Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 25.11.2004
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN - VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :
Inzake : 2003/AR/1642
P. K., wonende te …, …;
appellant
tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt d.d. 30 april 2003
vertegenwoordigd door Mr. V. M. loco Mr. J. D., advocaat te …, …;
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst, voorheen Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Hasselt, I, Thonissenlaan 20 te 3500 Hasselt;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Mr. P. B. loco Mr. P. V. d. S., advocaat te …, …;
1. De antecedenten en de vorderingen
Het bestreden vonnis d.d. 30.4.2003 van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, waarin de feiten die ten grondslag liggen aan het door appellant ingesteld fiscaal verzet tegen een inzake BTW uitgevaardigd dwangbevel d.d. 26.5.1992 werden uiteengezet, heeft dit verzet ongegrond verklaard.
Appellant, die bij een ter griffie van dit hof op 12.6.2003 neergelegd verzoekschrift hoger beroep instelde, besluit tot de gegrondheid van zijn verzet.
Geïntimeerde besluit tot gegrondheid van het hoger beroep.
Uit het procedurebundel a quo blijkt dat de verzetdoende partij zelf pas geconcludeerd heeft op 3.12.2002 nadat geïntimeerde op 15.10.2002 conclusies neerlegde, dat voordien op 8.12.1998 de zaak bij toepassing van artikel 730, § 2 Ger.W. ambtshalve werd weggelaten en dat de verzetdoende partij verder geen enkel initiatief genomen heeft in eerste aanleg. Nu geïntimeerde bovendien heeft aangetoond dat een strafrechtelijk onderzoek tot 25.6.2002 de verdere behandeling van het fiscaal verzet belemmerde, heeft geïntimeerde zich in de procedure a quo als een zorgvuldig handelende overheid gedragen : appellant stelt dan ook ten onrechte dat geïntimeerde "gedesinteresseerd was en niet langer aandrong en dat de verzetdoende partij mocht aannemen dat de zaak zonder gevolg gerangschikt was" - wat dit Iaatste ook al moge betekenen, nu appellant er aan voorbijgaat dat door het instellen van het verzet de tenuitvoerlegging van het dwangbevel gestuit werd.
Er is dan ook geen schending van "beginselen van behoorlijk bestuur" door geïntimeerde bewezen.
Geïntimeerde, heeft op niet door appellant weerlegde wijze aangetoond dat de fiscus de verschuldigde BTW (bij invoer van een tweedehandsvoertuig) niet berekende op basis van een "minimum maatstaf van heffing", maar wel op basis van de prijs die betaald is door appellant aan de verkoper van het voertuig, met name … DM i.p.v. de door appellant op het invoerdocument vermelde prijs van … DM.
In tegenstelling tot hetgeen de eerste rechter stelde, was het door appellant bij de invoeraangifte gevoegde "Kaufvertrag" (koopovereenkomst) niet ondertekend door verkoper N., zoals trouwens ook blijkt uit de door appellante onder stuk 2 neergelegde (en door hem ingeroepen) "koopovereenkomst d.d. 27.5.1987", doch enkel door appellant als koper : dit stuk vormt dan ook geen bewijs van een verkoop door N. van het litigieus voertuig aan de prijs van … DM.
Uit het door de Administratie der douane en accijnzen, Opsporingsinspectie Genk, op 23.11.1990 opgesteld proces-verbaal blijken ook nog volgende niet door appellant weerlegde feiten : "Ondertussen kon door een onderzoek van het Zollfahndungsamt-Düsseldorf bij de verkoper van het voertuig de correcte "Kaufvertrag" worden gereproduceerd, waarop een verkoopprijs vermeld stond van … DM. Deze Kaufvertrag, ter beschikking gesteld door de verkoper, de heer P. N., werd links onderaan ondertekend door de heer L. K., vader van P. en intussen overleden, die zijn zoon bij de aankoop vergezeld heeft. Ingevolge de persoonlijke ontmoeting met de heer L. K. d.d. 29 mei 1989 weten wij dat hij zijn zoon bij de aankoop heeft vergezeld en wij beschikken sinds die dag tevens over de handtekening van de overledene. Rechts onderaan werd deze "Kaufvertrag" ondertekend door de heer M.) het hoofd van de dienst bij Mercedes te Düsseldorf, die bemiddelt bij autoverkopen door de eigen Mercedes werknemers. De bij de aanvankelijke aangifte gevoegde "Kaufvertrag" is met zekerheid een vervalst stuk. Hierop komt enkel de handtekening voor van de heer P. K. en niet die van de verkoper. Op 29 januari 1990 werd de heer P. K. opnieuw verhoord in ons bureel te … en hij verklaarde : "Ik heb slechts … DM betaald voor mijn personenauto Mercedes, bouwjaar 1986... en niet die … DM die u vooropgesteld hebt .... Ik bedoel dat ik de factuur waarop … DM voorkomt, niet heb ondertekend. Deze factuur werd ook niet ondertekend door de verkoper, de heer N., maar blijkbaar door de heer M., de verkoopsbemiddelaar van Mercedes-Düsseldorf. Ik heb de wagen betaald in handen van de heer M. in baar geld", en deze in dit proces-verbaal vermelde vaststellingen leveren bij toepassing van artikel 59, §1 BTW-wetboek bewijs op zolang het tegendeel niet bewezen is.
