Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 06.04.2000
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste kamer
Algemene Rol Nr. 97/3645/A
Verzet tegen dwangbevel
Op tegenspraak
Eindvonnis
In zake van :
DE NV B. P., met maatschappelijke zetel te … …, Handelsregister Brussel nr. …,
eiseres,
vertegenwoordigd door Meester G. D. N. in eigen naam en loco Meester T. O., advocaten te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in vervolging en benaarstiging van de Heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Vilvoorde, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1800 Vilvoorde, Financiecentrum, Grenstraat 51-57, alwaar woonstkeuze werd gedaan,
verweerder,
Vertegenwoordigd door Meester J. D. S. loco Meester J. H., advocaat te …, ….
In deze zaak, in beraad genomen op 24 december 1999, spreekt de rechtbank het volgend vonnis uit :
Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde procedurestukken, inzonderheid :
- het verzet tegen dwangbevel met dagvaarding overeenkomstig art. 89 wetboek BTW, betekend bij exploot van 12 maart 1997 van gerechtsdeurwaarder H. v. H., verblijvende te …;
- de beschikking conform artikel 747, par. 2 Gerechtelijk Wetboek, uitgesproken door de 24ste kamer van deze Rechtbank op 27 november 1998;
- de besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie op 28 mei 1998, haar aanvullende conclusie en tweede aanvullende conclusie, neergelegd ter griffie op 26 februari 1999 en 14 september 1999;
- de besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op 22 januari 1998. diens aanvullende besluiten, tweede aanvullende besluiten en derde aanvullende conclusies, neergelegd ter griffie op respectievelijk 20 juli 1998, 13 april 1999 en nogmaals op 29 juni 1999. en op 5 oktober 1999.
Gehoord de raadslieden van partijen in hun pleidooien ter zitting van 24 december 1999, datum waarop de stavingsstukken neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd;
1. Relevante feiten en voorgaanden
Gedurende het jaar 1992 werden door de BVBA M., op dat ogenblik gevestigd te …, …, aan eiseres 10 facturen voor een totaal bedrag van 11.659.000 BEF uitgereikt, met meestal als dienstverrichting "vervangen van houten publiciteitspanelen door aluminiumborden", of een gelijkaardige vermelding.
Op 28 april 1994 werd door de gewestelijke directeur van de directie van de BTW te Hasselt een kennisgeving aan de procureur des Konings te Leuven gericht, lastens ondermeer de BVBA M. en haar zaakvoerder, …. De kennisgeving maakte ondermeer melding van het vermoeden dat de BVBA M. valse facturen uitreikte aan een aantal bedrijven die allen gevestigd zijn te …, …. Eén van de afnemers waarvan vermoed werd dat zij valse facturen zou ontvangen hebben, is de huidige eiseres NV B. P., die eveneens op dit adres gevestigd was.
De hogervermelde tien facturen werden uitgereikt voor een totaal bedrag van 11.659.000 BEF + 2.234.310 BEF BTW.
Bij het parket te Hasselt werd een gerechtsdossier (not. Nr. …) geopend lastens …. Op 12 februari 1996 werd door de heer Procureur-Generaal van het Hof van Beroep te Antwerpen aan de administratie van de BBI toelating verstrekt om het gerechtsdossier te raadplegen. In de processenverbaal van de gerechtelijke politie te Hasselt verklaarde dat de BVBA M. facturen uitreikte aan de NV B. P. die betrekking hebben op het leveren en plaatsen van aluminium reclamepanelen op plaatsen waar tot dan toe houten reclameborden van de NV B. P. stonden. Deze zouden worden vervangen door panelen in aluminium.
… verklaarde dat al deze facturen fictief zijn en dat de gefactureerde handelingen nooit hebben plaatsgevonden. Door de heer L. J., Officier van de gerechtelijke Politie, hulpofficier van de heer procureur des Konings te Hasselt, werd inderdaad vastgesteld dat er met name in Tongeren op de plaatsen vermeld in factuur nr. 0104/92 ten tijde van de vaststelling houten i.p.v. aluminium panelen aanwezig waren, vaststellingen die hij opnam in het proces-verbaal nr. … d.d. 14 december 1995.
