Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 04.04.2001
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V 0 N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op vier april tweeduizend en één, in openbare zitting van de tweede F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden :
P. W., enig rechter,
G. G., griffier.
In zake : AR nr. 95/98490/A
M. BVBA, BTW nr. …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …,
eisende partij,
verschijnende bij Meester H. D., advocaat, kantoorhoudende te …, …,
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de rekenplichtige-ontvanger van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4,
verwerende partij,
verschijnende bij Meester D. V. loco Meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder, J. R. te … op 15 december 1994;
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 14 maart2001.
De vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg. 127/61.94, uitgevaardigd op 29 augustus 1994, te vernietigen, elke uitvoering ervan te verbieden, te zeggen voor recht dat eiseres de in het dwangbevel gevorderde sommen wet verschuldigd is, zowel wat de BTW betreft als wat de boeten, kosten en intresten betreft, tevens de teruggave te bevelen overeenkomstig het BTW-wetboek van de ingehouden en betaalde bedragen en verweerder te horen veroordelen tot de kosten van het geding.
In uiterst ondergeschikte orde strekt de vordering ertoe de boete kwijt te schelden, minstens te verminderen.
Bij conclusie neergelegd op 22 juni 2000 heeft eiseres een tegenvordering gesteld die ertoe strekt verweerder ten titel van schadevergoeding te verbieden tot uitvoering van het dwangbevel, minstens verweerder te veroordelen aan eiseres terug te betalen alle bedragen in BTW, intresten, boeten en kosten, waartoe eiseres eventueel zou gehouden zijn en tevens verweerder ten titel van schadevergoeding te veroordelen tot teruggave van alle ingehouden bedragen vermeerderd niet vergoedende intresten vanaf datum uitwerking inhouding en de wederzijdse vorderingen te compenseren.
Relevante feiten
Bij inzage van de akten, stukken, registers en bescheiden van de NV G., een juwelier te …, heeft een BBI-ambtenaar te … twee stukken teruggevonden die werden uitgereikt door eiseres, namelijk :
- een fax van 22 augustus 1989 van certificaat nummer … waarin specificaties zijn opgenomen van een edelsteen van 3,07 karaat,
- een niet ondertekende bon waaruit blijkt dat de Heer G. op 25 augustus, vermoedelijk op 25 augustus 1989, deze edelsteen van 3,07 karaat ter waarde van 30.000 $ in consignatie kreeg van eiseres; deze bon was doorstreept en vermeldde "terug 29/8/89".
Op 19 april 1994 verklaarden de woordvoerders van eiseres aan de BBI-ambtenaar dat voornoemde edelsteen geen eigendom was van eiseres, maar haar eveneens in consignatie was gegeven door een derde-diamanthandelaar, waarvan de identiteit hun niet meer bekend was, en dat zij het stuk, waarmede de derde-diamanthandelaar hun de edelsteen in consignatie had gegeven, niet hadden bewaard.
Verder verklaarden zij dat de NV G. op 29 augustus 1989 de edelsteen aan eiseres heeft teruggegeven, doch zij konden niet aantonen welke bestemming eiseres daarna aan deze edelsteen heeft gegeven.
Op 24 mei 1994 werd hiervan proces-verbaal opgesteld door de BBI-ambtenaar te … waarbij eiseres overeenkomstig artikel 65 van het wetboek van BTW geacht werd de edelsteen te hebben gekocht en overeenkomstig artikel 64, § 1 van het wetboek van BTW geacht werd deze te hebben geleverd onder de voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar werd.
Bijgevolg was eiseres volgens voornoemd proces-verbaal de hierna volgende bedragen verschuldigd, namelijk :
- BTW : 937.808 BEF
- geldboete : 187.000 BEF
- intresten vanaf 21 januari 1994.
Bij schrijven van 25 mei 1994 werd het proces-verbaal overgemaakt aan eiseres en werd haar medegedeeld dat voornoemde bedragen werden nagevorderd wanneer zij de bestemming van de edelsteen niet kon aantonen.
Bij schrijven van 23 juni 1994 berichtten haar boekhouders dat eiseres niet akkoord was met de inhoud van het proces-verbaal en dat zij verdere opzoekingen zou doen naar de uiteindelijke bestemming van de edelsteen.
Bij gebreke aan betaling werd op 29 augustus 1994 een dwangbevel uitgevaardigd tegen eiseres waardoor deze de hierna volgende bedragen verschuldigd werd, namelijk :
- BTW : 937.808 BEF
- geldboete : 280.500 BEF
- intresten over de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 1994,
- moratoire intresten over de verschuldigde geldboete vanaf de kennisgeving van het dwangbevel,
- vervolgingskosten.
