Bewijs, controlemaatregel, bijzondere regeling, kleine onderneming · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 8 november 2001

Zoeken

Bewijs, controlemaatregel, bijzondere regeling, kleine ondernemingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-bijzondere-regeling-kleine-rechtbank-dendermonde-2001-11-08-19b1

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
8 november 2001

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

58 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Dendermonde d.d. 08.11.2001

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

ZITTING VAN 8 NOVEMBER 2001, 9e Kamer-B.Z.

AR 91/60395/A

In de zaak van :

B. L., handelaarster, ingeschreven in het handelsregister te Dendermonde onder nummer …, wonende te …, …

eiseres,

verschijnende door Mr. H. V. D., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de waarnemende rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Aalst, wiens kantoor gevestigd is te Aalst, Geraardsbergsestraat 234, die ten einde dezer woonplaats heeft gekozen op het kantoor van gerechtsdeurwaarder J. V. D., te …, …;

verweerster,

verschijnende door Mr. A. L. loco Mr. J.-P. W., advocaat te …, …

werden op de openbare terechtzitting van 21 december 2000 partijen gehoord in hun middelen en conclusies, de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen.

De overgelegde stavingsstukken en het gerechtsdossier werden ingezien, inzonderheid de inleidende dagvaarding betekend door het ambt van J. V. D., gerechtsdeurwaarder met standplaats te … op 24 mei 1991.

De rechtbank verleent volgend vonnis :

1. Wat betreft de vordering

De vordering van eiseres strekt er toe, bij een bij voorraad uitvoerbaar vonnis, niettegenstaande alle verhaal en zonder mogelijkheid tot borgstelling noch kantonnement huidig verzet ontvankelijk en volledig gegrond te horen verklaren en het proces-verbaal d.d. 23 november 1990 alsmede het dwangbevel d.d. 16 april 1991 nietig te horen verklaren, tevens verweerster te horen veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding zoals voorzien in art. 1022 Ger. W.

2. Wat betreft de feitelijke gegevens

Overwegende dat aanlegster uit hoofde van haar uitgeoefende beroepswerkzaamheid van bakker gedurende de jaren 1986 en 1987 de hoedanigheid van BTW­belastingplichtige had, was zij dan ook onderworpen aan de wetgeving inzake BTW en aan de ter uitvoering van die wetgeving genomen uitvoeringsbesluiten.

Overwegende dat door de administratie van de BTW, Registratie en domeinen een controletoezicht werd verricht nopens de juiste toepassing van de BTW-wetgeving en reglementering voor de jaren 1986 en 1987.

Dat alsdan aan aanlegster ter kennis werd gebracht dat er een gerechtelijk strafdossier bestond lastens de NV M. A., waarin door ambtenaren van de administratie van de BBI, ingevolge toelating tot inzage en afschrift van 3 maart 1989, verleend door de heer Procureur-generaal bij het Hof van beroep te Gent vaststellingen werden gedaan ten laste van aanlegster.

Overwegende dat deze vaststellingen werden opgenomen in een proces-verbaal van 23 november 1990, lastens aanlegster werd in toepassing van art. 59, § 1 en 64, § 1-2 van het BTW-wetboek, alsook bij toepassing van art. 56, § 1 BTW-wetboek en de bepalingen van KB nr. 2 van 7 november 1969, voor de jaren 1986 en 1987 respectievelijk een meeromzet vastgesteld van 1.229.237 fr. en 958.408 fr. waarop aanlegster als BTW verschuldigd was 131.258 fr., meer 262.516 fr. boete, meer de moratoire intresten.

Bij brief d.d. 29 oktober 1990 weigerde aanlegster een minnelijk akkoord en weigerde ook enig bedrag te betalen.

Overwegende dat alsdan de BTW-ontvanger van het kantoor te Aalst op 28 maart 1991 een dwangbevel uitvaardigde, dat vervolgens op 10 april 1991 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door de gewestelijke directeur van de BTW te Gent.

Dit dwangbevel werd aan aanlegster betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder J. V. D. op 16 april 1991, waartegen aanlegster huidige verzet procedure instelde.

Overwegende dat aanlegster van oordeel is dat de door de BTW-administratie geputte informatie uit het strafdossier lastens de NV M. A. onregelmatig werd verkregen, tevens is aanlegster van oordeel dat de BTW-administratie uit haar vaststellingen conclusies trekt welke hoegenaamd niet met de werkelijkheid overeenstemmen, dat de wet niet toelaat dat een vermoeden, zelfs zo dit wettelijk zou zijn vastgesteld, op zijn beurt als vertrekbasis zou dienen van een nieuw vermoeden, tevens is aanlegster van oordeel dat de opgelegde boete in strijd is met art. 6, 1° EVRM.

