Fiche van de FOD Financiën
[ Gunstig Vonnis ]
Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Terbeschikkingstelling stalling van rijtuigen - Maatstaf van heffing – Factuur
Wettelijke bepalingen
Artikelen 45, §1, 53, §1 eerste lid 2° en 3° en 53octies, §1 WBTW
Artikel 3, §1 KB nr. 3 en artikel 18 KB nr. 1
Samenvatting van het vonnis
1. Feiten en voorgaande procedure
De belastingplichtige is onderworpen aan de btw haar zijn economische activiteit van ‘Bemiddeling bij de aankoop, verkoop en verhuur van onroerend goed’. De taxatieambtenaar stelt tijdens een controle inbreuken vast inzake de btw-wetgeving en stelt een proces-verbaal op. Eiseres dient een administratief verzoekschrift in. In de administratieve beslissing worden de opgeworpen bezwaren verworpen. Vervolgens wordt door eiseres verzet aangetekend tegen de vordering bij middel van een tegensprekelijk verzoekschrift neergelegd ter griffie.
2. Vonnis
De rechtbank oordeelt dat op basis van de documenten die eiseres voorlegt niet met voldoende zekerheid kan worden vastgelegd dat de in de bijlage van de factuur vermelde prestaties werkelijk zijn verricht voor eiseres. Zij maakt niet aannemelijk dat zij recht heeft op de aftrek van btw.
Verder toont eiseres niet aan dat zij aanspraak zou kunnen maken op de uitzondering van artikel 28, 5° WBTW betreffende de voorgeschoten sommen om te rechtvaardigen dat de maandelijkse vaste kosten die zij betaalt, geen onderdeel uitmaken van de maatstaf van heffing bij de verhuur van autostaanplaatsen. De rechtbank stelt bijgevolg vast dat de betwiste bedragen tegenprestaties uitmaken die eiseres heeft verkregen voor de verhuur van de parkings en dus in de maatstaf van heffing moeten opgenomen worden.
Volledige tekst:
Tekst van de beslissing
In de zaak van:
De NV L., met zetel te …, met ondernemingsnummer …,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. J.V. loco mr. S.G., advocaat met
kantoor te …).
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, KBO 0308.357.159, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op verzoek van de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Brussel Expertise 1, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3404,
verweerder,
voor wie optreedt de heer N.M., attaché, en mevrouw M.D.,
attaché …
In deze zaak, in beraad genomen op 24 februari 2025,
spreekt de rechtbank volgend vonnis uit:
I. PROCEDURE
De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van:
•het inleidend verzoekschrift, elektronisch neergelegd op 21 april 2023, ® de beschikking conform artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek van 2 juni 2023,
•de syntheseconclusie voor eiseres, neergelegd op 26 augustus 2024,
•de syntheseconclusie voor verweerder, neergelegd op 29 november 2024,
•de stukken van de partijen.
De raadsman van eiseres, de heer N.M. en mevrouw M.D. zijn gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 24 februari 2025. Vervolgens zijn de debatten gesloten en is de zaak in beraad genomen.
II. FEITEN
De NV L. is sinds 1 augustus 2004 geregistreerd ais belastingplichtige onder het btw-
identificatienummer BE … voor de activiteit van 'Bemiddeling bij de aankoop, verkoop en verhuur van onroerend goed'.
Op 6 januari 2021 kondigt verweerder een fiscale controle aan en vraagt zij de journalen en historieken op voor de periode van 1 januari 2018 tot 31 december 2019. Na verscheidene contactmomenten kondigt verweerder op 24 september 2021 aan over te gaan tot een controle op de maatschappelijke zetel ter nazicht van het btw-dossier voor voormelde periode. De controle ter plaatse wordt uitgevoerd op 7 oktober 2021. Op 12 oktober 2021 verzendt verweerder een vraag om inlichtingen.