Mede rekening houdende met voormelde bijkomende gegevens, heeft de eerste rechter op oordeelkundige gronden, die door dit hof overgenomen worden, geoordeeld dat geïntimeerde bewezen had dat appellant voor de litigieuze personenauto MERCEDES … DM i.p.v. de beweerde (en aangegeven) … DM betaald had, en de theoretische beschouwingen van appellant over de "normale en redelijke prijs voor deze wagen" (zijn conclusie, p. 4, achtste tot twaalfde alinea) doen aan voormelde gegevens geen afbreuk.
Artikel 70, § 3 BTW-Wetboek (in de versie van toepassing op het ogenblik van de litigieuze feiten) bepaalde : "Wanneer het invoerdocument dat krachtens artikel 51 moet worden overgelegd, onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van de aard of de hoeveelheid van de ingevoerde goederen, de prijs of het toebehoren ervan, de naam of het adres van degene op wiens naam ter zake van de invoer verschuldigde belasting mag of moet worden voldaan, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van die belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan duizend frank".
Met "die belasting" wordt in artikel 70,§ 3 gerefereerd aan de ter zake van invoer verschuldigde belasting zoals opgenomen in § 3 en dus niet aan de in artikel 70, § 1 bedoelde ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.
Uit de hoger vermelde feiten blijkt dat appellant doelbewust onjuiste documenten bij zijn invoeraangifte gevoegd had ten einde de beweerde koopprijs van … DM te verantwoorden en dit met het oogmerk om BTW (verschuldigd bij deze invoer) te ontduiken.
In die omstandigheden is de door de fiscus opgelegde administratieve wettelijke boete (tweemaal de verschuldigde BTW) niet "schromelijk overdreven en overstijgt elke proportionaliteit” (dixit appellant).
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Verklaart het hoger beroep ongegrond;
Veroordeelt appellante tot betaling van de kosten van hoger beroep, in hoofde van geïntimeerde vastgesteld op … EUR (rechtsplegingsvergoeding).
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van vijfentwintig november tweeduizend en vier,
waar aanwezig waren :
de heer E. H., Voorzitter
mevrouw A. W., Raadsheer
de heer E. L., Raadsheer
mevrouw G. V., Griffier.
V. L. W. H.
Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit arrest ten uitvoer zullen leggen;
Dat onze procureurs-generaal en onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van heb gevorderd wordt;
Ten blijke waarvan dit arrest is ondertekend en gezegeld met het zegel van het Hof.
Voor gelijkvormige expeditie afgeleverd aan gerechtsdeurwaarder J. R., in opdracht van meester P. V. D. S., advocaat, die optreedt voor geïntimeerde.
Antwerpen, 15 februari 2005
V. V.
Griffier-hoofd van dienst
30.04.03 - samenvoeging
Door de FOD bijgevoegde beslissing
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING
HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE
V0NNNIS UITGESPROKEN :
INZAKE A.R. nr. 02.2011.A
K. P., wonende te …, …, eiser, vertegenwoordigd door Mr. P. loco Mr. J. D., advocaat te …, …;
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Administratie van de belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Ontvanger van het Eerste BTW-Ontvangkantoor te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4,
verweerder, vertegenwoordigd door Mr. F. R., advocaat te …, …;
EN INZAKE A.R. nr. 02.2012.A
K. P., wonende te …, …, eiser, vertegenwoordigd door Mr. P. loco Mr. J. D., advocaat te …, …;
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Administratie van de belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Ontvanger van het Eerste BTW-Ontvangkantoor te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4,
verweerder, vertegenwoordigd door Mr. F. R., advocaat te …, …;
VOLGT HET VONNIS :
Feiten en voorgaanden
In AR. 02.2011.A heeft eiser met gerechtsdeurwaardersexploot van 18 juni 1992 verweerder laten dagvaarden in betwisting van diens dwangbevel van 26 mei 1992 dat aan eiser op 3 juni 1992 was betekend met gerechtsdeurwaardersexploot en waarbij tegelijk betalingsbevel was gedaan.
Deze betwisting was oorspronkelijk gekend onder AR. 92B.1556, ingeleid op 30 juni 1992, en is, na weglating en herinschrijving op de rol overeenkomstig art. 730, § 2 Ger.W., thans gekend onder hoger vermeld rolnummer.
