Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 27 maart 2012

Zoeken

Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, gedingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-strafbepaling-administratieve-hof-van-beroep-gent-2012-03-27-e5f9

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
27 maart 2012

Procesverloop

2 stappen · 3 jaar
  1. Weergegeven beslissingHof van beroep te Gent27.03.2012
  2. Beslissing in cassatieHof van Cassatie van België27.03.2015

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

78 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 27.03.2012

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

HOF VAN BEROEP TE GENT

Nr. 2011/AR/1428

in de zaak van :

A. N.V.,

met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. K., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Belastingen en Invordering, sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, wiens kantoren gevestigd zijn te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. S. L., advocaat te …, … spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 24.11.2008 stelde de appellante verzet in tegen het. dwangbevel (RCN nr. …) uitgevaardigd door E. D. D., e.a. inspecteur a.i. van het BTW-ontvangkantoor te Oostende op 16.10.2008, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 28.10.2008 door W. D., e.a. inspecteur a.i. aangewezen door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge.

In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellante een bedrag van … EUR + … EUR als geldboete krachtens artikel 70 § 1 BTW-wetboek, hetzij in totaal … EUR, meer de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening van het dwangbevel ingevolge artikel 91 § 4 BTW-wetboek en de vervolgingskosten.

Voor de eerste rechter vorderde de appellante in hoofdorde dat het bestreden dwangbevel zou worden vernietigd en de appellante zou worden ontlast van alle veroordelingen tegen haar erin uitgesproken, en de teruggave zou worden bevolen van alle ten onrechte ingehouden of ingevorderde bedragen vermeerderd met de intresten vanaf de datum van de inhouding of betaling, minstens vanaf het instellen van de vordering; ondergeschikt vorderde de appellante dat het dwangbevel zou worden vernietigd in de mate dat een hoger bedrag aan BTW gevorderd wordt dan … EUR en een hoger bedrag dan … EUR als boete.

Bij vonnis van 24.11.2010 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering van de appellante ontvankelijk doch ongegrond verklaard, en werd de appellante veroordeeld tot de gedingkosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 10.5.2011 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het voormelde vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te horen tenietdoen, het bestreden dwangbevel te horen vernietigen en de appellante te horen ontlasten van alle veroordelingen tegen haar erin uitgesproken, en de teruggave te horen bevelen van·alle ten onrechte ingehouden of ingevorderde bedragen vermeerderd met de intresten vanaf de datum van de inhouding of betaling, minstens vanaf het instellen van de oorspronkelijke vordering; in subsidiaire orde vordert de appellante dat het dwangbevel zou worden vernietigd in de mate dat een hoger bedrag aan BTW gevorderd wordt dan … EUR en een hoger bedrag dan … EUR als boete; in uiterst subsidiaire orde vordert de appellante dat het dwangbevel zou worden vernietigd in de mate dat een hoger bedrag aan boeten gevorderd wordt dan … EUR.

De geïntimeerde van zijn kant streeft de bevestiging van het bestreden vonnis na.

2. Tussen de partijen bestaat betwisting over het BTW-tarief dat diende te worden toegepast op de werken die de appellante liet uitvoeren aan de hoevewoning waarvan zij eigenaar is en die gelegen is te …, …. De facturen met betrekking tot deze werken hebben betrekking op de periode van 30.5.2003 tot 26.4.2006 (zie het proces-verbaal, stuk 1 van de geïntimeerde).

De geïntimeerde is van oordeel dat het toepasselijke BTW-tarief 21 % is, hetzij het tarief voor werken in onroerende staat die bijdragen tot de oprichting van een nieuw gebouw. De appellante is daarentegen van oordeel dat het tarief van 6 % moet worden toegepast, nl. het tarief voor handelingen bepaald in cijfer XXXI, § 1, 1° van Tabel A, bijlage bij het KB nr. 20 dd. 20.7.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, namelijk handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben.

Door de controlerende ambtenaar werd van de volgens hem begane overtredingen proces-verbaal opgesteld op 19.8.2008. In dit proces-verbaal wordt de door de·appellante volgens de administratie nog op te leggen BTW berekend, hetzij … EUR.