Op 26 oktober 2021 stelt de taxatieambtenaar een regularisatieopgave op, waarin wordt overwogen dat eiseres volgende inbreuken heeft begaan op de btw-wetgeving:
- inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van handelingen die de belastingplichtige niet gebruikt voor het verrichten van in artikel 45, §1 van het Btw-Wetboek bedoelde handelingen: eiseres zou niet aantonen dat facturen van onder meer Engie, Proximus, Telenet en Watchguard Security werden gebruikt voor de in artikel 45, §1 van het Btw-Wetboek bedoelde handelingen;
- inbreuken op artikel 53, §1, eerste lid, 2° en 3° en 53octies, §1, eerste lid (derde lid tot 31.12.2012) van het Btw-Wetboek, en artikel 18 van het Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, in verband met de aangegeven omzet: er is sprake van een hogere omzet bij het ter beschikking stellen van stallingen voor rijtuigen (maatstaf heffing) en op deze omzet is btw verschuldigd;
- inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van de documenten zoals voorzien in artikel 3, §1, van het Koninklijk besluit nr. 3: voor de fees die werden betaald aan NV Authentic Visual Communication ten bedrage van 165.278,00 euro (+ 34.708,38 euro btw), lag geen factuur voor waardoor het bedrag aan btw ten bedrage van 34.708,38 euro ten onrechte werd afgetrokken.
Op 30 november 2021 wordt een proces-verbaal van taxatie inzake btw opgesteld. De nagevorderde btw bedraagt 48.824,95 euro met een geldboete van 5.730,00 euro en nalatigheidsinteresten vanaf 21 januari 2020.
Op 14 april 2022 dient eiseres een bezwaar in. Eiseres vermeldt dat er nieuwe elementen zijn die haar beweringen staven.
Bij directoriale beslissing van 30 november 2022 wordt het bezwaar verworpen. In zijn beslissing stelt verweerder dat eiseres in haar beroep geen enkel concreet argument aanhaalt waarom zij niet akkoord is met het proces-verbaal van taxatie. Verder haalt verweerder aan dat eiseres naar aanleiding van het bezwaar heeft verzocht om gehoord te worden. Vandaar had verweerder op 11 oktober 2022 een uitnodiging verzonden voor een hoorzitting op 17 oktober 2022. De heer M.V, één van de bestuurders van eiseres, antwoordde op 12 oktober 2022 dat hij omwille van medische redenen op dat ogenblik niet kon ingaan op het verzoek. Verweerder vermeldt in de administratieve beslissing dat hij tot op die dag geen bericht had ontvangen om alsnog over te gaan tot het horen van eiseres, evenmin mocht verweerder nieuwe documenten ontvangen van eiseres.
Op 21 april 2023 stelt eiseres een vordering in bij deze rechtbank.
III.VORDERING
Eiseres vordert het volgende in haar syntheseconclusie:
"De vordering van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens:
De directoriale beslissing van 30 november 2022 met kenmerk 701-15-22/024117 van de heer W.D., te hervormen;
De btw-schuld met artikelnummer 500.2487.98407 voor de periode van 1 januari 2018 t.e.m. 31 december 2019 te ontheffen;
In ondergeschikte orde: voor recht te verklaren dat de NV AVC geen BTW-belastbare handelingen leverde aan concluante;
Concluante te ontslaan van de ten onrechte ingekohierde belastingen en in voorkomend geval de terugbetaling te bevelen van de eventueel door concluante reeds betaalde bedragen en/of door verweerder ten onrechte ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten;
Verweerder te verwijzen in de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 3.500,00 EUR en de forfaitaire bijdrage voor het fonds van Juridische Tweedelijnsbijstand."
Verweerder vraagt de vordering af te wijzen als ongegrond, en eiseres te veroordelen tot het betalen van de bedragen die opgenomen zijn in het proces-verbaal tot regularisatie van 30 november 2021.
IV. BEOORDELING
Ontvankelijkheid
Er is geen betwisting over de ontvankelijkheid van de vordering. De rechtbank ontwaart geen ambtshalve op te werpen gronden tot niet-ontvankelijkheid.
