BTW-aftrek, Klantenlisting, recht op aftrek van Btw · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 7 januari 2020

Zoeken

BTW-aftrek, Klantenlisting, recht op aftrek van Btw

https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-aftrek-klantenlisting-recht-opgave-hof-van-beroep-antwerpen-2020-01-07-aa87

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
7 januari 2020

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

111 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 07.01.2020

[ Gunstig arrest ]

BTW – BTW-aftrek – Klantenlisting

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

Hof van Beroep van Antwerpen van 07.01.2020

2018/AR/1638

X., ON …, met maatschappelijke zetel te …,

Eiseres in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. M.D. loco mr. V.F., advocaat te …

tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 07 maart 2018, gekend onder rolnummer 17/63/A

tegen

BELGISCHE STAAT - Minister van Financiën, ON 0308.357.159, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal-Directeur van het KMO Centrum Antwerpen, met diensten te 2930 BRASSCHAAT, Ruiterijschool 3 bus 92,

Verweerder in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. D.A., advocaat te …


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen van 7 maart 2018, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 30 augustus 2018, waarbij een tijdig hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwisting.

De betwisting betreft de BTW, aangerekend door BVBA B.I. op leveringen aan BVBA X. Group en die door BVBA X. Group in aftrek werd gebracht.

1.2. Aanslag en bezwaar.

BVBA X. Group werd op 7 november 2008 opgericht onder de naam BVBA D.F. Op 1 augustus 2013 werd de naam gewijzigd naar BVBA X. Group.

Op 1 augustus 2013 werden E.M. en S.K. aangesteld als zaakvoerders van de vennootschap.

Op 31 december 2013 nam E.M. ontslag als zaakvoerster.

Op 4 oktober 2014 nam S.K. ontslag als zaakvoerster en werd E.A. aangesteld als zaakvoerder.

Op 15 juni 2016 vond een controle plaats inzake BTW over de kalenderjaren 2013 en 2014 op de maatschappelijke zetel van de vennootschap. Hiervan werd proces verbaal opgemaakt op 10 oktober 2016.

De ambtenaar stelde in dit proces verbaal dat gebleken was BVBA X. Group niet voorkwam op de klantenlisting van een belangrijke leverancier, BVBA B.I.. BVBA B.I. was opgericht op 25 juli 2007 en was volgens de administratie sinds 1 december 2013 tot aan haar faling op 11 september 2014 gevestigd op hetzelfde domicilie als BVBA X. Group. De verbalisant stelde verder vast dat S.K. in de bewuste periode zowel zaakvoerder was van BVBA B.I. als van BVBA X. Group. Zo was zij zaakvoerster van BVBA B.I. van bij de oprichting tot aan het faillissement.

Bovendien bleek dat al de boekhoudkundig verwerkte betalingen door BVBA X. Group aan BVBA B.I. plaatsvonden via de private rekening van S.K. of dat zij via kas werden geboekt.

Gelet op de onmiskenbare vermenging van de twee vennootschappen besloot de verbalisant dat de belastingplichtige wist of moest weten dat de betaling van de BTW in de keten van de handelingen tussen deze vennootschappen niet werd gedaan of zou worden gedaan aan de Schatkist met de bedoeling de belasting te ontduiken. De administratie meende bijgevolg dat de belastingplichtige onder meer inbreuken pleegde op:

- Artikel 51bis, §4 W.BTW: gelet op de voormelde feiten was de belastingplichtige

volgens de administratie hoofdelijk gehouden om voor de betrokken ontvangen facturen de BTW te voldoen voor een bedrag van 32.405,85 EUR

- artikel 79, §2, Iaatste lid W.BTW: het bestaan van een verkregen voordeel via de gedane aftrek ten bedrage van 32.405,85 EUR en de intentie van kwade trouw waren volgens de administratie bewezen

- artikel 45, §1 W.BTW en artikel 3, §1 KB nr.3: geen recht op aftrek gelet op de vermelding "diversen" op de factuur, zodat niet nagegaan kon worden of het bestemmingsbeginsel werd gerespecteerd

Daarnaast werd nog een inbreuk vastgesteld op artikel 11 W.BTW en werd vastgesteld dat de totalen van de belastbare handelingen en/of de verschuldigde BTW wiskundig onjuist waren of verkeerd werden overgedragen naar de aangifte. Deze inbreuken staat in onderhavig geding niet ter discussie.

