Bewijs, controlemaatregel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 25 februari 2002

Zoeken

Bewijs, controlemaatregelBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-rechtbank-antwerpen-2002-02-25-efe4

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
25 februari 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

63 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 25.02.2002

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op vijfentwintig februari tweeduizend en twee in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : A.R. Nr. 97/7470/A

BVBA J. N., ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester E. G., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen. in de persoon van de heer Ontvanger van het 1ste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- de inleidende dagvaarding, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder R. D. C. in vervanging van gerechtsdeurwaarder M.-R. P. te … op 15 december 1997,

- de beschikking overeenkomstig artikel 750, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek verleend op 30 november 2001,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 28 januari 2002.


Gegevens en voorgaande

Partijen zijn het eens over volgende feitelijkheden.

Op 4 december 1997 laatavond werden de zaakvoerder van eisende partij en diens echtgenote door leden van de Administratie van Douane en Accijnzen staande gehouden op niveau Aankomst van de luchthaven te Zaventem.

Kort tevoren dezelfde avond hadden de vernoemde echtelieden zich, na hun aankomst uit Milaan, op niveau Vertrek bij de Douane aangeboden met aankoopfacturen van in Milaan aangekochte juwelen ter waarde van naar eigen zeggen ongeveer (in toenmalige munt) … BEF (… EUR), zulks tezamen met die goederen en ook met een document EX 1 voor uitvoer naar Zwitserland.

Nadat de documenten van de benodigde stempels ten uitvoer waren voorzien door de bij het plaatselijk kantoor dienstdoende douaneambtenaar, hebben de eerder vernoemde echtelieden de transitzone verlaten naar het niveau Aankomst, alwaar zij in het bezit werden aangetroffen van de nochtans even tevoren door hen ten name van huidig eisende partij voor uitvoer aangegeven en vertoonde verpakte goederen.

Van de verklaring van hogerop vernoemde zaakvoerder werd - nadat zijn echtgenote zich naar huis te … had mogen begeven om reden van opgegeven dringende familiale omstandigheden - een Relaas van Verklaringen 424 opgemaakt, welk laatste gehecht werd aan een proces-verbaal dat zelf dan op 9 december 1997 werd opgemaakt door een BTW-taxatieambtenaar verbonden aan de BBI te Antwerpen.

Het geheel van beide vermelde stukken werd op zijn beurt gehecht aan een dwangbevel van de Ontvanger van het Eerste BTW-Ontvangkantoor Antwerpen (huidig verwerende partij) van 11 december 1997 (ref. Reg. 127/57/97), dezelfde dag geviseerd en uitvoerbar verklaard door de gewestelijk directeur van de BTW (stuk 1 verwerende partij), en ook nog dezelfde dag betekend aan huidig eisende partij met gerechtsdeurwaardersexploot (stuk 2 verwerende partij).

Van eisende partij (BTW-nummer …) werd op die wijze (in toenmalige munt) een hoofdsom van … BEF (… EUR) gevorderd, naast een administratieve boete gelijk aan tweemaal het vermelde bedrag, voorts intrest op de rechten en intrest op de boete, en tenslotte de kosten.

Eisende partij ging bij deze rechtbank in verzet tegen het hogerop vermelde dwangbevel, zulks met exploot van dagvaarding van 15 december 1997, en vordert dat het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde zou worden verklaard, en verder dat eisende partij zou worden ontslagen van de in het dwangbevel te hare laste gevorderde sommen, met terugbetalingsplicht van wat zal worden bevonden als betaald op het meervermelde dwangbevel.

Verwerende partij streeft na dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat het vermelde dwangbevel rechtmatig is geschied, en beoogt aldus de ongegrondverklaring van de tegen dat dwangbevel geschiede vordering in verzet.

Onderzoek en beoordeling

Er wordt door partijen geen exceptie van onontvankelijkheid van de voor de rechtbank gestelde vordering opgeworpen, en de rechtbank ondertekend van haar kant geen ambtshalve aan te voeren oorzaak van ontoelaatbaarheid van deze vordering.

