Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 19.04.2004
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op negentien april tweeduizend en vier in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
L. B., enig rechter,
N. D., adjunct-griffier.
In zake : AR nr. 02/369/A
S. D., wonende te …, …, in baar hoedanigheid van vereffenaar van de BVBA met BTW-nummer …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, hiertoe aangesteld bij buitengewone algemene vergadering van 28 maart 2002.
eisende partij,
verschijnende bij meester P. B. loco meester G. V. D., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de inkomens- en ondernemingsfiscaliteit, in de persoon van de Minister van Financiën, van wie de burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor 3 te Antwerpen met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4.
verwerende partij,
verschijnende bij meester R. V. loco meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder E. L. in vervanging van gerechtsdeurwaarder H. L. te … op 16 januari 2002,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 750, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 17 september 2003,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 22 maart 2004.
Eiseres (toen nog niet in vereffening) heeft verweerder met exploot van 16 januari 2002 laten dagvaarden in betwisting van een op 18 december 2001 uitgevaardigd en op diezelfde dag uitvoerbaar verklaard dwangbevel, waaraan een door een bevoegd BTW-ambtenaar opgesteld proces-verbaal van 11 december 2001 is gehecht.
Het proces-verbaal vermeldt een ten name van eiseres gebeurde BTW-controle over periode 1 januari 1997 tot 31 december 2001, maakt melding van één enkel eerder proces-verbaal van 1 september 2001 van een collega ambtenaar en stelt (stuk 1, verweerder, 2de blad) :
'Uit het vermelde proces-verbaal van vaststelling, waarvan een kopie als bijlage bij dit proces-verbaal wordt gehecht om er een geheel mee uit te maken, blijkt dat er voor de periode 1997-1998 en nagenoeg op hetzelfde tijdstip aankopen werden gedaan bij NV M., ... , met volgende klantenkaarten :
- Mevrouw V., particulier, heeft klantnummer … bij NV Makro
- BVBA … heeft klantnummer … bij NV M..
Meermaals werden verscheidene aankopen op hetzelfde tijdstip gedaan en via dezelfde kassa afgerekend.
…
Op grond van (...) artikelen 59, § 1 en 64, § 1 van het BTW-Wetboek heeft de administratie voor de hierna vermelde jaren, de met de BTW belastbare output (omzet) exclusief BTW, berekend op basis van de input, rekening houdend met de brutowinst en/of de rendementsnormen en/of de eigen productieve prestaties, exclusief BTW.
Hieronder volgen de desbetreffende berekeningen ...".
De rechtbank stelt vast dat er niet één maar twee processen-verbaal van 1 september 2001 voorliggen (een over 1997, stuk 2 verweerder, en een over 1998, stuk 3 verweerder), gegeven waarover eiseres geen opmerkingen heeft geformuleerd, en ook dat eiseres niet heeft gesteld het woord input niet te begrijpen.
De rechtbank stelt ook vast dat in het proces-verbaal van 11 december 2001 slechts impliciet, maar niet met zoveel woorden wordt gesteld dat de aankopen op naam van mevrouw V. in werkelijkheid zouden zijn gedaan door huidig eiseres.
Dito is het geval met de processen-verbaal van 1 september 2001.
Desondanks blijkt eiseres de strekking van de processen-verbaal als dusdanig te hebben begrepen, naar blijkt uit haar exploot van dagvaarding in betwisting van het dwangbevel.
Eiseres verwijt de processen-verbaal dat ze ongefundeerde afleidingen hebben gedaan uit het uitgaand factuurboek van NV M. als derde, en dat de belastingdienst van de BTW hieruit niet objectief kon afleiden dat de aankopen van mevrouw V. zouden zijn bestemd voor en/of zouden zijn aangewend door eiseres, en bovendien dat uit de vermelde processen-verbaal niet kan worden afgeleid op welke producten de aankopen van dame V. betrekking hebben, terwijl er geen enkele band bestaat 'tussen de organen van verzoekster' en vermelde dame.
Eiseres vordert (in conclusie) nietigverklaring, 'minstens onrechtmatig' -verklaring, van het bestreden dwangbevel, en onverschuldigd-verklaring van de erin gevorderde sommen, met veroordeling van verweerder tot de kosten in een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis.
Waar eiseres in de overwegingen van haar (synthese)conclusie in ondergeschikte orde ook aanstuurt op herleiding van de boete van 200 % naar 20 %, komt zulks niet meer voor in het beschikkend gedeelte van deze conclusie.
De drie processen-verbaal van 1 september 2001 (twee) en van 11 december 2001 stellen vast dat eiseres als dame V. in hetzelfde dorp wonen, en dat zowel eiseres (handelaarster met als activiteit restaurant, traiteur en feestzaal) als dame V. (geen BTW-plichtige) over de periodes 1997 en 1998 bij NV M. aankopen deden van goederen van de afdeling 'Food', waarmede klaarblijkelijk wordt gedoeld op voedingswaren.
De processen-verbaal van 1 september 2001 stellen in het bijzonder wel vast dat de BVBA en de dame in de loop van 1997 driemaal op hetzelfde ogenblik aankopen deden, en dat zulks in de loop van 1998 zesmaal het geval was.
Dezelfde processen-verbaal van 1 september 2001 stellen op hun eerste bladen ook dat 'de hierna vermelde klanten (van NV M.) hetzelfde adres hebben', waarna ze op dezelfde bladen desondanks verschillende adressen van eiseres en van dame V. vermelden.