Aldus was volgens dit proces verbaal in totaal verschuldigd:

- als BTW: 41.135,65 EUR

- Als geldboete op grond van de artikelen 70, §1 en 70, §1bis W.BTW: 82.271,30 EUR. Voor wat betreft de overtreding van artikel 79, §1 W.BTW was de boete (64.811,70 EUR) volgens de administratie niet voor vermindering vatbaar, vermits het ging om overtredingen, begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. De boete over het overige stuk werd wel verminderd. Aldus bedroeg de boete in totaal, afgerond, 66.470,00 EUR.

- Interesten op grond van artikel 91, §1 W.BTW: 0,8% per maand vertraging: pro memorie.

Op 12 oktober 2016 werd dienaangaande een dwangbevel uitgevaardigd, op 18 oktober 2016 geviseerd en uitvoerbaar verklaard voor het voormelde bedrag aan BTW, zij het dat hierin een bedrag werd vermeld van 82.271,30 EUR als proportionele boete.

1.3. Procedure voor de eerste rechter.

BVBA X. Group legde op 4 januari 2017 een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen. Ze vorderde om haar akte te verlenen van het feit dat zij een vordering tot vernietiging instelde tegen het dwangbevel, uitgevaardigd op 12 oktober 2016 en om haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren. De vennootschap vorderde om dienvolgens het bestreden dwangbevel te vernietigen, teniet te doen, dan wel van nul en generlei waarde de verklaren en haar te ontslaan van de in dit dwangbevel gevorderde sommen. Ze vorderde om de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle reeds betaalde of ingehouden bedragen, meer wettelijke en/of gerechtelijke interesten vanaf de datum van de betalingen, beslagen of inhoudingen. Ze vorderde tenslotte om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag).

De eerste rechter oordeelde dat de administratie op afdoende wijze aantoonde dat BVBA X. Group wist dat de verschuldigde belasting, in de ketting van de handelingen, niet werd of zou worden gestort aan de Staat met de bedoeling de belasting te ontduiken, gelet op de vaststellingen die de verregaande verwevenheid van beide vennootschappen aantoonden. Uit die vaststellingen bleek ook de frauduleuze intentie van de vennootschap op basis waarvan terecht een proportionele boete werd opgelegd van 200% overeenkomstig artikel 70, §1 W.BTW. De boete diende wel aangepast te worden aan de correcte berekening ervan in de conclusies van de Belgische Staat.

De vordering van BVBA X. Group werd toelaatbaar verklaard en gegrond in die mate dat het dwangbevel van 12 oktober 2016 enkel werd vernietigd in de mate dat er een boete ten bedrage van meer dan 66.470,00 EUR werd gevorderd. De terugbetaling werd bevolen van de ten onrechte betaalde of ingehouden sommen en de vennootschap werd veroordeeld tot de kosten, niet begroot en niet vereffend.

1.4. Procedure voor het hof van beroep.

BVBA X. Group, thans eiseres in hoger beroep vordert om haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en om het bestreden vonnis aldus te vernietigen. Ze vordert om haar verzet gegrond te verklaren en om het bestreden dwangbevel te vernietigen, teniet te doen, dan wel van nul en generlei waarde de verklaren en haar te ontslaan van de in dit dwangbevel gevorderde sommen. Ze vordert om de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle reeds betaalde of ingehouden bedragen, meer wettelijke en/of gerechtelijke interesten vanaf de datum van de betalingen, beslagen of inhoudingen. Ze vordert tenslotte om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding van 6.000,00 EUR per aanleg.

