Bijzondere regeling, kleine onderneming, bewijs, controlemaatregel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Leuven 15 april 2005

Zoeken

Bijzondere regeling, kleine onderneming, bewijs, controlemaatregelBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-regeling-kleine-onderneming-bewijs-rechtbank-leuven-2005-04-15-8062

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Leuven
Datum
15 april 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

122 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 15.04.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, Afdeling Burgerlijke Rechtbank, Twaalfde kamer

Zitting : 15 april 2005.

eindvonnis

Rol nr. : 01/852/A

Inzake :

V. D. B. A.-M., zaakvoerder, wonende te …, …

- eiseres, ter zitting vertegenwoordigd door meester P. G., advocaat te …, …

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector van de BTW in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor in Tienen, Goossensvest 3

- verweerder, ter zitting vertegenwoordigd door meester B. D., advocaat te …, ….

__________

In deze zaak, in beraad genomen ter zitting van 11 maart 2005, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit.

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

- de gedinginleidende dagvaarding op 27 maart 2001 op verzoek van V. D. B. A. betekend aan de BELGISCHE STAAT, administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de minister van Financiën, op vordering en benaarstiging van de gewestelijk directeur der BTW, registratie en domeinen te Hasselt, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Tienen

- de beschikking bij toepassing van artikel 747, tweede paragraaf, van het Gerechtelijk Wetboek van 28 september 2004

- de conclusie en de aanvullende conclusie op respectievelijk 20 juni 2001 en 22 april 2002 op de griffie neergelegd door de BELGISCHE STAAT

- de conclusie en de aanvullende syntheseconclusie op respectievelijk 4 april 2002 en 29 oktober 2004 op de griffie neergelegd door V. D. B. A..

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 11 maart 2005, waarna de bundels met stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

1. Feiten en procesverloop

1.1. V. D. B. A., hierna genoemd "eiseres", baat een éénmanszaak in textiel uit.

Na een controle ontving eiseres een bericht van wijziging van 18 juli 2000 waarin de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit de boekhouding voor de jaren 1997 en 1998 verwierp. Aan de hand van forfaitaire grondslagen werd zowel voor de inkomstenbelasting als voor de BTW een omzetherberekening gemaakt. Hierbij werd uitgegaan van de forfaitaire grondslag van 52 % voor de textielsector, hetgeen leidde tot een naheffing.

Eiseres aanvaardde deze herberekening noch inzake inkomstenbelasting noch inzake BTW.

Op 14 september 2000 werd een proces-verbaal opgesteld, dat bij dwangbevel van 31 januari 2001, uitvoerbaar verklaard op 9 februari 2001, aan eiseres op 20 februari 2001 werd betekend met een bevel tot betalen van :

- BTW … EUR

- geldboete krachtens artikel 70, eerste paragraaf, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde … EUR

- geldboete krachtens artikel 70, vierde paragraaf, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde … EUR

- interesten … EUR

- kosten

1.2. Eiseres tekende op 27 maart 2001 verzet aan tegen dit dwangbevel. Zij vordert :

- de nietigverklaring van het dwangbevel

- de integrale terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald door eiseres, ingehouden of toegerekend op sommen vermeld in het dwangbevel, meer de moratoire interesten overeenkomstig artikel 91 van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde

- de verlening van akte van het uitdrukkelijk voorbehoud van eiseres om haar middelen en grieven verder uiteen te zetten en aan te vullen in de loop van het geding, en van het voorbehoud van welkdanige rechten

- de veroordeling van eiseres in de kosten

- de uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

In conclusie breidt eiseres haar vordering uit met de subsidiaire vraag het dwangbevel te vernietigen in de mate een administratieve geldboete wordt nagevorderd, zowel wat betreft de proportionele boete als de niet-proportionele boete.

De BELGISCHE STAAT, hierna genoemd "verweerder", vraagt de vordering ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, en eiseres in de kosten te veroordelen.

2. Het proces-verbaal van 14 september 2000

2.1. De eerstaanwezend verificateur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, controlecentrum Tienen, deed een aantal vaststellingen betreffende de boekhouding van eiseres, op basis waarvan hij besloot dat de boekhouding niet bewijskrachtig was.

