Forfaitaire regeling voor foornijveraars, Algemene rechtsbeginselen, Gewettigd vertrouwen, Gelijkheidsbeginsel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 14 juni 2013

Zoeken

Forfaitaire regeling voor foornijveraars, Algemene rechtsbeginselen, Gewettigd vertrouwen, Gelijkheidsbeginsel

https://juriel.be/nl/rechtspraak/forfaitaire-regeling-foornijveraars-algemene-rechtsbeginselen-rechtbank-brussel-2013-06-14-d946

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
14 juni 2013

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
ongunstig voor de Belgische Staat

Tekst

129 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel dd. 14.06.2013

Belasting over de toegevoegde waarde – Forfaitaire regeling voor foornijveraars - Algemene rechtsbeginselen - Gewettigd vertrouwen - Gelijkheidsbeginsel - Boetes

Samenvatting

De belastingwetgeving is van openbare orde en verzet zich zodoende uit zijn aard tegen elke toepassing de onverenigbaar is met de uitgevaardigde voorschriften en tegen iedere vorm van ontwijking.

Het legaliteitsbeginsel laat niet toe dat een in het verleden toegepaste maar met de wet strijdige regeling wordt voorgehouden als een rechtmatige regeling waaruit eisende partij zou mogen begrijpen dat ze in de toekomst ook zal worden aanvaard.

Een opgelegde boete dient een zeker omvang te hebben wil zij een ontmoedigend karakter hebben.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 35ste kamer, dd. 14.06.2013

A.R. 2012/2204/A

In zake van:

Mevrouw F. V., wonende te ... ,

BTW nr ...

Vertegenwoordigd door Mr. G. loco Mr. D. advocaten met kantoor te ...

EISENDE PARTIJ

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie der directe belastingen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, voor wie optreedt de ontvanger van het B.T.W. ontvangkantoor Halle, met kantoren te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat nr. 32 Vertegenwoordigd door de heer J. A. en door de heer E. L., ambtenaren

VERWEERDER

In deze zaak, in beraad genomen op 9/04/2013, wordt door de rechtbank volgend

vonnis uitgesproken:

Gelet op:

• het gedinginleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie op 6/02/12;

• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen (art. 747 Ger. W.) dd. 20/04/12;

• de conclusies voor verwerende partij, neergelegd ter griffie op 28/02/13;

• de conclusies en syntheseconclusies voor eisende partij neergelegd ter griffie op 31/08/12 en op 31/01/13;

• het bundel met stavingstukken van verwerende partij neergelegd ter griffie op 18/05/12;

• het bundel met stavingstukken van eisende partij, neergelegd ter griffie op 31/01/13;

Gehoord de partijen ter openbare zitting van 9/04/2013 waarna, de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

Het geding heeft betrekking op een geschil inzake B.T.W. N.a.v. een controle door de diensten van verweerder m.b.t. de periode 1/01/2008-31/12/2009 werden door de optredende ambtenaar, althans naar zijn mening, inbreuken vastgesteld op de bepalingen van art. 45§2 W.B.T.W. en de bepalingen van art. 45§1 W.B.T.W.

Er werd een 'in regelstelling' voorgesteld aan eisende partij, die bij schrijven dd. 25/07/11 en bij aangetekend schrijven dd. 12/09/11 voor akkoord aan de belastingplichtige werd verzonden.

Bij schrijven dd. 29/09/11 verklaarde eisende partij zich niet akkoord met de voorgestelde inregelstelling correctieopgave en liet ze haar grieven geworden.

Omdat er, na een verbeterde inregelstelling overgemaakt aan eisende partij op 6/10/11 geen akkoord tussen eisende partij en verweerder tot stand kwam stelden de diensten van verweerder een proces-verbaal op aangaande de overtredingen van de B.T.W. wetgeving (pv dd. 28/10/11).

Vervolgens werd op 4/11/11 een dwangbevel uitgevaardigd door de Fiscale Administratie, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 9/11/11 dat op 16/11/11 middels aangetekend schrijven aan eisende partij werd betekend.

