Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel d.d. 15.09.2025 (2025/425/A)
Finaliti 58720418/01
[ Gunstig vonnis ]
Gunstig vonnis
Trefwoorden
Belasting over de toegevoegde waarde – Bijzondere rekening – Formele wettigheid van de kennisgeving – Ontbreken van een handtekening – Bevoegdheid van de ambtenaar – Evenredige geldboete – Zorgvuldigheidsbeginsel - Verzoek om kwijtschelding/vermindering van de geldboete – Uitstel
Wettelijke bepalingen
art. 53, § 1, eerste lid, 2° en 3° WBTW, art. 53octies, § 1, eerste lid WBTW, art. 70, §4 WBTW, art. 1 KB nr. 44, afd. 1, rubriek I, B van de bijlage KB nr. 44, art. 8 KB nr. 24
Samenvatting van het vonnis
1. Feiten
Sinds 1 juli 2024 is eiseres geregistreerd onder de btw-vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen. Naar aanleiding van deze overgang deelde de btw-administratie eiseres mee dat haar btw-rekening-courant definitief wordt afgesloten, dat een bijzondere rekening wordt opgemaakt en dat eiseres haar btw-aangifte voor het tweede kwartaal 2024 nog niet heeft ingediend. Op 13 november 2024 diende eiseres deze btw-aangifte laattijdig in. Om deze reden werd een geldboete van 400,00 euro opgenomen in de bijzondere rekening. Op 10 februari 2025 stelde eiseres een vordering in bij de rechtbank.
2. Vonnis
De opgelegde geldboete van 400,00 euro is een niet-proportionele geldboete in de zin van artikel 70, §4 WBTW. Overeenkomstig artikel 1 van KB nr. 44 en afdeling 1, rubriek I, B van de bijlage bij dit uitvoeringsbesluit bedraagt de geldboete 100,00 euro per maand vertraging, met een maximum van 500,00 euro, waarbij elke begonnen maand als een volledige maand wordt beschouwd.
Eiseres betwist de laattijdige indiening van de btw-aangifte niet, maar wel de geldigheid van de geldboete en stelt dat het zorgvuldigheids-, redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel werden geschonden.
De rechtbank oordeelt dat de geldboete rechtsgeldig werd opgelegd. Hoewel de bijzondere rekening per aangetekende brief werd meegedeeld, is dit geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste, en evenmin is een handtekening van een ambtenaar wettelijk vereist. Uit het Belgisch Staatsblad blijkt bovendien dat de opsteller bij de fiscale administratie werkzaam is en bijgevolg bevoegd was om de bijzondere rekening op te maken.
Het zorgvuldigheidsbeginsel werd niet geschonden. Het tijdig indienen van de btw-aangiften is een wettelijke verplichting die krachtens art. 53 WBTW op de btw-belastingplichtige rust. Evenmin werden de rechten van verdediging miskend, aangezien eiseres tijdens de administratieve bezwaarfase een gerechtelijke procedure is gestart waarin zij haar standpunt heeft kunnen toelichten.
Tot slot stelt de rechtbank vast dat eiseres geen verzoek tot vermindering of kwijtschelding van de geldboete op grond van artikel 9 van het Regentbesluit heeft ingediend. De rechtbank acht de geldboete in verhouding tot de aard en ernst van de overtreding en ziet geen reden om een kwijtschelding, dan wel een vermindering of uitstel van de tenuitvoerlegging toe te staan.
Volledige tekst:
Tekst van de beslissing
Vonnis Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel - dd. 15.09.2025 –
(2025/425/A)
In de zaak van:
Mevrouw N.C., met rijksregisternummer ... en wonende te ..., KBO: ... (...),
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Edwin Kat, advocaat met kantoor te 1140 Evere,
Stroobantsstraat 48B (ekat@mkl-law.be).
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, F.O.D. Financiën, K.B.O. 0308.357.159, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op verzoek van de adviseur-generaal, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, KMO Centrum Leuven — Expertise 1, met kantoor te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6, bus 766,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. Christophe Cologne, advocaat met kantoor te 1000 Brussel,
Eedgenotenstraat 118 (christophe.cologne@dillius.eu).
In deze zaak, in beraad genomen op 8 september 2025,
spreekt de rechtbank volgend vonnis uit:
I. PROCEDURE
De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van:
het verzoekschrift, elektronisch neergelegd op 10 februari 2025,
de beschikking conform artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek van 25 april 2025,
de syntheseconclusie voor eiseres, elektronisch neergelegd op 20 juni 2025,
de syntheseconclusie voor verweerder, elektronisch neergelegd op 11 juli 2025,
de stukken van de partijen.