In AR. 02.2012.A heeft eiser met gerechtsdeurwaardersexploot van 5 december 1997 verweerder laten dagvaarden in betwisting van diens zelfde dwangbevel van 26 mei 1992, herbetekend met aangetekende brief van 17 november 1997.
Deze betwisting was oorspronkelijk gekend onder A.R.97.2427.A, ingeleid op 16 december 1997, en is, na weglating en herinschrijving op de rol overeenkomstig art. 730, § 2 Ger.W., op heden gekend onder hoger vermeld rolnummer.
Met brief van 29 juni 1990 (stuk 6 verweerder in beide zaken) had de belastingdienst van Douane & Accijnzen aan eiser gemeld dat hij bij de aangifte op 30 juni 1987 ten (toen nog) invoer van een gebruikte personenwagen Mercedes vanuit Duitsland, een te lage maatstaf van heffing zou hebben aangegeven en werd er een navordering geformuleerd van BTW-rechten.
Op 23 november 1990 hebben de ambtenaren van Douane & Accijnzen hierover een proces-verbaal ten name van eiser en van de door hem aangestelde douane-expediteur opgemaakt (stuk 7 verweerder in beide zaken), met daarin ook verwoording van de vordering van een BTW-boete gelijk aan tweemaal de nog openstaande rechten.
Dit proces-verbaal is op zijn beurt gehecht aan een proces-verbaal van een ambtenaar van de BTW van 22 mei 1992 met overeenstemmende inhoud als het eerst vermelde proces-verbaal (stuk 8 verweerder in beide zaken).
Het is het geheel van de beide voormelde processen-verbaal dat is gehecht aan het hogerop vermelde dwangbevel van huidig verweerder van 26 mei 1992 dat uitvoerbaar is verklaard op 1 juni 1992 en dat aan huidig eiser is betekend met het hoger vermelde exploot van 3 juni 1992 en later nogmaals met aangetekende brief van 17 november 1997 (dit laatste als stuk 14 verweerder in beide zaken).
Beoordeling
1. Het gegeven dat beide zaken de betwisting van hetzelfde dwangbevel tot voorwerp hebben, leidt tot de samenvoeging ervan wegens samenhang onder toepassing van artikel 30 Ger.W.
2. De toelaatbaarheid van elk der vernoemde rechtsvorderingen staat niet in betwisting, en ook ambtshalve is er geen oorzaak tot ontoelaatbaar verklaring aan te voeren.
3. Met een op 15 oktober 1992 inzake A.R. 92B.1556 neergelegde (eerste) conclusie had verweerder verzocht om de behandeling uit te stellen 'in afwachting van een definitieve beslissing in de strafvordering', Deze zaak lag dan blijkbaar stil tot verweerder op 15 oktober 2002 een nieuwe conclusie neerlegde ter griffie.
In de zaak onder A.R. 97.2427.A heeft verweerder op 15 oktober 2002 een (eerste) conclusie neergelegd met overigens dezelfde inhoud als de reeds vermelde conclusie van dezelfde dag in het A.R. 92B.1556.
Eiser verwijt, gelet op deze gegevens, verweerder dat hij onbehoorlijk bestuur zou hebben gevoerd door te hebben nagelaten "om na het verzet van concluant het geding "in leven" te houden" (conclusie eiser bladzijde 4).
Waar de door eiser ingestelde rechtsvordering tot betwisting van de fiscale vordering de uitvoering van het dwangbevel heeft gestuit krachtens van artikel 89, 2de lid W.BTW, stond het hem vrij in het kader van de lopende gerechtelijke procedures stappen te nemen ter bespoediging ervan, zo hij van oordeel was daarbij belang te hebben.
Tijdens de aanhangigheid van de fiscaalburgerlijke procedures is naderhand gebleken dat de Procureur des Konings binnen zijn beleidsvrijheid heeft geoordeeld de eertijds geformuleerde strafklacht wegens valsheid in geschriften te moeten seponeren.
Het geschil beweegt zich aldus niet op het vlak van al dan niet valsheid in geschriften, zoals eiser voorhoudt, maar wel op het vlak van toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, en daarnaast handelde verweerder van zijn kant bestuurlijk niet onrechtmatig.
4. Het stond eiser vrij om op de markt van vraag en aanbod voor het hogerop vermelde voertuig een prijs overeen te komen met de particuliere verkoper, uitgangspunt dat niet in betwisting is.
Hoewel het aan het dwangbevel gehechte proces-verbaal van de BTW ook verwijst naar het toenmalige artikel 34, § 5 W.BTW (tweede blad) en hoewel het de berekening van het gevorderde BTW-supplement doet vertrekken van wat met zoveel woorden wordt opgegeven als de 'waarde' van de auto bij het binnenbrengen (derde blad), blijkt uit de opgave van het bedrag van … DM (te zelfder plaatse) dat niet de douanewaarde als maatstaf van heffing in aanmerking werd genomen maar wel de door de belastingdiensten bevonden koopprijs.
