Belastbaarheid, geding, rechten en voorrechten schatkist, vervolging · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 6 september 2011

Zoeken

Belastbaarheid, geding, rechten en voorrechten schatkist, vervolgingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbaarheid-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-antwerpen-2011-09-06-856d

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
6 september 2011

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

101 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 06.09.2011

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :

EINDARREST – FISCAAL

Zitting van : 6/9/2011

In zake : 2010/AR/126

1. W. G., wonende te …, …,

2. V. T. A., wonende te …, …,

appellanten,

tegen het vonnis gewezen op 04 november 2009 door de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt,

vertegenwoordigd door Mr. G. C. loco Mr. V. R., advocaat te …, …,

tegen :

1. ADMIN. DER DIRECTE BELASTINGEN, IN DE PERS., vd gewest. directeur, te 3500 HASSELT, Voorstraat 40/43,

2. DE BELGISCHE STAAT,FOD FINACIËN, KABINET VAN FINANCIEN, te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

geïntimeerden,

vertegenwoordigd door Mr. M. O. loco Mr. R. F., advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 4 november 2009 door de Elfde Kamer D van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 14 januari 2010;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

1. Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep

1.1. Mevrouw A. V. T., appellante, heeft uit hoofde van haar aangegeven beroepswerkzaamheid van handel in- en uitvoer in elektrische apparaten, de hoedanigheid van belastingplichtige bij toepassing van artikel 4 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en is derhalve onderworpen aan de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Zij werd geregistreerd als belastingplichtige onder BTW-nummer BE … vanaf 2 januari 1989.

Zij dreef meer in het bijzonder handel in video- en elektrogoederen onder de benaming A. B..

In het kader van deze handel had appellante verschillende schulddossiers ten aanzien van de BTW-administratie.

1.2. Op 6 juli 1992 verleende de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Antwerpen, toelating aan de ambtenaren verbonden aan de Administratie van de bijzondere belastinginspectie tot het nemen van inzage en afschrift van het strafdossier notitienummers … en … van de parketten van de Procureurs des Konings te Antwerpen en te Hasselt.

Na inzage van voormelde strafdossiers stelde de BTW-administratie vast dat er in 1989, 1990, 1991 en 1992 enerzijds facturen uitgereikt werden door A. B. aan Belgische afnemers voor de levering van audiovisuele apparaten en toebehoren, die niet geboekt werden bij A. B., en anderzijds BTW werd afgetrokken waarvoor geen aankoopfacturen konden worden voorgelegd.

Op 5 februari 1993 resp. 12 januari 1995 werden er dwangbevelen uitgevaardigd.

Op 20 april 1993 werd het eerste dwangbevel bij gerechtsdeurwaarderexploot betekend aan appellante op het adres te …, …. Op 18 december 1997 werd bij gebreke aan officiële gekende woonplaats of verblijfplaats van appellante, het dwangbevel van 5 februari 1993 samen met het proces-verbaal van 2 september 1992 betekend aan de Procureur des Konings te Hasselt overeenkomstig artikel 40 Ger. W. Voormeld dwangbevel werd bij gerechtsdeurwaarderexploot herbetekend op 18 januari 2000 op het adres te …, …, ….

De dwangbevelen van 12 januari 1995 werden op 19 januari 1995 bij gerechtsdeurwaarderexploot betekend aan de Procureur des Konings te Hasselt. Op 18 januari 2000 werden deze dwangbevelen herbetekend bij gerechtsdeurwaarderexploot op het adres te …, …, ….

1.3. Appellante betwistte de rechtsgeldigheid van de betekeningen van de dwangbevelen bij brief van 31 januari 2002 gericht aan geïntimeerde en bij brief van 25 januari 2002 gericht aan de belastingdiensten te Eindhoven. Zij stelde tevens dat de verjaring hierdoor niet was gestuit en dat de verjaringstermijn van de aanslagen verstreken was.

Bij aangetekende brief van 5 november 2003 deelde de wnd. Gewestelijk directeur van de BTW-administratie te Hasselt zijn beslissing mede aan de Nederlandse raadsman van appellante dat de betekeningen volgens hem wel rechtsgeldig gebeurden en dat de termijn om de kwestieuze schulddossiers te vorderen bijgevolg niet verstreken is en er geen reden is om de invorderingsprocedure te staken.

1.4. Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 15 januari 2004, vorderen appellanten te oordelen dat de op datum van 5 november 2003 genomen beslissing onder referte nummer … en alle aan deze beslissing voorafgaande en latere acties van invordering, alle aan deze beslissing voorafgaande en latere betekeningen de dato 20 april 1993 en de dato 18 december 1997 en de dwangbevelen, die met de vordering onder referte … verband houden of eruit zouden voortvloeien, op ongeldige wijze aan appellanten werden betekend, terwijl de vordering die voorwerp is van de betekening de dato 18 januari 2000 verjaard is.