Ten gronde
Eerste middel — Geen inbreuk op aftrekregeling van art. 3, §1 BTW-KB nr. 3
In de regularisatieopgave, evenals nadien in de directoriale beslissing, stelt verweerder dat eiseres niet de nodige documenten voorlegt voor fees die eiseres zou hebben betaald aan NV A.V.C. ten bedrage van 165.278,00 euro (+ 34.708,38 euro btw), waardoor de btw-aftrek werd geweigerd. Na het voorleggen van de factuur in deze gerechtelijke procedure voert verweerder aan dat eiseres niet bewijst dat de prestaties werkelijk werden verricht, en dat de factuur niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 5, §1 KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte de btw-aftrek ten bedrage van 34.708,38 euro weigert. Eiseres zet uiteen dat zij een beroep heeft gedaan op NV A.V.C., een verbonden vennootschap, in het leader van een grootschalig bouwproject waarbij eiseres een appartementsblok bouwde met het oog op de verkoop van 6 appartementen. De NV A.V.C. zou managementprestaties hebben verricht (waarvan 40.000,00 euro werd gefactureerd begin 2019 en 40.000,00 euro op 30 december 2019), samen met enkele advertentiediensten (productie van 4x 3D tekeningen, productie van afbeeldingen, werfpanelen, ...). De prestaties worden opgelijst in een Excel-overzicht en worden op het einde van het jaar 2019 gefactureerd aan eiseres. Eiseres stelt dat de btw-aftrek onterecht wordt geweigerd, vermits:
de factuur in huidige gerechtelijke procedure wordt bijgebracht, zijnde factuurnummer 2019261 van 31 december 2019 vanwege de NV A.V.C. ten bedrage van 165.278,00 euro (+ 34.708,38 euro btw);
- eiseres aan verweerder heeft gemeld dat zij de factuur nog zou bezorgen, doch dat dit voor eiseres niet eerder mogelijk was gelet op de gezondheidsproblemen van haar bestuurder, de heer M•••••• V•• R••••• (zie de stukken 1-5 van eiseres);
- de factuur wel degelijk betrekking heeft op werkelijk verrichte prestaties, zoals deze op voldoende gedetailleerde wijze worden toegelicht in het Excel-overzicht;
- verscheidene prestaties tot driemaal toe moesten worden geleverd ingevolge de werking met drie verschillende vastgoedmakelaars, zijnde Delestré, Topco en Century 21;
eventuele formele onregelmatigheden van de factuur irrelevant zijn, vermits uit het Unierecht volgt dat het recht op aftrek moet worden toegestaan wanneer de materiële voorwaarden zijn voldaan.
Artikel 45 §1 Btw-Wetboek bepaalt:
"Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van:
1° belaste handelingen;
2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;
3° andere handelingen dan die welke zijn vrijgesteld krachtens artikel 284 van Richtlijn 2006/112/EG, verricht buiten België en waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in België zouden zijn verricht;
handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4' tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;
5° diensten ais makelaar of lasthebber bij in 4' bedoelde handelingen."
De belastingplichtige moet, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, de realiteit van de handeling waarop de factuur betrekking heeft, kunnen aantonen. Het is aan de belastingplichtige om hiervan het bewijs te leveren
De rechtbank stelt vooreerst vast dat eiseres meermaals spreekt over een 'inkomende factuur met factuurnummer 2019261 d.d. 31 december 2019 vanwege A.V.C. NV', doch dat de factuur die wordt voorgelegd het nummer 104663 draagt en is opgemaakt op 30 december 2019 (zie stuk 6 van eiseres).
Voorts, en dit staat in wezen niet ter betwisting, blijkt dat de NV A.V.C. een met eiseres verbonden vennootschap is, gespecialiseerd in het uitvoeren van prepress- en premediadiensten. Zij is gevestigd op hetzelfde adres ais eiseres en haar bestuursorgaan bestaat ten tijde van de periode van de controle uit dezelfde bestuurders ais het bestuursorgaan van eiseres.
Eiseres lijkt in eerste orde te stellen dat de aftrek van btw niet ter discussie kan staan voor zover de beroepskosten waarop de btw-aftrek betrekking heeft, zijnde in casu de beroepskosten van de factuur van 30 december 2019 van de NV A.V.C. ten belope van 165.278,00 euro, niet ter discussie staat.
De rechtbank merkt echter op dat de beroepskosten in het kader van het geschil over de vennootschapsbelasting wel degelijk ter discussie staan, meer nog, dat de aftrek van voormelde beroepskosten werd verworpen bij directoriale beslissing van de bezwaarambtenaar van de Belgische Staat, FOD Financiën van 22 december 2022, zoals is gebleken tijdens de pleidooien in de zaak met rolnummer 23/1008/A, die op dezelfde zitting is behandeld.
Overigens kan aan de administratie in beginsel niet de mogelijkheid worden ontnomen om na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden voor de aftrek van btw in de zin van artikel 45 van het Btw-wetboek, zelfs indien de aftrekbaarheid van de door de vennootschap gefactureerde managementprestaties ais beroepskosten in het kader van de vennootschapsbelasting niet ter discussie zou staan in toepassing van de artikelen 49 en 183 van het WIB 1992.
