Belastbare handeling, vrijstelling, andere vrijstelling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 20 januari 2009

Zoeken

Belastbare handeling, vrijstelling, andere vrijstellingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbare-handeling-vrijstelling-andere-recht-rechtbank-gent-2009-01-20-4e19

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
20 januari 2009

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

87 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 20.01.2009

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 20 JANUARI 2009

Rolnummer AR 03/1173/A

In de zaak van :

Nv I. B., met zetel te …, … en met ondernemingsnummer …

eiseres, hebbende als raad Mter V. D., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger van het kantoor Gent 1, Administratie der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, met burelen te 9050 Gent, G. Crommenlaan 6 bus 107

verweerder, hebbende als raad Mter C. D., advocaat te …, …

Vonnist de rechtbank als volgt :

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift de dato 14 maart 2003.

De rechtbank nam kennis van de dossiers der rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 23 december 2008 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de activiteit van verhuur van onroerende goederen. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving ende ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 5 januari 2000, 24 januari 2000 en 27 maart 2000 werden door F. N. en R. D. V., beiden eerstaanwezend verificateur van de BTW, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit van het controlecentrum Gent 1, controles uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999.

Op 10 april 2000 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaren. Volgens de administratie kwalificeerden de door eiseres verleende rechten om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen als onroerende huur. Het proces-verbaal bevat derhalve in hoofdzaak de terugvordering van een gedeelte van de door eiseres uitgeoefende aftrek van voorbelasting, gedeelte dat de wettelijk toegelaten aftrek te boven gaat wegens het stellen van bij artikel 44 W.BTW vrijgestelde handelingen, meer bepaald die van verhuur van onroerende goederen.

Op 14 april 2000 werd door F. N., voornoemd, een aanvullend proces-verbaal opgesteld ter verbetering van de fouten die het proces-verbaal van 10 april 2000 bevatte.

Hiervan werd op 24 april 2000 een afschrift aan eiseres gezonden.

Op 14 april 2000 werd door eiseres bij brief aan de Minister van Financiën, bezwaar aangetekend tegen de punten II, IV, V, VI en VII van het proces-verbaal de dato 10 april 2000.

Bij brief de dato 2 augustus 2000 bevestigt de Minister van Financiën dat de vordering zoals bepaald in het proces-verbaal de dato 10 april 2000 en in het aanvullend proces-verbaal de dato 14 april 2000 behouden blijft.

Op 25 september 2001 werd lastens eiseres. ingevolge een inhouding overeenkomstig artikel 8, § 3, 4° lid KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggave inzake BTW, een bedrag van … BEF beslagen.

Op 26 september 2001 zond de BTW-Controle Gent 4 een verklaring van derde-beslagene aan eiseres.

Op 12 oktober 2001 richtte eiseres opnieuw een brief aan de Minister van Financiën.

Bij brief de dato 13 juni 2002 besluit de Minister dat de vordering lastens eiseres wordt behouden.

Op 5 april 2003 werd door B. P. een dwangbevel uitgevaardigd dat op 6 februari 2003 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door J. S. eerstaanwezend inspecteur van de BTW-controle Gent 4 aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de BTW-administratie Gent voor volgende bedragen : BTW … euro, fiscale geldboeten … euro en intresten … euro, meer de intresten vanaf 21 februari 2003 à rato van 0,8 pct. per maand over de verschuldigde BTW, de moratoire intrest vanaf de betekening van het dwangbevel oer de nog verschuldigde geldboeten en met de vervolgingskosten.

Op 18 februari 2003 werd bij deurwaardersexploot kennis gegeven van het dwangbevel overeenkomstig artikel 85, § 3 W.BTW.