De Belgische Staat, verweerder in hoger beroep, vordert om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en om het bestreden vonnis te bevestigen. De Belgische Staat vordert om BVBA X. Group te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 6.000,00 EUR.

2. Bespreking

2.1. Ten gronde.

2.1.1. Argumenten van partijen.

Volgens de belastingplichtige maakt de administratie ten onrechte aanspraak op de toepassing in deze van artikel 51bis, §4 W.BTW en van artikel 79, §2, tweede lid W.BTW. Er kan de vennootschap geen kwade trouw worden verweten. De facturen zijn niet fictief, ze werden betaald en de BTW werd rechtmatig afgetrokken.

Bovendien kunnen beide artikelen niet op dezelfde persoon van toepassing zijn. Door aan te nemen dat de vennootschap recht had op aftrek van de BTW op de desbetreffende facturen, heeft de administratie volgens de belastingplichtige uitdrukkelijk erkend dat er geen fraude aanwezig was in hoofde van de vennootschap. De vennootschap heeft recht op aftrek, zelfs al was de leverancier te kwader trouw.

Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 15 mei 2015 is hierbij niet dienstig, vermits het andere feiten betreft.

Er is volgens de belastingplichtige geen sprake van verwevenheid tussen de vennootschappen: hun adres is verschillend, ze hadden niet gedurende de volledige onderzochte periode dezelfde zaakvoerders en BVBA X. Group dreef geen handel onder de handelsbenaming B.B.

De Belgische Staat verwijst naar de artikelen 1, §10, 51bis, §4 en 79, §2 W.BTW en stelt dat de vennootschap hoofdelijk gehouden is tot betaling van de BTW op de facturen, afkomstig van BVBA B.I. en de BTW op deze facturen niet mag aftrekken voor een totaal bedrag van 32.405,85 EUR, omdat BVBA X. Group wist of kon weten dat de leverancier de BTW op deze facturen niet zou doorstorten aan de Belgische Staat. Mevrouw K.S. was namelijk in de bewuste periode zaakvoerder van beide vennootschappen en alle boekhoudkundig verwerkte betalingen aan de leverancier gebeurden via de private rekening van mevrouw S. of via kas. Het feit dat het niet om fictieve facturen gaat doet hieraan geen afbreuk. Bovendien blijkt mevrouw S. reeds eerder betrokken te zijn geweest in een gelijkaardige constructie.

2.1.2. Beoordeling.

 De wet.

Artikel 51bis, § 4 W.BTW luidt als volgt:

"Elke belastingplichtige is hoofdelijk gehouden de belasting te voldoen met de persoon die er krachtens artikel 51, §§ 1 en 2, schuldenaar van is, als hij op het tijdstip waarop hij een handeling heeft verricht, wist of moest weten dat de betaling van de belasting, in de ketting van de handelingen, niet werd gedaan of zal worden gedaan met de bedoeling de belasting te ontduiken."

Artikel 79, § 2 W.BTW luidt als volgt:

"In geval van misbruik dient degene die de belasting op de betreffende handelingen in aftrek heeft gebracht, de aldus als BTW afgetrokken bedragen aan de Staat terug te storten. De persoon die de belasting in aftrek heeft gebracht geheven van de goederen en de diensten die hem worden geleverd, van de goederen die hij heeft ingevoerd en van de intracommunautaire verwervingen die hij heeft verricht, is er toe gehouden de aldus afgetrokken bedragen aan de Staat terug te storten als hij, op het tijdstip waarop hij deze handeling heeft verricht, wist of moest weten dat de verschuldigde belasting, in de ketting van de handelingen, niet werd of zal worden gestort aan de Staat met de bedoeling de belasting te ontduiken."

Artikel 51bis, §4 W.BTW werd ingevoerd door de programmawet van 20 juli 2006 (BS, 28 juli 2006) in het kader van de strijd tegen BTW-fraude (waaronder carrousels) en ingevolge rechtspraak van het Hof van Justitie (zie hierover o.a. T.Janssen, 'Strijd tegen BTW-ontwijking en —ontduiking opgevoerd', Fisc.Act., 2006, nr.20, p.1).

