Berekening meeromzet, forfaitaire grondslag, feitelijk vermoeden, wettelijk vermoeden, omzetverhoging · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Brussel 2012/AR/562 5 oktober 2016

Zoeken

Berekening meeromzet, forfaitaire grondslag, feitelijk vermoeden, wettelijk vermoeden, omzetverhogingBelasting over de toegevoegde waarde – berekening meeromzet – forfaitaire grondslag – feitelijk vermoeden – wettelijk vermoeden

https://juriel.be/nl/rechtspraak/berekening-meeromzet-forfaitaire-grondslag-feitelijk-hof-van-beroep-brussel-2016-10-05-17d8

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Brussel
Rolnummer
2012/AR/562
Datum
5 oktober 2016

Procesverloop

2 stappen · 4 jaar 8 maanden
  1. Bestreden beslissingRechtbank van eerste aanleg te Leuven03.02.2012
  2. Weergegeven beslissingHof van beroep te Brussel05.10.2016

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

88 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel dd. 05.10.2016 (2012/AR/562)

WF 712-15-10/055429

[gunstig voor de administratie]

belasting over de toegevoegde waarde – berekening meeromzet – forfaitaire grondslag – feitelijk vermoeden – wettelijk vermoeden

Wettelijke bepalingen

Art. 56, § 1 WBTW; art. 59, § 1 WBTW; art. 64, § 1 WBTW

Koninklijk besluit nr. 2 van 7 november 1969 met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van de btw

Samenvatting

De belastingplichtige is detailhandelaar in dameskleding. Tijdens een gezamenlijk controle inzake btw en directe belastingen werd de boekhouding als niet bewijskrachtig bevonden.

Voor de berekening van de meer omzet werd voor doeleinden zowel van btw als van directe belastingen, toepassing gemaakt van het forfait voor kleinhandelaars in diverse textiel- en lederwaren.

Voor het hof van beroep vordert de belastingplichtige het dwangbevel te vernietigen en betwist dat de administratie, bij gebrek aan een bewijskrachtige boekhouding het forfait inzake btw als een bewijsmiddel kan aanwenden om de omzet vast te stellen.

Een wettelijk forfaitaire vaststelling van de grondslag van aanslag in een bepaalde sector is een feitelijk gegeven waarop de administratie, als er geen regelmatige boekhouding is, kan steunen en dat kan gelden als een vermoeden in de zin van art. 59, § 1 WBTW (vgl. Cass. 13 december 2007, Arr. Cass. 2007, 2445). Het proces-verbaal, de basis van het betwiste dwangbevel, vermelde echter niet dit feitelijk vermoeden, maar enkel het forfait inzake btw, voorzien in art. 56 § 1 WBTW en KB nr. 2,met betrekking tot de vaststelling van de forfaitaire grondslagen van de btw. Volgens belastingplichtige is het dwangbevel nietig omdat de juridische grond van het dwangbevel tijdens de gerechtelijke fase gewijzigd werd.

De rechter in beroep verklaart in zijn arrest echter dat in deze, enkel de elementen die betrekking hebben op de bewijsvoering door de administratie gewijzigd werden, doordat de meer omzet niet langer vastgesteld werd op basis van het forfait inzake btw op zich, dan wel aan de hand van een feitelijk vermoeden, gevormd door het forfait.

Elementen, die enkel betrekking hebben op de bewijsvoering maar niet behoren tot de grondslag van de navordering, vallen niet onder de verplichte motivering.

De juridische grondslag van het betwiste dwangbevel is eenvoudigweg dat belastingplichtige te weinig omzet aangaf. Bij de berekening van de meer omzet werd toepassing gemaakt van het wettelijk vermoeden, voorzien in art. 64, § 1 WBTW, waarbij hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, wordt geacht deze goederen te hebben geleverd onder de voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Een wettelijk forfaitaire vaststelling van de grondslag van aanslag in een bepaalde sector is een feitelijk gegeven waarop de administratie, als er geen regelmatige boekhouding is, kan steunen en dat kan gelden als een vermoeden in de zin van art. 59, § 1 WBTW (vgl. Cass. 13 december 2007, Arr. Cass. 2007, 2445). Het proces-verbaal, de basis van het betwiste dwangbevel, vermelde echter niet dit feitelijk vermoeden, maar enkel het forfait inzake btw, voorzien in art. 56 § 1 WBTW en KB nr. 2,met betrekking tot de vaststelling van de forfaitaire grondslagen van de btw. Volgens belastingplichtige is het dwangbevel nietig omdat de juridische grond van het dwangbevel tijdens de gerechtelijke fase gewijzigd werd.