Op 14 maart 2003 heeft eiseres een fiscaal verzoekschrift neergelegd. Eiseres vraagt dat : de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard; gezegd wordt voor recht dat het door eiseres aan haar cliënteel toegekende recht om in haar bedrijvencentrum genaamd "Handelsdokcentrum" hun professionele activiteit uit te oefenen, een aan BTW onderworpen activiteit is en dat de aan eiseres aangerekende BTW over leveringen en diensten gebruikt van voormelde belaste activiteit voor 100 % aftrekbaar is overeenkomstig artikel 45, § 1 W.BTW; dat het proces-verbaal de dato 10 april 2000 en het proces-verbaal de dato 14 april 2000 van onwaarde verklaarde worden in de mate dat de BTW aftrek werd verworpen en herzien met betrekking tot leveringen en diensten gebruikt voor de toekenning door eiseres aan haar cliënteel van het recht om hun professionele activiteit uit te oefenen in het bedrijvencentrum Handelsdokcenter, dat het dwangbevel uitgevaardigd de dato vernietigd wordt in de mate zoals supra aangegeven; dat gezegd wordt voor recht dat eiseres de van haar gevorderde bedragen niet verschuldigd is in de mate zoals supra aangegeven; dat verweerder veroordeeld wordt tot terugbetaling van alle op de bestreden vordering ingehouden en/of aangerekende bedragen waaronder minstens het bedrag van … euro meer moratoriumintresten voor zover de op voormelde vordering aangerekende en ingehouden bedragen de niet-betwiste bedragen overschrijden, dat verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten. Verweerder vraagt dat het verzet van eiseres niet gegrond verklaard wordt en zij afgewezen wordt in al haar eisen en veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. nopens de samenvoeging

Verweerder vroeg oorspronkelijk de samenvoeging van huidig geschil met de zaken gekend onder AR nrs. 02/3183/A, 03/1115/A, 03/3647/A en 03/5056/A.

In syntheseconclusie de dato 3 september 2007 stelt verweerder, daarin bijgetreden door eiseres bij syntheseconclusie de dato 29 juni 2007 dat het, gelet op de huidige stand der zaken, aangewezen is dat huidig geschil bij voorrang en onafhankelijk van voormelde zaken wordt behandeld.

Terzake dringt een samenvoeging zich niet op. Een goede rechtsbedeling komt niet in het gedrang door de afzonderlijke behandeling der vorderingen.

3.2.2. nopens artikel 44, § 3, 2° W.BTW

a. De betwisting tussen partijen gaat in hoofdzaak over het feit of de contracten die eiseres in de betrokken periode afsloot met haar medecontractanten als een onroerend verhuur dient te worden gekwalificeerd waarop de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2° W.BTW van toepassing is (standpunt van verweerder) of als een terbeschikkingstelling van bedrijfsruimten in haar bedrijvencentrum die een dienst uitmaakt als bedoeld in artikel 18, § 1, 6° W.BTW (het verlenen van het recht en beroepswerkzaamheid uit te oefenen) en bijgevolg een recht op aftrek van voorbelasting genereert (standpunt eiseres).

b. overeenkomstig artikel 44, § 3, 2° W.BTW zijn van de belasting vrijgesteld de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen alsook het gebruik van dergelijke goederen onder de voorwaarden van artikel 19, § 1 W.BTW. Conform artikel 18, § 1, tweede lid, 60 is het verlenen van het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen een belastbare dienst.

De vrijstellingsregeling voor onroerende verhuur vindt zijn oorsprong in de zesde richtlijn (Richtlijn nr. 77/388/EG) van 17 mei 1997. De Zesde Richtlijn stelt dat Lidstaten vrijstelling van belasting kunnen verlenen voor verplichting en verhuren van onroerende goederen.

Volgens het Hof van Cassatie moet deze vrijstelling voor onroerende verhuur beperkend worden geïnterpreteerd en kan zij enkel worden toegepast bij onroerende verhuur stricto sensu.