De wetgever heeft de in cijfer XXXI, § 1, 1° van Tabel A, bijlage bij het KB nr. 20 dd. 20.7.1970 vermelde handelingen niet nader gedefinieerd, zodat men hun de gebruikelijke betekenis dient te geven, gezien niet blijkt dat de wetgever v:an deze gebruikelijke betekenis heeft willen afwijken. Dit stemt niet noodzakelijk .overeen met de criteria gehanteerd in de administratieve circulaire nr. 6 dd. 22.8.1986.

De door het KB gehanteerde begrippen "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele" onderstellen een ingrijpen dat niet zover gaat dat met de werken in wezen tot nieuwbouw werd overgegaan.

Aangezien het te dezen gaat om belastbare feiten van vóór 7.12.007 (zie artikel 52 van de programmawet van 27.12.2006 waarbij artikel 1 van het KB nr. 20 gewijzigd werd), ligt de bewijslast van het toepasselijke BTW-tarief bij de geïntimeerde. Waar de geïntimeerde het tarief van 21 % wil toegepast zien voorzien bij artikel 1, 3° van het KB nr. 20 dd. 20.7.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, en krachtens artikel 59 § 1, eerste lid BTW-wetboek·de administratie de bewijslast draagt van de feiten die de verschuldigdheid van de belasting aantonen, behoort het de geïntimeerde aan te tonen dat de bouwwerken waarvan sprake niet vallen onder het tarief van 6 % en 12 % voorzien bij artikel 1, 1° en 2° van het KB nr. 20.

De appellante voert aan dat de bouwwerken betrekking hebben zowel op het vroegere woongedeelte als op het vroegere schuurgedeelte, en dat ook de werken aan het schuurgedeelte mee in aanmerking te nemen zijn om te beoordelen of te dezen een omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele, dan wel een nieuwbouw voorhanden is.

Zo in beginsel, voor de beoordeling van de vraag of het gaat om een omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging, het geheel van de uitgevoerde werken moet in aanmerking genomen worden, dient nochtans rekening te worden gehouden met de bepaling van het cijfer XXXI, § 1, 1° van Tabel A, bijlage bij het KB nr. 20 dd. 20.7.1970. dat uitdrukkelijk voorziet dat de aan het preferentieel tarief onderworpen handelingen die zijn die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben. Het begrip "woning" in deze bepaling dient, bij gebrek aan een andere definitie door de wetgever, in zijn gebruikelijke betekenis te worden opgevat, nl. " huis of deel van een huis waarin men woont" (Van Dale, Groot Woordenboek van de Nederlandse taal, Utrecht/Antwerpen, 14e uitg., lemma "woning"). De tekst van het voormeld cijfer XXXI, § 1, 1° van Tabel A laat er ook geen twijfel over bestaan dat het moet gaan om handelingen aan een bestaande woning, en het voor de toepassing van deze bepaling niet voldoende is dat om het even welk gebouw tot woning omgebouwd wordt.

Dit leidt tot het besluit dat te dezen, voor de beoordeling van de vraag - of het gaat om een omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging, geen rekening kan gehouden worden met het schuurgedeelte, zijnde een deel dat oorspronkelijk niet bestemd was voor bewoning.

Wat de hoevewoning betreft moet worden vastgesteld :

• de volledige achterzijde, de rechterzijde en de helft van de voorzijde van de woning zijn nieuw gebouwd, zij het met gerecupereerde stenen van de oude hoevewoning (zie het proces-verbaal dd. 8.7 2003, bijlage 3 bij het stuk 1 van de geïntimeerde; zie ook het stuk 1 van de geïntimeerde, p. 1 cijfer 2.c; zie ook de foto's bijlage 2 bij het proces-verbaal van 19.8.2008);

• de gewelven en het dak zijn nieuw, evenals een deel van de binnenmuren (zie het proces-verbaal van 8.7 2003, bijlage 3 bij het stuk 1 van de geïntimeerde);

• de foto's door de appellante voorgelegd laten duidelijk zien (vergelijk de

foto's a met de foto's e) dat de buitenmuren vooraan en achteraan de woning zijn gebouwd met de van de oude hoevewoning gerecupereerde stenen;

• de nieuwe woning dieper is dan de oorspronkelijke oude hoevewoning, waarbij de achtergevel meer achteruit werd geplaatst (vergelijk de bouwplannen in het bundel van de geïntimeerde met betrekking tot de bestaande toestand en met betrekking tot de uitvoering, en de aftekening op dit laatste plan van het grondplan van de oude hoevewoning);