Eiseres houdt vervolgens voor dat de managementprestaties en advertentiediensten zoals vermeid in het Excel-overzicht gevoegd bij de factuur werkelijk zijn verricht (zie de stukken 6-7 van eiseres).
De rechtbank stelt echter vast dat de managementprestaties slechts in zeer beperkte mate worden beschreven in het Excel-overzicht gevoegd bij voormelde factuur. Er wordt louter vermeid dat er een managementkost is ten belope van 80.000,00 euro die uiteenvalt uit (i) prestaties die gedurende 100 dagen werden verricht aan een forfaitair bedrag van 400,00 euro per dag (totaal 40.000,00 euro), en (ii) 40.000,00 euro aan prestaties die reeds werden aangerekend in 2019. Het is volstrekt onduidelijk welke managementprestaties werden geleverd én wanneer deze zouden zijn verricht.
De managementprestaties worden door eiseres niet afdoende aangetoond hoewel het gaat over omvangrijke bedragen en de voorgehouden prestaties van NV A.V.C. niet van die aard zijn dat er normaalgezien geen bewijsstukken voor worden voorgelegd of opgevraagd, zelfs al gaat het over een verbonden vennootschap.
De advertentiediensten worden beschreven in het Excel-overzicht en bestaan uit (i) productie van 4x 3D tekeningen, (ii) het maken van een rendering en printen van de voorstelling van de keuken voor demodagen, (iii) het opmaken en installeren van grote werfpanelen, (iv) layout baches, (v) presentatieboeken per appartement, en (vi) flip flap panelen (kleefpanelen).
Verscheidene advertentiediensten werden volgens eiseres meermaals uitgevoerd daar er gewerkt werd met drie verschillende vastgoedagentschappen, zijnde Delestré, Topco en Century 21. Eiseres brengt een 3D tekening van de appartementen (zie stuk 8 van eiseres), afbeeldingen van de voorstelling van de keuken (zie de stukken 9-10 van eiseres) en foto's van de werfpanelen en banners (zie de stukken 11-12 van eiseres) bij.
De rechtbank stelt vast dat eiseres ook op dit punt faalt in haar bewijslast.
De stukken die worden voorgelegd zijn vaag en eiseres laat na een duidelijk overzicht te geven van de wijze waarop het betrokken bouwproject voortgang heeft gevonden. De meeste documenten die eiseres bijbrengt vermelden geen datum en laten veelal niet toe het document (of de tekening) te koppelen aan het bouwproject.
Er worden geen overeenkomsten of facturen voorgelegd ten aanzien van de drie vermelde vastgoedagentschappen.
Evenmin wordt een overeenkomst of factuur voorgelegd ten aanzien van de architect zodat het niet duidelijk is wat de draagwijdte van diens opdracht was. Het ontwerpen van een gebouw (tekeningen, plannen,...), met inbegrip van de rendering en publicaties, behoren in de regel tot de opdracht van de architect. Eiseres verschaft hierover geen duidelijkheid.
Daarnaast is op de stukken van eiseres te zien dat wordt gewerkt met de aannemer de NV Woningbouw M.. Het is op basis van de voorgelegde stukken evenwel geenszins duidelijk wat de opdracht was van deze aannemer, in samenhang met de opdracht toebedeeld aan de architect (zie hierboven).
Het enige wat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld is dat er zich op het ogenblik van de bouwwerken een paneel bevindt ter hoogte van de werf, een paneel waarmee promotie wordt gemaakt voor het bouwproject en waarop een vastgoedpromotor is vermeld.
Er kan op basis van deze vaststellingen evenwel niet met voldoende zekerheid worden vastgelegd dat de in de bijlage van de factuur vermelde prestaties werkelijk zijn verricht voor eiseres.
Eiseres maakt niet aannemelijk dat zij recht heeft op de aftrek van het bedrag van 34.708,38 euro btw.
In ondergeschikte orde vordert eiseres om voor recht te verklaren dat de NV A.V.C. ten onrechte btw heeft aangerekend, op basis van het neutraliteitsbeginsel. Verweerder stelt dat er geen sprake is van een schending van het neutraliteitsbeginsel vermits de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek niet zijn voldaan. Verweerder merkt terloops op dat de betaling van de factuur door eiseres aan de NV A.V.C. niet wordt aangetoond.
