnr. RG 17/91/A, Rechtbank van eerste aanleg, Luik, 22 oktober 2018, rolnrs. 17/3238 en 17/4352).
Tekst van het arrest
Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal
Tekst van de beslissing
Cour d'appel Liège, de la Neuvième B chambre civile
Arrêt du 21-04-2023
Rôle : 2021/RG/446
EN CAUSE DE:
C. B. inscrit à la BCE sous le numéro 060...66 et domicilié à ...,
partie appelante,
comparaissant personnellement.
CONTRE:
ETAT BELGE, représenté par le Ministre des Finances, dont le cabinet est établi à 1000 BRUXELLES, rue de la Loi, 12, poursuites et diligence du Conseiller général, Directeur du centre PME Liège, dont les bureaux sont établis à 4000 LIEGE, rue de Fragnée, 2 boîte 73 et inscrit à la BCE sous le numéro 0308.357.159,
partie intimée,
comparaissant par Madame X, fonctionnaire d'administration fiscale.
Vu les feuilles d'audiences des 17 mai 2021, 20 mars 2023,
17 avril 2023 et de ce jour.
APRÈS EN AVOIR DÉLIBÉRÉ
Vu le dossier de procédure en forme régulière et notamment :
- le jugement du Tribunal de première instance de Liège, division Liège, du 19 janvier 2021;
- la requête d'appel reçue au greffe de la Cour le 26 avril 2021;
- les conclusions et le dossier de l'intimé.
I- Les faits et l'objet du litige
Sur ces points, la Cour se réfère à l'exposé du premier juge tel qu'il figure au jugement déféré sous le titre « FAITS ET ANTECEDENTS ».
Il suffit de préciser que la contestation concerne une amende de 1.500 euros qui a été reprise dans le procès-verbal du 22 août 2019 dressé à charge de l'appelant et est infligée en raison de l'absence de disposition d'un système de caisse enregistreuse (SCE en abrégé), constatée dans le procès-verbal du 9 juillet 2019, dans le chef de l'appelant qui est identifié à la TVA pour l'exploitation d'un restaurant1.
Par requête reçue au greffe le 12 septembre 2019, l'appelant a porté la contestation devant de Tribunal de première instance de Liège2•
En date du 11 décembre 2019, l'amende et les intérêts arrêtés au 11 décembre 2019 ont fait l'objet d'un avis de perception et de recouvrement TVA qui renseigne que la dette qui porte le numéro ... a été rendue exécutoire le 10 octobre 2019 à la suite de son inscription dans le registre de perception et de recouvrement en date du 7 octobre 20193.
Par jugement du 19 janvier 2021, le premier juge a dit le recours recevable mais non fondé et a condamné le requérant aux dépens liquidés à zéro euro.
Monsieur C. a interjeté appel de ce jugement par requête reçue au greffe de la Cour le 26 avril 2021.
Dans sa requête d'appel4, il critique que le procès-verbal reprenne le chiffre d'affaires de la case 2 correspondant au taux de 12 % de l'année 2016 entière pour établir que le seuil a été atteint, et soutient que l'on ne peut exclure que pour la période à partir de laquelle l'obligation de détenir la caisse enregistreuse est effective, soit à partir du 1er juillet 2016, le seuil n'était pas atteint.
À titre subsidiaire, il signale être dans une situation financière catastrophique, ayant dû fermer son établissement depuis le mois d'octobre 2020 en raison de la situation sanitaire l'empêchant de payer l'amende et d'installer la caisse enregistreuse conforme aux dispositions légales et réglementaires.
1 Cf. pièces 1 et 2 du dossier de l'intimé.
2 Cf. pièce 1 du dossier de procédure d'instance.
3 Cf. pièce 3 du dossier de l'intimé.
4 Il n'a pas conclu.
À l'audience du 20 mars 2023, l'appelant a plaidé que son restaurant se trouvait dans son domicile et qu'il ne pouvait y placer une caisse enregistreuse.
L'intimé conclut à la recevabilité mais au non-fondement de la requête d'appel, à la confirmation du jugement déféré dans toutes ses dispositions et à la confirmation de la dette.
Il- Discussion
En vertu de l'article 21bis, § 1, de l'A.R. n°1 relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée5, « L'exploitant d'un établissement où sont consommés des repas ainsi que le traiteur qui effectue des prestations de restauration sont tenus de délivrer au client, assujetti ou non-assujetti, le ticket de caisse prévu à l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur horeca, pour toutes les opérations qu'ils effectuent dans l'exercice de l'activité économique et qui ont un rapport avec la fourniture de repas et de boissons, que les boissons soient fournies ou non au cours du repas, en ce compris toutes les ventes de nourriture et de boissons dans cet établissement, lorsque le chiffre d'affaires annuel, hors taxe sur la valeur ajoutée, relatif aux prestations de services de restaurant et de restauration à l'exclusion des services qui consistent en la fourniture de boissons, excède 25.000 euros... ».
Il est notamment précisé au § 2 que « Pour les assujettis qui, à la date du 1er juillet 2016, exercent une activité de restaurant ou de restauration, la période de référence pour le calcul du montant du chiffre d'affaires visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, correspond à l'année calendrier 2015... ».
Le procès-verbal du 22 août 2019 constate le dépassement du seuil pour les années 2016, 2017 et 2018 et relève la constatation à la date du 28 juin 2019 de l'absence de disposition de caisse enregistreuse conforme à l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur de l'HORECA, selon le procès verbal de constatation du 9 juillet 20196
5 En sa version découlant de l'article 1 de l'arrêté royal du 16 juin 2016.
Ce dernier procès-verbal relève du reste le dépassement du seuil pour les années
2015 à 2017.
Il est clair que l'appelant est en infraction depuis le 1er juillet 2016 dès lors que le seuil est dépassé pour les années 2015, 2016, 2017 et 2018.
L'obligation de disposer d'une caisse enregistreuse conforme à la réglementation est d'application « lorsque le chiffre d'affaires annuel, hors taxe sur la valeur ajoutée, relatif aux prestations de services de restaurant et de restauration à l'exclusion des services qui consistent en la fourniture de boissons, excède 25.000 euros », ce qui est le cas lors des trois années prises en compte (2016 à 2018) dans le procès-verbal du 22 août 20197 de sorte que l'unique amende de 1.500 euros infligée pour cette période est justifiée.
Il importe peu à cet égard que le restaurant soit situé dans le domicile de l'appelant.
L'amende est conforme à la législation et il n'est nullement établi, et d'ailleurs pas allégué, qu'elle serait disproportionnée par rapport à l'infraction.
L'appelant ne produit aucun élément relatif à sa situation financière qui n'est du reste pas de nature à entraîner l'annulation de l'amende infligée qui est sollicitée.
Beschikkend gedeelte
PAR CES MOTIFS :
Vu l'article 24 de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire,
La cour, statuant contradictoirement,
Dit l'appel recevable mais non fondé.
Confirme le jugement déféré dans toutes ses dispositions et la dette portant le numéro ....
6 Cf. pièce 2 du dossier de l'intimé.
7 Et l'année 2015 selon le procès-verbal du 9 juillet 2019 auquel fait référence le procès-verbal du
22 août 2019.
Condamne l'appelant aux dépens d'appel de l'intimé non liquidés et lui délaisse ses propres dépens, en ce compris la contribution au fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne.
Constate l'exemption du paiement des droits de mise au rôle en application des articles 279 et 162, 4°, du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.
Ainsi jugé et délibéré par la NEUVIÈME chambre B de la cour d'appel de Liège, où siégeait le président prononcé en audience publique du 21 avril 2023.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.