Bewijs, controlemaatregel, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 27 februari 2013

Zoeken

Bewijs, controlemaatregel, werkingssfeer, dienst, belastbare handelingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-werkingssfeer-dienst-belastbare-rechtbank-hasselt-2013-02-27-463c

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
27 februari 2013

Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 8 maanden
  1. Weergegeven beslissingRechtbank van eerste aanleg te Hasselt27.02.2013
  2. Beslissing in beroepHof van beroep te Antwerpen18.11.2014

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

72 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 27.02.2013

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

INZAKE A.R nr. 11/2915/A :

BVBA J. Q. T., met zetel te …, …, ondernemingsnummer …

Eiseres, vertegenwoordigd door haar zaakvoerders dhr. R. V. L. en A. V. bijgestaan door Mr. B. S., advocaat in de advocatenmaatschap C. A., met kantoren te …, …

tegen :

DE BELGISCH E STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

ADMINISTRATIE DER DIRECTE BELASTINGEN, in de persoon van de gewestelijke directeur, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.

Verweerder, vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde, dhr. R. V..

VOLGT HET VONNIS

Gelet op :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 31 oktober 2011

- de conclusies, tweede conclusie en syntheseconclusies van verweerder;

- de besluiten en synthesebesluiten van eiseres;

I. DE FEITEN EN VOORGAANDEN

De vordering van eiseres betreft het verzet tegen het dwangbevel (R.C.I.V.­ nr. …) dat op haar naam en lastens haar werd uitgevaardigd op 29.09.2011 door de heer D. T., ontvanger en dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer M. M., de dienstdoende e.a. Inspecteur voor de gewestelijk directeur van de BTW te Hasselt op 04.10.2011.

Het dwangbevel, werd samen met het proces-verbaal van 17.05.2011, op 14.10.2011 betekend aan eiseres middels gerechtsdeurwaarderexploot met bevel tot betalen.

Bij voormeld dwangbevel wordt door verweerder van eiseres gevorderd :

- BTW (hoofdsom) : … euro

- Boete : … euro meer intresten en kosten.

Bij eiseres werd een controle uitgevoerd met betrekking tot de BTW-wetgeving over de periode van 01.01.2008 tot 31.12.2009.

Door verweerder werden inbreuken op de BTW-wetgeving vastgesteld en hiervan werd proces-verbaal opgesteld op 17.05.2011. Volgens verweerder maakte BVBA J. Q. T. voor de levering en plaatsing van tilliften voor gehandicapten ten onrechte gebruik van het verlaagde tarief van 6 %.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 31.10.2011, stelde eiseres een vordering in rechte in.

Eiseres vordert :

- de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- akte te verlenen van de bij besluiten, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 27.07.2012, gedane eisuitbreiding;

- dienvolgens het bestreden dwangbevel te vernietigen en opnieuw rechtdoende te zeggen voor recht dat eiseres de BTW-wetgeving niet heeft overtreden zodat er uit dien hoofde geen BTW, intresten of kosten verschuldigd zijn;

- dienvolgens teruggave te bevelen van de teveel betaalde BTW, ten bedrage van … euro, in meer de vergoedende en de gerechtelijke intresten;

- verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtspleginsvergoeding overeenkomstig art. 1022 Ger.W. begroot op … euro;

- het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder zekerheidstelling en met uitsluiting van kantonnement.

Verweerder besluit tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van de vordering van eiseres en vordert eiseres te veroordelen tot alle kosten van het geding.

II. IN RECHTE

1. De ontvankelijkheid

Verweerder werpt geen middelen van niet-ontvankelijkheid op en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. De gegrondheid

Eiseres stelt vooreerst dat het betreffende proces-verbaal niet de bijzondere bewijswaarde heeft van art. 59, § 1 W.BTW zodat niet bewezen wordt dat de gevorderde BTW verschuldigd is. Verder houdt eiseres voor dat het plaatsen van dergelijke plafondliften werk in onroerende staat uitmaakt overeenkomstig art. 19, § 2 W.BTW.

Verweerder daarentegen stelt dat de plafondliften door hun plaatsing in het gebouw in principe niet onroerend uit hun aard worden. Volgens verweerder maakte eiseres ten onrechte toepassing van het verlaagde BTW-tarief.

De bewijslast in verband met de toepassing van het verlaagde BTW-tarief rust op de belastingplichtige.

Art. 37 W.BTW bepaalt dat het de Koning is die de tarieven bepaalt en dat Hij de indeling geeft van de goederen en diensten bij die tarieven.

Ter uitvoering van artikel 37 W.BTW stelt KB nr. 20 van 20 juli 1970 de tarieven van de BTW vast en geeft de indeling van de goederen en diensten bij die tarieven.

De bijlage bij het KB nr. 20 omvat twee tabellen.

Tabel A geeft een opsomming van de goederen en diensten onderworpen aan het tarief van 6 % en tabel B geeft een opsomming van de goederen en diensten onderworpen aan het tarief van 12 %. Alle goederen en diensten die niet uitdrukkelijk in een van deze tabellen zijn opgenomen worden onderworpen aan het normale tarief.