Aldus wordt de klant die wist of had moeten weten dat de schuldenaar van de BTW deze niet zou betalen met de bedoeling de belasting te ontduiken hoofdelijk met die schuldenaar gehouden tot betaling van de BTW.

Eveneens ter bestrijding van misbruik werd artikel 79, §2, eerste lid W.BTW, ingevoerd door dezelfde programmawet van 20 juli 2006. Deze bepaling werd door de programmawet van 27 december 2006 (BS, 28 december 2006, ed.3) aangevuld met een tweede lid, volgens hetwelk de afnemer de door hem afgetrokken BTW moet terugstorten, wanneer hij op het moment dat hij de handeling verrichtte wist of had moeten weten dat de leverancier met de bedoeling de belasting te ontduiken niet overging of zou overgaan tot betaling van de aangerekende BTW aan de Belgische Staat.

 Artikel 51bis, §4 of artikel 79, §2 W.BTW ?

De belastingplichtige stelt dat uit de voorbereidende werken bij de Programmawet van 27 december 2006 blijkt dat artikel 51bis, §4 en 79, §2 W.BTW niet samen van toepassing kunnen zijn op dezelfde persoon.

In de memorie van toelichting bij de programmawet van 27 december 2006 (Parl.St., Kamer, 2006-2007, Doc.51, 2773/001, p.47) wordt inderdaad gesteld dat artikel Sib's, § 4 W.BTW een maatregel van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de invordering van de BTW betreft, terwijl het verwerpen van de aftrek, beoogd in artikel 79, §2 W.BTW een taxatiemaatregel betreft eigen aan de betrokken ondernemer. In die zin kunnen beide bepalingen inderdaad niet samen van toepassing zijn op dezelfde persoon.

Gemeenschappelijk aan beide bepalingen is dat moet worden aangetoond dat de afnemer (BVBA X. Group) wist of had moeten weten dat de leverancier de BTW niet zou doorstorten met ontduikingsopzet.

Voor het overige stelt het hof vast dat, hoewel de administratie zich in het proces-verbaal van 10 oktober 2016 (stuk 1 Belgische Staat) op beide bepalingen beriep, dit enkel tot gevolg had dat van BVBA X. Group slechts eenmaal het bedrag van 32.405,85 EUR werd gevorderd. Dit is zowel het bedrag dat in principe verschuldigd was door BVBA B.I., en waarvoor BVBA X. Group aldus hoofdelijk aansprakelijk kan gehouden worden in toepassing van artikel 51bis, §4 W.BTW, als het bedrag dat BVBA X. Group volgens de administratie ten onrechte in aftrek had gebracht, gelet op artikel 79, §2 W.BTW.

Vermits in deze niet betwist wordt dat BVBA X. Group het bedrag van 32.405,85 EUR had afgetrokken als voorbelasting, is het op basis van artikel 79, §2 W.BTW dat de administratie van de belastingplichtige de terugstorting van dit bedrag kan vorderen, voor zover ze voldoet aan haar bewijslast. Het feit dat in het proces-verbaal van 10 oktober 2016 beide artikelen worden vermeld, heeft niet tot gevolg dat dit proces-verbaal niet deugdelijk zou zijn gemotiveerd. Evenmin belet de vermelding van artikel 51bis, §4 W.BTW dat in deze toepassing kan worden gemaakt van artikel 79, §2 W.BTW.

 Bewijs.

De bewijslast ligt in deze bij de fiscale administratie. Er wordt immers niet betwist dat aan de facturen werkelijke leveringen beantwoordden, zodat vaststaat dat in principe recht op aftrek bestond. De in het proces-verbaal van 10 oktober 2016 vermelde inbreuk op 45, §1 W.BTW werd dan ook niet weerhouden door de administratie.