De rechter in beroep verklaart in zijn arrest echter dat in deze, enkel de elementen die betrekking hebben op de bewijsvoering door de administratie gewijzigd werden, doordat de meer omzet niet langer vastgesteld werd op basis van het forfait inzake btw op zich, dan wel aan de hand van een feitelijk vermoeden, gevormd door het forfait.

Elementen, die enkel betrekking hebben op de bewijsvoering maar niet behoren tot de grondslag van de navordering, vallen niet onder de verplichte motivering.

De juridische grondslag van het betwiste dwangbevel is eenvoudigweg dat belastingplichtige te weinig omzet aangaf. Bij de berekening van de meer omzet werd toepassing gemaakt van het wettelijk vermoeden, voorzien in art. 64, § 1 WBTW, waarbij hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, wordt geacht deze goederen te hebben geleverd onder de voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Aan deze juridische grondslag werd in de gerechtelijke fase van het geschil niets gewijzigd.

Het hof merkt voor zoveel als nodig op dat het bewijs van de meeromzet op grond van feitelijke vermoedens niet verhindert dat de administratie vervolgens het wettelijke vermoeden van art. 64, § 1 WBTW toepast (vgl. Cass. 15 december 2011, T.F.R. 2013, afl. 437, 237)

De belastingplichtige stelde zich allerlei vragen bij de geldigheid van het forfait, zoals de vraag of met de mededeling door België aan het Raadgevend Comité van de tekst van art. 56, § 1 WBTW en het KB nr. 2, voldaan is aan de vereisten van de Zesde Richtlijn.

De verplichting tot raadpleging van het btw-comité veronderstelt dat de lidstaten dit comité in kennis stellen van het feit dat zij van plan zijn een afwijkende maatregel vast te stellen, en dit comité toereikende informatie verstrekken om het in staat te stellen deze maatregel met kennis van zaken te onderzoeken( Hvj. 14 september 2006, C-228/05, Stradasfalt Srl, r.o.39).

De mededeling aan het btw-comité van de tekst van art. 56, § 1 WBTW en het KB nr. 2 voldoet aan de voormelde vereisten.

Er hoeven geen bijkomende prejudiciële vragen te worden gesteld aan het Hof van Justitie.

Het hoger beroep is ongegrond.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van beroep te Brussel

dd. 05.10.2016

(2012/AR/562)

Mevrouw B. J.. wonende te …, …, appellante, ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mter H. V., advocaat, kantoorhoudend te …, ….

TEGEN

De BELGISCHE STAAT. Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de minister van Financiën, vertegenwoordigd door het hoofd van de BTW controledienst, met kantoor te 3300 Tienen, Goossensvest 3-11, alwaar woonst gekozen wordt, geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mter K. V. D. V., advocaat, kantoorhoudend te …, ….

In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit.

PROCEDURE

Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 3 februari 2012, waarvan geen betekeningsakte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 24 februari 2012.

Op de pleitzitting verklaarde geïntimeerde af te zien van haar vraag tot wering van de conclusies van appellante.

FEITEN EN BESTREDEN VONNIS

De eerste rechter werd door appellante geadieerd met een verzet tegen een dwangbevel, dat lastens haar werd uitgevaardigd op 11 juni 2009 en dat een BTW-bedrag in hoofdsom van … EUR en een proportionele geldboete van … EUR tot voorwerp heeft.

Het betwiste dwangbevel volgde op een controle betreffende de periode van 1 januari 2005 tot 31 december 2006, waarbij de boekhouding van appellante, die de activiteit van detailhandel in bovenkleding, ceremonie- en bruidskleding voor dames uitoefent, niet bewijskrachtig werd bevonden.

Het betreft een gezamenlijke controle Inzake BTW en directe belastingen.

Voor de berekening van de meer omzet, werd voor doeleinden zowel van BTW als van directe belastingen, toepassing gemaakt van het forfait voor de kleinhandelaars in diverse textiel- en lederwaren.

De goederen, waarin appellante handel drijft, nl. bovenkleding voor vrouwen, behoren tot de koopwarengroep 33, waarvoor volgens het forfait een coëfficiënt van 1,53 van toepassing is.

De controleambtenaar nam aan dat, bij ontstentenis van een bewijskrachtige inventaris, de bestaande voorraad op het einde van het kalenderjaar gelijk is aan de voorraad bij het begin van het kalenderjaar en dat bijgevolg de nog te factureren goederen in waarde worden geachte gelijk te zijn op het einde en bij het begin van het kalenderjaar.