Volgens dit dwangbevel zou eisende partij volgende B.T.W. schuld hebben bij verweerder :

B.T.W. : € 5170,41

Geldboeten : € 760

Interesten : p.m.

D.m.v. verzoekschrift neergelegd ter griffie op 6/02/12 stelde eisende partij een vordering in rechte in en tekende eisende partij verzet aan tegen dit dwangbevel.

Voor de behandeling van dit geschil zijn voorts nog relevant dat eisende partij actief is als foornijveraar, en dientengevolge onderworpen aan de forfaitaire regeling voor foornijveraars.

De discussie tussen partijen spitst zich toe op het feit bij de (forfaitaire) berekening van de omzet voor de verkoop van frieten en wafels de vetstoffen ook als basis worden genomen.

2. VOORWERP VAN DE VORDERING

De vordering van eisende partij strekt ertoe het dwangbevel dd. 4/11/11 betekend op 16/11/11 te horen vernietigen en te horen zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van B.T.W., geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn.

In ondergeschikte orde vordert eisende partij het stellen van een prejudiciële vraag

aan het Grondwettelijk hof m.b.t. art. 56 W.B.TW.

Nog meer ondergeschikt vordert eisende partij de opgelegde boete geheel of gedeeltelijk te horen kwijtschelden.

Zij vordert tevens de veroordeling van verweerder tot de terugbetaling van alle op grond van voormeld dwangbevel reeds uitgevoerde betalingen of ingehouden bedragen ten titel van B.T.W., boetes of interesten meer wettelijke en gerechtelijke interesten en tot de betaling van de kosten van het geding.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.1. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist door verweerder. Nu er geen ambtshalve gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn dient de vordering ontvankelijk verklaard te worden.

3.1. Gegrondheid

Eisende partij voert aan dat :

- de Fiscale Administratie ten onrechte de beroepskosten m.b.t. het wassen van privélinnen met €200,OO vermindert;

- vetstoffen niet dienen te worden opgenomen in "de inkoopprijs van koopwaren en grondstoffen" in het berekeningsblad voor foornijveraars dat als grondslag dient voor het berekenen van het aan de BTW onderworpen omzetcijfer. I.v.m. worden de beginselen van behoorlijk bestuur geschonden (het vertrouwensbeginsel) en wordt het gelijkheidsbeginsel geschonden.

M.b.t. de bewering dat de Fiscale Administratie ten onrechte de beroepskosten m.b.t. het wassen van privélinnen met €200,00 vermindert

Uit de conclusies van verwerende partij (blz. 3 conclusies) blijkt dat verwerende partij beaamt dat dit middel gegrond is en er mee akkoord gaat de BTW vordering met €84,00 aan BTW rechten te verminderen evenals met de erop betrekking hebbende geldboeten.

M.b.t. het argument dat vetstoffen niet dienen te worden opgenomen in "de inkoopprijs van koopwaren en grondstoffen" in het berekeningsblad voor foornijveraars dat als grondslag dient voor het berekenen van het aan de BTW onderworpen omzetcijfer en de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur (het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel) in dat verband

Eisende partij stelt dat ze sedert jaren vetstoffen niet heeft opgenomen in de in "de inkoopprijs van koopwaren en grondstoffen" waarvan sprake in het berekeningsblad voor foornijveraars dat als grondslag dient voor het berekenen van het aan de BTW onderworpen omzetcijfer. Ze beschouwde steeds dat vetstoffen geen grondstoffen zijn, dit zonder tegenspraak vanwege de administratie.

Eisende partij meent dan ook dat het vertrouwensbeginsel inzake zou zijn geschonden (blz. 3 t.e.m. 7 syntheseconclusies). Het betreft hier een feitenkwestie en het legaliteitsbeginsel is niet aan de orde.