Voor het bepalen van het bedrag van de verkopen maakte de ambtenaar belast met de controle gebruik van het forfait voor de kleinhandel in de textielsector, waarbij wordt uitgegaan van een marge van 52 %. De controleambtenaar herberekende de omzet als volgt :

- berekening van de aan te geven verkopen in 1997

beginvoorraad op 1 januari 1997 … EUR

aankopen in 1997 … EUR

eindvoorraad op 1 januari 1998 … EUR

verkochte aankopen … EUR

aangegeven in de ingediende BTW-aangiften … EUR

te weinig aangegeven … EUR

- berekening van de aan te geven verkopen in 1998

beginvoorraad op 1 januari 1999 … EUR

aankopen in 1998 … EUR

eindvoorraad op 1 januari 1999 … EUR

verkochte aankopen … EUR

aangegeven in de ingediende BTW-aangiften … EUR

te weinig aangegeven … EUR

- BTW van 21 % op de niet aangegeven verkopen van … EUR

… EUR

2.2. Eiseres betwist de bewijswaarde van het proces-verbaal van 14 september 2000, en voert het gebrek aan motivering van het proces-verbaal en het dwangbevel, de schending van de procedureregels doordat geen correctieopgave werd opgesteld, en de schending van haar recht van verdediging wegens het overschrijden van de redelijke termijn, aan.

2.3. De bewijswaarde van het proces-verbaal

Eiseres betwist de bewijswaarde van het proces-verbaal, inzonderheid de bewijswaarde van een aantal zogenaamde vaststellingen van de controleambtenaar, die volgens haar echter uitsluitend afgeleide berekeningen zijn met diverse betwiste oorsprong.

Het proces-verbaal bevat twee reeksen van vaststellingen : vaststellingen betreffende de boekhouding van eiseres van 1997 en 1998, vaststellingen betreffende de beginvoorraad, de aankopen en de eindvoorraad in 1997 en 1998. Dit zijn effectieve vaststellingen van de controleambtenaar, die genieten van de bijzondere bewijswaarde van het proces­verbaal bepaald in artikel 59, eerste paragraaf, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

De marge van 52 % die de controleambtenaar gebruikte voor het bepalen van het bedrag van de verkopen, valt buiten de gedane vaststellingen. De administratie blijft bijgevolg verplicht te bewijzen dat de marge representatief is (per analogiam : H. VANDEBERGH, Taxatie en verweer inzake BTW, Deurne, Kluwer, 1986, 75 : betreffende een taxatie bij vergelijking met gebruik van brutowinsten uit de bedrijfssector : de administratie dient te bewijzen dat het weerhouden brutowinstpercentage representatief is). In deze bewijst verweerder de representativiteit van de gecontroleerde marge die immers overeenkomstig artikel 56 van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en artikel 3 van het koninklijk besluit nummer 2 van 7 november 1969 met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de belasting over de toegevoegde waarde, werd vastgesteld.

Eiseres betwist ten onrechte de bewijswaarde van het proces-verbaal van 14 september 2000.

2.4. De motivering van het proces-verbaal

Volgens eiseres voldoet het proces-verbaal noch het dwangbevel aan de vereisten van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

Inzonderheid wat betreft de verwerping van de boekhouding vindt eiseres dat verweerder bijzonder vaag blijft en zelfs volstrekt foutieve elementen aanhaalt. Daarenboven past verweerder, aldus eiseres, zonder enige motivering het forfait van de kleinhandel voor textiel toe, zonder de minste motivering daaromtrent te geven noch aan te tonen dat de toepassing ervan relevant is voor haar handelszaak.

De controleambtenaar maakte voor het bepalen van het bedrag van de verkopen gebruik bij wijze van feitelijk vermoeden overeenkomstig artikel 59, eerste paragraaf, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, van het forfait inzake BTW. Men leest op bladzijde 2 onderaan van het proces-verbaal dat eiseres verklaarde dat de normale verkoopprijzen van kledingstukken inclusief BTW, werden bekomen door de aankoopprijs ervan te vermenigvuldigen met 2 tot 2,3. Zoals verweerder opmerkt, betekent dit een winst van 65 tot 90 % exclusief BTW.

De controleambtenaar paste het forfait toe na te de boekhouding van eiseres te hebben verworpen. Hij duidt in het proces-verbaal ook. de redenen aan waarom hij de boekhouding niet bewijskrachtig vindt.

Het proces-verbaal is derhalve behoorlijk gemotiveerd. Hetzelfde geldt voor het d\vangbevel van 31 januari 2001 dat samen ermee werd betekend, wat volstaat als motivering (ibid., 115).

2.5. Het recht van verdediging. De redelijke termijn

Eiseres acht haar recht van verdediging geschonden en de redelijke termijn van artikel 6, 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens overschreden, doordat de controle betrekking had op de boekjaren 1997 en 1998, terwijl het dwangbevel pas op 20 februari 2001 werd uitgevaardigd (lees : betekend).