De eerste rechter verklaarde het verzet ontvankelijk doch ongegrond, en veroordeelde appellante in de gedingkosten.

GRIEVEN

Appellante streeft de hervorming van het bestreden vonnis na.

Zij vordert het betwiste dwangbevel te vemietigen1 de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd, vermeerderd met de wettelijke interesten vanaf de betaling, en geïntimeerde te veroordelen in de kosten.

Zij vordert nog de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: "Schendt België artikel 24 Zesde Richtlijn inzake btw (artikel 261 RI. 2006/112) door:

a) forfait in te stellen zonder deze mee te delen aan het Raadgevend Comité;

b) dergelijk forfait op te dringen aan de belastingplichtige alhoewel dit forfait voor deze een keuzerecht is en als bewijsmiddel tegen hem te gebruiken?".

Geïntimeerde nodigt het hof uit het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, en appellante te veroordelen in de kosten.

BEOORDELING

1. Appellante roept de verjaring van drie jaar in, voorzien in artikel 81bis, § 1, eerste lid WBTW, nu haar boekhouder de afstand van verjaring op 8 december 2008 ondertekende, zonder daartoe gemachtigd te zijn.

Wegens de nietige afstand van verjaring, werd de verjaring volgens appellante dan ook niet geldig gestuit.

Het hof stelt met geïntimeerde vast dat de volmacht, naar luid waarvan de gevolmachtigde volmacht had "om in zijn naam en plaats bij het bestuur der belastingen inzage te nemen van zijn fiscaal en BTW-dossier, er alle gewenste inlichtingen te bekomen, al zijn fiscale stukken te ondertekenen en met het bestuur overeenkomsten af te sluiten welke hij nodig acht”, werd ondertekend op dezelfde dag als de ondertekening van de afstand van verjaring.

Dit samenvallen in de tijd laat toe redelijkerwijze aan te nemen dat de volmacht precies werd gegeven met het oog op de ondertekening van de afstand van verjaring, teneinde over een langere periode te beschikken om met de administratie de n.a.v. de controle gerezen betwistingen te bespreken.

De volmacht is overigens voldoende ruim omschreven ("en met het bestuur overeenkomsten af te sluiten welke hij nodig acht") om tevens de afstand van verjaring te omvatten.

In de gegeven omstandigheden, werd de vordering m.b.t het jaar 2005 op 8 december 2008 geldig gestuit, en werd de vordering m.b.t. de jaren 2005 en 2006 rechtsgeldig gestuit door de kennisgeving van het betwiste dwangbevel op 16 juni 2009.

Hierna wordt nog onderzocht of de verjaring werd bereikt ten gevolge van de nietigheid van het betwiste dwangbevel zelf (zie infra nr 3).

2. Appellante betwist dat de administratie bij gebrek aan een bewijskrachtige boekhouding het forfait inzake BTW als een bewijsmiddel kan aanwenden, teneinde de gerealiseerde omzet vast te stellen.

Geïntimeerde werpt hiertegen op dat appellante geen bezwaar indiende tegen de aanslag in de personenbelasting waarvan de belastbare basis eveneens werd berekend op basis van het forfait.

Volgens geïntimeerde, vormde in de gegeven omstandigheden het forfait een feitelijk vermoeden waarop de administratie mocht steunen bij de berekening van de meer omzet van appellante.

Ten onrechte stelt appellante dat het forfait inzake BTW, voorzien in artikel 56, § 1, WBTW, door de administratie niet als bewijsmiddel kan worden aangewend bij gebrek aan een bewijskrachtige boekhouding, i.t.t. het forfait inzake inkomstenbelastingen, waar artikel 342 WIB (1992) betreffende het forfait is opgenomen onder hoofdstuk IV Bewijsmiddelen van de administratie van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.

Volgens appellante is het forfait inzake BTW een afwijking van de bepalingen betreffende de maatstaf van heffing en kan enkel worden aangewend indien de belastingplichtige ervoor opteert.

Een wettelijk forfaitaire vaststelling van de grondslag van aanslag in een bepaalde sector, te dezen deze van de kleinhandelaars in diverse textiel- en lederwaren, is een feitelijk gegeven waarop de administratie, als er geen regelmatige boekhouding wordt voorgelegd, kan steunen en dat kan gelden als een vermoeden in de zin van artikel 59, § 1, WBTW (vgl. Cass. 13 december 2007, Arr. Cass. 2007, 2445).