Daarnaast meent eisende partij dat het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden inzake (blz. 8 t.e.m. 10 synthesconclusies). Dit beginsel wordt geschonden omdat bij de berekening van de belastbare grondslag van frituurexploitanten met een vaste inrichting die opteren voor het forfaitaire stelsel de aangekochte vetstoffen niet worden betrokken. Een dergelijke handelswijze vormt een niet te verantwoorden verschil in behandeling van twee categorieën van belastingplichtigen, met name rondreizende frietkramen en frituurexploitanten met een vaste inrichting. Vandaar dat er een prejudiciële vraag aan het grondwettelijk Hof dient te worden gesteld m.b.t. art. 56 W.B.T.W. en zijn interpretatie.

Vetstoffen zijn een toegevoegd product waarvan de gebruikte hoeveelheid afhankelijk is van de uitbater. Door dergelijke berekeningsmethode worden frietkraamuitbaters onrechtstreeks aangespoord om hun vetstoffen zo weinig mogelijk te vervangen.

Verweerder stelt dat noch het vertrouwensbeginsel, noch het gelijkheidsbeginsel zouden zijn geschonden.

Beoordeling

In toepassing van art. 56§1 W.B.T.W. regelt t.a.v. de door hem te omschrijven kleine onder-nemingen de Koning de wijze waarop de administratie na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen forfaitaire grondslagen van aanslag vaststelt wanneer zulks mogelijk is.

De structuur en de organisatie van de forfaitaire regeling is opgenomen in het K.B. nr. 2 dd. 7/11/1969.

Eisende partij is onderworpen aan de forfaitaire regeling voor foornijveraars. Dit wordt niet betwist. Eisende partij had de vrije keuze om ofwel te opteren voor de gewone regeling, of deze forfaitaire regeling.

Volgens deze regeling wordt, in kraampjes die niet speciaal zijn uitgerust voor het verbruik ter plaatse het B.T.W. tarief van 6pct. Toegepast op de belastbare opbrengst van de verkochte waren.

Deze wordt als volgt bepaalt :

- m.b.t. frietkramen: de belastbare opbrengst van de in frietkramen verkochte waren (frieten en toegevoegde producten) wordt forfaitair bekomen door de inkoopprijs van de aangekochte grondstoffen (aardappelen, vetstoffen, pickles, mayonaise, worstjes, enz.), te vermenigvuldigen met 4,5

- m.b.t. gebak-, wafel-, ijsroomkramen alsook zelfbereide confiserie (bv. suikerspin, appels in rode siroop enz.) : de belastbare opbrengst van de in deze kramen verkochte waren wordt forfaitair bekomen door de inkoopprijs van de aangekochte grondstoffen (bloem, suiker, vetstoffen, enz.) te vermenigvuldigen met4.

Eisende partij betwist op zich deze forfaitaire regeling niet maar stelt dat de Fiscale Administratie m.b.t. eerdere belastbare periodes wel zou hebben aanvaard dat zij de aangekochte vetstoffen niet had mee opgenomen in het berekeningsblad bij de berekening van haar opbrengsten.

Het vertrouwensbeginsel is een door het Hof van Justitie algemeen erkend principe (HvJ 3 december 1998, C-381/97; HvJ 8 juni 2000, C-400/98, Breitsohl; HvJ 11 juli 2002, C-62/00, Marks & Spenser; HvJ 26 april 2005, C-376/02, Goed Wonen; HvJ 14 september 2006, C-181/04 en C-183/04, Elmeka), zowel inzake btw als inzake douanerechten (Zie ook: Casso10 december 2010).

Van zodra er sprake kan zijn van een gewettigd vertrouwen dat gecreëerd werd bij een belastingplichtige die te goeder trouw heeft gehandeld kan deze de vaste gedragslijn in roepen tegen de fiscus zelfs als hierdoor een wettelijke bepaling zou overtreden worden. .

Een manifeste onwettigheid kan geen gewekte verwachtingen creëren. Verkeerde informatie verkregen van een btw-controleur of het niet respecteren van duidelijke wettelijke bepalingen kunnen dus niet van die .aard zijn dat het primeren van het legaliteitsbeginsel wordt ontkracht. .