In een later opgemaakt proces-verbaal trok … zijn verklaringen echter weer in en beweerde hij dat hij wel degelijk aan de betreffende panelen heeft gewerkt, doch dat het op een aantal plaatsen slechts een herstelling, soms miniem, betrof in plaats van het volledig vervangen van een houten paneel door een aluminium paneel. Deze beweringen stemmen niet overeen met de vermeldingen op de facturen.
Door de 9e BBI Brussel werd op een aantal plaatsen nagegaan of er zich daadwerkelijk aluminium reclamepanelen van de firma B. P. bevonden. Volgens vier processen-verbaal van vaststelling, werden in totaal 63 plaatsen bezocht; slechts op 9 plaatsen waren er daadwerkelijk aluminium panelen aanwezig; op 26 plaatsen waren er geen reclamepanelen meer aanwezig en op 28 plaatsen bevonden zich nog steeds houten panelen. Deze 63 plaatsen werden alle vermeld op de eerste 9 facturen. Voor wat betreft de vermeldingen op de 10e factuur (6 april 1992), werden geen vaststellingen ter plaatse gedaan.
Intussen was door de 9e BBI reeds schriftelijk informatie opgevraagd bij de NV B. P. op 2 september 1996 met een herinnering op 30 oktober 1996. De NV B. P. reageerde op 26 november 1996 en meldde geen enkele aankoopfactuur ontvangen te hebben van BVBA M. tijdens de boekjaren 1993-94 en 1995.
Op 9 januari 1997 werd op de kantoren van eiseres, na schriftelijke voorafgaande aankondiging d.d. 7 januari 1997 per fax, de boekhouding ingekeken en werd vastgesteld dat de betreffende BTW wel degelijk in aftrek was gebracht.
Op 14 januari 1997 werd een ontwerp van proces-verbaal aan de NV B. P. overgemaakt en werd gevraagd een verklaring van afstand van de verlopen tijd der verjaring te ondertekenen. Volgens de Belgische Staat bleek uit telefonisch contact met …, bestuurder en de heer …, gevolmachtigd boekhouder, dat de NV B. P. niet bereid was het document van afstand te ondertekenen en zich evenmin kon akkoord verklaren met de inhoud van het ontwerp van proces-verbaal. De NV B. P. reageerde, naar zeggen van de Belgische Staat, daarna ook schriftelijk via haar raadsman op 23 januari 1997, doch het desbetreffend bewijsstuk nr. 23 bevindt zich, hoewel geïnventariseerd, niet in het bundel van de administratie.
In een onderhoud op kantoor d.d. 3 februari 1997 met de raadsman van eiseres, heer D. N. zou deze uiteengezet hebben dat de prijs op de facturen (50.000 BEF per bord) een forfaitair berekende prijs was en dat de prijs van een nieuw aluminium reclamebord veel hoger lag dan 50.000 BEF. Volgens de raadsman was de lage prijs per bord Op de facturen het gevolg van een soort compensatie : aan sommige borden gebeurde volgens hem enkel een herstelling. Volgens de heer D. N. was alles te herleiden tot een geval van foutieve vermeldingen op de facturen; foutieve vermeldingen die inhoudelijk en niet vormelijk van aard zijn en niet van die aard dat zij een controle en taxatie bemoeilijken. Volgens de heer D. N. waren deze foutieve vermeldingen op de facturen niet van die aard dat zij het verwerpen van de aftrek van de BTW rechtvaardigden.
De heer D. N. liet … betalingsbewijzen faxen.
Om de argumentatie van de heer D. N. te kunnen onderzoeken, verzocht verweerder hem om zo snel mogelijk een aantal documenten en gegevens te bezorgen, doch volgens de administratie werden deze gegevens, de eerste keer mondeling opgevraagd d.d. 3 februari 1997, nooit verstrekt. De raadsman zou in die periode ook telefonisch meegedeeld hebben dat hijzelf niet gemachtigd was de verklaring van verzaking te ondertekenen, dat men bezig was de gevraagde documenten te verzamelen, en dat op dat moment een deel van de schuld reeds verjaard was.
