Bijzondere regeling, kleine onderneming, bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 20 december 2001

Zoeken

Bijzondere regeling, kleine onderneming, bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-regeling-kleine-onderneming-bewijs-rechtbank-dendermonde-2001-12-20-d155

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
20 december 2001

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

52 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Dendermonde d.d. 20.12.2001

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Dendermonde, 9e Kamer B. Z. d.d. 20.12.2001

AR 83/33.602/A

In de zaak van :

1. D. B. G. M., huisvrouw, wonende te …, …, welke in eigen naam het geding hervat, als wettige erfgenaam van en namens D. B. L. welke op … overleden is te …,

2. D. B. E., welke het geding hervat, als wettige erfgenaam van en namens D. B. L. welke op … is overleden te … en tevens het geding in eigen naam verder zet, daar hij meerderjarig werd hangende de procedure, wonende te …, …;

eiseres,

hebbende als raadsman Mr. R. De Troyer, advocaat te 9506 Geraardsbergen-Idegem, Neerstraat 21 ;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie der Directe Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van de BTW-Ontvangkantoor te Aalst, wiens kantoor aldaar gevestigd is aan de Geraardsbergsestraat nr. 234, waar ten dieneinde woonstkeuze werd gedaan, evenals in de studie van Meester V. D. V., gerechtsdeurwaarder, kantoor houdende te … aan de …, alsook op het Parket van de Heer Procureur des Konings te Oudenaarde en er sprekende met de heer substituut D. G..

verweerster,

hebbende als raadsman Mr. P. W., advocaat te …, …,

werden op de openbare terechtzittingen, partijen gehoord in hun middelen en conclusies, de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen.

De overgelegde stavingsstukken en het gerechtsdossier werden ingezien, inzonderheid het verzet tegen dwangbevel, uitgevaardigd op 20 september 1983 door de BTW-administratie, betekend door het ambt van L. W., gerechtsdeurwaarder met standplaats te … op 13 oktober 1983.

De rechtbank verleent volgend vonnis.

1. Wat betreft de vordering

De vordering van eisers strekt er toe, bij een bij voorraad uitvoerbaar vonnis, niettegenstaande alle verhaal en zonder mogelijkheid tot borgstelling noch kantonnement huidig verzet tegen dwangbevel ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en dienvolgens te zeggen voor recht dat de gevorderde BTW, de boetes, de intresten en de kosten niet verschuldigd zijn, tevens verweerster te horen veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding zoals voorzien in art. 1022 Ger.W.

2. Wat betreft de feitelijke gegevens

Overwegende dat oorspronkelijke eiser, de heer D. B. L., uit hoofde van zijn beroepsactiviteit onderworpen was aan de BTW-wetgeving en de terzake genomen uitvoeringsbesluiten.

Overwegende dat de heer D. B. L. als belastingplichtige geregistreerd werd onder het BTW-registratienummer … en onderworpen is aan de forfaitaire regeling zoals voorzien in art. 56, 61 BTW-wetboek.

Overwegende dat op 2 februari 1983 door de heer D. N. W., hoofdcontroleur a.i. verbonden aan het BTW-controlekantoor te Geraardsbergen een toezicht werd uitgeoefend nopens de toepassing van de BTW-reglementering over de periode 1 januari 1978 tot 31 december 1982.

Overwegende dat uit dit onderzoek is gebleken dat de heer D. B. L. dranken heeft aangekocht zonder dat voor deze leveringen facturen werden opgesteld op zijn naam, dat hij deze facturen niet heeft opgenomen in zijn boekhouding en bijgevolg niet alle ontvangsten met betrekking tot zijn belastbare beroepsactiviteit heeft aangegeven, en dat hij tevens over deze niet aangegeven ontvangsten de verschuldigde BTW niet aan de schatkist heeft afgedragen.

Overwegende dat de controlerende ambtenaar heeft vastgesteld dat door de NV C., brouwerij te …, bij de heer D. B. L. dranken leverde in hoeveelheden welke kennelijk niet bestemd waren voor particulier verbruik, dat deze leveringen het voorwerp uitmaakten van facturen gericht aan "diverse klanten bier", dat op deze facturen de naam en soms het adres van de beweerde klant samen met vermelding "afzetten bij D. B. L." werd vermeld.