In tegenstelling tot wat eiseres lijkt voor te houden, verzet het neutraliteitsbeginsel inzake de btw er zich niet tegen dat in een geval waarin de belastingplichtige niet aannemelijk maakt dat aan een materiële voorwaarde voor het recht op aftrek van btw is voldaan, aan deze belastingplichtige het recht op aftrek wordt ontzegd. Voor het overige valt niet in te zien hoe de rechtbank verklaringen van recht zou kunnen doen ten aanzien van de NV A.V.C., een vennootschap die geen partij is in onderhavig geding, en/of in welke mate een dergelijke verklaring een weerslag zou hebben op de btw situatie van eiseres, die de aangerekende btw in elk geval niet mag aftrekken.
Het eerste middel is ongegrond.
Tweede middel — Geen inbreuk op aftrekregeling ten aanzien van bepaalde handelingen die eiseres niet zou gebruiken voor het verrichten van in artikel 45, §1 Btw-wetboek bedoelde handelingen
In het proces-verbaal van 30 november 2021 verwerpt verweerder bepaalde kosten op basis van artikel 45, §1 Btw-wetboek omdat ze volgens een verklaring van eiseres betrekking zouden hebben op het verhuren van 3 appartementen (vrijgestelde handeling volgens art. 44, §3, 2 Btw-wetboek). Eiseres voert enkel een concreet verweer inzake de verworpen kosten voor de facturen van Telenet. Eiseres stelt dat deze facturen geen betrekking hebben op het verhuren van appartementen maar wel op het bouwproject te Geraardsbergen. De facturen met vermelding van het adres 1602 Sint-Pieters-Leeuw,… zouden facturen betreffen verzonden aan het privékantoor van de bestuurder van eiseres. De internetaansluiting zou zijn afgesloten zodat de bestuurder van eiseres vanuit het thuiskantoor het bouwproject te Geraardsbergen kon opvolgen. Eiseres verwijst daarbij naar het e-mailadres … dat wordt gebruikt om te communiceren met leveranciers, aannemers en andere partners binnen voormeld bouwproject. De facturen van Telenet met vermelding van adres 1060 Sint-Gillis, … zouden rechtstreeks betrekking hebben op het bouwproject te Geraardsbergen, daar voormeld adres de maatschappelijke zetel van eiseres betreft waar de internetverbinding werd afgesloten.
Uit artikel 45, § 1 Btw-wetboek volgt dat de belastingplichtige zelf het bewijs moet leveren dat het recht op aftrek bestaat, dat wil zeggen dat de door hem ontvangen leveringen en diensten gebruikt werden voor het verrichten van handelingen die een recht op aftrek verlenen.
Als de zaak naar haar aard zowel voor economische doeleinden als voor privédoeleinden kan worden gebruikt, moeten alle exploitatieomstandigheden worden onderzocht, om uit te ma ken of zij werkelijk wordt gebruikt om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.
De facturen van Telenet die het adres 1602 Sint-Pieters-Leeuw vermelden, zouden volgens eiseres betrekking hebben op het privékantoor van haar bestuurder van waaruit hij het bouwproject te Geraardsbergen opvolgde. Evenwel bewijst eiseres geenszins dat de bestuurder over een privékantoor beschikt. Evenmin toont eiseres aan dat het e-mailadres … ook daadwerkelijk werd gebruikt om te communiceren met de partijen inzake het bouwproject te Geraardsbergen. Eiseres had daartoe minstens e-mailberichten kunnen bijbrengen waaruit het gebruik van dit e-mailadres ten behoeve van het bouwproject te Geraardsbergen zou blijken, doch dit is niet het geval. De rechtbank merkt daarbij op dat de elektronische communicatie naar eiseres in de administratieve fase is verlopen via het e-mailadres… (zie stuk 1 van verweerder).
De facturen van Telenet die werden verzonden naar het adres 1600 Sint-Gillis, Sint-Bernardsstraat 7-9, hebben volgens eiseres betrekking op het bouwproject te Geraardsbergen vermits op het vermelde adres de zetel van eiseres is gevestigd. Eiseres bewijst evenwel niet dat de facturen betrekking hebben op het bouwproject te Geraardsbergen. De argumentatie dat het factuuradres de zetel van eiseres betreft is in deze niet overtuigend daar de facturen ais verbruiksadres 1602 Sint-Pieters-Leeuw, … vermelden.
Het tweede middel is ongegrond.