Na het niet-akkoord en de weigering van de NV B. P. de verklaring van verzaking aan de verlopen tijd der verjaring te ondertekenen, werd een definitief proces-verbaal opgemaakt d.d. 12 februari 1997. Op grond van dit proces-verbaal werd op 13 februari 1997 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 14 februari 1997 overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW per aangetekende brief aan eiseres werd betekend.
In de brief d.d. 14 februari 1997 werd eiseres duidelijk gemaakt dat de betekening van het dwangbevel op dat ogenblik enkel diende tot stuiting van de verjaring van de vordering.
Op 12 maart 1997 werd tegen dit dwangbevel verzet aangetekend met dagvaarding voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel.
Op 5 maart 1997 werd nogmaals een vraag om inlichtingen en documenten naar de NV B. P. toegestuurd. Op 26 maart beloofde de heer D. N. dat de gevraagde bewijsstukken op korte termijn zouden verstrekt worden. Op 28 april 1997 bracht … persoonlijk een aantal documenten naar kantoor. De gevraagde documenten inzake de transactie M./B. P. werden echter niet verstrekt.
Na meerdere telefonische en schriftelijke contacten, ontving de administratie uiteindelijk op 8 augustus 1997 een aangetekend schrijven van advocaat G. D. N., waarin hij stelt dat hij uit de door B. P. aan hem overgemaakte stukken afleidt dat … niet de gefactureerde diensten en/of leveringen terzake de reclameborden heeft uitgevoerd, doch wel beloofde dit alsnog te zullen doen. De NV B. P. is volgens de heer D. N. dan ook het slachtoffer geworden van een nalatige medecontractant en, nog volgens de heer D. N., had … nog tot eind 1997 de tijd om de contractuele verplichtingen na te komen. De heer D N. vroeg hierbij ook een onderhoud met de diensten van de BBI.
Bij deze brief bevond zich een kopie van een overeenkomst tussen de NV B. P. en … (M.) d.d. 15 februari 1996 waarin staat dat door de NV B. P. zelf in januari 1996 werd vastgesteld dat … geen enkel houten reclamebord had vervangen. Verder werd er in overeengekomen dat … er zich toe verbond de houten borden die door hem niet vervangen werden en waarvan de NV B. P. hem een overzicht zou geleverd hebben, alsnog te vervangen door aluminium borden en dat … hiertoe de tijd kreeg tot eind 1997. … verbond er zich toe, nog steeds volgens het bovenvermeld contract, voor alle veroordelingen die de NV B. P. ingevolge zijn nalatigheid zou oplopen, zelf ten persoonlijke titel in te staan.
Als bijlage bij deze brief is een brief bijgevoegd gedateerd 5 maart 1996 waarin de NV B. P. ten behoeve van … M. een overzicht overmaakt van de reclameborden die nog niet werden vervangen. Aan deze brief waren twee alfabetische lijsten gehecht waarop een groot aantal borden voorkomen, gerangschikt per gemeente.
Op vraag van eiseres vond op 24 september 1997 een onderhoud op kantoor plaats : er werden een aantal foto's voorgelegd van een aantal borden van B. P.. Deze controle waarvan de foto's als bewijsmateriaal dienen zou de aanleiding gevormd hebben tot het opstellen van het contract met ….
2. Vorderingen van de partijen
De vordering van eiseres strekt er toe de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, en dienvolgens :
- het dwangbevel door verweerder uitgevaardigd op 13 februari 1997 onder refertenummer …, nietig te verklaren in al zijn bepalingen, en te zeggen voor recht dat de door verweerder in dit dwangbevel gevorderde bedragen onverschuldigd zijn;
in ondergeschikte orde :
- vast te stellen dat de vordering van verweerder verjaard is ten belope van 1.454.310 BEF in hoofdsom;
- ingeval de rechtbank van oordeel is dat de door verweerder gevorderde hoofdsom aan BTW geheel of gedeeltelijk verschuldigd is, te zeggen voor recht dat de administratieve geldboete 20 % bedraagt van de verschuldigde belasting, zulks in toepassing van het KB nr. 41 d.d. 30 januari 1987, Bijlage, Tabel A, Afdeling 1, IV;
- verweerder te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, zulks met inbegrip van de voorziene rechtsplegingsvergoeding.
