Bewijs, controlemaatregel, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 7 december 2000

Zoeken

Bewijs, controlemaatregel, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-geding-rechten-voorrechten-rechtbank-gent-2000-12-07-cdbf

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
7 december 2000

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

65 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 07.12.2000

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

DERDE KAMER – OPENBARE TERECHTZETTING VAN 7 DECEMBER 2000

97/1209/A - In de zaak :

…, handelaarster, wonende te …, …, ingeschreven in het H.R. te …, onder nr. …,

opposante, voor wie optreeedt mr. F. D., advocaat te …, …

TEGEN :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Gent waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9000 Gent, Martelaarslaan 17,

geopposeerde, voor wie optreedt mr. W. D. V., advokaat te …, …,

werden de partijen gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 12 oktober 2000, waarna de debatten werden gesloten en e zaak in beraad werd genomen.

De stukken werden ingezien, inzonderheid de verzetsakte van 9 april 1997 en het tussenvonnis van 24 februari 2000.

1. De vordering.

De vordering strekt ertoe het verzet tegen het dwangbevel van 7 maart 1997, aan de opposante betekend op 24 maart 1997, gegrond te horen verklaren en dit dwangbevel teniet te doen en de vordering van de geopposeerde ongegrond te verklaren;

Ondergeschikt :

te horen zeggen voor recht dat de verschuldigde BTW dient te worden verminderd met de op de fictieve facturen betaalde BTW en dat de administratieve boete slechts op de overeenkomstig berekende grondslag kan worden berekend;

verweerster te veroordelen tot de kosten.

2. Feiten en retro-akten.

Bondigheidshalve verwijst de rechtbank naar het feitenrelaas, uiteengezet in haar tussenvonnis van 24 februari 2000.

3. Middelen van de partijen.

Geopposeerde heeft overeenkomstig het verzoek van de rechtbank bijkomende stukken neergelegd.

Opposante herneemt haar vroeger ingenomen standpunt.

4. Bespreking.

Het door eiseres beweerde ontbreken van afdoende bewijs.

1. Art. 59, § 1, 1e lid, BTW-Wetboek stelt dat de feiten, die verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie kunnen bewezen worden volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed en daarenboven door de processen­verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën.

2. Inzake BTW gelden de materiële vaststellingen, in een proces-verbaal, tot bewijs van het opgenomen tegendeel (art.59 §1, 2e lid, BTW-Wetboek).

De bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de verklaringen en getuigenissen die in een proces-verbaal opgenomen zijn evenmin tot de gevolgrekkingen en de vermoedens die de verbalisanten uit hun vaststellingen afleiden.

3. De Rechtbank is van oordeel dat geopposeerde niet alleen uit verklaringen verzameld in het kader van het strafdossier maar tevens uit vaststellingen en verklaringen vastgelegd in P.V.'s van daartoe bevoegde ambtenaren van de BTW en uit stavende bewijzen op afdoende wijze het bewijs levert van zwarte leveringen aan opposante.

Opposante weerlegt dit niet op concrete wijze.

O.m. zijn er de overeenstemmende verklaringen van de afgevaardigde-bestuurder van de BVBA A.-V. (thans N.V.) en de bedienden van de BVBA (…) . Deze zijn geloofwaardig temeer nu zij beiden het bestaan van een fraudesysteem uitleggen en de relatie tussen de fictieve en de officiële benaming van de facturen.

Door de bediende, binnen het bedrijf belast met het ingeven van bestellingen via computer en die door de aard van haar werk zeer goed wist welke fictieve klant aan welke werkelijke klant verbonden was, werd de "link-lijst'' opgemaakt nl. naast de naam van de valse of fictieve klant werd de naam van de werkelijke afnemer van de goederen vermeld. Zij koppelde … (fictief persoon) aan opposante.

Het nazicht via de diensten van het Rijksregister uitgewezen dat de genaamde … fictief is.

Er zijn de bekentenissen van de leverancier A. die er alle belang bij had dat het bestaan van dit zwarte circuit om evidente reden niet werd ontdekt.