Het recht op rechtszekerheid van een individuele belastingplichtige is geen onbeperkt recht en moet onder omstandigheden wijken voor het legaliteitsbeginsel vervat in art. 170 G.W.

De beginselen van behoorlijk bestuur mogen het legaliteitsbeginsel niet terzijde schuiven : de belastingwetgeving is van openbare orde en verzet zich zodoende uit zijn aard tegen elke toepassing die onverenigbaar is met de uitgevaardigde voorschriften en tegen iedere vorm van ontwijking.

Het legaliteitsbeginsel laat niet toe dat een in het verleden toegepaste maar met de wet strijdige regeling wordt voorgehouden als een rechtmatige regeling waaruit eisende partij zou mogen begrijpen dat ze in de toekomst ook zal worden aanvaard.

Nu een belastingplichtige zich in een contra-legem situatie normaal gezien niet kan beroepen op de beginselen van behoorlijk bestuur (die het rechtszekerheidsbeginsel inhouden) (Cassatie 30 mei 2008, besproken in Fiskoloog, nr. 1124, blz 6 - 9) kan de argumentatie van eisende partij dienaangaande niet worden gevolgd.

Het recht op rechtszekerheid houdt niet in dat de belastingplichtige zich zou kunnen beroepen op de vroegere houding van het bestuur, zelfs constant gehandhaafd gedurende meerdere tijdperken , die in zijnen hoofde geen gerechtvaardigde overtuiging heeft kunnen doen ontstaan dat het bestuur afzag van de strikte toepassing van de wet.

(vgl. Brussel 27 mei 2010, AR 2005/AR/1391 : Het rechtszekerheidsbeginsel impliceert geenszins dat dat de belastingplichtige die met het bestuur een akkoord heeft bereikt over een regeling die in strijd is met wetsbepalingen, van het bestuur de toepassing van een dergelijk akkoord kan eisen; dergelijk akkoord heeft immers te zijnen aanzien geen gewettigde verwachtingen kunnen doen ontstaan; zie ook Brussel29 januari 1999, Fiscoloog, 709/12).

Dit middel van eisende partij is dan ook ongegrond.

Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat de overheid haar burgers niet mag discrimineren. Het is verankerd in de artikelen 10 en Il van de Grondwet.

Art. 172 G.W. poneert het gelijkheidsbeginsel in fiscale aangelegenheden.

Het gelijkheidsbeginsel impliceert een gelijkheid voor de wet (VANDELANOTTE J. en GOEDERTIER G., De gemeentelijke belastingbevoegdheid, Die Keure, Brugge, 1996, 109).

Volgens het Hof van Cassatie betekent het gelijkheidsbeginsel dat de grondwettelijke regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie inzake belastingen er niet aan in de weg staan dat een verschillende fiscale .behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve redelijke verantwoording bestaat. De al dan niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel (zie o.m. Cassatie 8 juni 2006, F.J.F., 2006, 857).

Om een schending van het gelijkheidsbeginsel aan te tonen dient de belastingplichtige te bewijzen dat de aangevoerde verantwoording, in het algemeen beschouwd, onwettig, onredelijk of niet objectief is (Gent 1 maart 2001, T.F.R., 2001, 929).

Enkel indien de belasting kennelijk onredelijk is zal de rechter kunnen ingrijpen.

De rechter mag niet overgaan tot een opportuniteitscontrole (VERLINDEN L. en ENGELEN B., Fiscale rechtspraakoverzichten - lokale belastingen 2000 -2005, T.F.R., 2007, 234).

Het discriminatieverbod implicideert weliswaar dat het decreet op een gelijke wijze wordt toegepast, het gaat dan om de gelijkheid voor het decreet.

Het handhaven van de gelijkheid voor het decreet is evenwel niet de opdracht van het Grondwettelijk Hof, dat enkel de gelijke behandeling door het decreet onderzoekt.

