Verzoek tot kwijtschelding, Periodieke btw-aangifte, Niet indiening, Laattijdige indiening · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 11 oktober 2021

Zoeken

Verzoek tot kwijtschelding, Periodieke btw-aangifte, Niet indiening, Laattijdige indiening

https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-verzoek-kwijtschelding-periodieke-btw-hof-van-beroep-antwerpen-2021-10-11-f74e

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
11 oktober 2021

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

191 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 11.10.2021

WF 711-15-16/049022

(Gunstig voor de Belgische Staat)

Belasting over de toegevoegde waarde – Boete – Verzoek tot kwijtschelding – Periodieke btw-aangifte – Niet indiening – Laattijdige indiening

Wettelijke bepalingen

Art. 53, §1, eerste lid, 2° en 70, §4 W.Btw

Afdeling 1, I, A en B van de bijlage bij het KB nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde

Artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831

Samenvatting

1) Feiten en voorgaande procedure

Het geschil gaat over het verzoek tot kwijtschelding van de boete naar aanleiding van het laattijdig indienen van de btw-aangifte van het eerste kwartaal 2014 en het niet indienen van de btw-aangiftes voor het derde en vierde kwartaal van 2014.

Naar aanleiding van de laattijdige indiening van de btw-aangifte voor het eerste kwartaal van 2014 werd er een boete van 100,00 EUR opgelegd aan de belastingplichtige. Vanwege het niet indienen van de aangiftes voor het derde en vierde kwartaal van 2014 werd er een bijzondere rekening opgesteld. Deze was samengesteld als volgt:

• boete voor de niet indiening van de aangifte van het derde kwartaal 2014: 1.000,00 EUR;

• boete voor de niet indiening van de aangifte van het vierde kwartaal 2014: 1.000,00 EUR;

• stand van de rekening-courant op 31.01.2015 bedroeg 378,94 EUR, in het voordeel van de belastingplichtige.

Naar aanleiding van deze drie boetes diende tegenpartij een verzoekschrift tot kwijtschelding van boete in. Dit verzoek werd op basis van een gemotiveerde beslissing afgewezen door de administratie.

Hiertegen werd er een verzoekschrift door de belastingplichtige neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt. De rechtbank verklaarde de vordering van tegenpartij toelaatbaar en gegrond in de mate dat de boetes voor het niet indienen van de btw-aangiftes werden herleid tot 500 EUR.

De administratie ging tegen dit vonnis in beroep.

2) Het arrest van het hof van beroep

De administratie ging in hoger beroep aangezien zij van mening was dat de eerste rechter de boete louter op basis van opportuniteitsredenen had herleid. De eerste rechter motiveerde zijn beslissing namelijk als volgt:

“[…] De rechtbank is van oordeel dat er in onderhavig geval geen elementen zijn aangereikt waaruit zou blijken dat de opgelegde boete niet evenredig is en niet in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.

De rechtbank stelt vast dat aan eiseres boetes werd opgelegd voor het niet tijdig indienen van de btw-aangiftes.

In besluiten van eiseres wordt beweerd dat ze geïmmigreerd was naar Aruba en dat ze zich nooit had ingeschreven als zelfstandige. Eiseres objectiveert haar beweringen aan de hand van stukken.

Uit de laattijdig ingediende btw-aangiftes blijkt evenwel dat eiseres een zeer beperkte economische activiteit heeft gehad.

Nu de geldboete werd opgelegd voor een niet-intentioneel begane fout (kwade trouw wordt immers niet vermoed en wordt te dezen ook niet bewezen) maar voor een fout welke is te wijten aan een onvoorzichtigheid van eiseres sluit in de gegeven omstandigheden en gelet op de beperkte economische activiteit die eiseres gevoerd heeft, het opleggen van een zware financiële geldboete niet aan bij de feiten.

De boete dient dan ook te worden verminderd tot 500,00 euro.

De vordering van eiseres is dan ook ín die mate gegrond. […]”

Volgens het hof blijkt uit de beoordeling van de eerste rechter dat er geen elementen waren aangereikt waaruit zou blijken dat de opgelegde boete niet evenredig was en niet in verhouding stond met de concrete gegevens van de zaak. Het hof is dan ook van mening dat uit deze motivering blijkt dat de boetes verantwoord en evenredig waren met de aard en de ernst van de feiten. Er was dan ook geen reden voor de eerste rechter om de boetes te verminderen.