1.5. Het bestreden vonnis uitgesproken door de Elfde Kamer D van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 4 november 2009 stelt vooreerst dat het bewijs van de kennis van woon-, verblijf- of gekozen woonplaats moet worden geleverd door de partij die zich erop beroept, ten deze appellanten. Uit de aan de eerste rechter overgelegde stukken, meer in het bijzonder het schrijven van 10 maart 1994 uitgaand van de Luxemburgse administratie blijkt dat eerste appellant, G. W., zich pas op 29 juli 1993 had aangeboden bij de gemeentelijke overheid van … om het domicilie van appellanten te laten wijzigen van … naar …, …. Op 20 april 1993 waren appellanten nog ingeschreven te …, … zodat de betekening van 20 april 1993 rechtsgeldig gebeurde. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat het adres van appellanten gewijzigd was in het Rijksregister. De stukken die appellanten aan de eerste rechter overleggen dateren alle van na 20 april 1993 zodat appellanten noch aantonen dat zij op 20 april 1993 niet meer in het bevolkingsregister van … ingeschreven waren noch dat geïntimeerde op de hoogte was van de nieuwe woon- of verblijfplaats van appellanten. Op 18 december 1997 gebeurde er op verzoek van geïntimeerde een herbetekening aan de Procureur des Konings. Uit het schrijven van de Luxemburgse administratie van 10 maart 1994 blijkt tevens dat appellanten op 21 februari 1994 ambtshalve geschrapt werden op het adres te …, …. In die omstandigheden mocht geïntimeerde er van uitgaan dat appellanten geen gekende woon- of verblijfplaats hadden in België of in het buitenland. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat het adres van appellanten gewijzigd was in de registers. Uit de door appellanten overgelegde stukken blijkt niet dat zij geïntimeerde ingelicht hebben van hun nieuw adres te ….

Bovendien betreft het stukken die uitgaan van een andere administratie, instelling dan geïntimeerde, hetgeen dan ook niet aantoont dat geïntimeerde op de hoogte was van het nieuwe adres van appellanten.

Geïntimeerde was in deze omstandigheden niet verplicht om verder opzoekingen te doen om het juiste adres in het buitenland van appellanten te weten te komen. Ook de betekening aan de Procureur des Konings op 19 januari 1995 gebeurde om voormelde redenen rechtsgeldig. Bovendien wordt in het proces-verbaal van 12 oktober 1994 melding gemaakt van het feit dat de aangetekende brieven van 13 juni 1994 die verstuurd werden naar het voormeld gekende adres te … terug waren gekomen met de vermelding dat het adres ongekend was. Appellanten betwisten de rechtsgeldigheid van de betekening van 18 januari 2000 niet, nu dit gebeurde op het adres te … (…), …. Gelet op het feit dat de betekeningen rechtsgeldig gebeurden en dus de verjaring van de vorderingen van geïntimeerde rechtsgeldig werden gestuit, zijn de vorderingen van geïntimeerde niet verjaard. De vordering van appellanten wordt derhalve ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.6. Tegen dit vonnis hebben appellanten hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 14 januari 2010.

1.7. In dit verzoekschrift en in hun op 30 december 2010 neergelegde synthesebesluiten stellen appellanten dat zij in de periode tussen 1993 en 2000 aangetekende brieven van geïntimeerde mochten ontvangen en dat er vonnissen en arresten werden geveld in zaken waarin beide partijen betrokken waren en waarin ook hun Nederlands adres werd vermeld, te weten :

1) aangetekend schrijven van de administratie BTW van 25 april 1994, gericht aan Mevrouw V. T. op haar huidig adres te …;

2) aangetekend schrijven van de administratie BTW van 24 mei 1994, gericht aan de heer G. W. op zijn huidig adres te …;

3) aangetekend schrijven van het Ministerie van Financiën van 14 februari 1995 aan het huidig adres te …;

4) brief van de Raad van State van 23 mei 1995 gericht aan het huidig adres te …;

5) aangetekend schrijven van de administratie BTW van 19 april 1996 aan het huidig adres te …;

6) vonnis van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen van 3 december 1997 (hieruit blijkt kennis van adres in … alsook van voormalig adres te …);

7) arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 13 oktober 1999. Tevens blijkt de inschrijving van het hele gezin W.-V. T. te … sinds 1994 uit :

1) bewijs dat men op 25 juli 1994 een aanvraag heeft ingediend voor bijstandsuitkering die is goedgekeurd op 15 augustus 1994 met terugwerkende kracht vanaf 25 juli 1994;

2) een brief van de gemeente … van 20 december 1994 dat de uitkering ongewijzigd is voortgezet;

3) een bewijs van verzoek om doorhaling van de inschrijving handelsregister op 6 april 1994 met als adres …, …;

4) afschriften uit de basisadministratie persoonsgegevens.