Om de BVBA X. Group alsnog het recht op aftrek van de voorbelasting te ontzeggen, moet de fiscale administratie aldus aantonen dat deze vennootschap wist of had moeten weten dat BVBA B.I. de BTW, aangerekend op de facturen met ontduikingsopzet niet zou betalen.

Overeenkomstig artikel 59, §1 W.BTW mag iedere overtreding of elk misbruik van de bepalingen van het W.BTW of van de uitvoeringsbepalingen daarvan, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, alsook door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën.

Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die kunnen afgeleid worden uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit (artikel 1349 B.W.). Met vermoedens kan slechts rekening gehouden worden indien het gaat om gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens.

Een bewijsvoering door middel van vermoedens veronderstelt een Iogische redenering, waarbij, vertrekkend van gekende feiten, wordt besloten tot het bestaan van een onbekend gegeven. Het is niet vereist dat die vermoedens noodzakelijk uit die feiten volgen; het is voldoende dat ze er eruit kunnen volgen (vgl. Cass., 22 oktober 2004, F.03.0028.N).

- In onderhavig geval vertrekt de administratie van de volgende gekende feitelijke gegevens: BVBA B.I. heeft de BTW, ontvangen op de facturen, uitgeschreven aan BVBA X. Group niet aangegeven, noch doorgestort aan de Belgische Staat. Dat daarbij gehandeld werd met ontduikingsopzet werd nooit betwist. BVBA B.I. werd op 11 september 2014 failliet verklaard.

•BVBA X. Group, belangrijke klant van BVBA B.I. kwam niet voor op de klantenlisting van deze laatste.

•BVBA B.I. heeft haar maatschappelijke zetel vanaf 1 december 2013 overgebracht naar 2950 Kapellen, Energielaan 11, B1 en BVBA X. Group was gevestigd te 2950 Kapellen, Energielaan 11b. Dat het om verschillende onderdelen gaat van voormeld gebouw blijkt niet.

•K.S. was in de periode dat de facturen werden uitgeschreven zowel

•zaakvoerder van de afnemer (BVBA X. Group) als van de leverancier (BVBA B.I.).

•De betalingen van de betrokken facturen door BVBA X. Group aan BVBA B.I. gebeurden via de privérekening van mevrouw S. of via kas. De betalingen konden aldus niet onopgemerkt gebleven zijn voor de zaakvoerster van beide vennootschappen.

•BVBA B.I. werd bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 15 mei 2015 (stuk 9 administratief dossier) veroordeeld wegens betrokkenheid bij een gelijkaardige constructie. Dit geschil betrof de toepassing van artikel 79, §2 en 1, §10 W.BTW omdat BVBA B.I. de BTW op twee facturen, op 20 december 2010 uitgereikt door CVBA A. in aftrek had gebracht, terwijl BVBA B.I. wist of had moeten weten dat CVBA A. de BTW op deze facturen niet zou doorstorten aan de Belgische Staat met de bedoeling de belasting te ontduiken. Op het moment van de uitreiking van deze facturen en de aftrok van de betrokken BTW was mevrouw S. zaakvoerder van BVBA B.I..

Het hof oordeelt dat voormelde feitelijke gegevens blijken uit de stukken van het dossier en op zich door de belastingplichtige niet worden betwist. Het betreft dan ook vaststaande gegevens, die als basis voor een vermoeden in aanmerking kunnen komen.

Uit deze gegevens Ieidt de Belgische Staat via een deugdelijke redenering of dat BVBA X. Group wist of had moeten weten dat BVBA B.I. de BTW op de betrokken facturen niet zou doorstorten aan de Staat met de bedoeling de belasting te ontduiken. Gelet op de onderlinge verwevenheid van beide vennootschappen (zelfde zaakvoerders, adres in eenzelfde gebouw), de voorgeschiedenis (gelijkaardige constructie in het verleden) en de betalingswijze van de facturen (privérekening van de gemeenschappelijke zaakvoerder of via kas), oordeelt het hof dat BVBA Ice Group wist of zeker had moeten weten dat de BTW, betaald aan BVBA B.I. door deze laatste niet zou worden doorgestort aan de Belgische Staat met de bedoeling om de belasting te ontduiken. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat BVBA X. Group wist dat ze meewerkte aan een frauduleuze constructie, die erop gericht was de BTW te ontduiken.