• de oorspronkelijke rechterzijgevel werd volledig afgebroken en een nieuwe, meer naar binnen toe van de oude hoevewoning geplaatste buitengevel werd opgericht (zie hetzelfde uitvoeringsplan);

• er werd ook een volledig nieuwe linker zijgevel opgetrokken (aan de onderdoorgang te zien op de foto's van de appellante) die er voorheen bij de oude hoevewoning niet was (zie steeds hetzelfde uitvoeringsplan);

• een aantal binnenmuren zijn volgens hetzelfde uitvoeringsplan nieuw gebouwd.

3. De administratie heeft toepassing gemaakt van de uitgebreide verjaringstermijn van 5 jaar voorzien bij artikel 81bis, § 1, tweede lid BTW-wetboek.

Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 81bis § 1 eerste lid BTW-wetboek is er verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, intresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. Het te dezen toepasselijke artikel 81bis § 1, tweede lid BTW-wetboek, bepaalt dat, in afwijking van·het eerste lid, er evenwel verjaring is na het verstrijken van het vijfde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, zodra de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. Krachtens het te deze toepasselijke artikel 84ter BTW-wetboek moet de administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde, indien zij voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis, § 1, tweede lid BTW-wetboek toe te passen, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

a.

Inzake van BTW zijn geen onderzoekstermijnen bepaald, zoals inzake van inkomstenbelastingen het geval is. In artikel 84ter BTW-wetboek wordt ook niet verwezen naar enig onderzoek. Zo wellicht de wetgever voor deze bepaling van het BTW-wetboek zich heeft laten inspireren door het artikel 333 van het WIB/1992 (dat over onderzoekstermijnen handelt), dan houdt dit niet in dat uit dergelijke inspiratie af te leiden is dat de wetgever heeft gewild dat de bedoelde kennisgeving voorafgaandelijk aan het onderzoek moet gebeuren. Zulks heeft hij toch in artikel 84ter BTW-wetboek niet tot uiting gebracht.

Volgens de tekst van artikel 84ter BTW-wetboek dient de kennisgeving voorafgaandelijk te gebeuren wanneer de administratie voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis, § 1, tweede lid BTW-wetboek toe te passen. Deze laatste bepaling heeft het over de verjaring van "de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten" (artikel 8lbis §1, eerste lid BTW-wetboek, waarop het artikel 81bis, § 1, tweede lid BTW-wetboek in een uitzondering voorziet qua termijn). De nietigheid voorzien bij artikel 84ter BTW-wetboek brengt dan ook de nietigheid van deze vordering met zich wanneer deze vordering niet voorafgegaan wordt door de bedoelde kennisgeving.

Normalerwijze zal de belastingplichtige er zich aan verwachten dat de gewone verjaringstermijn toepasselijk is. Bij wijze van uitzondering, indien de bijzondere omstandigheid van bedrieglijk opzet/oogmerk te schaden/belastingontduiking voorhanden is, kan een langere termijn worden toegepast. Het lijkt dan ook zinvol dat de belastingplichtige, wanneer men hem wil belasten met aanwending van de verlengde termijn, vóór de vordering ervan op de hoogte gebracht wordt dat dit gebeurt omdat hij van belastingontduiking wordt verdacht, welke de aanwijzingen zijn daartoe, en dat hij aldus zou weten waarom hij er niet langer op mag betrouwen dat de gewone verjaringstermijn zal gelden. Op deze wijze wordt hem een betere uitoefening van zijn rechten van verdediging gewaarborgd, terwijl met het verweer van de belastingplichtige in verband met de voorafgaande kwestie van de belastingontduiking de vordering van de administratie al dan niet kan worden verlaten.

