Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 27.04.2004
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent - 5e kamer
Nr.2000/AR/859
in de zaak van :
RESTAURANT "D. P." BVBA,
met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te …, onder het nummer …,
appellante,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. B. E. loco mr. V. F., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 14 te 1000 Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de rekenplichtige-ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Sint-Niklaas, wiens burelen zijn gevestigd te 9100 SINT-NIKLAAS, Driekoningenstraat 4 bus 2,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. P., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 1.12.1997 dagvaardde de appellante de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde teneinde uitspraak te horen doen over het verzet van de appellante tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door J. V. G., eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van Sint-Niklaas op 5.11.1997, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door E. V., e.a. inspecteur van de BTW te Temse, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Antwerpen op 6.11.1997.
In dit dwangbevel werd opgenomen als verschuldigd door de appellante de som van … BEF (thans … EUR) aan BTW, een boete krachtens artikel 70 § 1 en 70 § 1bis van het BTW-wetboek van … BEF (thans … EUR), hetzij samen … BEF (thans … EUR), meer intresten en vervolgingskosten.
De appellante vorderde dat het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde zou worden verklaard en de appellante zou worden ontslagen van de in het dwangbevel van haar gevorderde sommen. Tevens vorderde de appellante de geïntimeerde te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en. die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel waarvan de vernietiging werd gevorderd.
Bij vonnis van 6.4.2000 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, negende kamer, werd de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd de appellante veroordeeld tot de kosten van het geding.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 18.4.2000 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermeld vonnis.
Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
De appellante streeft de hervorming van het bestreden vonnis na en herneemt haar oorspronkelijke vordering.
De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.
2. De appellante voert aan dat het dwangbevel niet gemotiveerd is naar eis van de wet van 29.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
Deze wet is inderdaad van toepassing op dwangbevelen inzake van BTW en de opgelegde motivering moet in het dwangbevel en/of zijn bijlagen (zoals te dezen het proces-verbaal 17.3.1997) de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die eraan ten grondslag liggen, en dient tevens afdoende te zijn (artikel 3 wet van 29.7.1991).
In het bestreden dwangbevel wordt aangehaald dat de appellante sommen verschuldigd is "op grond van een bijgevoegd, voor eensluidend verklaard afschrift van proces-verhaal". Dit door de gerechtsdeurwaarder meebetekend proces-verbaal dd. 17.3.1997 vermeldt de volgens de opsteller van het procesverbaal toepasselijke wettelijke bepalingen, de verschuldigde bedragen aan BTW-boeten-intresten, en bevat onder meer volgende motivering :
"
Op grond van voormeld artikel 59. § 1 en 64 §§ 1, 2 en 3 van het BTW-Wetboek. heeft de administratie. voor de hierna vermelde jaren, de met de BTW belastbare output (omzet). exclusief BTW, berekend op basis van de input, rekening houdend met de brutowinst en/of rendementsnormen en/of de eigen productieve prestaties, exclusief BTW.
Hieronder volgen de desbetreffende berekeningen. samen met de verantwoording van de factoren (brutowinst en/of rendementsnormen en/of eigen productieve prestaties) die voor de berekening van de output in aanmerking werden genomen. De aldus berekende omzet (exclusief BTW) wordt vervolgens vergeleken met de omzet aangegeven in de ingediende BTWaangiften.
Aangegeven omzet inzake de exploitatie van een restaurant in de btwkwartaalaangiften van de jaren 1993 en 1994 : … F
Uit de gegevens van het door mij ingeziene dossier op naam van BVBA D. P. bij de directe belastingen m.b.t. de uitbating van een restaurant, blijkt dat voor de jaren 1993 en 1994 :
-in totaal een verkocht aankoopcijfer werd vastgesteld van … F
-een bruto-winstmarge van 181 % op de verkochte aankopen werd bepaald;
-bijgevolg een omzetcijfer werd gerealiseerd van : … x 281% = … F
Niet aangegeven omzet voor 1993 en 1994 : … F
BTW-tarief krachtens Kon. besl. nr 20, art. 1, 1ste lid 3° (oud)
voor 1993 : 19,.5%
voor 1994 : 20,5%
Verschuldigde BTW : … F x 1/2 = … à 19,5% = … F
x 1/2 = … à 20.5% = …F
Totaal verschuldigd: … F";
Er moet worden vastgesteld dat op deze wijze aan de vereisten van de wet van 29.7.1991 is voldaan.