Om de aard van de belastbare handeling vast te stellen, moeten alle omstandigheden waaronder deze wordt verricht in aanmerking worden genomen om daaruit de kenmerkende elementen naar voor te halen.

c. Eiseres sluit met haar medecontractanten schriftelijke overeenkomsten die de titel dragen "Overeenkomst tot het exclusief recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen." (stukken 24, 25 en 26 eiser). Volgens artikel 1 van deze overeenkomsten verleent eiseres (in de contracten genaamd "de verstrekker") aan haar medecontractanten het recht om hun beroepswerkzaamheden uit te oefenen binnen de bedrijfsruimten van de verstrekker in het pand Handelsdokcenter en stelt zij de medecontractant hiertoe - ondermeer - de nodige ruimte ter beschikking en voorziet zij in tal van prestaties.

Een van deze prestaties is dat eiseres aan haar mede-contractanten de nodige ruimte moet ter beschikking stellen met het oog op de uitoefening van het recht hun beroepswerkzaamheid in het dienstencentrum uit te oefenen.

Omtrent deze ruimte is uit de overeenkomst geweten dat zij qua omvang en locatie in samenspraak tussen beide contracterende partijen wordt vastgesteld en ook dat deze ruimte op elk ogenblik kan gewijzigd worden, verminderd of vermeerderd worden zo de noden van de verstrekker of van de genieter dit vereisten en dit in onderling overleg. In dit geval wordt hiervan een schriftelijk stuk opgemaakt dat een bijlage van dit contract zal uitmaken (stuk 24, 25, 26 - artikel 1 - tot eiseres). Wat die ruimte betreft wordt in de overeenkomst ook gestipuleerd dat eiseres ervoor moet zorgen dat de medecontractant probleemloos zijn beroepswerkzaamheid kan uitoefenen (artikel 2 stuk 24-25-26 - eiseres).

De medecontractant oefent zijn beroepswerkzaamheid uit in de hem daartoe ter beschikking gestelde ruimte. Verder dient hij zich als een goed huisvader te gedragen in het gebruik van de hem ter beschikking gestelde ruimte (artikel 2 stuk 24-25-26-eiseres). Volgens de overeenkomst zijn de openingsuren van het dienstencentrum vastgesteld alle werkdagen van maandag tot vrijdag tussen 8u30 en 18u. De medecontractant heeft ook enkel toegang tot de aan hem ter beschikking gestelde ruimte van maandag tot en met vrijdag tussen 6u en 22 uur. Uitzonderlijk kan eiseres hierop een afwijking toestaan die slechts beperkt wordt toegestaan.

De overeenkomsten worden aangegaan voor een duur van 72 (stukken 24 en 25 eiseres) en 6 (stuk 26 eiseres) maanden met mogelijkheid van een stilzwijgende verlenging.

De prijs wordt bepaald op een vast bedrag te verhogen met de BTW op voorhand betaalbaar per maand en gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen. De indexering geschiedt op de verjaardag van de inwerkingtreding van de overeenkomst, rekening gehouden met het indexcijfer van de maand welke voorafgaat aan deze verjaardag.

Uit wat voorafgaat blijkt dat eiseres, in het kader van de kwestieuze overeenkomsten, aan haar klanten het gebruik van een welbepaald onroerend goed verleent. Dit onroerend goed wordt telkens bepaald in de bijlage bij de overeenkomst. Dit gebeurt zowel bij het sluiten der overeenkomst als later als in onderling overleg een andere ruimte ter beschikking wordt gesteld. Aldus krijgt de medecontractant hoe dan ook de beschikking over een welbepaald deel van het onroerend goed geïdentificeerd in de bijlage bij de overeenkomst.

De medecontractant van eiseres kan de kwestieuze ruimte voor de uitoefening van zijn in het contract gespecifieerde beroepswerkzaamheid gebruiken. Hierin worden hem geen beperkingen opgelegd.

Verder is in de overeenkomst een bepaalde tijdsduur voorzien en een vergoeding.

Uit wat voorafgaat dient te worden besloten dat het wezenlijk kenmerk voor het bestaan van een onroerende verhuur in de zin van artikel 13, B, sub b van de Zesde Richtlijn voorhanden is.

Eiseres biedt haar medecontractant echter niet alleen de beschikking van ruimte aan in de hoger omschreven omstandigheden maar ook tal van prestaties.