De raadslieden van de partijen zijn gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 8 september 2025. Vervolgens zijn de debatten gesloten en is de zaak in beraad genomen.
II. FEITEN
Mevrouw N.C., eiseres, is sinds 1 oktober 2018 geregistreerd als belastingplichtige onder het btw-nummer ..., en dit aanvankelijk voor 'activiteiten van advocaten' en vervolgens, sinds 1 januari 2022, voor `overige rechtskundige dienstverlening' (werknemer, doch in bijberoep als jurist).
Sinds 1 juli 2024 valt eiseres onder de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen en moet zij geen periodieke btw-aangiften meer indienen.
Op 8 november 2024 deelt verweerder aan eiseres mee dat haar btw-rekening-courant definitief wordt afgesloten op 31 oktober 2024 en dat een bijzondere rekening zal worden opgemaakt. Daarnaast wordt in diezelfde brief meegedeeld dat eiseres haar btw-aangifte voor het tweede kwartaal van 2024 niet tijdig heeft ingediend.
Eiseres dient de btw-aangifte voor het tweede kwartaal van 2024 in op 13 november 2024.
Op 20 november 2024 stuurt verweerder aan eiseres een 'Kennisgeving bijzondere rekening van 30/06/2024 tot 31/10/2024'. In de bijzondere rekening staat een verschuldigd bedrag van 400,00 euro, met name een boete ten aanzien van eiseres voor het laattijdig indienen van de btw-aangifte voor het tweede kwartaal van 2024.
Verweerder stuurt op 22 november 2024 een betaalbericht naar eiseres voor het bedrag van 400,00 euro.
Op 12 januari 2025 dient eiseres een bezwaar in tegen het opleggen van de boete van 400,00 euro.
Vervolgens stuurt verweerder op 23 januari 2025 een innings- en invorderingsbericht naar eiseres met het nummer ... waarin de boete van 400,00 euro is opgenomen.
Op 10 februari 2025 stelt eiseres een vordering in bij deze rechtbank.
III. VORDERING
Eiseres vordert het volgende in haar syntheseconclusie:
"Huidige vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg:
- De betwiste BTW boete te ontheffen, minstens het uitstel toe te staan
- De terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte geïnde of betaalde sommen, met
inbegrip van de verwijsinteresten, verhoogd met moratoriuminteresten
overeenkomstig de wettelijke bepalingen
- De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten
- Desgevallend de rechtsplegingsvergoeding ten gunste van de Belgische Staat te
beperken tot het minimum"
Verweerder vraagt het volgende in zijn syntheseconclusie:
"De vordering van eiseres, zoals gesteld in haar tegensprekelijk verzoekschrift voor de
rechtbank, ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren.
De schuld met schuldnummer ... en het innings -en invorderingsbericht van 23.01.2025 integraal te behouden.
Eiseres te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 393,95 EUR, basisbedrag, en de bijdrage voor juridische tweedelijnsbijstand."
IV. BEOORDELING
Ontvankelijkheid
Tussen de partijen is geen betwisting over de ontvankelijkheid van de vordering. De rechtbank ontwaart geen ambtshalve op te werpen gronden tot niet-ontvankelijkheid.
Ten gronde
De boete van 400,00 euro die is opgelegd aan eiseres betreft een niet-proportionele fiscale geldboete als bedoeld in artikel 70, §4 van het Btw-wetboek. Artikel 1 van het Koninklijk besluit 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde en de bijlage bij dit uitvoeringsbesluit bepalen de bedragen van de boeten waarbij voor het laattijdig indienen met niet meer dan vijf maanden vertraging of die op een geldige manier een einde heeft gemaakt aan de procedure van de vervangende aangifte gewag wordt gemaakt van een boete van 100,00 euro per aangifte en per maand vertraging met een maximum van 500,00 euro (zie afdeling 1, B van de bijlage). Onderaan de afdeling is bepaald dat ieder begonnen tijdvak van een maand voor een gehele maand wordt gerekend.
Eiseres betwist niet dat zij haar aangifte voor het tweede kwartaal 2024 meer dan drie maanden te laat heeft ingediend, namelijk op 13 november 2024 in plaats van (ten laatste op) 9 augustus 2024, doch voert het volgende aan:
- De boete is ongeldig aangezien de kennisgeving van de bijzondere rekening per gewone post is verstuurd en niet per aangetekende brief, de bijzondere rekening niet is ondertekend en bovendien niet kan worden nagegaan of de hierin vermelde ambtenaar R., bevoegd is om een bijzondere rekening te openen.
- Het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden omdat zij niet voldoende is ingelicht door de administratie omtrent de verplichtingen een btw-aangifte in te dienen, de briefwisseling niet in een begrijpelijke taal is opgesteld, zij niet is gehoord in het kader van haar bezwaar en er onrechtmatig is overgegaan tot een inhouding van de btw-boete op een terugbetaling in de personenbelasting.