De appellante komt duidelijk te weten welke meeromzet wordt onderworpen aan BTW. De uitgebreide en zelf afdoende gemotiveerde berekeningswijze van deze meeromzet werd aan de appellante ter kennis gebracht bij bericht van wijziging van aangifte van 4.4.1995 van de administratie der directe belastingen (stuk 5 van de appellante) terwijl in het proces-verbaal verwezen wordt naar het "dossier op naam van BVBA D. P. bij de directe belastingen m.b.t. de uitbating van een restaurant". De appellante betwist niet dat zij dit bericht van wijziging ontving, en deze ontvangst blijkt trouwens uit het feit dat de appellante dit bericht uitvoerig heeft beantwoord op 12.5.1995 (zie stuk 5 van de appellante, derde blad en volgende). Vergelijking van dit bericht van wijziging met het proces-verbaal toont aan dat in beide documenten het bedrag van de meeromzet en van de verschuldigde BTW (volgens de administratie) identiek zijn.
Aldus werd de appellante in kennis gesteld van de gegevens in feite en in rechte waarop de administratie zich voor het uitvaardigen van het dwangbevel heeft gesteund, zodat zij kon nagaan of het al dan niet aangewezen was verzet tegen dit dwangbevel aan te tekenen.
De motiveringsplicht voorzien bij de wet van 29.7.1991 houdt ook niet in dat de administratie gehouden was in het dwangbevel of in bijlagen reeds de bewijsmiddelen waarover zij beschikte aan de appellante voor te leggen.
Het middel is ongegrond.
3. Uit het bericht van wijziging van aangifte inzake inkomstenbelastingen van 4.4.1995 (stuk 5 van de appellante) blijkt dat aldaar de meeromzet van … BEF (thans … EUR), die ook als basis heeft gediend voor de berekening van de BTW, werd berekend door middel van vergelijkingspunten na verwerping van de boekhouding van de appellante (toepassing van artikel 342 § 1 WIB/1992).
De appellante heeft inzake inkomstenbelastingen zowel de verwerping van de boekhouding als de door de administratie der directe belastingen gehanteerde vergelijkingspunten betwist (zie het antwoord op het bericht van wijziging van aangifte, bijlage bij stuk 5 van de appellante). De appellante blijkt nooit haar akkoord te hebben betuigd met het door de administratie der directe belastingen bepaalde bedrag van de meeromzet (zie de brief van 4.7.1997 aan de Controle Vennootschappen 2, stuk 6 van de appellante; zie de conclusie van de geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 23.8.2000, p. 2, “in feite”).
Het bewijsmiddel van artikel 342 § 1 WIB/1992 is eigen aan de inkomstenbelasting. Het steunt op een wettelijk vermoeden volgens welk de gemiddelde winst van de soortgelijke belastingplichtigen overeenkomt met de normale winsten in de betrokken sector, en kan niet zonder meer toegepast worden inzake BTW. Wel dient onderzocht te worden of de uitgevoerde berekening van de meeromzet ook niet kan beschouwd worden als gesteund op vermoedens in de zin van artikel 59 §1 BTW-wetboek.
Het staat allesbehalve vast dat het normale winstpercentage voor de appellante op 181 % te bepalen is. De winstmarges van de belastingplichtigen waarmee werd vergeleken verschillen reeds aanzienlijk onderling, nl. 157 %, 174 % en 211 %, wat aantoont hoe verschillend de winstmarges per restaurant kunnen zijn. Er zijn bovendien veel verschillende soorten restaurants, met verschillende uitbatingswijzen, en uit niets blijkt de vergelijkbaarheid van de aangehaalde vergelijkingspunten met de situatie van de appellante of dat het door de appellante uitgebaat soort restaurant gewoonlijk een winstpercentage van 181 % hanteert.
De geïntimeerde toont derhalve niet aan dat de winstmarge bij de appellante in de betrokken periodes (de jaren 1993 en 1994) 181 % bedraagt, zodat de berekening van de meeromzet aan de hand van dit percentage niet kan worden aangenomen.
De geïntimeerde bewijst derhalve niet dat de appellante het bedrag aan BTW (meer boete en intresten) verschuldigd is zoals opgenomen in het bestreden dwangbevel.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen.
Ontvangt het hoger beroep en verklaart het gegrond.
Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar dit de vordering ontvankelijk verklaart, en opnieuw wijzende.
Verklaart gegrond het verzet van de appellante tegen het dwangbevel (RCIV nr. 297/0404/27244) uitgevaardigd door J. V. G., eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van Sint-Niklaas op 5.11.1997, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door E. V., e.a. inspecteur van de BTW te Temse, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Antwerpen op 6.11.1997.
Vernietigt dit dwangbevel en veroordeelt de geïntimeerde tot integrale terugbetaling aan de appellante van alle bedragen welke eventueel ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het vernietigde dwangbevel.
Veroordeelt de geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, als volgt begroot :
• aan de zijde van de appellante : op … EUR dagvaarding en rolstelling + … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;
• aan de zijde van de geïntimeerde op : … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, op ZEVENENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN VIER.
Aanwezig :
Mevrouw N. v. I., Voorzitter,
A. D. M. en G. T., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. G. T. A. D. M. N. v. I.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.