Bewijs, controlemaatregel, bijzondere regeling, kleine onderneming · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 26 januari 2007

Zoeken

Bewijs, controlemaatregel, bijzondere regeling, kleine ondernemingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-bijzondere-regeling-kleine-rechtbank-brussel-2007-01-26-e82b

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
26 januari 2007

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

71 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 26.01.2007

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 33ste Kamer

AR 2002/9552/A

In zake van :

De heer D. K., wonende te …, …,

ingeschreven in het register der ondernemingen onder het nummer …

Eisende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. M. B. loco Mr. M. E., advocaat te …, … (ref. : …),

Tegen :

De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Financiën van de Federale Overheidsdienst Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de Federale Overheidsdienst Financiën, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51,

Verwerende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. F. M. loco Mr. A. D., advocaat te …, … (ref. : …),

In deze zaak, in beraad genomen op 12 januari 2007, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

- de gedinginleidende dagvaarding dd. 19 augustus 2002,

- de conclusie van verweerster, neergelegd ter griffie op 3 juli 2003,

- de conclusie van eiser, neergelegd ter griffie op 10 september 2003.

De raadslieden van partijen werden gehoord ter openbare zitting waarna de bundels met de stavingstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.


1. FEITEN

Eiser baatte in 1998 en 1999 een kapsalon uit en was in deze hoedanigheid geregistreerd als Btw-belastingplichtige onder het nummer …. Overeenkomstig artikel 56, § 1 van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : WBTW) en het koninklijk besluit nr. 2 van 7 november 1969 'met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de BTW' (hierna : KB nr. 2) was eiser onderworpen aan de forfaitaire regeling voor haarkappers.

Blijkens een proces-verbaal van 22 oktober 2001 werd tijdens een controle bij de N.V. F., uitbater van een groothandel in producten voor kapsalons, vastgesteld dat de aan haar klanten toegestane kortingen en gratis leveringen niet expliciet op de facturen werden vermeld.

Op vraag van de BTW-administratie stelde de N.V. F. vervolgens 'een bestand samen, voor elk van de jaren 1997, 1998 en 1999, dat het totaal voor elk jaar bevat voor alle klanten, van de ontvangen kortingen en van de gratis artikelen. Deze bestanden bevatten tevens de identiteit van de klant, zijn Btw­nummer en zijn klantennummer. Van deze bestanden werd eveneens een afdruk onder de vorm van een listing voorgelegd. F. heeft eveneens bestanden ter beschikking die toelaten eventueel het detail te verstrekken per factuur’.

Nog volgens hetzelfde proces-verbaal kwam eiser op de bedoelde lijsten voor waarbij voor 1998 een totaal aan gratis leveringen werd geregistreerd ten belope van … BEF, terwijl voor 1999 een bedrag van … BEF aan gratis leveringen werd genoteerd.

Ingevolge een controle bij eiser, die plaatsvond op 6 december 2001, werd door de administratie een correctieopgave opgesteld waarbij een omzetverhoging werd doorgevoerd op grond van de gegevens verstrekt door voormeld proces-verbaal. De bijkomend door eiser verschuldigde BTW werd bepaald op … BEF, verhoogd met een tot … BEF verminderde boete. Eiser kon zich evenwel niet akkoord verklaren.

Op 11 februari 2002 werd door de controlerende ambtenaar een proces-verbaal opgesteld met betrekking tot de vastgestelde inbreuken en de verschuldigde BTW, boete en interesten.

Op grond van dit proces-verbaal werd op 12 juni 2002 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 13 juni 2002 door de bevoegde ambtenaar werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard, waaruit blijkt dat eiser volgende bedragen zou verschuldigd zijn :

- BTW € …

- Geldboete wegens niet tijdige betaling € …

- Interesten op de BTW sedert 21 januari 2000,

- Moratoire interesten op de geldboete sedert dwangbevel,

- De kosten van vervolging.

Het dwangbevel werd aan eiser ter kennis gebracht op 14 juni 2002.

Bij exploot van 19 augustus 2002 heeft eiser verzet aangetekend.

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

De vordering strekt ertoe het litigieuze dwangbevel van 12 juni 2002 te horen vernietigen en verweerder te horen veroordelen tot terugbetaling van alle sommen in hoofdbedrag, interesten, verhogingen en boeten die onterecht werden geïnd.

Verweerster concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.1. Eiser betwist gratis leveringen te hebben ontvangen van de N.V. F., minstens de door deze laatste geraamde omvang van deze leveringen, en derhalve ook de door de administratie op grond van deze gegevens becijferde omzetverhoging en verschuldigde BTW.

Verweerster daarentegen steunt zich in de eerste plaats op de bijzondere bewijskracht van haar processen-verbaal zoals omschreven in artikel 59, § 1 WBTW en de waarde van de gratis leveringen die hierin zijn vermeld. Minstens meent zij de omzetverhoging op afdoende wijze te kunnen aantonen aan de hand vermoedens die gesteund zijn op bekende feiten. Met name stelt zij dat het van algemene bekendheid is dat 'in de sector van de haarkappersproducten het normaal is dat gratis producten aan de klanten worden geleverd' en dat 'van de honderden dossiers die bij de zaak F. betrokken waren, slechts 1,5 % van de belastingplichtigen niet akkoord gaan'.