De rechtbank dient te beoordelen of dit de werkelijke koopprijs was, nu eiser vooropstelt dat de koopprijs slechts … toenmalige DM was conform koopovereenkomst van 27 mei 1987 (zijn stuk 2), terwijl hij het qua opstelling - buiten dan de factuurprijs van … toenmalige DM - volkomen gelijke document van dezelfde datum bestempelt als 'niet bindend voorstel' van diezelfde datum 27 mei 1987 (zijn stuk 1).
Het document dat door eiser wordt omschreven als een 'niet bindend voorstel' (zijn stuk 1) werd blijkbaar noch ondertekend door eiser aan koperszijde, maar door zijn vader, noch door de eigenaar H. N. aan verkoperszijde, maar door ene heer M., door eiser omschreven als hoofd van de plaatselijke dienst van de firma Mercedes te Düsseldorf en bemiddelaar bij autoverkopen door eigen werknemers van Mercedes.
De ondertekening door deze heer M. aan de verkoperszijde wordt voorafgegaan door de letters "i a", wat slechts kan worden gelezen als "im Auftrag" (Nederlands : in opdracht), nu bovenaan het document de heer H. N. als verkoper wordt vermeld.
Het document dat eiser dan weer bestempelt als de koopovereenkomst waardoor hij eigenaar werd (zijn stuk 2) en dat door hem is aangewend bij de invoeraangifte, blijkt alleen te zijn ondertekend door verkoper en toenmalig eigenaar H. N. maar niet door huidig eiser.
Bij de ondervraging door de belastingdienst Douane & Accijnzen heeft eiser verklaard dat de Mercedes zijn eigendom was (stuk7 van verweerder in beide zaken, blz. 2 onderaan), zulks door aankoop uit handen van N., waarvan niet wordt betwist dat die eigenaar was op de verkoopdatum 27 mei 1987.
Het document dat eiser bestempelt als een 'niet bindend voorstel' (zijn stuk 1) kan slechts worden gelezen als het instrumentum van een overeenkomst van koop-verkoop, nu het de titel "Kaufvertrag" (Nederlands : koopovereenkomst) draagt, terwijl er gelet op de ondertekening door de twee partijen geen tegenindicatie voorligt dat het slechts zou gaan om louter een voorstel, zodat de voorwaarden voor totstandkoming van een koop-verkoop waren voldaan, overigens ook naar Duits recht, en het is gebleken dat de wagen op dezelfde datum 27 mei 1987 is geleverd en in ontvangst genomen, zodat de eigendom van de wagen op die datum is overgegaan.
De vader van huidige eiser die deze koop ondertekende, wordt door laatstgenoemde in conclusie geduid als voor hem optredende onderhandelaar.
Uit de totstandkoming van een geldige koop-verkoop, zoals die blijkt uit het door zowel vader K. als dhr. M. ondertekende en als koop-verkoop betitelde document, samen met de verklaring van eiser aan de belastingdienst Douane & Accijnzen dat hij op 27 mei 1987 door aankoop uit handen van dhr. N. eigenaar is geworden van het voertuig, besluit de rechtbank als feitenrechter dat vader K. die koopovereenkomst heeft ondertekend in hoedanigheid van mandataris van huidig eiser, zulks tegen de prijs van … toenmalige DM, met aan de andere kant de hogerop vernoemde heer M. als mandataris van N..
Bij dit alles kan het enkel door dhr. N. ondertekende andere, door eiser bij de invoer aangeboden document niet dienstig zijn als instrumentum van het gesloten zijn van een koop-verkoop.
Uit een en ander blijkt dat de werkelijk voor het voertuig door eiser betaalde prijs van … toenmalige DM terecht als maatstaf van heffing in aanmerking is genomen en dat de vordering van eiser in betwisting van de gevorderde BTW-rechten ongegrond is.
Nu uit de feiten blijkt dat eiser gepoogd heeft om met kunstgrepen een deel van de werkelijk door hem betaalde aankoopprijs te verdoezelen met het oog op verschuldigdheid van minder BTW dan bepaald door de wet, is hem terecht de hoogst mogelijk BTW-boete aangerekend.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
OM DEZE REDENEN :
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak :
Voegt de zaken onder A.R. 02.2011.A en A.R. 02.2012.A samen.
Verklaart beide vorderingen toelaatbaar maar ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de kosten, deze aan elke zijde in de respectieve conclusies begroot en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op € … bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 30 APRIL 2003 alwaar aanwezig waren :
De Heer L. B., rechter, waarnemend voorzitter;
Mevrouw M. C. en Mevrouw C. V., rechters;
De Heer R. J., adjunct-griffier.
R. J. C. V. M. C. L. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.