Het feit dat de eerste rechter toch over ging tot vermindering van de boete kan volgens het hof dan ook enkel ingegeven zijn door opportuniteitsredenen.

Voor het overige stelt het hof vast dat dat de belastingplichtige duidelijk haar wettelijke fiscale verplichtingen niet heeft nageleefd. Verder werd de beslissing waarmee het verzoek tot kwijtschelding werd afgewezen correct gemotiveerd. Tenslotte zijn de opgelegde administratieve geldboetes wettelijk en staan ze in redelijke verhouding tot de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.

Bijgevolg hervormt het hof dan ook het eerste vonnis.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep Antwerpen, kamer B6E3, burgerlijke zaken

Eindarrest fiscaal van 11.10.2021

Rol: 2018/AR/2249

BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in van Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal - KMO Centrum Hasselt, met diensten te 3500 100, Eiser in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ... , advocaat te ... tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 02 juli 2018, gekend onder rolnummer 16/2857/A

tegen

P.D.H., RRN 69....17, wonende te ..., Verweerster in hoger beroep, niet verschenen noch vertegenwoordigd ter terechtzitting van 13 september 2021

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 2 juli 2018, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 17 december 2018, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwer p van de betwisting.

Het geschil heeft betrekking op het verzoek tot kwijtschelding van de boete ingevolge laattijdige indiening van de BTW-aangifte van het eerste kwartaal 2014 en het niet indienen van het derde en vierde kwartaal 2014 door verweerster in hoger beroep.

1.2. Feiten en administratieve fase.

Verweerster in hoger beroep is ingevolge de door haar gevoerde activiteit van organisatie van congressen en beurzen en activiteiten van managers van artiesten, sportlui en overige bekende personaliteiten onderworpen aan de bepalingen van het WBTW en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten. Zij is als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder BE 087...09 van 01/02/2014.

Verweerster in hoger beroep heeft de periodieke BTW-aangifte m.b.t. het eerste kwartaal 2014 laattijdig ingediend op 26/05/2014.

Op 26/05/2014 werd aan verweerster in hoger beroep een boete van 100 euro opgelegd wegens laattijdig indienen van de aangifte.

Voor het tweede kwartaal 2014 werd er een nihil-aangifte ingediend op 25/07/2014. Voor deze laattijdige indiening werd er geen boete aangerekend gelet op de administratieve tolerantie.

Voor het derde en vierde kwartaal 2014 kwam verweerster in hoger beroep haar verplichtingen tot het indienen van de BTW-aangifte niet na.

Op 14/01/2015 werd aan verweerster in hoger beroep een verwittiging gestuurd.

Op 10/02/2015 werd een brief gestuurd naar verweerster in hoger beroep met de mededeling dat er een bijzondere rekening zou worden opgemaakt conform artikel 8 §1 van het KB nr. 24 van 29/12/1992, wegens het ontbreken van de BTW-aangiften van het derde en vierde kwartaal 2014.

Als gevolg van deze nalatigheid werden er in overeenstemming met artikel 8 van het KB nr.24 van 29/12/1992 met betrekking tot de voldoening van de BTW op naam van verweerster in hoger beroep de volgende bijzondere rekening opgemaakt teneinde een bedrag van 1.621,06 euro aan forfaitaire boete te innen, samengesteld als volgt:

- boete niet-indiening derde kwartaal 2014: 1.000 euro;

- boete niet-indiening vierde kwartaal 2014: 1.000 euro;

- toestand rekening-courant op 31.01.2015: - 378,94 euro.

Bij aangetekend schrijven van 16/02/2015 werd deze bijzonder rekening ter kennis gebracht van verweerster in hoger beroep.

Verweerster in hoger beroep diende een verzoekschrift tot kwijtschelding van de boete ingevolge laattijdige indiening van de BTW-aangifte van het eerste kwartaal 2014 en het niet indienen van het derde en vierde kwartaal 2014 in.

Bij beslissing van 27/10/2016 werd door de tot kwijtschelding van opgelopen boete.

1.3. Procedure voor de eerste rechter.

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt op 08/11/2016 stelde verweerster in hoger beroep een vordering in rechte in.

De vordering van verweerster in hoger beroep streeft kwijtschelding, minstens de vermindering van de opgelegde geldboetes na.

De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond en stelde dat de opgelegde herleide geldboete van 1.621,06 euro wegens het niet tijdig indien van de BTW-aangiftes diende verminderd te worden tot een geldboete van 500,00 euro.