Ten aanzien van het proces-verbaal dat deel vormt van de aan eisende partij betekende documenten ter opvordering van de hogerop vermelde sommen, werpt eisende partij pas eerst in conclusie een exceptio obscuri libelli op.

In essentie wordt dit verweer door eisende partij toegelicht door te stellen dat de BTW-ambtenaar die te Antwerpen het proces-verbaal opstelde, zulks slechts heeft gedaan op basis van het niet door hemzelf maar door een douanebeambte te Zaventem opgestelde document “relaas van verklaringen 424”, zodat het proces-verbaal niet voortgaat op eigen vaststellingen.

Eisende partij voegt daaraan toe dat de verbalisant bovendien alle overige, door haar beweerdelijk bestaande en te Zaventem berustende gegevens van het dossier van de douanedienst buiten beschouwing heeft gelaten, dossier waarvan hij aanvoert dat het niet eens wordt bijgebracht.

De rechtbank stelt vast dat de hogerop door eisende partij opgeworpen exceptie in realiteit neerkomt op een exceptie van schending van de rechten van verdediging op een fiscale vordering.

Tegelijk betwist eisende partij daarmede ook de bewijswaarde van het meer vermelde proces-verbaal dat door verwerende partij als vorderingsbasis wordt aangewend voor wat erin als BTW-vordering is weergegeven.

Het voorgelegde proces-verbaal inzake BTW heeft voor de betrokken belastingdienst tot functie weer te geven op grond van welke gegevens en elementen er ten aanzien van eisende partij concrete aanspraken inzake verschuldigdheid van BTW en toebehoren worden geformuleerd.

In de mate dat het proces-verbaal weergave doet van materiële vaststellingen, verbindt artikel 59, § 1, tweede lid Wetboek BTW er de bewijswaarde van een wettelijk vermoeden aan, zulks tot het tegenbewijs is geleverd.

Wettelijk hadden de douaneambtenaren die te Zaventem optraden van hun kant dezelfde BTW-vaststellingsbevoegdheid als hun BTW-collega's (KB nr. 11 inzake BTW, artikel 1, dat zelf verwijst naar onder meer artikel 62 Wetboek BTW.

Het relaas 424, waarvan hogerop sprake, vormt een weergave van wat de ambtenaren te Zaventem als verklaringen te horen kregen van de zaakvoerder van eisende partij, en dat relaas wordt en werd niet beticht middels een strafklacht tot valsheid.

De stelling van eisende partij dat het door verwerende partij aangewende proces-verbaal bewijskracht zou missen omdat de verbalisant niet persoonlijk de in het relaas 424 weergegeven vaststellingen deed, maar dat hij ter opstelling van zijn proces-verbaal slechts de weergave aanwendde van wat andere - zoals door de rechtbank vastgesteld wettelijk bevoegde - ambtenaren hebben neergeschreven, snijdt daarom geen hout, nu eisende partij daarmee aan de wet een vereiste toevoegt die de wet niet stelt.

Eisende partij ontkracht de waarde van het door de verbalisant aangewende relaas 424 niet door haar loutere beweringen dat er buiten dat relaas nog een verder dossier bestaat, zulks ter Opsporingssectie van de Douane en Accijnzen te Zaventem, zijnde de belastingdienst die het relaas 424 neerschreef.

Zij levert, daarbuiten, door middel van de aangetekende brief van haar zaakvoerder van 23 december 1997 (haar stuk 2) aan de Douane te Zaventem, waarin deze zaakvoerder slechts beweert dat de geacteerde vaststellingen niet correct zouden zijn of niet correct zouden zijn opgetekend, geen tegenbewijs tegen de in het meer vermelde relaas 424 weergegeven eigen en door hen getekende verklaringen van genoemde zaakvoerder.