Bij schrijven van 1 september 1994 berichtten haar boekhouders dat de verkoop van de edelsteen van 3,07 karaat was begrepen in de factuur van 20 november 1989 van eiseres aan de BVBA J. O. D. betreffende de verkoop van 113,60 karaat geslepen diamant.
Na deze aankoop zou de BVBA J. O. D. onder meer voornoemde edelsteen hebben laten her slijpen in Antwerpen, waarvoor eiseres een factuur van 11 december 1989 voorlegt van de Diamantslijperij W. O. aan voornoemde BVBA J. O. D. met volgende omschrijving, namelijk :
Aantal Krt Goederen Bedrag
45 1695 reparaties op 66.000 BEF
geslepen diamant
Vervolgens zou de BVBA J. O. D. onder meer voornoemde edelsteen hebben verkocht aan een koper in de U.S.A., waarvoor eiseres een factuur van 21 december 1989 voorlegt betreffende de verkoop van 287,18 karaat geslepen diamant van voornoemde BVBA J. O. D. aan H. L. & Sn Inc., gevestigd te …, waarbij een handgeschreven lijst was gevoegd van alle verkochte edelstenen en waarop onder nummer 79 een edelsteen is vermeld van 3,05 karaat.
Volgens eiseres heeft zij de edelsteen van 3,07 karaat, die zij op 25 augustus 1989 in consignatie had gegeven aan de NV G., aldus op 20 november 1989 verkocht aan de BVBA J. O. D., die deze edelsteen heeft laten her slijpen tot een steen van 3,05 karaat, en die vervolgens op haar beurt deze steen heeft verkocht aan H. L. & Sn Inc., zoals zou blijken uit nummer .. van de bij de factuur gevoegde lijst.
In een schriftelijke verklaring van 24 augustus 1994 bevestigt H. L. dat hij in december 1989 een edelsteen van 3,07 karaat heeft gekocht van de BVBA J. O. D. en dat op zijn verzoek de BVBA J. O. D. deze steen heeft laten her slijpen tot een steen van 3,05 karaat.
Bij schrijven van 26 oktober 1994 van de BBI te Brugge en van 30 november 1994 van de BBI-directie Gent, werd aan de boekhouders van eiseres medegedeeld dat haar factuur aan de BVBA J. O. D. en de factuur van de BVBA J. O. D. aan H. L. & Sn Inc. niet toelaten om na te gaan of de edelsteen in kwestie begrepen is in deze facturen betreffende een lot diamanten zodat de navordering dan ook verschuldigd blijft.
Beoordeling
Betreffende de bewijskracht van het proces-verbaal
Krachtens artikel 59, § 1 van het wetboek van BTW leveren enkel de vaststellingen van de ambtenaren in de processen-verbaal het bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen, terwijl de gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen dit bewijs niet opleveren.
De gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen mogen echter door vermoedens worden bewezen en zijn dan ook aan de beoordeling van de rechtbank onderworpen.
Betreffende het wettelijk vermoeden van artikel 65 van het wetboek van BTW
Volgens eiseres was de edelsteen haar in consignatie gegeven door een derde-diamanthandelaar.
Krachtens artikel 65 van het wetboek van BTW wordt eiseres geacht de haar in consignatie gegeven edelsteen te hebben gekocht, indien zij niet kan bewijzen dat zij de edelsteen onder zich houdt of deze aan de consignant heeft teruggestuurd.
Aangezien eiseres beweert dat zij de edelsteen heeft verkocht aan de BVBA J. O. D., betwist zij geenszins dat zij de edelsteen heeft gekocht.
Bijgevolg is het bewezen dat eiseres de edelsteen heeft gekocht.
Betreffende het wettelijk vermoeden van artikel 64, § 1 van het wetboek van BTW
Krachtens artikel 64, § 1 van het wetboek van BTW wordt eiseres geacht de edelsteen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt tenzij zij hiervan het tegenbewijs levert.
Bijgevolg kan eiseres dit wettelijk vermoeden weerleggen door alle middelen van het gemene recht, doch zij moet dit tegenbewijs leveren aan de hand van positieve en controleerbare gegevens. Loutere beweringen en veronderstellingen, die door geen controleerbare gegevens ondersteund worden, vormen vanzelfsprekend geen tegenbewijs tegen het wettelijk vermoeden.
Het is aldus geenszins vereist dat dit tegenbewijs wordt geleverd door stukken die in overeenstemming zijn met de BTW-wetgeving.