Eiser in hoger beroep werd veroordeeld tot de kosten van het geding, begroot in hoofde van verweerster in hoger beroep op 0,00 euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een advocaat.

De rechtbank oordeelde dat er in onderhavig geval geen elementen waren aangereikt waaruit zou blijken dat de opgelegde boete niet evenredig was en niet in verhouding stond met de concrete gegevens van de zaak.

Vervolgens oordeelde de rechtbank dat, nu de geldboete werd opgelegd voor een niet­ intentioneel begane fout (kwade trouw wordt immers niet vermoed en wordt te dezen ook niet bewezen) maar voor een fout welke was te wijten aan een onvoorzichtigheid van verweerster in hoger beroep, in de gegeven omstandigheden en gelet op de beperkte economische activiteit die verweerster in hoger beroep gevoerd had, het opleggen van een zware financiële boete niet aansloot bij de feiten. De boete werd door de rechtbank verminderd tot 500,00 euro.

Tegen dit vonnis heeft eiser in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 17/12/2018, hoger beroep ingesteld.

1.4. Procedure voor het hofvan beroep.

Eiser in hoger beroep vordert:

- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- bijgevolg het eerste vonnis teniet te doen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering af te wijzen en verweerster in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van beide instanties begroot aan de zijde van geïntimeerde (te lezen als eiser in hoger beroep zijn) op de rechtsplegingsvergoeding in hoger ten voor het Fonds ten belope van 20 euro.

Ter zitting van 13/09/2021 verzoekt de raadsman van eiser in hoger beroep de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding toe te passen, zijnde 520 euro in hoger beroep.

Verweerster in hoger beroep heeft geen conclusies neergelegd.

Ter zitting van 13/09/2021 verschijnt verweerster in hoger beroep niet noch iemand voor haar. De raadsman van eiser in hoger beroep verzoekt de zaak conform art. 747 §4 Ger.W. te behandelen.

2. Bespreking

2.1 De BTW-boete

Hoewel luidens art. 1068, lid 1, Ger. W., hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep, staat het evenwel aan de partijen, door het hoofd- of incidenteel beroep, de grenzen te bepalen waarbinnen de rechter in hoger beroep uitspraak moet doen over de aan de eerste rechter voorgelegde betwistingen.

Het geschilpunt in hoger beroep beperkt zich te dezen dan ook tot de omvang van de toetsingsbevoegdheid van de eerste rechter die volgens eiser in hoger beroep de boete op basis van louter opportuniteitsredenen herleidde tot 500 euro. Door verweerster in hoger beroep werd er geen incidenteel beroep ingesteld.

Te dezen diende verweerster in hoger beroep een verzoek in tot kwijtschelding van de boete opgelegd involge laattijdige indiening van de BTW aangifte van het eerste kwartaal 2014 (100 euro) en het niet indienen van de BTW-aangifte van het derde (1.000 euro) en vierde kwartaal 2014 (1.000 euro).

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vgl. Cass. 18 januari 2018, F.16.0160.N, www.juportal.be).

Verweerster in hoger beroep heeft inbreuken gepleegd op artikel 53 §1, eerste lid, 2° WBTW. Deze overtredingen vallen onder artikel 70 §4 eerste lid WBTW. De bedragen van de niet-proportionele fiscale geldboeten voor de overtredingen beoogd in artikel 70 §4, eerste lid WBTW zijn opgenomen in de bijlage van het KB nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting op de toegevoegde waarde.

De boetes werden te dezen opgelegd overeenkomstig het KB nr. 44 van 9 juli 2012, eerste afdeling 1, A (aangifte niet indienen: 1.000 euro per aangifte) en B (laattijdig indienen: 100 euro per aangifte en per maand vertraging met een maximum van 1.000 euro per aangifte).

Verweerster in hoger beroep voerde in haar verzoek tot kwijtschelding aan dat zij zich had afgemeld bij de gemeente Maaseik in mei 2014; ze het ondernemingsloket Acerta op de hoogte had gebracht van haar vertrek; ze zwaar chronisch ziek was en haar geplande zelfstandige werkzaamheden nooit had kunnen bewerkstelligen, laat staan uitvoeren en dat er geen activiteit geweest was op deze zelfstandige onderneming, laat staan dat zij enige inkomsten had genoten of BTW had ontvangen.