Eisende partij stelt verder ten onrechte dat de vaststellingen te Zaventem zouden kaderen of zouden hebben gekaderd in een onderzoek waarop de bepalingen van artikel 210, § 1. Algemene Wet op de Douane en Accijnzen (AWDA) van toepassing zouden zijn, nu blijkt dat de relaterende ambtenaren zelf rechtstreekse vaststellingsbevoegdheid hadden onder artikel 1 van KB nr. 11 inzake BTW – zoals reeds hogerop door de rechtbank werd vastgesteld – zodat enig verder onderzoek naar de toepassing van artikel 210, § 1, AWDA en naar de daaromtrent verder door eisende partij ontwikkelde argumentatie zonder voorwerp wordt.

Het is met name niet omdat de verslaggevers van het relaas 424 tegelijk beschikken over zowel vaststellingsbevoegdheid inzake BTW als kunnen overgaan tot een opsporingsonderzoek inzake douane, dat zij daardoor geen gebruik meer zouden hebben kunnen maken van hun bevoegdheid onder het hogerop vermelde artikel 1 van KB nr. 11 inzake BTW.

Waar eisende partij aldus ten onrechte refereert naar artikel 210, § 1 AWDA, is er te dezen integendeel aldus een correcte toepassing gemaakt van artikel 210, §§ 2 en 3 AWDA.

Wat betreft de door verwerende partij in het dwangbevel gestelde maatstaf van heffing, blijkt deze maatstaf uit de eigen verklaringen van de zaakvoerder van eisende partij ten name van eisende partij, zoals die verklaringen zijn weergegeven in het meer vermelde relaas 424.

Daarin staat met name als verklaring van vernoemde zaakvoerder (voorlaatste blad van stuk l van verwerende partij) te lezen : “... Het is sedert begin dit jaar dat ik een eerste keer een fictieve uitvoer realiseerde. Telkens ik extra geld nodig had dit jaar realiseerde ik een fictieve uitvoer. Ik vermoed een zestal in totaal. Ik beloof U alle medewerking teneinde het juiste aantal correct te bepalen. Ik bevestig U dat het telkens ging over een bedrag van ongeveer … miljoen Belgische frank factuurprijs. Dus in totaal liet ik voor ongeveer … miljoen Belgische frank aan juwelen fictief uitvoeren …”.

Het gegeven dat de verbalisant in zijn proces-verbaal omtrent het bedrag vermeldde : “onder voorbehoud van latere preciseringen”, wijzigt om de uiteengezette redenen niets aan de juistheid van het in aanmerking genomen bedrag van maatstaf van heffing.

Latere beweringen door de zaakvoerder van eisende partij - zoals geschied in zijn hogerop reeds vermelde brief van 23 december 1997 (zijn stuk 2) - omtrent door hem ingeschakelde de koeriers, en omtrent geannuleerde vluchten die hem zouden hebben belet om de voorgenomen uitvoerverrichtingen te volvoeren, vormen niet het tegenbewijs tegen zijn ter plaatse te Zaventem in het relaas 424 geacteerde verklaringen.

De fiscale vordering die verwerende partij in zijn dwangbevel stelt is bijgevolg volkomen terecht, zulks zowel wat het beginsel als het bedrag betreft.

Wat betreft de gevorderde administratieve BTW-boete, heeft de rechtbank volle rechtsmacht om ze te toetsen aan de voorgelegde feiten, nu de wettelijk oplegbare boete van 200 % onder meer de aard van een straf heeft in de zin van het EVRM.

De vastgestelde feiten geven een uitgesproken ontduikingsbedoeling weer in hoofde van de ten name van eisende partij toen handelende zaakvoerder.

Nu de boete naast een strafkarakter ook een afschrikkend en een vergoedend karakter heeft, beoordeelt de rechtbank de werkelijk toegepaste boete als volkomen aangepast aan de feiten, en in het bijzonder aan de uit de feiten blijkende frauduleuze ingesteldheid van eisende partij, zodat er geen reden of aanleiding voorligt tot herleiding.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige middelen verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar maar ongegrond.

Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding, deze aan de zijde van beide partijen in conclusie begroot, en door de rechtbank in hoofde van verwerende partij ambtshalve vereffend op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

N. D. L. B.

Aangehaalde teksten

3
KB nr. 11 art. 12 voorkomens
WBTW art. 591 voorkomen
WBTW art. 621 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8