Overwegende dat de heer D. B. dan ook geen regelmatige aankoopfacturen kon voorleggen en deze dan ook niet in zijn boekhouding heeft ingeschreven en ipso facto dan ook niet in aanmerking werden genomen voor het berekenen van de aan BTW belastbare omzet en dan ook niet opgenomen zijn in zijn BTW-aangiften.

Overwegende dat van deze overtredingen een ontwerp van proces-verbaal werd opgesteld waaruit blijkt dat de heer D. B. L. aan huidig verweerster, een bedrag verschuldigd was, van 403.983 fr. BTW en een wettelijke boete in toepassing van art. 70 BTW-wetboek van 807.966 fr., meer de intresten.

Overwegende dat de heer D. B. L. op 5 april 1983 een verklaring ondertekende waarbij hij : "erkent de aard, hoeveelheid en bedrag van voormelde overtredingen en verklaart zich akkoord voor de som van 403.983 fr. en hij vraagt vermindering van de opgelopen boete.”

Dat de boete werd teruggebracht tot een bedrag van 121.000 fr. mits betaling voor 7 mei 1983.

Overwegende dat elke betaling uitbleef zodat op 14 september 1983 door mevrouw V. G., ontvanger van het BTW-kantoor te Aalst een dwangbevel werd uitgevaardigd, welke op 20 september 1983 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door de heer C., gewestelijk directeur van de BTW-registratie en domeinen te Gent en dit voor een bedrag van 403.983 fr. meer 807.966 fr. boete of in totaal een bedrag van 1.211.949 fr., meer intresten en vervolgingskosten.

Overwegende dat voormeld dwangbevel met bevel tot betaling, werd betekend bij deurwaardersexploot van gerechtsdeurwaarder V. V., te …, op 30 september 1983, tevens werd de heer D. B. L. aangemaand voormeld bedrag, boetes en intresten te betalen, dit bevel tot betaling werd herhaald op 13 oktober 1983.

Overwegende dat de heer D. B. L. op 13 oktober 1983 verzet aantekende tegen dit dwangbevel en huidige procedure startte.

3. Beoordeling

Overwegende dat uit de neergelegde stukken blijkt dat de heer D. B. L. op 5 april 1983 een verklaring ondertekende waarin hij de in het ontwerp van proces-verbaal opgenomen aard, hoeveelheid en bedrag van overtredingen erkent; dat hij tevens akkoord is om de som van 403.983 fr. aan BTW-rechten.

Overwegende dat deze verklaring ondertekend werd met "gelezen en goedgekeurd" dat deze verklaring dan ook een eenzijdige schuldbekentenis is.

Overwegende dat eisers op geen enkel ogenblik enig bewijs of begin van bewijs voorleggen waaruit zou moeten blijken dat deze eenzijdige schuldbekentenis behept zou zijn met een nietigheid of het voorwerp zou uitmaken van een enig wilsgebrek.

Overwegende dat uit niets blijkt dat verweerster niet de wettelijke middelen zou aangewend hebben.

Uit de eenzijdige schuldbekentenis d.d. 5 april 1983 blijkt dat de heer D. B. L. om vermindering van de geldboete vraagt, nergens blijkt dat hem dat zou beloofd zijn; uit het dwangbevel d.d. 14 september 1983 blijkt evenwel dat de geldboete zou teruggebracht zijn tot een bedrag van 121.000 fr., indien de heer D. B. de verschuldigde sommen zou betalen voor 7 mei 1983.(wat niet gebeurd is).

Overwegende dat gelet op het voormelde alle overige argumentatie niet relevant is en het verzet ongegrond is.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Uitspraak doende op tegenspraak in eerste aanleg.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Alle andersluidende en/of tegenstrijdige middelen en besluiten van de hand wijzend als niet terzake en/of overbodig.

Verklaart de hoofdeis ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eisers in de kosten van het geding.

Begroot deze kosten aan de zijde van verweerster tot heden op de som van 21.889 frank, ongerekend de rechten van registratie op minuut, de kosten van uitgifte van onderhavig vonnis en van verdere uitvoering.

Aldus gewezen en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van TWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN EEN, van de negende kamer zitting houdende in burgerlijke zaken, der rechtbank van eerste aanleg, zetelend te Dendermonde.

Aanwezig :

S. D., ondervoorzitter, voorzitter van de negende kamer;

K. W., e.a. adj.-griffier.

K. W. S. D.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 561 voorkomen
WBTW art. 611 voorkomen
WBTW art. 701 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8