Bij beslissing van 27/10/2016 werd niet ingegaan op het verzoek tot kwijtschelding van de opgelopen boete om reden dat:

- uit onderzoek van het BTW-dossier was gebleken dat het BTW-nummer en het ondernemingsnummer ambtshalve was stopgezet wegens niet-indienen van de aangiften sinds 1 februari 2015 en dat de belastingplichtige de administratie niet op de hoogte had gebracht van een eventuele wijziging of stopzetting met een formulier 604 B of C van zijn activiteiten waardoor de herinneringsbrieven steeds opgestuurd werden aan het gekende adres

- elke belastingplichtige gehouden is zijn fiscale verplichtingen correct na te komen;

- de boeten verschuldigd zijn door het enkel feit van de overtreding;

- van mogelijkheid tot kwijtschelding of vermindering van de boete slechts gebruik kan worden gemaakt in uitzonderlijke omstandigheden of wanneer de belastingplichtige zich in een geval van overmacht zou bevinden;

- een fout of nalatigheid van de belastingplichtige en/of zijn boekhouder niet kan worden beschouwd als een geval van overmacht

- rekening houdende met dit gegeven en gelet op het feit dat in het verzoekschrift geen andere buitengewone omstandigheden werden aangehaald die een boetevermindering zouden rechtvaardigen, niet kon ingegaan worden op het verzoek tot kwijtschelding van de opgelopen boete.

Verweerster in hoger beroep was niet akkoord met de beslissing en wendde zich tot de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt.

De eerste rechter besliste om de boete te verminderen tot 500,00 euro en motiveerde dit als volgt:

“” ...

De rechtbank is van oordeel dat er in onderhavig geval geen elementen zijn aangereikt waaruit zou blijken dat de opgelegde boete niet evenredig is en niet in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.

De rechtbank stelt vast dat aan eiseres boetes werd opgelegd voor het niet tijdig indienen van de BTW-aangiftes.

In besluiten van eiseres wordt beweerd dat ze geïmmigreerd was naar Aruba en dat ze zich nooit had ingeschreven als zelfstandige. Eiseres objectiveert haar beweringen aan de hand van stukken.

Uit de laattijdig ingediende BTW-aangiftes blijkt evenwel dat eiseres een zeer beperkte economische activiteit heeft gehad.

Nu de geldboete werd opgelegd voor een niet-intentioneel begane fout (kwade trouw wordt immers niet vermoed en wordt te dezen ook niet bewezen) maar voor een fout welke is te wijten aan een onvoorzichtigheid van eiseres sluit in de gegeven omstandigheden en gelet op de beperkte economische activiteit die eiseres gevoerd heeft, het opleggen van een zware financiële geldboete niet aan bij de feiten.

De boete dient dan ook te worden verminderd tot 500,00 euro.

De vordering van eiseres is dan ook in die mate gegrond.

... ,,

In het beroepen vonnis oordeelde de rechter aldus dat er geen elementen waren aangereikt waaruit zou blijken dat de opgelegde boete niet evenredig was en niet in verhouding stond met de concrete gegevens van de zaak.

Uit voormelde motivering blijkt dat de boete te aard en de ernst van de feiten.

Er was voor de eerste rechter dan ook geen reden om een vermindering van de boete toe te staan.

Het feit dat de eerste rechter toch is overgegaan tot vermindering van de boete kan dan ook enkel ingegeven zijn door opportuniteitsredenen.

Uit het gegeven alleen dat het "een niet-intentioneel beganefout" betrof ("te wijten aan een onvoorzichtigheid") en dat het "een beperkte economische activiteit" betrof kon de rechtbank niet afleiden dat de door het bestuur opgelegde boetes onevenredig waren.

De boetes zijn immers verschuldigd door het enkel feit van de overtreding.

Te dezen heeft de belastingplichtige duidelijk haar wettelijke fiscale verplichtingen niet nageleefd.

De boete is erop gericht het gedrag van de in gebreke blijvende belastingplichtige te veranderen. Die boete heeft tot doel te straffen en daarbij zodanig af te schrikken dat de belastingplichtige zich in de toekomst ervan onthoudt om de inbreuk te herhalen. Daarnaast strekt een boete ook tot vergoeding van maatschappelijke schade.

De bestreden beslissing dat het verzoek tot kwijtschelding van de boete afwees werd correct gemotiveerd.