Derde middel — Geen inbreuken op artikel 53, §1, eerste lid, 1° en 30 en 53 octies, §1, eerste lid Btw-wetboek en artikel KB nr. 1 29 december 1992 in verband met de aangegeven omzet.
Verweerder stelt in het proces-verbaal van 30 november 2021 dat de omzet voor de terbeschikkingstelling van stallingen voor rijtuigen niet correct werd aangegeven. Uit een vergelijking tussen de aangegeven omzet in de jaarrekeningen voor de post 'huur garages' en de aangegeven omzet in de periodieke btw-aangiften vloeit voort dat er in 2018 een bedrag van 19.524,20 euro en in 2019 een bedrag van 21.080,15 euro te weinig werd aangegeven in de periodieke btw-aangiften.
Eiseres stelt dat het verschil in aangegeven omzet voortkomt uit de aftrek van vaste maandelijkse kosten die zij betaalt voor de verhuur van de parkings. De vaste kosten betreffen conciërgekosten, elektriciteitskosten, kosten aan de lift, onderhoudskosten, kosten voor de schoonmaak, ... Eiseres verdeelt het totaalbedrag van die kosten over de 20 parkings die zij bezit en rekent deze kosten vervolgens door aan de huurders waardoor geen BTW moet worden afgedragen. De parkings die eiseres verhuurt aan particulieren worden zonder bijkomende btw-facturatie verhuurd voor een gemiddelde verhuurprijs van 90,00 euro waarvan ongeveer 30% betrekking heeft op de vaste kosten die door eiseres worden betaald. Verweerder stelt dat deze kosten moeten worden opgenomen in
de maatstaf van heffing, vermits de kosten niet zijn uitgesloten van de maatstaf overeenkomstig artikel 28 Btw-Wetboek.
Artikel 26, §1 Btw-wetboek bepaalt:
"Voor de leveringen van goederen en de diensten wordt de belasting berekend over alles wat de leverancier van het goed of de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verricht, of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks met de prijs van die handelingen verband houden.
Tot de maatstaf van heffing behoren onder meer de sommen die de leverancier van het goed of de dienstverrichter aan degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verricht in rekening brengt ais kosten van commissie, verpakking, verzekering en vervoer, ongeacht of zulks al dan niet bij een afzonderlijk debetdocument wordt gedaan of ingevolge een afzonderlijke overeenkomst.
Belastingen, rechten en heffingen moeten eveneens in de maatstaf van heffing worden opgenomen.".
Eiseres Iijkt zich te beroepen op de uitzondering van artikel 28, 5° Btw-wetboek betreffende de voorgeschoten sommen om te rechtvaardigen dat de maandelijkse vaste kosten die zij betaalt, geen onderdeel uitmaken van de maatstaf van heffing.
Het komt aan eiseres toe om aannemelijk te maken dat artikel 28, 5° Btw-wetboek kan worden toegepast. Evenwel toont eiseres zulks niet aan. Eiseres brengt geen enkel stuk bij van de beweerde kosten, noch van de wijze waarop deze kosten zouden worden doorgerekend aan de huurders.
De rechtbank stelt bijgevolg vast dat de betwiste bedragen van 19.524,20 euro (AJ 2019) en 21.080,15 euro (Al 2020) tegenprestaties uitmaken die eiseres heeft verkregen voor de verhuur van de parkings overeenkomstig artikel 26, §1 Btw-wetboek.
Het derde middel is ongegrond.
V. KOSTEN
De vordering van eiseres is ontvankelijk doch ongegrond. Eiseres wordt bijgevolg veroordeeld tot de kosten van het geding. Aangezien verweerder niet wordt bijgestaan door een advocaat, kan hij geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding.
Het betreft een fiscaal geschil zodat in toepassing van art. 279/1 en 162, 4° W.Reg. geen rolrechten verschuldigd zijn (Punt II Circ. nr. 2019/C/26 van 15/02/2019 betreffende de hervorming van de rolrechten).
Beschikkend gedeelte
VI. BESLISSING
De rechtbank,
Rekening houdend met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
In eerste aanleg en op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond,
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan de zijde van verweerder vastgesteld op 0,00 euro.
Deze beslissing is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 7e kamer van de
Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 17 maart 2025,
waar aanwezig waren en zitting namen:
De heer F. V.: rechter,
Mevrouw E. A.: griffier.
Nota van de FOD Financiën
Referentie WF
WF 701-15-22/024117 - Finality 54890390
De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De tekst is nergens anders gewijzigd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.