Krachtens artikel 1.2 van de kwestieuze overeenkomsten kunnen de medecontractanten van eiseres gebruik maken van de in de overeenkomsten opgesomde infrastructurele faciliteiten van het dienstencentrum nl. parking personeel en bezoekers buiten de omheining, sanitaire ruimten, gangen, trappen, gebruik Bewacom hoofdingang, telefoonpermanentie, postverdeling, ontvangst bezoekers. Het is eiseres die instaat voor het onderhoud en schoonmaken van de algemene ruimten. Verder zijn er een aantal bijkomende diensten voorzien volgens de syntheseconclusie van eiseres zoals het gebruik van vergaderzalen, service voor het versturen van faxen. het verstrekken van warme en koude dranken.

Tevens blijkt uit de voorgelegde overeenkomsten dat gelet op het specifieke karakter van elke beroepswerkzaamheid het aangeboden dienstenpakket geïndividualiseerd werd in functie van elke specifieke medecontractant, zowel eveneens in de vaste maandelijkse vergoeding begrepen voor medecontractant BVBA M. : het verschaffen van kantoormaterieel zoals computers, printers enz. met inbegrip van papier en toners (stuk 25 - eiseres).

Ten deze dient te worden onderzocht of de vermelde onroerende verhuur dient te worden beschouwd als een afzonderlijke dienst in het kader van de BTW-regeling, eventueel de hoofddienst uitmaakt, dan wel of alle vermelde prestaties met inbegrip van de onroerende verhuur te beschouwen zijn als één enkele dienst.

In het licht van de rechtspraak van het hof van Justitie van de Europese gemeenschappen is er sprake van één dienst in geval een of meerdere elementen moeten geacht worden de hoofddienst te vormen, terwijl een of meerdere andere elementen moeten worden beschouwd als een of meerdere bijkomende diensten. die het fiscale lot van de hoofddienst delen.

Aldus werd beslist dat een dienst moet worden beschouwd als bijkomend bij een hoofddienst, wanneer hij voor de klanten geen doel op zich is, doch een middel om de hoofddienst van de dienstverrichter zo aantrekkelijk mogelijk te maken (HvJ. 22 oktober 1998, C-308/96 en C-94/97, Commissioners of Custums and Excise t. T.P. Madgett. R.M. Balchim en The Howden Court Hotel, cijfer 24, www.curia.eu.int.).

Tevens werd reeds beslist dat een bepaalde activiteit als één geheel te beschouwen is, waarbij zij een groot aantal activiteiten kan omvatten, waarin de onroerende verhuur niet de overwegende prestatie kan zijn (H.v.J., 18 januari 2001, C. 150/99, Svenska Staten t. Stokholm Lindöpark AB en Stockholm Lindöpark AB tegen Svenska Staten, www.curia.eu.int.). Hierbij komt het de rechtbank toe te bepalen welke situatie concreet voorhanden is (H.v.J., 25 februari 1999. C-349/96, Gard Protection Plan Ltd (CPP) t. Commissioners of Custums & Excise, cijfer 32, www.curia.eu.int).

In casu betreft het voorwerp der overeenkomsten het door eiseres aan de medecontractanten ter beschikking stellen van een aantal structuren en het uitvoeren van een aantal prestaties opdat ze hun beroepswerkzaamheid zouden kunnen uitoefenen, zodat ze zelf niet voor deze structuren en prestaties moeten zorgen.

In dit pakket van diensten is het ter beschikking stellen van ruimte essentieel. Dit houdt echter niet in dat de terbeschikkingstelling de hoofddienst zou zijn en de overige diensten slechts accessoir zouden zijn. Zo is het gebruik van de parking voor personeel en bezoekers. gangen en trappen, sanitaire ruimten, belangrijk evenals de door eiseres verhoogde telefoonpermanentie, verdeling der post, ontvangst der bezoekers, onderhoud en reinigen der algemene ruimten.