- Het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel zijn geschonden omdat eiseres sinds 1 juli 2024 geen kwartaalaangiften meer moet indienen en de boete bijgevolg geen preventieve werking heeft, en de administratie perfect op de hoogte is van het feit dat het steeds gaat om nihil aangiften aangezien er geen omzet wordt gedraaid in bijberoep.
- Er is sprake van een louter toevallige overtreding waarbij aan de goede trouw van eiseres niet kan worden getwijfeld zodat een volledig ontheffing van de boete zich opdringt.
Ondergeschikt vraagt eiseres haar een uitstel van de boete toe te staan.
Een btw-schuld raakt in beginsel de openbare orde. Bijgevolg moet de rechtbank - behoudens wanneer de administratieve akte noodzakelijk is voor de totstandkoming van de belastingschuld en met voorbehoud voor de verjaring - zelf in feite en naar recht uitspraak doen binnen de perken van het voorgelegde geschil, ongeacht de grond van nietigheid van de beslissingen of handelingen van de administratie, zoals een aangevoerde nietigheid van een proces-verbaal (vgl. Cass. AR F.08.0082.F, 3 maart 2011; Cass. AR F.12.0188.N, 22 mei 2014; Cass. AR F.11.0124.F, 9 oktober 2014; Cass. AR F.18.0073.N, 12 december 2019).
Aangezien de administratieve beslissing waarmee een administratieve geldboete inzake btw wordt opgelegd, noodzakelijk is voor de totstandkoming van zulke boete, geldt het voorgaande principe niet voor de geldboete opgelegd conform artikel 70 en volgende van het Btw-Wetboek (vgl. Cass. AR C.19.0605.N, 22 januari 2021).
Uit de stukken 10, 18 en 22 van verweerder kan op afdoende wijze worden afgeleid dat de kennisgeving van de bijzondere rekening per aangetekende brief naar eiseres is verzonden.
Overigens bepaalt artikel 8 van het Koninklijk besluit 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals destijds van toepassing, weliswaar dat de bijzondere rekening aan de belastingplichtige ter kennis wordt gegeven bij aangetekende brief, doch dit is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, en eiseres ontkent niet dat zij wel degelijk tijdig kennis heeft genomen van de beslissing omtrent de bijzondere rekening.
Het middel mist op dit punt feitelijke en juridische grondslag.
In tegenstelling tot wat eiseres stelt, volgt uit de toepasselijke regelgeving niet dat de bijzondere rekening moet zijn ondertekend door de ambtenaar die deze heeft opgesteld, en in elk geval niet dat het gebrek aan een handtekening zou leiden tot de nietigheid van de bijzondere rekening. De rechtbank stelt in elk geval vast dat verweerder zich de beslissing over de bijzondere rekening heeft 'toegeëigend', zowel in de administratieve als in de gerechtelijke fase.
Het middel mist op dit punt juridische grondslag.
De bijzondere rekening is opgesteld door mevrouw R.. Uit het Belgisch Staatsblad van 29 januari 2014, een publiek raadpleegbare bron, blijkt dat mevrouw R. is tewerkgesteld bij verweerder in de afdeling algemene administratieve van de fiscaliteit. Het blijkt voorts ook afdoende dat mevrouw R. in 2024 nog steeds te werk is gesteld bij verweerder en de bevoegdheid heeft een bijzondere rekening op te stellen.
Het middel mist op dit punt feitelijke grondslag.
Zoals verweerder terecht aanvoert, is het niet aan haar om eiseres (op begrijpelijke wijze) in kennis te stellen van haar verplichtingen omtrent het indienen van btw-aangiften. Het indienen van btw-aangiften is een wettelijke verplichting die conform artikel 53 van het Btw-wetboek op de belastingplichtige rust.
Eiseres voert op dit punt dan ook tevergeefs aan dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel zou hebben geschonden.
Het feit dat eisers niet (mondeling) is gehoord, is niet relevant aangezien blijkt dat zij kort na haar (schriftelijk) bezwaar een vordering bij de rechtbank heeft ingesteld en in deze gerechtelijke procedure de kans heeft gehad (en benut) om schriftelijk en mondeling middelen en argumenten op te werpen met betrekking tot de opgelegde boete. Bovendien verduidelijkt eiseres niet hoe dit middel enige weerslag kan hebben op de boete die verweerder conform artikel 70, §4 van het Btw-wetboek 'moet' opleggen.
De rechten van verdediging van eiseres zijn niet geschonden.