De Belgische Staat vraagt het verzet ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, eiseres in haar eis af te wijzen en haar te veroordelen tot de kosten van het geding.
3. Ten gronde
In eerste instantie beroept eiseres zich, zij het ondergeschikt, op de verjaring van - minstens een deel van - de verschuldigde belasting.
Zij meent dit de vordering van de administratie ontstaat op het ogenblik dat de aftrekbare belasting verschuldigd wordt, en dat is, in haar ogen, conform de artt. 17 en 22 W.BTW, op het ogenblik van de voltooiing van de dienst, tenzij voor dat tijdstip de prijs of een deel ervan gefactureerd wordt. Op dat ogenblik ontstaat volgens haar ook het recht op aftrek, en dat betekent volgens haar dat de gevorderde BTW die verband houdt met de facturen afgeleverd vóór 14 februari 1992, verjaard is. Zij voegt hier nog aan toe dat de administratie de datum van het ontstaan van het recht op aftrek (d.i. de facturatiedatum), verwart met de datum van uitoefening van dat recht (d.i. de periodieke BTW-aangifte).
Krachtens artike 81, eerste lid, van het Wetboek, samengelezen met art. 53, 3) en 4°, verjaart de vordering tot voldoening van de BTW, van de interesten en van de administratieve geldboeten door verloop van vijf jaar. (Zie o.m. "Fiscale Documentatie VANDEWINCK.ELE, deel XIV, BTW", Diegem, CED·SAMSOM, losbladig, nr. 81/17).
De verjaringstermijn begint te lopen op de dag waarop de vordering is ontstaan. Aldus ontstaat de vordering wanneer voor de voldoening van de BTW een aangifte moet worden ingediend (BTW-aangifte, bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3° van het Wetboek; de aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1° van het Wetboek; de aangifte in te dienen door de toevallige belastingplichtige m.b.t. de vervreemding van een gebouw) : in principe bij het verstrijken van de indieningstermijn van de aangifte waarin de verschuldigde BTW moet zijn opgenomen.
Dezelfde termijn geldt voor de administratieve geldboete die verschuldigd is ingevolge artikel 70, § 1, van het Wetboek wegens niet-betaling, of niet tijdige of ontoereikende betaling.
Uit de bedoeling van de wetgever blijkt duidelijk dat de indiening zelf van de periodieke BTW-aangifte een specifieke vordering doet ontstaan tot voldoening van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, waarvan de opeisbaarheid uit die aangifte blijkt en waarvan de verjaringstermijn die van vijf jaar is, bepaald in artikel 81, eerste lid, van het Wetboek. Daarenboven houdt deze aangifte een vrijwillige schulderkentenis door de belastingplichtige in van de belasting die erin werd opgenomen en vormt ze aldus een akte van stuiting van verjaring die eveneens de nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar, bepaald in artikel 83 van het Wetboek, doet lopen te rekenen vanaf de datum van de werkelijke indiening van de aangifte.
In deze zaak was de indieningsdatum van de aangifte 20 februari 1992, en de verjaring trad dus in op 20 februari 1997. Nu het dwangbevel betekend werd op 14 februari 1997, is de vordering van de administratie niet verjaard.
Verder meent eiseres dat zij principieel recht heeft op de BTWaftrek, omdat het door het bestemmingsprincipe zou volstaan dat de goederen aan de belastingplichtige gefactureerd zijn, zonder dat het in beginsel noodzakelijk is dat de goederen ook geleverd zijn.
Zij meent dat het feit dat de prestaties van de BVBA M. weliswaar gefactureerd. doch niet uitgevoerd werden, in deze irrelevant is daar in feite door de BVBA M. gefactureerd werd voor het tijdstip van levering of dienstverrichting. Zij herinnert er aan dat er facturen bestaan die conform zijn aan artikel 2, 3°, 4° KB nr. 1 en stipt nog aan dat de onregelmatigheden die zouden blijken uit de boekhouding van NV P., een vennootschap waarvan … tevens bestuurder was, en die bepaalde BTW-bedragen die door BVBA M. aan haar gefactureerd werden, niet aan de Schatkist zou gerestitueerd hebben, niet ter zake doen.
