Coöperatieve vennootschap, Prijsrabatten, Prijsverminderingen · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie C.02.0451.F 11 juni 2004

Zoeken

Coöperatieve vennootschap, Prijsrabatten, Prijsverminderingen

https://juriel.be/nl/rechtspraak/cooperatieve-vennootschap-prijsrabatten-prijsverminderingen-cassatie-brussel-2004-06-11-a334

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Rolnummer
C.02.0451.F
Datum
11 juni 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

46 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 11.06.2004 (C.02.0451.F)

Coöperatieve vennootschap – Prijsrabatten - Prijsverminderingen

Wettelijke bepalingen

Artt. 26, eerste lid; 28, 2° en 77, § 1, W.BTW

Samenvatting

De prijsrabatten die een coöperatieve vennootschap aan haar vennoten toekent, die ingeschreven zijn op een reserverekening van haar boekhouding, waarover de vennoten niet kunnen beschikken en die door hen slechts 'naderhand ingeval van uitgifte van aandelen, stopzetting van activiteiten of uittreding uit de coöperatieve' kunnen worden afgehaald, zijn geen 'prijsverminderingen' in de zin van de artt. 28, 2° en 77, ,§ 1, W.B.T.W.

De wettelijke regeling die ingevoerd is door de artt. 26, eerste lid, 28, 2° en 77, ,§ 1, W.B.T.W is de omzetting naar Belgisch recht van de zesde richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, inzonderheid van de in art. 11 vermelde beginselen: over de draagwijdte van de begrippen 'kortingen' en 'rabatten'.

Het Hof van Cassatie dient het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een door een partij voorgestelde prejudiciële vraag niet te stellen indien de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan over de zin van de toepasselijke regel.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie

dd. 11.06.2004

(C.02.0451.F)

S.C.A.M., coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën, Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 25 januari 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Luik.

II. Rechtspleging voor het Hof

Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

III. Middel

IV. Beslissing van het Hof

1. Derde onderdeel

Overwegende dat artikel 26, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt dat de belasting, voor de leveringen van goederen en de diensten, berekend wordt over alles wat de leverancier van het goed of de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verstrekt, of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks met de prijs van die handelingen verband houden ;

Dat, luidens artikel 28, 2°, van dat wetboek, de prijsverminderingen die door de leverancier of de dienstverrichter aan de afnemer toegekend worden en die door laatstgenoemde zijn verkregen op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt, niet tot de maatstaf van heffing behoren ;

Dat artikel 77, ,§ 1, van voornoemd wetboek bepaalt dat de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag in bepaalde gevallen wordt teruggegeven, met name wanneer aan de medecontractant een prijsvermindering is toegestaan ;

Overwegende dat die wettelijke regeling de omzetting naar Belgisch recht is van de zesde richtlijn nr.

77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag ;

Overwegende dat artikel 11. A., 3, b), van de richtlijn bepaalt dat prijskortingen en -rabatten die aan de koper of de ontvanger worden toegekend en die zijn verkregen op het tijdstip waarop de handeling wordt verricht niet in de maatstaf van heffing worden opgenomen ;

Dat ingevolge artikel 11. C., 1, eerste lid, in geval van annulering, verbreking, ontbinding, gehele of gedeeltelijk niet-betaling, of in geval van prijsvermindering nadat de handeling heeft plaatsgevonden, de maatstaf van heffing dienovereenkomstig verlaagd wordt onder de voorwaarden die door de Lidstaten worden vastgesteld ;

Overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij een arrest C.86/99 van 29 mei 2001 inzake F. plc gesteld heeft, enerzijds, dat het voor de toepassing van voornoemd artikel 11. A., 3, b), niet voldoende is dat de koper op het tijdstip van de koop een korting verkrijgt waarop juridisch aanspraak bestaat en anderzijds, dat artikel 11. C., 1, aldus moet worden uitgelegd dat de door de volledige catalogusprijs gevormde maatstaf van heffing moet worden verlaagd, zodra de agent het op zijn afzonderlijke rekening gecrediteerde bedrag opneemt of op een andere wijze gebruikt ;

Overwegende dat het arrest, op grond van de in het middel weergegeven vermeldingen, oordeelt dat de door eiseres toegekende prijsrabatten, die ingeschreven zijn op een reserverekening van haar boekhouding, voor de vennoten niet beschikbaar waren en dat ze door hen slechts "naderhand ingeval van uitgifte van aandelen, stopzetting van activiteiten of uittreding uit de coöperatieve" konden worden afgehaald ;

Dat het aldus zijn beslissing dat de door eiseres aan haar vennoten toegekende prijsrabatten opgenomen moeten worden in de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde naar recht verantwoordt ;

En overwegende dat de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan over de zin van de toepasselijke regel; dat het Hof van Cassatie het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de door eiseres voorgestelde prejudiciële vraag niet dient te stellen ;

Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;

2. Eerste, tweede en vierde onderdeel

Overwegende dat de in het antwoord op het derde onderdeel vermelde overwegingen volstaan als grondslag voor de beslissing van het hof van beroep ;

Dat die onderdelen, die niet tot cassatie kunnen leiden, geen belang vertonen en dus niet ontvankelijk zijn ;

En overwegende dat er geen acht dient te worden geslagen op de memorie van antwoord die niet aan eiseres is betekend, zoals artikel 1079 van het Gerechtelijk Wetboek voorschrijft ;

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN

HET HOF,

Verwerpt het cassatieberoep ;

Veroordeelt eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, de raadsheren Christian Storck, Didier Batselé, Albert Fettweis en Daniel Plas, en in openbare terechtzitting van elf juni tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 261 voorkomen
WBTW art. 281 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8