In tegenstelling tot wat eiseres voorhoudt, heeft de in artikel 70, § 4 Btw-Wetboek bedoelde fiscale boete niet enkel tot doel nieuwe overtredingen te voorkomen doch ook om begane overtredingen te bestraffen. Het louter feit dat eiseres voorafgaand aan het tweede kwartaal 2024 steeds nihil-aangiften heeft ingediend, stelt haar uiteraard niet vrij van haar verplichting om een aangifte in te dienen voor het betrokken kwartaal en verhindert niet dat verweerder een boete oplegt indien dit niet is gebeurd binnen de vastgelegde wettelijke termijnen, waarbij de rechtbank voor zover als nodig opmerkt dat artikel 70, §4 Btw-wetboek, en het uitvoeringsbesluit nr. 44, het opleggen van een dergelijke boete expliciet voorziet.
Enige schending van het redelijkheids- en/of evenredigheidsbeginsel is dan ook niet aan de orde.
Wat betreft de gevraagde vermindering/kwijtschelding van de boete stelt de rechtbank vast dat noch artikel 70, §4 van het Btw-wetboek noch het voormelde Koninklijk besluit 44 van 9 juli 2012 voorzien in de mogelijkheid om een niet-proportionele geldboete wegens redenen van redelijkheid of proportionaliteit te verminderen onder het wettelijk minimum of kwijt te schelden.
In tegenstelling tot wat eiseres lijkt te impliceren kunnen de bepalingen omtrent het louter toevallig karakter van een overtreding zoals voorzien in artikel 70, §§2-3 van het Btw-wetboek niet naar analogie worden toegepast.
Voorts blijkt niet dat eiseres samen met haar bezwaarschrift van 12 januari 2025 ook een verzoek tot vermindering/kwijtschelding van de boete heeft ingediend zoals voorzien in artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen. Het loutere feit dat de bemiddelingsdienst het bezwaarschrift als een dergelijk verzoek zou hebben aanzien, doet hieraan geen afbreuk.
In die omstandigheden kan de rechtbank de boete niet kwijtschelden of verminderen tegen de wettelijke bepalingen in (vgl. Cass. AR F.22.0162.N, F.22.0166.N, 25 april 2025).
De in artikel 70, § 4 Btw-Wetboek bedoelde fiscale boete heeft in beginsel een repressief karakter en is strafrechtelijk van aard in de zin van artikel 6 EVRM. In beginsel moet het voor de rechtbank dan ook mogelijk zijn het voordeel van het uitstel te verlenen aan een belastingplichtige.
Het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen heeft in beginsel tot doel de nadelen die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van de straffen, te beperken en de re-integratie van de veroordeelde niet in het gedrang te brengen (vgl. Grondwettelijk Hof nr. 136/2023, 19 oktober 2023).
Evenwel stelt de rechtbank vast dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de aard en de ernst van de overtreding en dat er rekening houdend met de concrete omstandigheden — waaronder de relatief beperkte hoogte van de geldboete en de context waarin deze is opgelegd (bijberoep, nihil-aangifte,...) - geen reden is om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.
Aangezien uit het voormelde overwegingen volgt dat eiseres de geldboete van 400,00 euro verschuldigd is, is er geen reden om in te gaan op haar verzoek tot teruggave.
De vordering is ongegrond.
V. KOSTEN
Eiseres is in het ongelijk gesteld en wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, zoals hierna bepaald.
De inzet van het geschil bevindt zich tussen 250,01 euro en 750,00 euro. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt in dergelijk geval 313,95 euro.
Er ligt in tegenstelling tot wat eiseres stelt geen 'eenvoudige zaak' voor — het betreft weliswaar een relatief beperkt boetebedrag doch eiseres heeft een heel aantal middelen en argumenten opgeworpen — en er is evenmin sprake van een kennelijk onredelijke situatie, zodat er geen reden is de rechtsplegingsvergoeding te verminderen onder het basisbedrag.
Het betreft een fiscaal geschil zodat in toepassing van artikel 279/1 en 162, 4° W.Reg. geen rolrechten verschuldigd zijn (Punt Il Circ. nr. 2019/C/26 van 15 februari 2019 betreffende de hervorming van de rolrechten).
Beschikkend gedeelte
VI. BESLISSING
De rechtbank,
Rekening houdend met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
In eerste aanleg en op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond,
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan de zijde van verweerder vastgesteld op een rechtsplegingsvergoeding van 313,95 euro (basisbedrag).
Deze beslissing is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 7de kamer van de
Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 15 september 2025,
waar aanwezig waren en zitting namen:
De heer F. van DIEVOET: rechter,
Mevrouw E. AKSU: griffier.
E. AKSU F. van DIEVOET
Nota van de FOD Financiën
Referentie WF
Finaliti 58720418/01
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.