Het al dan niet in aftrek brengen, of het al dan niet restitueren van BTW tussen haar medecontractant (BVBA M.), en … desgevallend verbonden vennootschappen of onderaannemers van betreffende medecontractant is volgens eiseres niet relevant om haar recht op BTW-aftrek te beoordelen, te meer daar verweerder naar haar mening op geen enkele wijze enige betrokkenheid aantoont van eiseres bij hogervermelde facturaties tussen BVBA M. en NV P..
Als voorwaarde voor het bestaan van het recht op aftrek geldt dat de voorbelasting geheven moet zijn op een uitgave die voor het geheel de tegenprestatie vormt van een werkelijk bestaande en oprechte handeling die effectief ten behoeve van de belastbare handeling wordt gebruikt.
De belastingplichtige mag vooraf beoordelen welk gebruik hij vermoedelijk gaat geven aan de ontvangen goederen en diensten. Hij is dus niet verplicht zijn aftrek uit te stellen tot de ontvangen goederen en diensten effectief dat gebruik of die bestemming gekregen hebben.
Uit het bestemmingsprincipe van artikel 45, § 1 W.BTW volgt echter dat de belastingplichtige zelf het bewijs moet leveren dat het door hem uitgeoefende recht op aftrek bestaat, m.a.w. dat de door hem ontvangen leveringen van goederen en dienstverrichtingen gebruikt werden voor het verrichten van handelingen die recht op aftrek verlenen.
In feite moet de belastingplichtige voor iedere aftrek bewijzen dat de goederen en de diensten waarvoor hij zijn aanspraak op aftrek laat gelden, in werkelijkheid bestaan en effectief voor het verrichten van de in artikel 45, § 1, 1° tot 5° opgesomde handelingen gebruikt worden. Hij is ertoe gehouden het bewijs te leveren dat het recht op aftrek uitgeofend werd aan de hand van een naar de vorm regelmatige factuur, d.w.z. een factuur die is opgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1.
Uit artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit nr. 3 mag echter niet worden afgeleid dat het voor de verkrijging van het recht op aftrek voldoende is in het bezit te zijn van een factuur die aan de voorschriften van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1 voldoet. Aan dit artikel kan niet de draagwijdte worden toegekend dat een factuur op zichzelf een recht op aftrek doet ontstaan.
Een naar de vorm regelmatige factuur brengt geen bewijs bij dat de wettelijke voorwaarden voor het bestaan van een recht op aftrek vervuld zijn en is onvoldoende om dat recht aanneembaar te maken. Het feit dat voor de verkrijger het recht op aftrek doet ontstaan, is de handeling die zijn leverancier schuldenaar heeft gemaakt van de belasting. De factuur zelf maakt dit ontstaansfeit niet uit, maar is enkel het instrument dat de verrichting vaststelt.
De formele voorwaarde, namelijk de vermelding van de belasting op de factuur, is slechts ondergeschikt ten aanzien van de essentiële voorwaarde, namelijk de verwezenlijking van een handeling die aan de belasting is onderworpen.
Uit het Proces-Verbaal van 12 februari 1997 van de 9° inspectie van de BBI-Brussel, blijkt dat de kwestieuze facturen werden uitgereikt voor een totaal van 11.659.000 BEF, exclusief BTW, en dat … eerst voorhield dat het fictieve facturen betrof, en deze verklaringen vervolgens introk. Verder blijkt volgens dit PV dat bij de steekproefsgewijze onderzoeken ter plaatse op 20/12/96, 30/12/96 en 21/01/97 werd vastgesteld dat er zich op de verschillende adressen, die voorkomen op de facturen, geen aluminium reclamepanelen bevinden, doch wel houten reclameborden.
Bij het onderzoek der facturen, de raadpleging van het gerechtsdossier en de vaststellingen ter plaatse werden volgens het PV de volgende onwaarschijnlijkheden vastgesteld :
- … verklaart dat de facturatie van M. aan B. P. vals is (later trekt hij deze verklaringen in en beweert dat er aan de borden slechts een gedeeltelijke herstelling gebeurde : dit (...) stemt niet overeen met de omschrijvingen op de facturen).