Eiseres beperkt zich tot de loutere aanvoering dat het aldus moeilijker wordt om alsnog het tegenbewijs te leveren, zonder concreet aan te duiden hoe zij in haar bewijslevering wordt gehinderd.

Voorts vindt de bescherming van artikel 6, 1 van het voormeld Europees Verdrag geen toepassing in gewone fiscale zaken, te onderscheiden van fiscale strafzaken (Cass., 29 oktober 1971, Arr. Cass., 1972, 227; EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini t. Italië, besproken in L. HINNEKENS en J. MEEUSEN, Fiscaal recht in de Europese Unie : een schets van het institutioneelrechtelijk kader, in B. PEETERS (ed.), Europees belastingrecht, Gent, Larcier, 2005, 21, nr. 37).

2.6. De correctieopgave

Volgens eiseres zijn de procedureregels geschonden doordat geen correctieopgave werd opgesteld, die nochtans de aanzet moet geven van een dialoog tussen belastingplichtige en administratie.

Uit het schrijven van 18 juli 2000 van de administratie blijkt dat een correctieopgave aan eiseres werd gezonden met verzoek ze ingeval van akkoord ondertekend terug te sturen binnen de dertig dagen.

Het middel is ongegrond.

3. De boekhouding

3.1. Verweerder verwerpt de boekhouding van eiseres wegens de volgende onregelmatigheden :

* het niet bestaan van de inventaris van de goederen in voorraad op 1 januari 1997

* de op losse bladen opgestelde inventarissen van de goederen in voorraad op 1 januari 1998 en 1 januari 1999

* de bewaarde etiketten van de kledingstukken kunnen niet als kasbescheid worden beschouwd bij gebrek aan datum

* op de verkoopfacturen, de etiketten en de inventaris zijn niet alle kledingstukken identificeerbaar, zodat het niet mogelijk is om na te gaan welke goederen verkocht zij en welke zich nog in de voorraad bevinden, en om bijgevolg de aangegeven omzet te controleren

* er is zelden overeenkomst tussen de bedragen op de etiketten en de inschrijving in het dagboek van ontvangsten

* de onmogelijke hoeveelheidscontrole tussen de aantallen aangekochte kledingstukken van een jaar verhoogd met de aantallen in voorraad bij het begin van het jaar en verminderd met de aantallen in voorraad op het einde van het jaar enerzijds, en de aantallen verkochte kledingstukken anderzijds

* de administratie werd niet op de hoogte gebracht van de uitverkoop ter gelegenheid van de verhuis; evenmin werd een inventaris opgesteld van de tegen verminderde prijs te verkopen kledingstukken

* geen stukken betreffende de onttrekkingen voor privé-doeleinden

* geen overeenstemming tussen de betalingen en de inschrijvingen in het dagboek van ontvangsten.

3.2. Onbetwist is dat eiseres overeenkomstig artikel 14, tweede paragraaf, van het koninklijk besluit nummer 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, een boek voor inkomende facturen, een boek voor uitgaande facturen en een dagboek voor de ontvangsten bijhield.

Eiseres noemt de stellingname van verweerder betreffende de stavingsstukken van de geboekte dagontvangsten ten onrechte voor betwisting vatbaar. Overeenkomstig artikel 15, tweede paragraaf, van voormeld koninklijk besluit moeten de inschrijvingen met betrekking tot de boekhouding immers steunen op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn.

Eiseres bewaarde overigens de etiketten van de verkochte kledingstukken in dichtgeplakte en gedateerde briefomslagen. Verweerder weigert verkeerdelijk deze stukken te beschouwen als verantwoordingsstukken om reden dat ze niet gedateerd zijn overeenkomstig artikel 15, tweede paragraaf, van voormeld koninklijk besluit. De briefomslagen waarin de etiketten werden bewaard, waren immers wel gedateerd.

Belangrijker is de vaststelling van de controleambtenaar betreffende de niet­overeenstemming tussen de bedragen van de etiketten van een briefomslag en de inschrijvingen in het dagontvangstenboek.

De verklaring die eiseres hiervoor geeft, namelijk de betalingsverschillen, kortingen en dergelijke meer, overtuigt geenszins aangezien de controleambtenaar vaststelde dat voor verscheidene dagen etiketten voorhanden waren, terwijl er geen ontvangsten in het dagontvangstenboek werden ingeschreven. Belangrijk is eveneens de vaststelling van de controleambtenaar dat eiseres pas vanaf juli 1997 de etiketten bijhield.