Uit hetgeen voorafgaat moet worden afgeleid dat het woord "voorafgaandelijk" in artikel 84ter BTW-wetboek inhoudt dat de kennisgeving waarvan sprake voorafgaandelijk aan de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten moet gebeuren (vergelijk in deze zin met: Hof Brussel, 30.9.2010, FJF 2010, 897 en Hof Gent, 3.5.2011, AR.nr. 2009/AR/3249, niet gepubliceerd; eveneens in die zin : Vanermen, ·B., De verjaring van betwiste directe belastingen en BTW, in De Verjaring, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2007, p. 302, en de voetnoot m. 166 waarin wordt verwezen naar Van Den Avyle, Guide fiscal permanent, Partie m,. TVA, Chapitre XIII Prescriptions, Ced. Samsom, nr. 782; anders: Hof Brussel, 19.5.2011, TFR 2011, 720 en Hof Antwerpen, 22.3.2011, althans volgens vermelding in de Pari. Vraag nr. 466 dd. 13.7.2011, Vragen en Antwoorden, Kamer 2010-2011, nr. 37 van 02.08.2011 blz. 71).

b.

De appellante betwist het voorhanden zijn van het bedrieglijk opzet of het oogmerk te schaden. De geïntimeerde van zijn kant voert als bewijs (door vermoedens) van het bedrieglijk opzet aan :

• de afbraak- en verbouwingswerken zijn van zodanige omvang dat er geen twijfel over kon bestaan dat het verlaagd tarief van 6 % niet van toepassing was;

• de appellante heeft gepoogd de indiening van de aangifte zo lang mogelijk uit te stellen tot een deel van de vordering verjaard was;

• de appellante heeft plannen ingediend die niet volledig juist zijn en meer bepaald een aantal muren als bestaand ingekleurd terwijl zij nieuw of hermetst waren; zo ook heeft de fiscale raadgever van de appellante meegedeeld dat de dakconstructie werd behouden, terwijl dit manifest onwaar was;

• de appellante heeft zich niet gehouden aan de verplichting om de bouwaangifte 106/3 tijdig in te dienen, hetzij binnen de drie maand na de betekening van het KI en te dezen dus vóór 26.4.2007;

• de administratie heeft op 18.10.2007 een herinnering toegestuurd (met een blanco aangifte) waarbij gewezen werd op deze wettelijke verplichting en het feit dat de indieningsperiode ruim overschreden was, terwijl ook uitdrukkelijk werd verzocht de . aangifte uiterlijk op 5 .11.2007 in te dienen;

• de aangifte werd ingediend op vrijdag 21.12.2007, zijnde volgens opgave door de administratie de laatste werkdag van het jaar, zodat het onmogelijk was nog een verjaringstuitende handeling te verrichten;

• minstens moest de appellante geweten of vermoed hebben dat op een termijn van 10 dagen, in de eindejaarsperiode, geen controle meer kon uitgevoerd worden of stuitingsmaatregelen genomen.

Het enkel feit te pogen de verjaring te bereiken voor de BTW en accessoria die betrekking hebben op het jaar 2004 houdt in beginsel op zich niet het bewijs in van het bedrieglijk opzet. Het bereiken van de verjaring is op zich geen onrechtmatig voordeel, maar is georganiseerd door de wet zelf, en kan door de belastingplichtige worden nagestreefd om van de BTW-schuld bevrijd te worden, en dit ook in het geval waarin de belastingplichtige overtuigd is dat hij terecht het preferentieel tarief· heeft toegepast. Indien administratieve verlofregelingen bijdragen tot het bekomen van deze verjaring dan wordt het bereiken ervan daarom ook nog niet onrechtmatig.

Uit hetgeen hoger werd uiteengezet blijkt evenwel dat, in acht genomen de aard ·en de omvang van de uitgevoerde werken, het voor de appellante evident moet geweest zijn dat geen sprake meer kon zijn van een verbouwing (omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling). Dit werd reeds vastgesteld door de controlerende ambtenaar op 8.7.2003, en blijkt ook uit de foto's die hij hierbij maakte (zie de bijlagen 2 en 3 bij het proces-verbaal van 19.8.2008, stuk 1 van de geïntimeerde). Hoewel bijgestaan door fiscale adviseurs (zie het proces-verbaal), laat de appellante na om het aangifteformulier 106-3 (zie artikel 64 § 4 BTW-wetboek) in te dienen binnen de drie maanden vanaf de datum van betekening van het kadastraal inkomen (d.i. 26.1.2007, zie de bijlage 4.bij het stuk 1 van de geïntimeerde). Nochtans moest de appellante niet alleen het artikel 64 § 4 BTW-wetboek hoe dan ook toepassen, maar bovendien werd haar het nodige formulier voor de aangifte met informatie overgemaakt per brief van 5.11.2002 (zie de vermelding in de brief van 18.10.2007 van de geïntimeerde, bijlage bij het stuk 1 van de geïntimeerde). Op 18.10.2007 werd aan de appellante een herinnering in dit verband gestuurd en werd haar de tijd gelaten om nog de aangifte in te dienen uiterlijk op 5.11.2007 (zie de bijlage 4 bij het stuk 1 van de geïntimeerde). Ook dan heeft de appellante de aangifte niet tegen die datum ingediend, maar pas op 21.12.2007, op 10 dagen van de verjaring voor het jaar 2004. Uit deze gegevens is af te leiden dat de appellante een gekarakteriseerde poging heeft ondernomen om te ontsnappen aan de door haar wettelijke verschuldigde BTW, waarvan zij wist of weten moest dat zij tot betaling ervan gehouden was. Het bedrieglijk opzet staat vast en de administratie heeft terecht gebruik gemaakt heeft van de verlengde termijn voorzien bij artikel 81bis § 1, tweede lid BTW-wetboek.