Thans in hoger beroep wordt er door verweerster in hoger beroep zelfs geen enkel standpunt ingenomen en worden er geen concrete redenen, omstandigheden tot vermindering aangevoerd.

Het hof is van oordeel dat de opgelegde administratieve geldboeten wettelijk zijn en in redelijk verhouding staan met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.

Bijgevolg dient het eerste vonnis dan ook hervormd te worden.

De oorspronkelijke vordering van verweerster in hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond.

Gelet op al het voorgaande wijst het hof de overige argumenten van pa zake dienend en/of overbodig.

2.2 De rechtspleqinqsverqoedinq

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).

Overeenkomstig art. 1017 Ger.W. dient verweerster in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld te worden tot de kosten van het geding in beide aanleggen.

In eerste aanleg was de Belgische Staat niet vertegenwoordigd noch bijgestaan door een advocaat zodat de rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg kan vereffend worden op O euro rechtsplegingsvergoeding.

Wat betreft de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep bemerkt het hof geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag van van 520 euro (indexering vanaf 01/06/2021) voor een in geld waardeerbare vordering van 750,01 euro tot en met 2.500,00 euro.

Het hof vereffent de kosten in hoofde van de Belgische Staat op O euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg bij gebrek aan vertegenwoordiging door een advocaat, op 520 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en op 20 euro bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017).

Beschikkend gedeelte

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak opzichtens de Belgische Staat en geacht op tegenspraak overeenkomstig art. 747 §4 Ger.W. opzichtens verweerster in hoger beroep.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiser in hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt.

Het hof hervormt het bestreden vonnis.

Het hof verklaart de vordering van verweerster in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Het hof veroordeelt verweerster in hoger beroep tot de kosten van aanleggen.

Het hof vereffent de kosten van het geding in hoofde van eiser in hoger beroep op O euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, 520 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en op 20 euro bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017).

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 11 oktober 2021 door:

Ondertekeningen

Door de FOD bijgevoegde beslissing

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg

Rechtbank van eerste aanleg LIMBURG, Afdeling Hasselt, sectie burgerlijk llA kamer

Eindvonnis van 02.07.2018

Rol: AR 16/2857/A

IN ZAKE:

P.D.H., wonende te ... - eiseres - Ter zitting in persoon verschenen.

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12. ALGEMENE ADMINISTRATIE VAN DE FISCALITEIT, ADMINISTRATIE KMO, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 100. - verweerder - Ter zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde mevrouw X, attaché bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt.

VOLGT HET VONNIS

Gelet op:

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 08.11.2016;

- de beschikking overeenkomstig art. 747, §1 Ger.W. van 05.01.2017;

- de besluiten, aanvullende conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;

- de besluiten van eiseres.

I. FEITEN EN VOORGAANDEN:

1. Eiseres werd ingevolge de door haar gevoerde activiteit van organisatie van congressen en beurzen en activiteiten van managers van artiesten, sportlui en overige bekende personaliteiten onderworpen aan de bepalingen van het WBTW en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten. Zij is als BTW- belastingplichtige geregistreerd onder nummer BE 087...09 vanaf 01.03.2014.

Eiseres heeft de periodieke BTW-aangifte m.b.t. het eerste kwartaal 2014 laattijdig ingediend op 26.05.2014.

Op 26.05.2014 werd aan eiseres een boete van 100,00 euro opgelegd wegens laattijdig indienen van de aangifte.

Voor het tweede kwartaal 2014 werd er een nihil-aangifte ingediend op 25.07.2014. Voor deze laattijdige indiening werd er geen boete aangerekend gelet op de administratieve toleratie.

Voor het derde en vierde kwartaal 2014 kwam eiseres haar verplichting tot het indienen van BTW- aangiftes tot op heden niet na.

Als gevolg van deze nalatigheid werden er in overeenstemming met artikel 8 van het

KB nr.24 van 29.12.1992 met betrekking tot de voldoening van de BTW op naam van eiseres de volgende bijzondere rekening opgemaakt teneinde een bedrag van 1.621,06 euro aan forfaitaire boeten te innen, samengesteld als volgt:

- boete niet-indiening derde kwartaal 2014 : 1.000,00 euro;

- boete niet-indiening vierde kwartaal 2014: 1.000,00 euro;

- toestand rekening-courant op 31.01.2015: - 378,94 euro.