Het gaat om een grote hoeveelheid belangrijke diensten. Er kan derhalve niet gesteld worden dat de kwestieuze overeenkomsten het ter beschikking stellen van ruimten zouden tot voorwerp hebben, met - om dit aantrekkelijker te maken - andere diensten die er bij aangeboden worden. Evenmin kan gesteld worden dat het ter beschikking stellen van een ruimte aan de ene kant een zelfstandige dienstverlening is en andere prestaties één of meer andere zelfstandige dienstverrichting uitmaken. Er wordt immers één geheel van diensten, in pakket, aan de kandidaat-klanten aangeboden.

Door eiseres en een aantal van haar medecontractanten werd gekozen voor een uitsplitsing en afzonderlijke facturatie van de verschillende verstrekte diensten. Het feit dat de verschillende diensten van één dienstenpakket, die als één geheel werden verricht voor de medecontractanten, afzonderlijk werden gefactureerd doet geen afbreuk aan het feit dat het in casu gaat om één economische onsplitsbare en te belasten prestatie (H.v.J. 27 oktober2005, C-41/04 bv Levob Verzekeringen, T.F.R. nr. 301 p.399-409).

De kwestieuze circulaire AOIF 39/2005 van 27 september 2005, in werking getreden op 1 januari 2006, heeft geen betrekking op de activiteitsperiode van eiseres die het voorwerp uitmaakt van huidig geschil en vindt derhalve In casu geen toepassing.

De kandidaat-klanten genieten in casu het voordeel dat zij toetreden tot een bepaalde werkorganisatie en werkomgeving waarin zij kant-en-klaar de nodige middelen voor de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid aantreffen. Het ter beschikking stellen van een ruimte is onderdeel van dit geheel en belangrijk, doch niet overwegende prestatie (Hof van Beroep Gent 30 maart 2004, T.F.R. 2004, nr. 270, p. 977 - stuk 17 eiseres).

Gelet op wat voorafgaat dient voor de toepassing van de BTW te worden aangenomen dat de door eiseres aan haar klanten geleverde diensten één geheel uitmaken onderworpen aan de belastingplicht in toepassing van artikel 18, § 1, eerste lid W.BTW, en geen onroerende verhuur waarop de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2° W.BTW van toepassing is.

De fiscale vordering is gegrond.

De overige grieven van eiseres dienen niet te worden onderzocht nu het eventueel gegrond verklaren ervan niet tot een ruimer voordeel voor eiseres kan leiden.

3.3. nopens de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld en moet overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Gerechtelijk Wetboek de gerechtskosten dragen. Eiseres begroot de gerechtskosten op het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding zijnde € … gelet op het feit dat de waarde van de vordering zich situeert tussen 250.000,00 euro en 500.000,00 euro.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en gegrond.

Verklaart het bestreden proces-verbaal de dato 10 april 2000 en het bestreden proces-verbaal de dato 14 april 2000 van onwaarde in de mate dat BTW-aftrek werd verworpen en herzien met betrekking tot leveringen en diensten gebruikt voor de toekenning door eiseres aan haar cliënteel van het recht om hun professionele activiteit uit te oefenen in het bedrijvencentrum Handelsdokcenter.

Vernietigt het bestreden dwangbevel met referte 127/2394 uitgevaardigd de dato 5 februari 2003 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard de dato 6 februari 2003 in de mate zoals supra aangegeven.

Zegt voor recht dat eiseres de met de bestreden processen-verbaal en het béstreden dwangbevel van haar gevorderde bedragen niet verschuldigd is, in de mate zoals supra aangegeven.

Beveelt de terugbetaling door verweerder van alle op de bestreden vordering ingehouden en/of alle op de bestreden vordering aangerekende bedragen waaronder minstens een bedrag van … euro en een bedrag van … euro meer moratoriumintresten voor zover de op de voormelde vordering aangerekende en ingehouden bedragen de niet betwiste bedragen overschrijden.

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eiseres begroot op … euro.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op dinsdag twintig januari tweeduizend en negen, waar aanwezig waren :

mevrouw A. H., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw G. L., griffier.

G. L. A. H.

Aangehaalde teksten

4

Vergelijkbare beslissingen

8