- … verklaart dat de door hem opgestelde facturen van de BVBA P. (voor het vervaardigen en leveren van de reclameborden voor M.) fictief zijn en dat M. zelf niet de middelen had om de borden te produceren. De gefactureerde handelingen kunnen dus onmogelijk met de werkelijkheid overeenstemmen.
- uit de vaststellingen ter plaatse blijkt dat op een aantal onderzochte plaatsen, waar volgens de facturatie in 1992 aluminium constructies zouden zijn aangebracht, er op het moment van de vaststellingen geen aluminium constructies werden aangetroffen, doch nog steeds oude, houten reclameborden.
Volgens de Heer S., verificateur-verbalisant toont dit alles aan dat de handelingen, zoals omschreven op de uitgereikte facturen van de BVBA M. aan de NV B. P., in werkelijkheid nooit hebben plaatsgevonden.
De verificateur-verbalisant maakt daaruit volgende gevolgtrekkingen :
"Van de NV B. P. dient te worden gesteld :
- dat zij facturen heeft ontvangen van de BVBA M. met als voorwerp dienstprestaties die in werkelijkheid nooit hebben plaatsgevonden.
- dat de bovenvermelde facturen, waarvoor de BTW in aftrek werd gebracht, niet conform zijn aan de bepalingen van artikel 3, § 1, 10 van het KB nr. 3 van 10/12/69 en artikel 2, 30 en 40 van het KB nr. 1 van 23/07/69, in die zin dat de op de facturen vermelde handelingen niet met de werkelijkheid overeenstemmen.
- dat zij bij gevolg de BTW vermeld op de hogervermelde facturen ten onrechte in aftrek heeft gebracht via haar periodieke BTW-aangiften.
- dat de aftrek van de BTW op de hogervermelde facturen moet verworpen worden en dat de NV B. P. bijgevolg de BTW verschuldigd is nl. : 2.234.310 BF".
Eiseres betwist deze vaststellingen niet, doch wel het besluit dat de facturen fictief zouden zijn, en beweert het slachtoffer te zijn van wat zij "een commercieel" conflict met … noemt. De beweringen van … dienen volgens haar als een laatste poging gezien te worden zich alsnog van zijn contractuele verplichtingen tegenover B. P. NV te bevrijden.
Deze redenering van eiseres gaat evenwel volkomen voorbij aan het feit dat de belastingplichtige voor iedere aftrek moet bewijzen dat de goederen en de diensten waarvoor hij zijn aanspraak op aftrek laat gelden, in werkelijkheid bestaan en effectief voor het verrichten van de in artikel 45, § 1, 1° tot 5° opgesomde handelingen gebruikt worden.
In casu kan het bestemmingsprincipe niet worden ingeroepen omdat op het ogenblik van de facturatie en aftrek van de BTW er geen diensten waren uitgevoerd, m.a.w. de diensten werden niet door aanlegster ontvangen.
Eiseres toont niet aan dat er een geschrift bestaat van de bestelling voor de vervanging van 200 reclameborden. Blijkbaar bestaat er evenmin een prijsberekening : eiseres betwist niet dat zij zou voorgehouden hebben dat de prijs van 50.000 BEF per paneel een forfaitaire prijs zou zijn, en zij verklaart evenmin waarom dit een redelijke prijs zou zijn, en hoe deze kan berekend zijn zonder bestek. De Fiscus wijst er op dat de bestelling volgens de later opgestelde overeenkomst van 15 februari 1996 zou geplaatst zijn in januari 1992, terwijl de facturen allen dateren van januari en februari 1992, terwijl … blijkbaar geen personeel had. Tenslotte komt het de rechtbank eigenaardig voor dat een niet onaanzienlijk bedrag van bijna 13,9 miljoen BEF betaald zou zijn, zonder dat er een voldoende effectieve controle zou geweest zijn om aan te tonen dat de werken "onvolkomen" zouden geweest zijn, zoals eiseres nu voorhoudt.
Om al deze redenen meent de rechtbank dat eiseres niet aantoont. dat zij recht op aftrek van de voorbelasting heeft, en dat zelfs aangetoond wordt dat de kwestieuze facturen fictief zijn.