3. Beoordeling

3.1. Wat betreft de inzage van het strafdossier en het gebruik van de gegevens t.a.v. derden.

Overwegende dat de machtiging tot inzage van een strafdossier in het kader van een BTW-onderzoek haar oorsprong vindt in de bepalingen van art. 1, § 1 en 2 van de wet van 28 juli 1938, gewijzigd bij artikel 34 van de wet van 20 augustus 1947, die aan alle belastingen gemeen zijn en worden geregeld zowel door art. 235, § 1 WIB als gelijkluidend artikel 211 W.Z.G.T.

Dat elke ambtenaar van een belastingsbestuur van de staat, regelmatig belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van een bepaalde belasting bij een natuurlijke of rechtspersoon, van rechtswege gemachtigd is alle inlichtingen op te zoeken of in te zamelen die de juiste heffing van alle door deze persoon verschuldigde andere belastingen kunnen verzekeren (art. 34, § 3 wet van 20 augustus 1947). Dat uit de tekst van de toelatingen verleend door de Procureur-generaal niet blijkt dat deze machtiging enige beperkingen bevatten inzake inzage en het nemen van afschriften van het strafdossier met het oog op de zettingen en/of invorderingen van de indirecte belastingen. Dat gelet op de toelating van de Procureur-generaal die geen verwijzing inhoudt naar een specifieke tekst en rekening houdend met de algemene bevoegdheden van de administratie van de BBI, dient aangenomen dat de wet van 28 juli 1938, zoals gewijzigd door de wet van 20 augustus 1947 van toepassing is.

Dat verweerster over de nodige toelatingen beschikte en deze regelmatig heeft verkregen.

Dat de aldus bekomen inlichtingen dan ook door verweerster kunnen worden ingeroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingswetten verschuldigde som ten aanzien van om het even welke persoon op wie die inlichtingen betrekking hebben.

Overwegende dat er dan ook geen reden is om op deze gronden kwestieus proces­verbaal en dwangbevel nietig te verklaren.

3.2. Wat betreft de vermoedens en conclusies van verweerster op grond van hun vaststellingen

Overwegende dat de administratie is uitgegaan van een aantal gegevens welke lastens eiseres kunnen worden weerhouden :

- de levering van "zwarte bloem'' door NV M. A. blijkt uit een zwart kasboek waarvan door verweerster uittreksels worden voorgelegd,

- dat de aantekeningen uit dit kasboek onmiskenbaar duiden op fraude bij de leveringen van bloem, dat deze wijze van werken trouwens wordt bevestigd door de verantwoordelijke van de NV M. A.,

- dat de naam "E. V." waarbij mevrouw V., gedelegeerd bestuurster van de NV M. A., stelt dat deze goed gekend is als zijnde mevrouw B. L., echtgenote van E. V., in het zwart boek voorkomt, dat dit ontegensprekelijk betrekking heeft op eiseres die een regelmatige klant was bij deze firma.

Overwegende dat krachtens art. 59, § 1 van het BTW-wetboek de processen-verbaal van de ambtenaar van het Ministerie van Financiën niet alleen de feiten bewijzen die de verschuldigdheid van de BTW of een boete aantonen; dat zij in casu de grondslag vormen op dewelke de vermoedens rusten, van de overtredingen van eiseres van de bepalingen van het BTW-Wetboek.

Overwegende dat gelet op het voormelde er in casu een serie van feitelijke vermoedens voorhanden zijn die de zwarte leveringen van bloem aan eiseres staven.

Dat het kwestieus proces-verbaal en dwangbevel dan ook geldig werd opgesteld en aan eiseres betekend.

3.3. Wat betreft de opgelegde boete

Overwegende dat wanneer een overtreding van de BTW-wetgeving of reglementering wordt vastgesteld, is de administratieve geldboete van rechtswege verschuldigd, waarvan de hoegrootheid niet door een rechtsmacht kan verminderd of kwijtgescholden worden, enkel de Minister van Financiën is daartoe bevoegd.

Overwegende dat de administratieve boete geen strafsanctie is maar een verhoging van de belasting, zij strekken tot vrijwaring van de rechten van de schatkist. Daar het opleggen van administratieve boeten niet beantwoorden aan het concept "instellen van een strafvordering" is artikel 6 van E.V.R.M. niet van toepassing.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Uitspraak doende op tegenspraak in eerste aanleg.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Alle andersluidende en/of tegenstrijdige middelen en besluiten van de hand wijzend als niet ter zake en/of overbodig.

Wijst de vordering dan ook af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres in de kosten van het geding.

Begroot deze kosten aan de zijde van verweerster tot heden op de som van 16.263 frank, ongerekend de rechten van registratie op minuut, de kosten van uitgifte van onderhavig vonnis en van verdere uitvoering.

Aldus gewezen en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van ACHT NOVEMBER TWEEDUIZEND EN EEN, van de negende kamer zitting houdende in burgerlijke zaken, der rechtbank van eerste aanleg, zetelend te Dendermonde.

Aanwezig :

S. D., ondervoorzitter, voorzitter van de negende kamer;

K. W., e.a. adj.-griffier.

K. W. S. D.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 561 voorkomen
WBTW art. 591 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8