Dezelfde processen-verbaal van 1 september 2001 stellen op hun eerste bladen ook dat 'één van de hierna vermelde kaarthouders (van NV M.) op beide klantenkaarten dezelfde is', en verduidelijkt op dezelfde bladen dat dame V. kaarthoudster 1 en kaarthoudster 2 is op haar klantnummer.
Deze processen-verbaal maken naast hun vaststellingen geen enkele expliciete afleiding, doen wel een numerieke optelling van de aankopen van eiseres en van dame V., en doen aldus een impliciete afleiding uit de vaststellingen.
Deze impliciete afleiding wordt - zoals hogerop uiteengezet - evenmin expliciet hernomen in proces-verbaal van 11 december 2001, en het geheel is aan het bestreden dwangbevel gehecht.
Geen van vermelde processen-verbaal geniet aldus de bewijskracht van artikel 59, § 1, tweede lid van het BTW-Wetboek op het punt waar er wordt overgegaan tot afleidingen, maar enkel op de punten waar er wordt overgegaan tot mededeling van feitelijke vaststellingen.
Verweerder is zich daarvan blijkbaar meer dan bewust, nu hij in zijn syntheseconclusie (blad 5) de klemtoon legt op het bewijs door feitelijke vermoedens conform artikelen 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek, dat is toegelaten door artikel 59, § 1, eerste lid BTW-Wetboek.
Voor deze bewijsvoering rust de bewijslast bij de BTW-belastingdienst, en de rechtbank dient dan te beoordelen of het dwangbevel van 18 december 2001, waarvan aan eiseres kennis is gegeven met aangetekende brief van 19 december 2001 (stuk 5 verweerder), voldoende wordt gedragen door een op dat ogenblik ten genoegen van recht geleverd bewijs.
Het valt op dat verweerder in (synthese)conclusie veel explicieter met bewijselementen naar voren treedt dan er elementen opvallen bij een eenvoudige lezing van de processenverbaal.
Zo weet verweerder in (synthese)conclusie te vertellen dat beide betrokkenen (op een enkele uitzondering na) telkens contant hebben betaald met veelvouden van (toenmalige) 1.000 BEF, dat er buiten korte periodes 'afwisselend gebruik wordt gemaakt' van de aankoopkaarten, dat voor een groot deel de afrekeningen aan de kassa plaats hadden 'tussen 10 en 12 uur', en dat in de meeste gevallen waarin betrokkenen op hetzelfde ogenblik aankopen deden, de (kassa-) verrichtingen aan een zelfde kassa elkaar opvolgden.
Zo ook voegt verweerder pas in het geding, en aldus pas nadat zijn dwangbevel in betwisting werd gesteld, extra stukken (nrs. 16 en 17) aan het dossier om het bewijs van verschuldigdheid van BTW te onderbouwen, waar dat bewijs nochtans reeds moet vastliggen op het ogenblik waarop hij door dadelijke uitwinning, middels een dwangbevel, zijn fiscale vordering doet gelden en uitoefent.
De rechtbank moet nagaan of de processen-verbaal - in hun combinatie van bewijskrachtige vaststellingen en gedane expliciete of impliciete afleidingen - een geheel vormden waarmee op het ogenblik van uitvaardiging en aanzegging van het dwangbevel een naar vereiste van artikelen 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek voldoende vermoeden van belastbare grondslag (belastbare maatstaf van heffing) vaststond in hoofde van eiseres.
Met dit uitgangspunt staat naar oordeel van de rechtbank een vermoeden in de zin van artikel 1353 Burgerlijk Wetboek vast uit de frequentie van aankopen met de aankoopkaart van dame V. (als particulier) in de betrokken jaren 1997 en 1998, die een normale mate van aankopen voor zichzelf en familie + eventueel vrienden en kennissen ten zeerste overtreffen, wat blijkt uit de beide processen-verbaal van 1 september 2001, met ten overvloede daarbij extra in het oog springende gevallen waarin eiseres en de dame zich tegelijkertijd ter kassa aanboden.
Op de aldus vastgestelde aankopen kon het wettelijk vermoeden van artikel 64, § 1 Wetboek BTW, van omzet onder belastbare omstandigheden, worden geknoopt aan de totaliteit der aankopen, waarbij eiseres het onderscheid tussen alsnog toch aankopen voor de particuliere behoeften van dame V. + dier familie + eventueel ook dier vrienden en kennissen, quasi onmogelijk heeft gemaakt door het bewerkstelligen van het aankoopsysteem.
Wat betreft de gevorderde boete, is deze van rechtswege verschuldigd ter grootte van 200 %, en blijkt uit de gegevens van de zaak dat eiseres welbewust een systeem heeft opgezet met ontduikingsinzicht ter zake de BTW, zodat er geen reden voorligt om de toegepaste boete te moduleren naar een andere norm, welke laatste overigens niet door eiseres wordt aangereikt, zij het een modulatie via een uitvoeringsKB inzake BTW, zij het mogelijk een andere norm, zodat het loutere verzoek van eiseres tot herleiding van 200 % naar 20 % enige tastbare norm ontbeert, naast enige grond daartoe.
Buiten dit alles staat de toelaatbaarheid van de vordering niet in betwisting, ook niet zo nodig ambtshalve op te werpen, maar de vordering blijkt om de hogerop uiteengezette redenen niet gegrond.
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering toelaatbaar maar ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten, deze aan elke zijde begroot, en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op 171,05 EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.
N. D. L. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.