Bij aangetekend schrijven van 16.02.2015 werd deze bijzonder rekening ter kennis gebracht van eiseres.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 08.05.2015 heeft eiseres een vordering in rechte ingeleid.

ll. BEOORDELING:

1. Ontvankelijkheid:

Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde:

1. Eiseres streeft de kwijtschelding, minstens de vermindering van de opgelegde geldboete na.

2. Verweerder wijst erop dat de in art. 70 W.B.T.W. opgelegde administratieve boeten van rechtswege worden opgelopen door het loutere feit van de overtreding, ongeacht of er goede of kwade trouw aanwezig was.

In zijn arrest nr. 22/99 van 24 februari 1999 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de interpretatie van de voorheen geldende wettelijke bepalingen, als zou de burgerlijke rechter geen volheid van rechtsmacht hebben om over de administratieve geldboetes te oordelen, ongrondwettelijk is. Het Hof oordeelde het onverenigbaar met de G.W. dat een burgerlijke rechter die een repressieve fiscale boete moet beoordelen, geen rekening zou kunnen houden met bepaalde omstandigheden, terwijl een strafrechter wel verzachtende omstandigheden in rekening kan brengen. Deze rechtspraak impliceert dat de belastingplichtigen de mogelijkheid moeten hebben om door een rechter te laten beoordelen of de repressieve fiscale boete in rechte en in feite verantwoord is, en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen, die de administratie in acht moet nemen, werden geëerbiedigd. Eén van deze beginselen is het evenredigheidsbeginsel.

Verder impliceert deze rechtspraak eveneens dat indien de administratie de mogelijkheid heeft de sanctie te moduleren (in de zin van een gedeeltelijke vermindering of kwijtschelding), niets wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter mag ontsnappen (Grondwettelijk Hof 24 februari 1999, A.A. 1999, 257; 8.5. 30 april 1999; Fiscoloog 1999, afl. 697, 5; F.J.F. 1999, 489; J.L.M.B. 1999, 532; J. T. 1999, 45; T.F.R. 1999, 385, met noot B. COOPMAN en G. STESSENS, "Mensenrechtelijke waarborgen toepasselijk op de administratieve fiscale boete : reflecties bij de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Arbitragehof").

In drie arresten van 24 januari 2002 oordeelde het Hof van Cassatie dat de rechtbanken en hoven de wettelijkheid van de administratieve boetes mogen onderzoeken en mogen nagaan of de feitelijke en wettelijke voorwaarden vervuld zijn voor die sancties, en of die sancties verzoenbaar zijn met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, waaronder de evenredigheid met de inbreuk (zie Cass. 24 januari 2002, T.F.R. 2002, 765, met noot B. COOPMAN en K. LAMMENS).

Het Hof van Cassatie aanvaardt alleen een evenredigheidstoetsing, waarbij de rechtbanken en hoven inzonderheid acht mogen slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Binnen het kader van deze evenredigheidstoetsing neemt het Hof van Cassatie wel aan dat de rechtbanken en hoven de administratieve boetes kunnen verminderen tot onder het wettelijk bepaald minimum in geval van vastgestelde onevenredigheid (zie VANDENBERGHE, L. "De rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve fiscale boeten : een stand van zaken", Fisc. Act. 2003, nr. 14, 10 april 2003, nrs. 3 en 4, p. 10).

Daarentegen meent het Hof van Cassatie dat het toetsingsrecht van de rechtbanken en hoven niet inhoudt dat zij om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke voorschriften in de opgelegde boetes kunnen verminderen of kwijtschelden (zie VANDENBERGHE, L. "De rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve fiscale boeten een stand van zaken", o.c. 9 e.v.).

Op 4 maart 2004 werd voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie van 24 januari 2002 kritisch benaderd door het E.H.R.M., dat oordeelde dat het Hof van Cassatie op te algemene wijze had beslist dat motieven van billijkheid en opportuniteit niet mogen meespelen in de rechterlijke beoordeling (zie COOPMAN, B. "Rechterlijke toetsing van fiscale boetes : cassatie teruggefloten door Straatsburg", noot onder E.H.R.M. 4 maart 2004, T.F.R. 2004, 642).