4. Nu het bedrieglijk opzet vaststaat zijn de verminderingen voorzien bij het KB nr. 41 dd. 30.1.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde niet van toepassing (artikel 1 laatste lid van het KB nr. 41).

De appellante voert aan dat de opgelegde geldboete van 200 % buiten iedere proportie is.

De opgelegde administratieve geldboete is te beschouwen als een fiscale sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM. Zij wordt opgelegd zonder onderscheid aan eenieder die belastingplichtige is, en strekt ertoe zowel de belastingplichtige aan te zetten zijn verplichtingen na te komen om de verhoging te vermijden, als het niet nakomen van zijn verplichtingen te bestraffen om herhaling van deze inbreuken te voorkomen.

De belastingplichtige kan door de rechter laten nagaan of er omstandigheden bestaan die verantwoorden dat de administratieve boete wordt verminderd tot onder het door de wet bepaalde tarief. De rechter aan wie gevraagd wordt een opgelegde administratieve boete met een repressief karakter te toetsen, heeft de volle rechtsmacht om na te gaan of die beslissing in feite en in rechte verantwoord is en of zij alle beginselen naleeft die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, en heeft de mogelijkheid na te gaan of de administratieve boete niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of de administratie naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van dergelijke administratieve boete van zodanige omvang (vergelijk onder meer met Cass. 12.12.2008, rolnummer F.06.0111.N; Cass. 12.11.2010, rolnr. F.09.0146N; of met. Cass. 11.3.2011, rolnr. F.10.0020N; alle met vindplaats http://jure.juridat.just.fgov.be). Bovendien heeft de rechter dezelfde bevoegdheid als deze die de administratieve overheid ten aanzien van die sanctie heeft, om deze kwijt te schelden of te verminderen (vergelijk met Cass. 3.3.2009, rolm. P.08.1451N, overweging nr. 13, http://jure.juridat.just.fgov.be). Dit houdt echter niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie" van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (Cass. 13.2.2009, rolnummer F.06.0108N;­ http://jure.juridat.just.fgov.be).

Te dezen heeft de appellante gepoogd een onrechtmatig belastingvoordeel te bekomen van … EUR, voorhoudend dat het te dezen ging om een aan het preferentieel tarief onderworpen verbouwing, terwijl zij nochtans duidelijk wist of weten moest dat dit niet het geval was. De omvang van de door de·administratie opgelegde boete is ook niet van die aard dat zij het bestaan van de appellante in het gedrang zou kunnen brengen. De opgelegde geldboete kan niet worden beschouwd als onevenredig met de begane inbreuk.

Beschikkend gedeelte

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond;

Bevestigt het. bestreden vonnis;

Veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep, en begroot deze kosten in hun geheel als volgt :

• aan de· zijde van de appellante : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting· van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op ZEVENENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN TWAALF.

Aanwezig de Heren :

A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. T. en D. V., Raadsheren,

M. V., griffier.

M. V. D. V. G. T. A. D. M.

Aangehaalde teksten

8
WBTW art. 81bis7 voorkomens
WBTW art. 84ter6 voorkomens
KB nr. 20 art. 13 voorkomens
WBTW art. 642 voorkomens
KB nr. 41 art. 11 voorkomen
WBTW art. 591 voorkomen
WBTW art. 701 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8