Een andere onregelmatigheid betreft de vaststelling dat de ontvangsten via de betaalterminal niet overeenstemden met de inschrijvingen in het dagontvangstenboek. De controleambtenaar zorgde ervoor na te gaan of de datum van de verrichting met de betaalterminal overeenstemde met de datum waarop de rekening van de begunstigde werd gecrediteerd, wat het geval bleek te zijn. Op die datum moest er dan ook een inschrijving in het dagontvangstenboek zijn. Eiseres ontzenuwt deze vaststelling niet met de verklaring dat de datum van ontvangst van de bankbescheiden niet steeds samenviel met de datum van aankoop. De rekeninguittreksels vermelden immers de datum van creditering van de rekening.

Op grond van deze vastgestelde onregelmatigheden kon verweerder de boekhouding van eiseres als niet-bewijskrachtig verwerpen.

Het vertrouwensbeginsel waarvan eiseres de schending aanvoert, veronderstelt een vorige controle waarbij de boekhouding werd aanvaard. Eisers toont dergelijke controle niet aan en kan zich bijgevolg niet op het vertrouwensbeginsel beroepen.

4. Het wettelijk vermoeden van artikel 64, eerste paragraaf, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde

4.1. Bij gebrek aan een bewijskrachtige boekhouding, was verweerder gerechtigd he1 wettelijk vermoeden van artikel 64, eerste paragraaf, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde toe te passen, waardoor alle aangekochte goederen worden geacht te zijn geleverd onder voorwaarden die de BTW opeisbaar maken.

Eiseres levert het tegenbewijs niet dat niet alle aankopen zijn verkocht.

Verweerder bepaalde het winstpercentage van eiseres op 52 %, zijnde het winstpercentage van het forfait voor de kleinhandel in de textiel. Eiseres bekritiseert dit winstpercentage, aangezien niet is bewezen dat zij beantwoordt aan de voorwaarden van het forfait.

Dit middel evenals het middel van willekeur van de omzetherberekening is ongegrond. Verweerder vervangt immers de BTW-aangifte van eiseres niet door het forfait. Verweerder hanteert wel een feitelijk vermoeden, namelijk dat eiseres in haar handelszaak in textiel een winstpercentage realiseert dat in het BTW-forfait werd bepaald. Dit vermoeden is toegelaten op grond van artikel 59, eerste paragraaf, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, en is verantwoord. Dit vermoeden is met des te meer reden verantwoord, daar eiseres aan de controleambtenaar verklaarde dat de normale verkoopprijzen van kledingstukken inclusief BTW, werden bekomen door de aankoopprijs ervan te vermenigvuldigen met 2 tot 2,3.

5. De administratieve geldboeten

Verweerder legde volgende geldboeten op :

- boete bij toepassing van artikel 70, eerste paragraaf, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gelijk aan het dubbele van de niet tijdig betaald belasting, hetzij 2 x … EUR = … EUR, die hij verminderde tot … EUR conform tabel G, rubriek V van het koninklijk besluit nummer 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde

- boete bij toepassing van artikel 70, vierde paragraaf, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde : … EUR.

Eiseres vordert de vernietiging van die geldboeten, op grond van :

- de toepasselijkheid van het koninklijk besluit nummer 41, tabel A minstens het motiveringsgebrek voor het opleggen van de hoogst mogelijke boete

- de strijdigheid met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens van de verhoging van de boete met 50 % na uitvaardiging van een dwangbevel.

De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiseres zich vergist, aangezien verweerder tabel G van het koninklijk besluit nummer 41 toepaste waarvan rubriek V een verminderde boete van 20 % van de verschuldigde belasting voorziet indien het bedrag van de verschuldigde belasting meer is dan … EUR, en aangezien verweerder de verhoging van de boete na uitvaardiging van een dwangbevel eenvoudig niet toepaste.

Het middel is ongegrond.

Beschikkend gedeelte

OP DEZE GRONDEN,

DE RECHTBANK

gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken,

rechtsprekend op tegenspraak,

alle andersluidende en meer omvattende conclusies van de hand wijzende als niet terzake en/of overbodig,

verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond,

veroordeelt eiseres in de kosten, aan haar zijde niet begroot omdat zij ze zelf moet dragen, en aan de zijde van verweerster op de rechtsplegingsvergoeding van … EUR.

Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op vrijdag 15 april 2005, waar zetelden :

- de heer P. V., alleenzetelend rechter;

- mevrouw J. C., griffier.

J. C. P. V.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 561 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8