3. Het proces-verbaal van 8 april 2009, dat de redengeving van het betwiste dwangbevel vormt, vermeldt weliswaar niet het feitelijk vermoeden, dan wel enkel het forfait inzake BTW, voorzien in artikel 56, § 1, WBTW en het koninklijk besluit nr. 2 van 7 november 1969 met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag van de BTW.

Dit laat appellante evenwel niet toe te stellen dat de administratie aldus de juridische gronden van het betwiste dwangbevel wijzigde in de gerechtelijke fase van het geschil.

Volgens appellante, kunnen de juridische gronden van het dwangbevel niet worden gewijzigd en is het dwangbevel, indien de administratie de juridische gronden van het betwiste dwangbevel wijzigt, nietig en kan aldus de verjaring niet stuiten.

Evenwel werden in deze enkel de elementen die betrekking hebben op de bewijsvoering door geïntimeerde gewijzigd, doordat hij de meer omzet van appellante niet langer vaststelt op basis van het forfait inzake BTW op zich, dan wel aan de hand van een feitelijk vermoeden, gevormd door het forfait.

Elementen, die enkel betrekking hebben op de bewijsvoering maar niet behoren tot de grondslag van de navordering, vallen niet onder de verplichte motivering (vgl. Cass. 10 februari 2012, R.A.B.G. 2012, afl. 19, 1337, noot E. VRIJDERS).

De juridische grondslag van het betwiste dwangbevel is eenvoudig dat appellante te weinig omzet aangaf, hetgeen een overtreding is van de bepalingen van het WBTW, en dat bij de berekening van de meer omzet de controleambtenaar toepassing maakte van het wettelijk vermoeden, voorzien in artikel 64, § 1, WBTW, luidens hetwelk hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, wordt geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Aan deze juridische grondslag werd in de gerechtelijke fase van het geschil niets gewijzigd.

Het hof merkt voor zoveel als nodig op dat het bewijs van de meer omzet en van de gemiddelde winstmarge op deze omzet op grond van feitelijke vermoedens niet verhindert dat de administratie vervolgens het wettelijk vermoede, voorzien in artikel 64, § 1, WBTW toepast (vgl. Cass.15 december2011, T.F.R. 2013, afl. 437, 237).

4. Appellante stelt zich allerlei vragen bij de geldigheid van het forfait, voorzien in artikel 56, § 1, WBTW en het voormelde koninklijk besluit nr. 2, zoals de vraag of met de mededeling door België aan het Raadgevend comité van de tekst van artikel 56, § 1, WBTW en van het koninklijk besluit nr. 2 werd voldaan aan de vereisten van de Zesde Richtlijn, of nog de vraag of de gedane mededeling volstaat en of niet de tekst van elk forfait apart moet worden medegedeeld, hetgeen niet gebeurde, en de vraag of in deze hypothese, de niet-raadpleging retroactief kan worden hersteld, en tenslotte de vraag of jaarlijks de aangepaste tekst van elk forfait moet worden medegedeeld, dan wel of het volstaat dat een forfait maar eenmaal moet worden medegedeeld.

Zij stelt voor de hierboven vermelde prejudiciële vraag te stelten aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

De verplichting tot raadpleging van het BTW-comité veronderstelt dat de lidstaten dit comité in kennis stellen van het feit dat zij van plan zijn een afwijkende maatregel vast te stellen, en dit comité toereikende informatie verstrekken om het in staat te stellen deze maatregel met kennis van zaken te onderzoeken (HvJ 14 september 2006, C-228/05, Stradasfalt Srl, r.o. 39).

De mededeling aan het BTW-comité van de tekst van artikel 56, § 1, WBTW en van het koninklijk besluit nr. 2 voldoet aan de voormelde vereisten.

Het tweede onderdeel van de voorgestelde prejudiciële vraag miskent dat de controleambtenaar het forfait niet als dusdanig toepaste maar het aanwendde als een feitelijk vermoeden. Hiervoor is de optie van de belastingplichtige niet vereist.

Er hoeven bijgevolg aan het Hof van Justitie geen prejudiciële vragen te worden gesteld.

Uit bovenstaande vaststellingen en overwegingen volgt dat het hoger beroep ongegrond is.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

HET HOF

rechtdoende op tegenspraak,

gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond,

veroordeelt appellante in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van iedere partij begroot op de rechtsplegingsvergoeding van … EUR.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van os oktober 2016 door …

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

6

Vergelijkbare beslissingen

8