Wanneer eisende partij meent dat de schending van het gelijkheidsbeginsel zou bestaan uit het feit dat er een onderscheiden regeling/behandeling voor twee categorieën van belastingplichtigen (uitbaters van rondreizende frietkramen en frituurexploitanten met een vaste inrichting) georganiseerd is dan kan zij daarin niet worden gevolgd.

Eerstens omdat eisende partij tot geen van beide categorieën behoort, ze verkoopt namelijk niet alleen frieten maar ook wafels en behoort zodoende tot een groep frituurexploitanten die (ook) voedingswaren verkopen die niet worden beschouwd als gebruikelijk in een frietkraam worden verkocht en tweedens omdat het twee duidelijk verschillende categorieën betreft (vaste richting met klantenbestand en andere kostenstructuur versus mobiele inrichting zonder klantenbestand en andere kostenstructuur).

Overeenkomstig artikel 26, § 2, 2° van de wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) is een rechtscollege niet gehouden in te gaan op het verzoek van één of meerdere partijen om aan dit Hof een prejudiciële vraag te stellen indien het Grondwettelijk Hof hierover reeds uitspraak heeft gedaan, of indien er klaarblijkelijk geen schending is van de opgeworpen grondwettelijke bepalingen of nog indien het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om het geschil te beslechten.

Dit middel van eisende partij is ongegrond.

M.b.t. de boete

De inzake in toepassing van art. 70§1 en opgelegde boete is een administratieve sanctie.

Krachtens artikel 70, §1, van het BTW-wetboek, wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.

De verplichting tot het betalen van een boete vindt haar oorsprong in de wet en is verbonden aan het materieel feit der overtreding.

Krachtens artikel 84 van dat wetboek, wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

In toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten werd de boete inzake door de fiscale administratie verminderd.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vgl. Cassatie 13/02/2009, arrest nr. F. 06.0106.N, www.cass.be).

Inzake wordt niet aangetoond dat de opgelegde sanctie in strijd zou zijn met dwingende rechtsregels van het internationale recht of fundamentele algemene rechtsbeginselen.

De rechter kan niet alleen een wettigheidscontrole doorvoeren maar heeft ook een toetsingsrecht dat hem toelaat na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk.

Uit het dossier blijkt dat de gesanctioneerde inbreuken o.m. inbreuken zijn op het KB nr. 20 dd. 20/07/70 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot de indeling van goederen en diensten bij die tarieven.

Het is aan de rechtbank niet toegelaten om loutere redenen van billijkheid of opportuniteit de door de wet opgelegde geldboete te verminderen of kwijt te schelden (vgl. Cass., 21 januari 2005, www.cass.be).

Een boete van €760,00 komt evenwel verantwoord voor in voorliggende zaak volgens de rechtbank.

De boete dient een zekere omvang te hebben wil zij een ontmoedigend karakter hebben.

Dit middel van eisende partij is ongegrond.

De vordering van eisende partij dient bijgevolg gedeeltelijk gegrond te worden verklaard.

4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Aangezien de vordering van eisende partij ontvankelijk is en deels gegrond, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van verwerende partij.

Uit het dossier blijkt dat de waarde van het geschil zich situeert beneden de €250,00.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding in toepassing van de bepalingen van het KB dd. 26 oktober 2007 begroot worden op € 165,00. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.

Uit het dossier blijkt dat partijen het erover eens zijn dat (in toepassing van de bepalingen van het KB dd. 26 oktober 2007) de rechtsplegingsvergoeding op €1 1 00 dient te worden begroot.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4,37,41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk en in hiernavolgende mate gegrond;

Vernietigt het bestreden dwangbevel in de mate het betrekking heeft op de €84,00 en de daaraan verbonden boete (de BTW op de €200 wasserijkosten die wel mag in aftrek worden gebracht);

Veroordeelt verwerende partij tot de kosten van het geding, in hoofde van eisende partij begroot op € 165,00 rechtsplegingsvergoeding;

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 14 juni 2013.

Waar aanwezig waren en zitting namen:

De heer L. : rechter

Mevrouw L.D. : afgevaardigd-griffier.

Aangehaalde teksten

8

Vergelijkbare beslissingen

8