Toch bleef het Hof van Cassatie bij zijn weigering om de rechterlijke opportuniteitscontrole toe te laten naar analogie met het Regentsbesluit van 18 maart 1831, het zg. Organiek besluyt van het bestuur van 's lands middelen. Het Hof van Cassatie oordeelde dat het toetsingsrecht van de rechtbanken en hoven niet inhoudt dat deze op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boetes kunnen verminderen of kwijtschelden ( zie Cass. 21 januari 2005, Fiscoloog nr. 969, p. 7; Cass. 30 november 2006, R.G.C.F. 2007, 363, met noot M. MORIS, "Le pouvoir d'appréciation du juge en matière d'amendes fiscales"; Cass. 16 februari 2007 (4 arresten), T.F.R. 2007, 934, met noot G. GOOSSENS, "Redelijkheid, evenredigheid en proportionaliteit. Het standpunt van het Hof van Cassatie inzake de rechterlijke toetsing van fiscale geldboetes". Zie ook : 8. COOPMAN, "Hof van Cassatie vindt verzachtende omstandigheden te "subjectief"", Fisc. Act. 2005, nr. 7, 24 februari 2005, 5).

Op 15 mei 2008 besliste het Grondwettelijk Hof evenwel dat, wanneer bij de rechter een beroep wordt ingesteld tegen een beslissing die de minister van Financiën of diens gedelegeerde op grond van art. 9 van voornoemd Regentsbesluit heeft genomen, die rechter, zoals de minister van Financiën of diens gedelegeerde, de geldboete moet kunnen kwijtschelden of verminderen (zie Grondwettelijk Hof 15 mei 2008, T.F.R. 2008, 1027, met noot 8. COOPMAN, "Rechtsmacht over fiscale boetes reikt volgens Grondwettelijk Hof zo ver als Regentsbesluit").

Het Hof van Cassatie heeft zich in de arresten van 12 december 2008 en 13 februari 2009 opnieuw uitgesproken over de draagwijdte van de rechterlijke beoordeling van fiscale administratieve sancties (zie Cass., 12 december 2008 en vier arresten van 13 februari 2009, www.cass.be). Drie van de vijf arresten bevestigen de eerdere rechtspraak. In twee andere arresten verfijnt het Hof zijn interpretatie van evenredigheidstoetsing. Het Hof bevestigt dat een evenredigheidstoetsing is toegestaan, ook al beschikt de administratie over een gebonden bevoegdheid bij het opleggen van de sanctie. In het laatste arrest van 13 februari 2009 wordt voor het eerst erkend dat de feitenrechter, mits voldoende motivering, een proportionele BTW-boete kan verminderen. De feitenrechter mag binnen het kader van de evenredigheidstoetsing rekening houden met bepaalde omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige.

De rechtbank is van oordeel dat er in onderhavig geval geen elementen zijn aangereikt waaruit zou blijken dat de opgelegde boete niet evenredig is en niet in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.

De rechtbank stelt vast dat aan eiseres boetes werd opgelegd voor het niet tijdig indienen van de BTW-aangiftes.

In de besluiten van eiseres wordt beweerd dat ze geïmmigreerd was naar Aruba en dat ze zich nooit had ingeschreven als zelfstandige. Eiseres objectiveert haar beweringen aan de hand van stukken.

Uit de laattijdig ingediende BTW-aangiftes blijkt evenwel dat eiseres een zeer beperkte economische activiteit heeft gehad.

Nu de geldboete werd opgelegd voor een niet-intentioneel begane fout (kwade trouw wordt immers niet vermoed en wordt te dezen ook niet bewezen) maar voor een fout welke is te wijten aan een onvoorzichtigheid van eiseres sluit in de gegeven omstandigheden en gelet op de beperkte economische activiteit die eiseres gevoerd heeft, het opleggen van een zware financiële geldboete niet aan bij de feiten.

De boete dient dan ook te worden verminderd tot 500,00 euro. De vordering van eiseres is dan ook in die mate gegrond.

at betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S., 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

De vordering is in geld waardeerbaar.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

OM DEZE REDENEN

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Stelt dat de opgelegde herleide geldboete van 1.621,06 euro wegens het niet tijdig indienen van de BTW-aangiftes, dient verminderd te worden tot een geldboete van 500,00 euro.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding en begroot deze in hoofde van eiseres op 0,00 euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een advocaat.

Aldus gevonnist en uitgesproken in buitengewone openbare terechtzitting van de llA kamer, op het gerechtshof te Hasselt op 02.07.2018, alwaar zetelden:

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

3
KB nr. 24 art. 82 voorkomens
WBTW art. 702 voorkomens
WBTW art. 531 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8