Eiseres meent dat, indien toch zou blijken dat rij geen recht op BTW-aftrek zou hebben, zij voor dat bedrag zou beschikken over een vordering tot teruggave op grond van art. 77, § 1, 1° W.BTW, dat voorziet dat de BTW betreffende een levering wordt teruggegeven, wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is, daar, ofwel, de BTW regelmatig verschuldigd is en dus recht geeft op aftrek, ofwel niet regelmatig verschuldigd is en dus geen recht op aftrek verleent, doch wel in aanmerking komt voor teruggave, omdat dan het totale bedrag "dit te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is".
Artikel 77, § 1, 1° voorziet teruggave tot het passende beloop verleend wanneer de betaalde belasting, de wettelijk verschuldigde belasting overtreft, waarmee vooral gedoeld wordt op gevallen waarin een vergissing is begaan bij het factureren of in de aangifte.
Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 4 voorziet dat de belasting die werd geheven tot het passende beloop dient teruggegeven te worden o.an degene die de belasting aan de Staat heeft voldaan.
De rechthebbende op de teruggave is derhalve de belastingplichtige die de terug te geven belasting heeft opgenomen in het bedrag van de verschuldigde belasting ingeschreven in de aangifte en die deze belasting aan de Schatkist heeft gestort.
Dit is in geen geval de NV B. P., die deze belasting zegt betaald te hebben aan de BVBA M., en dus in casu geen recht kon hebben op teruggave.
Tenslotte meent eiseres dat voor de berekening van de fiscale boete dient rekening gehouden te worden met het KB nr. 41, en dat volgens de barema's de boete hoogstens 20 % van de verschuldigde belasting kan bedragen. Zij meent dat het frauduleus karakter van de overtreding namelijk niet is aangetoond, zodat het onwettelijk zou zijn haar een boete van 200 % op te leggen.
Voorts meent eiseres dat het dwangbevel onvoldoende gemotiveerd is, en tenslotte herinnert zij er aan dat sedert het Arrest van 24 februari 1999 van het Arbitragehof, er geen twijfel meer over bestaat dat de rechter de mogelijkheid moet hebben om te oordelen over de opportuniteit van administratieve geldboeten inzake BTW.
Het staat inderdaad buiten kijf dat de rechtsmacht van deze rechtbank zich uitstrekt tot een opportuniteitsbeoordeling van de opgelegde administratieve geldboeten inzake BTW, en partijen zijn het daar ook over eens geraakt in hun laatste besluiten.
Het dwangbevel is voldoende gemotiveerd, daar het niet enkel verwijst naar de toepasselijke normatieve bepalingen, maar tevens naar het bijgevoegd, voor eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal van 12 februari 1997.
Die motivering is tevens correct, daar het genoemd proces-verbaal, zoals hoger reeds overwogen, de redenen opsomt waarom besloten dient te worden dat de litigieuze facturen een fictief karakter hebben. Gelet op de omvang van de gepleegde fraude, en het feit dat, zoals hoger reeds overwogen, een aanzienlijk bedrag betaald zou zijn, zonder dat er een voldoende effectieve controle zou geweest zijn om aan te tonen dat de werken "onvolkomen" zouden geweest zijn, meent de rechtbank met de Belgische Staat dat eiseres op de hoogte moet geweest zijn van het frauduleus karakter van deze facturen en het opzet gehad heeft er een onrechtmatig voordeel mee te behalen.
Het KB. nr. 41 geldt niet ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken en de proportionele geldboeten dienden dan ook bepaald te worden overeenkomstig de bepalingen van het BTW-Wetboek.
Er is geen aanleiding toe om het bedrag van deze geldboeten te verminderen.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
beslissend op tegenspraak en in eerste aanleg, alle strijdige en meeromvattende conclusies verwerpend,
verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond en wijst deze af;
veroordeelt eiseres tot de kosten, begroot voor haarzelf op 4.520 BEF+ 12.600 BEF en voor verweerder op 12.600 BEF.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van 6 april 2000,
waar aanwezig waren en zitting hadden :
De Heer J. L., kamervoorzitter
De Heer W. T., rechter,
De Heer J. V., rechter,
Mevrouw M. T., adjunct-griffier
T. V. T. L.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.