3.2. Overeenkomstig artikel 59, § 1, in fine W.BTW leveren de processen-verbaal opgesteld door de ambtenaren van de federale overheidsdienst Financiën bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

'De specifieke bewijskracht is echter enkel verbonden aan de feiten en handelingen die het voorwerp hebben uitgemaakt van de door de verbalisant persoonlijk en binnen de perken van zijn wettelijke opdracht, regelmatig verrichte materiële vaststellingen. Dit zijn dus de enige elementen waardoor de rechter gebonden is' (Administratieve commentaar, 59/447, www.fisconet.be).

Toegepast op het proces-verbaal van 22 oktober 2001 werden de volgende vaststellingen door de betrokken ambtenaren persoonlijk verricht :

- De facturen uitgaande van de N.V. F. vermelden geen kortingen en gratis leveringen,

- De N.V. F. heeft op vraag van deze ambtenaren een bestand samengesteld dat voor elk van de jaren 1997, 1998 en 1999 per klant het totaal van de gratis leveringen en toegestane kortingen bevat,

- Het bestand werd afgedrukt onder de vorm van een 'listing',

- De N.V. F. heeft bestanden ter beschikking die toelaten eventueel het detail te verstrekken per factuur,

- Op de 'listing' wordt de naam van eiser vermeld met voor de jaren 1998 en 1999 respectievelijk … BEF en … BEF aan gratis leveringen.

Het proces-verbaal laat niet toe met voldoende zekerheid te bepalen of de vermelding dat de N.V. F. de details bezit van de resultaten opgenomen in de zogenaamde 'listings', gesteund is op de eigen vaststellingen van de verbalisanten, dan wel op de loutere verklaringen van de N.V. F.. Alleszins vermeldt het proces-verbaal niet dat de verbalisanten het detail van de berekeningen hebben gecontroleerd.

Bijgevolg is de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal beperkt tot het gegeven dat de weerhouden bedragen inderdaad verkregen zijn van de N.V. F.. De juistheid of nauwkeurigheid van deze gegevens daarentegen, kan bij gebrek aan controle niet van dezelfde bewijswaarde genieten (zie: Administratieve commentaar, 59/448).

3.3. Eiser stelt terecht dat met boekhoudkundige gegevens verkregen bij derden met de nodige omzichtigheid dient te worden omgesprongen. Bij gebrek aan controle van deze gegevens kan de juistheid ervan niet worden verzekerd.

Bijgevolg kunnen de niet geverifieerde cijfers verstrekt door de N.V. F. niet worden aangewend als uitgangspunt van een feitelijk vermoeden in de zin van artikel 1349 en 1353 van het burgerlijk wetboek. Vermoedens zijn immers gevolgtrekkingen die afgeleid worden uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. De cijfers verstrekt door de N.V. F. zijn geen bekende of geverifieerde feiten in de zin van voornoemd artikel 1349, doch wel gegevens die precies nog door de administratie geverifieerd moesten worden (vgl. : Antwerpen, 26 oktober 1999, F.JF., 2000/75.).

Zulks is des te meer het geval nu de belastingplichtige schier in de onmogelijkheid verkeerde het tegenbewijs te leveren. Van hem kon niet verwacht worden dat hij bewijst geen gratis leveringen te hebben ontvangen, wanneer deze niet vermeld zijn op de facturen uitgaande van de leverancier en niet in zijn boekhouding zijn opgenomen (vgl. : Gent, 24 oktober 2001, 1994/FR/119, www.fiscalnet.be).

De beweerde - doch niet aangetoonde - algemene bekendheid dat kappers van hun leveranciers gratis leveringen bekomen, kan evenmin beschouwd worden als een bekend feit. Dergelijke stellingen zijn hoogstens beweringen die zelf gesteund zijn op het vermoeden dat eiser zou hebben gehandeld als het merendeel van de belastingplichtigen uit dezelfde sector (vgl : Brussel, 5 februari 1985, F.J.F., 86/32; TIBERGHIEN, Handboek voor fiscaal recht 2002, 1718.).

Hetzelfde geldt tenslotte voor de bewering dat van de 'honderden' dossiers slechts 1,5 % van de betrokken belastingplichtige het bestaan van deze gratis leveringen hebben betwist. Niet enkel laat verweerster na haar bewering te staven, doch bovendien kan hieruit niet worden afgeleid dat ook eiser gratis leveringen heeft ontvangen of dat de waarde van deze leveringen overeenstemt met de cijfers verstrekt door de leverancier.

De vordering is derhalve gegrond.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond,

Vernietigt het litigieuze dwangbevel van 12 juni 2002,

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle sommen in hoofdbedrag, interesten, verhogingen en boeten die onterecht werden geïnd,

Veroordeelt verweerster tot betaling van de gedingkosten, begroot op € … rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van eisende partij en op € … rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van verweerster.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 26 januari 2007

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer P. H. rechter

Mevrouw I. D. griffier

I. D. P. H.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 561 voorkomen
WBTW art. 591 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8