Dat de feiten in de zaak, die aanleiding gaf tot het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 15 mei 2015 niet identiek waren doet aan het voorgaande geen afbreuk.

 Artikel 45, §1 W.BTW.

De belastingplichtige stelt dat de administratie het recht op aftrek heeft toegestaan en dat ze aldus zou hebben aanvaard dat de belastingplichtige te goeder trouw was.

Het hof kan het standpunt van de belastingplichtige niet volgen.

Het feit dat de facturen voldoende gedetailleerd waren (voornamelijk tweedehandsgoederen van de later failliet verklaarde leverancier) en dat ze werkelijk werden betaald, impliceert niet dat BVBA X. Group daarbij te goeder trouw was en ontneemt aan de fiscale administratie niet het recht om toepassing te maken van artikel 79, §2, tweede lid W.BTW.

In de memorie van toelichting bij de programmawet van 27 december 2006, waarbij artikel 79, §2, tweede lid W.BTW werd ingevoerd, wordt hieromtrent het volgende gezegd (ParLSt., Kamer, 2006-2007, Doc.51, 2773/001, p.46):

"Het recht van een belastingplichtige die handelingen verricht die zelf niet frauduleus zijn, om de betaalde voorbelasting in aftrek te brengen, komt nochtans niet in het gedrang door het felt dat een andere handeling in de ketting, voorafgaand aan of volgend op de handeling van die belastingplichtige frauduleus is zonder dat hij hiervan op de hoogte was of kon zijn. Anders gezegd, als de belastingplichtige niet weet dat hij zich bevindt in een ruimer geheel, opgezet om te ontsnappen aan de betaling van de belasting, dan wordt zijn recht op aftrek hierdoor niet beïnvloed.

Het ligt in het kader van een carrouselfraude evenwel voor de hand dat de netwerken waarin een van de deelnemers het BTW-bedrag dat hij doorrekent niet aan de schatkist doorstort en een andere deelnemer dat bedrag in aftrek brengt, een vorm van fraude inhoudt, maar tot op zekere hoogte ook een misbruik, aangezien een juridische bepaling wordt gebruikt om een voordeel te bekomen dat strijdig is met de finaliteit van die bepaling en er een handeling wordt gesteld die buiten het normale commerciële kader valt met het doel zich onrechtmatig te verrijken.

Het HJEG heeft in zijn arrest van 6 juli 2006, Kittel en Recolta Recycling, gevoegde zaken C­439/04 en C-440/04, echter voor recht verklaard dat het daarentegen aan de nationale rechter staat om het recht op aftrek te weigeren indien aan de hand van objectieve elementen wordt vastgesteld dat de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij door zijn aankoop deelnam aan een transactie die onderdeel is van BTW-fraude. Een belastingplichtige die wist of had moeten weten dat hij door zijn aankoop deelnam aan een transactie die onderdeel is van BTW-fraude, moet dus voor de toepassing van de zesde richting worden aangemerkt als een deelnemer aan deze fraude, en dit ongeacht de vraag of hij al dan niet winst haalt uit de doorverkoop van de goederen. In een dergelijke situatie, voegt het HJEG er aan toe, is de belastingplichtige de fraudeurs immers behulpzaam en wordt hij hun medeplichtige (zie voornoemd arrest, Kittel en Recolta Recycling, nrs 56 en 57). Dus zelfs als de betrokken handeling voldoet aan de objectieve criteria waarop het begrip levering van goederen is gesteund, vereist het gemeenschappelijk stelsel van de BTW dat deze belastingplichtigen eveneens hun recht op aftrek wordt geweigerd."