Noch de verkoopfactuur van eiseres aan de BVBA J. O. D., noch de factuur van Diamantslijperij W. O. aan de BVBA J. O. D. betreffende het her slijpen, noch de verkoopfactuur van de BVBA J. O. D. aan H. L. & Sn Inc., noch de handgeschreven lijst die bij deze laatste verkoopfactuur was gevoegd, noch het exportdocument, noch de schriftelijke verklaring van H. L. bewijzen echter aan de hand van positieve en controleerbare gegevens dat de edelsteen in kwestie begrepen was in de verkoop door eiseres van een lot diamanten aan de BVBA J. O. D..
Zelfs indien de verklaring van H. L. geloofwaardig is dat hij een edelsteen van 3,07 karaat heeft gekocht van de BVBA J. O. D. en dat hij deze steen heeft laten her slijpen tot een steen van 3,05 karaat, waaruit dan zou kunnen worden afgeleid dat deze steen overeenstemde met de steen vermeld onder nummer … van de lijst die gevoegd was bij de verkoopfactuur van de BVBA J. O. D. aan H. L.z & Sn Inc., en zelfs indien wordt aangenomen dat deze steen afkomstig was van het lot diamanten dat eiseres aan de BVBA J. O. D. heeft verkocht, bewijst dit geenszins dat deze steen overeenstemde met de steen die eiseres voordien in consignatie had gegeven aan de NV G..
Er zijn vanzelfsprekend meerdere edelstenen van 3,07 karaat zodat eiseres niet het minste tegenbewijs levert aan de hand van positieve en controleerbare gegevens dat de voordien aan de NV G. in consignatie gegeven edelsteen dezelfde steen is als deze die zij later heeft verkocht aan de BVBA J. O. D..
Het wettelijk vermoeden van artikel 64, § 1 van het wetboek van BTW wordt door eiseres dan ook in geen geval weerlegd.
Aangezien het aldus niet bewezen is dat deze edelsteen begrepen was in de verkoop door eiseres van een lot diamanten aan de BVBA J. O. D., is eiseres de belasting dan ook enkel en alleen verschuldigd omdat zij de bestemming van de edelsteen niet aantoont zodat zij, krachtens artikel 64, § 1 van het wetboek van BTW, geacht wordt deze edelsteen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.
Bijgevolg is eiseres geenszins de belasting verschuldigd omdat de levering van het lot diamanten aan de BVBA J. O. D. niet zou beantwoorden aan de vrijstellingsvoorwaarden van artikel 42, § 4 van het wetboek van BTW zodat haar gerechtvaardigde verwachting dienaangaande dan ook niet beschaamd kan zijn en de beginselen van behoorlijk bestuur dan ook niet werden geschonden.
Betreffende de boete
Aangezien de rechtbank in volledige objectiviteit van oordeel is dat voor eiseres een geldboete van 20 % opportuun en redelijk is en aansluit bij de feiten, is het dan ook niet relevant om na te gaan of de rechtbank al dan niet de bevoegdheid heeft deze geldboete kwijt te schelden of te verminderen.
De verhoging van voornoemde geldboete van 20 % met 50 %, ingevolge de kennisgeving van het dwangbevel op 12 september 1994, heeft uitsluitend tot doel de schade te vergoeden die verweerder heeft geleden tengevolge van de niet-betaling van de navordering waartoe eiseres was uitgenodigd bij schrijven van 25 mei 1994.
De rechtbank is van oordeel dat, door de verhoging van de geldboete met 50 %, deze schadevergoeding geenszins overdreven of onverantwoord was.
De verhoging van de geldboete met 50 % heeft dan ook uitsluitend een schade vergoedend karakter zodat artikel 6 E.V.R.M. dan ook niet van toepassing is en bijgevolg dan ook niet werd geschonden.
Er is dan ook geen enkele reden om de geldboete van 280.500 BEF kwijt te schelden of te verminderen.
Betreffende de tegenvordering
Zoals hoger vermeld werden de beginselen van behoorlijk bestuur niet geschonden zodat eiseres hierdoor dan ook geen schade heeft geleden.
Bijgevolg is de tegenvordering dan ook ongegrond.
Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad
Conform artikel 92bis van het wetboek van BTW schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
rechtdoende op tegenspraak.
alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verleent akte aan eiseres van haar tegenvordering.
Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.
Verklaart de tegenvordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op 12.300 BEF rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 6.450 BEF rechtsplegingsvergoeding.
G. G. P. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.