Het verlaagd tarief van 6 % is van toepassing op alle goederen en diensten die in tabel A zijn vermeld van KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van goederen en diensten bij die tarieven.

Onder bepaalde voorwaarden kunnen werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek, met uitsluiting van het reinigen, en de gelijkgestelde handelingen die op beperkende wijze zijn opgesomd in rubrieken XXXI en XXXVIII, § 3, 3° tot 6°, van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 inzake btw-tarieven aan privé-woningen en bepaalde verblijfsinrichtingen, in aanmerking komen voor de toepassing van een van de verlaagde btw-tarieven van 6% of 12% in de onroerende sector (rubrieken XXXI, XXXII, XXXIII, XXXVI, XXXVII en XXXVIII van tabel A en rubriek X van tabel B van de bijlage bij het voormeld koninklijk besluit nr. 20).

Onder werk in onroerende staat moet worden verstaan alle werkzaamheden die bestaan in het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele van een uit zijn aard onroerend goed, alsmede elke handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt.

Of een bepaald voorwerp ingelijfd is bij een gebouw vormt een loutere feitenkwestie.

Partijen verklaren ter zitting het erover eens te zijn dat de verkoopfacturen zoals vermeld in het dwangbevel betrekking hebben op de monoliften zoals beschreven door eiseres en waarvan eiseres o.a. de foto's en installatiebeschrijving aan de rechtbank overlegt.

Uit de aan de rechtbank overgelegde stukken meer in het bijzonder de installatiebeschrijving en het bijgebrachte fotomateriaal blijkt dat de monoliften die het voorwerp uitmaken van deze betwisting allemaal specifiek ontworpen werden, de nodige aanpassing vergen van het onroerend goed en dermate stevig verankerd worden voor de verplaatsing van zwaar gehandicapte personen. Het gaat te dezen om plaatsing van liften die geheel geïntegreerd worden in de woningen en op een zodanige manier verwerkt worden om er integrerend, conceptueel en duurzaam deel van uit te maken.

De theoretische verplaatsbaarheid sluit niet uit dat een goed onroerend van aard is.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat deze monoliften werden geleverd en op een zodanige wijze werden aangebracht aan het onroerend goed dat ze onroerend uit hun aard zijn geworden. Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat de monoliften om reden van hun plaatsing onroerend uit hun aard zijn geworden zodat eiseres terecht het BTW-tarief van 6 % heeft toegepast.

De vordering van eiseres is derhalve gegrond.

Door ontheffing vervalt ook de opgelegde geldboete.

Eiseres vordert middels eisuitbreiding tevens de teruggave van de BTW voor de plaatsing van statoestellen, die geenszins het voorwerp uitmaken van het in betwisting zijnde dwangbevel en die door eiseres zelf gefactureerd werden aan 21 %. Zelfs indien deze vordering, in zoverre ze niet verjaard is, al middels huidige procedure en via eisuitbreiding zou kunnen gesteld worden, dan komt deze vordering de rechtbank. minstens ongegrond voor aangezien niet aangetoond is dat voldaan is aan de voorwaarden van art. 77, § 1 W.BTW. Eiseres faalt desbetreffende in de op haar berustende bewijslast in verband met de toepassing van het verlaagde btw-tarief. Het louter verwijzen naar de aanschrijving ET nr. 95.923 van 13.02.2002 is onvoldoende als bewijs.

De rechtbank. kan niet ingaan op de niet-gemotiveerde vordering om het vonnis uitvoerbaar te verklaren.

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008.

De vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om afte wijken van het basisbedrag van een in geld waardeerbare vordering tussen 20.000,01 euro tot 40.000 euro.

Gelet op de art 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Beschikkend gedeelte

Om die redenen

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en als volgt gegrond,

Verklaart het het dwangbevel (R.C.I.V.-nr.411/0519/37539) dat op haar naam en lastens haar werd uitgevaardigd op 29.09.2011 door de heer D. T., ontvanger en dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer M. M., de dienstdoende e.a. Inspecteur voor de gewestelijk directeur van de BTW te Hasselt op 04.10.2011, onwettig.

Beveelt de terugbetaling van de bedragen welke op basis van voormeld dwangbevel eventueel betaald werden vermeerderd met de moratoire intresten overeenkomstig art. 91, § 4 W.BTW.

Veroordeelt eiseres tot 1/3 en verweerder tot 2/3 van de kosten van het geding. Vereffent de kosten in hoofde van eiseres op … euro. Vereffent de kosten in hoofde van verweerder niet bij gebreke aan opgave en begroting van eigen kosten in conclusies.

Aldus gevonnist en uitgesproken in buitengewone openbare zitting van de elfde kamer A, op het gerechtshof te Hasselt op 27 februari 2013, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw C. P., enige rechter, en

Mevrouw N. L., hoofdgriffier.

N. L. C. P.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 191 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8