Het feit dat de administratie zich niet langer steunt op artikel 45, §1 W.BTW impliceert derhalve niet dat de administratie aanvaardt dat de belastingplichtige in deze te goeder trouw is. Integendeel: de administratie heeft steeds voorgehouden dat de belastingplichtige wist of moest weten dat de leverancier met ontduikingsopzet de BTW niet zou doorstorten, zodat hem op basis van artikel 79, §2 W.BTW het recht op aftrek kon worden ontzegd.

2.2. De boete.

Er is volgens de belastingplichtige geen reden om een boete, gelijk aan het dubbele van de ontdoken belasting toe te passen. Deze boete is volgens de belastingplichtige onevenredig, vermits er geen frauduleuze intenties bestonden in hoofde van de vennootschap. Het opleggen van een boete van 200% werd bovendien volgens de vennootschap niet afdoende gemotiveerd.

Er is volgens de Belgische Staat duidelijk sprake van frauduleus opzet, zodat de boete van 200% overeenkomstig artikel 2 van KB nr.41 niet kan verminderd worden en terecht werd toegepast. Deze boete werd volgens de Belgische Staat ook afdoende gemotiveerd in het proces-verbaal van 10 oktober 2016.

Overeenkomstig artikel 70, §1, eerste lid W.BTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Artikel 70, §1bis W.BTW bepaalt dat ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht een geldboete verbeurt, gelijk aan het dubbel van de belasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van §1, eerste lid.

In het proces-verbaal van 10 oktober 2016 worden de artikelen 70, §1 en §1bis geciteerd en wordt gesteld: "Voor de overtreding van art.79, §1 van het btw-wetboek (terug te storten afgetrokken btw in geval van misbruik) is geen verdere vermindering of kwijtschelding van de op grond van artikel 70 §1 opgelopen geldboeten mogelijk. Art.1 laatste lid van het koninklijk besluit nummer 41, artikel 1, laatste lid maakt de overtredingen die begaan zijn met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken niet voor vermindering vatbaar. De boete bedraagt aldus 32.405,85 EUR x 200 pct. = 64.811,70 EUR."

Het hof oordeelt dat de boete aldus wel afdoende werd gemotiveerd door voormelde passage in het proces-verbaal, samen gelezen met de toepassing in dit proces-verbaal van artikel 51bis, §4 en 79, §2, tweede lid W.BTW. Het proces-verbaal werd als bijlage gevoegd bij het aan de belastingplichtige betekende dwangbevel.

Het hof oordeelt dat er in deze sprake is van kwade trouw in hoofde van BVBA X. Group. Deze vennootschap wist of had moeten weten dat ze meewerkte aan een constructie die gericht was op de ontduiking van de BTW. De boete van 200%, die als regel kan worden opgelegd, is dan ook niet onverenigbaar met de gepleegde inbreuk en dient niet gereduceerd te worden.

2.3. Rechtspleainasveraoeding.

De Belgische Staat is in deze te beschouwen als de in het gelijk gestelde partij, zodat BVBA X. Group tot de kosten van het geding moet worden veroordeeld.

Partijen zijn het erover eens dat betwistingen inzake belastingen geen onbepaalde waarde hebben, doch dat ze kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste aanslag. De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering (Cfr. Cass., 12 maart 2010, F.J.F., nr.2010/183, p.720).

Gelet op het bedrag van de betwiste aanslagen, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 6.000,00 EUR. Er is geen reden om van dit basisbedrag of te wijken.

Beschikkend gedeelte

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van BVBA X. Group toelaatbaar doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof verwijst BVBA X. Group in de gedingkosten in hoger beroep, vereffend aan de zijde van de Belgische Staat op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 6.000,00 EUR en laat de bijzondere bijdrage aan het begrotingsfonds van 20,00 EUR ten laste van BVBA X. Group.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 07 januari 2020 door

M. G. Raadsheer, dd. Voorzitter

E. C. Griffier

Aangehaalde teksten

4

Vergelijkbare beslissingen

8