Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 18.12.2014 (F.13.0174.F)
Dwangbevel - geldigheid dwangbevel – bestuurshandeling – motivering bestuurshandelingen
Samenvatting
In zijn arrest van 20 juni 2013, oordeelde het Hof van Beroep van Brussel dat het dwangbevel en het desbetreffende proces-verbaal niet voldoende gemotiveerd waren volgens de voorschriften van de wet van 29 juli 1991, betreffende de uitdrukkelijke motivering bij bestuurshandelingen. Ondanks het feit dat de wijze van berekening van het algemeen verhoudingsgetal door de administratie erin vermeld is, bevat het proces-verbaal geen enkel feitelijk element dat gebruik van het belastingregime van art. 46 Btw Wetboek rechtvaardigt.
Het arrest van het Hof van Beroep maakt melding van gegevens met betrekking tot de afgifte van het dwangbevel, het opstellen van het proces-verbaal en de vestiging van de belasting. De vaststellingen die het Hof van Beroep vermeldt en die ook opgenomen zijn in het dwangbevel en het desbetreffende proces-verbaal, die ter kennis gebracht zijn van de verweerster, vermelden de hoedanigheid van de schuldenaar, het belastbaar feit, de omvang en de oorzaak van opeisbaarheid van de fiscale schuld.
Het Hof van Cassatie besluit dat het Hof van Beroep er niet in geslaagd is, zonder schending van het art. 3 van bovenvermelde wet van 29 juli 1999, te beslissen dat het betwiste dwangbevel niet voldoende gemotiveerd is volgens de voorschriften van deze wet, wanneer het geen enkel feitelijk element bevat dat het gebruik van het belastingregime volgens art. 46 Btw Wetboek bij verweerster rechtvaardigt.
Waarnemingen
In deze is het nuttig om het arrest F.06.0077.F van het Hof van Cassatie van 22 mei 2008, te vermelden:
“Hieruit blijkt dat het dwangbevel, dat aan de rechtsvoorgangster van de verweersters ter kennis is gebracht, het belastbaar feit, de omvang en de oorzaak van de fiscale schuld vermeldt, en aldus de afdoende motieven vermeldt waarop het is gesteund”
Wetgeving
Art. 3 van de wet van 29 juli 1991, betreffende de uitdrukkelijk motivering bij bestuurshandelingen
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 18.12.2014
(F.13.0174.F)
BELGISCHE STAAT, minister van Financiën, Mr. …., advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
B. bvba.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieverzoekschrift is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 juni 2013.
Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in het cassatieverzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Krachtens artikel 85, § 1, eerste lid, Btw-wetboek wordt, bij gebreke van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren, door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd.
Dat dwangbevel is een bestuurshandeling waarop de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen van toepassing is.
Volgens artikel 3 van die wet moet de administratie de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die ten grondslag liggen aan het uitgevaardigde dwangbevel. De motivering moet bovendien afdoende zijn.
Een afdoende motivering moet de bestemmeling de mogelijkheid bieden de gronden te kennen van de beslissing die hem aanbelangt. Het afdoende karakter hangt af van het geheel van de omstandigheden van de zaak.
Inzake belasting over toegevoegde waarde vormt het dwangbevel, enerzijds, een taxatietitel die de belastingschuld concretiseert bij gebrek aan spontane en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting, en, anderzijds, een akte die geldt als uitvoerbare titel met het oog op de invordering van die belastingschuld. Het feit dat het dwangbevel de belastingschuld concretiseert, houdt in dat het belastbare feit, het bedrag en de hoedanigheid van de schuldenaar worden gepreciseerd.
Ook al komt het de feitenrechter toe om in feite te oordelen of de motivering van de beslissing afdoende is, toch mag hij het wettelijke begrip van de motiveringsplicht die rust op de overheden, niet miskennen.
Het arrest stelt vast dat "het dwangbevel verwijst naar een proces-verbaal van regularisatie van 6 mei 1996 [...] waarvan [de verweerster] kennis heeft gekregen" en "waaruit blijkt dat [de verweerster] ten onrechte de volledige btw op de in een eerder stadium verrichte handelingen heeft afgetrokken, terwijl zij een gemengde belastingplichtige was en zij, volgens de administratie, toepassing had moeten maken van het in artikel 46, § 1, Btw-wetboek bepaalde algemeen verhoudingsgetal inzake aftrek", en dat "de verificateur, die het proces verbaal heeft opgemaakt, het algemeen verhoudingsgetal inzake aftrek voor de kalenderjaren 1993, 1994 en 1995 vastgesteld heeft op respectievelijk 0 pct., 2 pct. en 6 pct. De verificateur heeft de aftrekbare bedragen verhoogd voor de kalenderjaren 1993, 1994 en 1995, en heeft de terugbetaling gevorderd van respectievelijk 390.468 frank, 317.312 frank en 309.106 frank, zijnde een totaal van 1.016.876 frank, dat [de verweerster] ten onrechte had afgetrokken".
Het arrest stelt aldus vast dat het dwangbevel, dat verwees naar dat proces-verbaal, dat ter kennis van de verweerster is gebracht, de hoedanigheid van de schuldenaar, het belastbare feit, de omvang en de oorzaak van de belastingschuld vermeldt.
Het hof van beroep schendt artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 wanneer het beslist dat het litigieuze dwangbevel in het licht van de vereisten van de wet niet afdoende is gemotiveerd omdat het geen enkel feitelijk gegeven bevat dat verantwoordt waarom de regeling van artikel 46 Btw-wetboek op de verweerster wordt toegepast.
In zoverre is het middel gegrond.
Overige grieven
De overige grieven hoeven niet nader onderzocht te worden. Ze kunnen immers niet tot ruimere cassatie leiden.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het verweersters hoger beroep ontvankelijk verklaart.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door …
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer ….
De griffier,
De raadsheer,
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
2Rechtspraak
1België
1Hof van beroep te Bergen2023/RG/33011.02.2026