De feitelijke vaststellingen van de fiscus brachten aan het licht dat de datum van de factuur opgesteld op naam van de fictieve persoon dezelfde is als deze vermeld op naam van opposante. In casu gaat het om een zo root aantal handelsverrichtingen dat de ernst en de waarachtigheid ervan niet te betwijfelen valt. Weliswaar worden door de administratie geen bewijzen van betaling van deze zwarte leveringen door opposante naar voor gebracht nu er voor de leverancier geen enkele reden was om deze documenten die het frauduleus systeem aan het licht konden brengen te bewaren.

4. De rechtbank is van oordeel dat al deze feitelijke gegevens de gegevens de gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens vormen die het bewijs leveren van het feit van de zwarte leveringen aan opposante.

5. In functie van de door opposante toegepaste winstmarges wordt door de geopposeerde bij toepassing van het wettelijk vermoeden van art. 64, § 1 BTW-wetboek de ontdoken BTW berekend.

De thans door eiseres gevorderde aftrek van BTW.

Overeenkomstig het samenlezen van art. 3 van het K.B. nr. 3 (van 10 december 1969) m.b.t. de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde en het art. 5 § 1, 2° en 6°, van het K.B. nr. 1 (van 23 juli 1969) beschikt opposante niet over valabele facturen teneinde een recht tot aftrek uit te oefenen.

De opgelegde boete.

Zeker sedert de invoering van de nieuwe fiscale procedure bij de wetten van 15 en 23 maart 1999, waarbij o.m. tevens art. 84. tweede lid. BTW-Wetboek werd gewijzigd, staat het vast dat de Hoven en Rechtbanken van de rechterlijke macht volle rechtsmacht hebben teneinde uitspraak te doen over fiscale boeten, zowel wat betreft de wettigheid, de opportuniteit als de hoogte ervan (Parl. Doc., Senaat, zitting 1998-99, nr. 966/11, pp. 146 en 213).

Enerzijds stelt de rechtbank vast dat er een opgezette constructie bestond en dat opposante gedurende meerdere jaren grote hoeveelheden goederen in het zwart aankocht waardoor zij een belangrijke niet aangegeven omzet realiseerde en waarop zij evenmin BTW betaalde.

Anderzijds moet deze boete in redelijkheid begroot worden, in acht genomen het feit dat de aftrek van BTW niet wordt toegestaan en de verschuldigde BTW niet wordt berekend op de door de overtreder behaalde winst, maar op de aan de BTW onderworpen prijzen (de door opposante gerealiseerde omzet).

De boete wordt dan ook herleid tot 50 % van de verschuldigde belasting.

De gerechtskosten.

De Rechtbank is van oordeel dat opposante dient veroordeeld te worden tot de kosten van het geding, nu zij in eerste instantie zelf de aanleiding is geweest van de taxatie die in haren hoofde werd gevestigd en zij de vermindering van de boete bekomt omwille van concrete omstandigheden van de zaak.

Beschikkend gedeelte

Op die gronden,

De rechtbank,

rechtdoende op tegenspraak,

Met inachtneming van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en van het voormeld schriftelijk advies van het openbaar ministerie;

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet ter zake dienend.

Verklaart de vordering van opposante ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Vernietigt het dwangbevel in de mate dat het een boete aanrekend van 200 %.

Herleidt de boete tot 50 %.

Veroordeelt de geopposeerde tot terugbetaling van de bedragen die desgevallend inmiddels teveel werden geïnd.

Veroordeelt oppooante tot de gedingskosten.

Begroot deze kosten op heden als volgt :

- aan de zijde van opposante :

Dagvaardingskosten : … frank;

Rechtsplegingsvergoeding : … frank;

Aanvullende rechtsplegingsvergoeding : … frank;

- aan de zijde van geopposserde :

rechtsplegingsvergoeding : … frank;

aanvullende rechtsplegingsvergoeding : … frank.

Aldus, in tegenwoordigheid van N. V. A., eerste substituut-procureur des Konings, behandeld en uitgesproken in openbare terechtzitting door de derde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op zeven december tweeduizend, waar aanwezig waren : R. T., ondervoorzitter, alleensprekend rechter, bijgestaan door R. D., griffier.

R. D. R. T.

Aangehaalde teksten

3
KB nr. 1 art. 51 voorkomen
KB nr. 3 art. 31 voorkomen
WBTW art. 641 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8