Bijgevolg kan geïntimeerde onmogelijk geloofwaardig stellen dat zij niet op de hoogte was van het nieuwe adres van appellante. Uit het stukkenbundel van appellanten blijkt dat zij het nodige hebben gedaan om de overheden en instellingen te verwittigen van hun nieuw adres. De twee betekeningen van 19 januari 1995 en de herbetekening van 18 december 1997 bij de Procureur des Konings kunnen dan ook niet als rechtsgeldig worden beschouwd aangezien geïntimeerde wel degelijk kennis had van het bovenstaande adres. Artikel 40 laatste lid Ger. W. stelt uitdrukkelijk dat de betekening in handen van de Procureur des Konings ongedaan is, indien de partij op wiens verzoek ze werd verricht, de woonplaats of verblijfplaats van degene aan wie betekend wordt, in België of in het buitenland, kende. De betekening van 18 januari 2000 als herbetekening van de ongeldige betekeningen van 20 april 1993, 15 januari 1995 en van 18 december 1997, werd weliswaar rechtsgeldig gedaan, doch wordt getroffen door verjaring. De vordering van geïntimeerde verjaart inderdaad na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid zich heeft voorgedaan. In geval van bedrieglijk opzet verjaart de vordering na het verstrijken van het vijfde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid zich heeft voorgedaan. Aangezien de eerste rechtsgeldige betekening slechts plaatsvond op 18 januari 2000, zijn alle door geïntimeerde ingestelde vorderingen verjaard. Appellanten besluiten derhalve tot de toewijzing van hun oorspronkelijke vordering. Zij begroten het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding zo in eerste aanleg als in hoger beroep op … EUR.

1.8. Geïntimeerde beaamt zijnerzijds in zijn op 18 februari 2011 neergelegde syntheseconclusies de redengeving van het bestreden vonnis en wijst er tevens op dat uit stuk nr. 4 van appellanten enkel blijkt dat de Ontvanger van de Registratie en Domeinen Penale Boeten een schrijven richt aan W. G. …. Geïntimeerde heeft in casu geen vordering lastens W. G. doch lastens diens echtgenote V. T. A.. Hetzelfde geldt voor stukken 5 en 6 voorgelegd door appellante. Het betreft bijkomend respectievelijk schrijven van de Raad van State en de Registratie gericht aan W. G.. Stuk 12 toont enkel aan dat appellante effectief geregistreerd was bij de gemeente … in … doch nergens wordt aangetoond dat appellante haar adres in het buitenland aangemeld heeft bij de centrale Belgische autoriteiten, noch dat de administratie hiervan officieel op de hoogte gebracht werd. Wat betreft de rechtsplegingsvergoeding, voert geïntimeerde aan dat het geschil betrekking heeft op een in geld waardeerbare vordering boven … EUR, hetzij … EUR, en dan ook op … EUR moet worden begroot. Geïntimeerde besluit derhalve tot de afwijzing van het hoger beroep.

2. Beoordeling

2.1. Luidens artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals het op het geschil van toepassing is, verjaart de rechtsvordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan.

Artikel 83, eerste lid, van datzelfde wetboek, zoals het van toepassing is, bepaalt dat zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggave van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, de verjaring gestuit wordt op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijfjaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is.

Artikel 85, § 2, van dat wetboek, bepaalt met name dat de kennisgeving van het dwangbevel, dat uitgevaardigd wordt door de met invordering belaste ambtenaar, de verjaring stuit van de invordering van de belasting en van zijn toebehoren en de belastingplichtige in staat stelt verzet te doen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, op de wijze bepaald in artikel 89.

Krachtens artikel 89, tweede lid, kan de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts worden gestuit bij door de belastingplichtige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding.

Luidens artikel 2251 van het Burgerlijk Wetboek loopt de verjaring tegen alle personen, behalve tegen hen voor wie de wet uitzondering maakt.

Uit die bepalingen, die samen gelezen moeten worden om de verjaringsregeling inzake belasting over de toegevoegde waarde te bepalen, kan worden afgeleid dat het dwangbevel, enerzijds, de titel van belastingheffing is waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebrek aan spontane en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting, en, anderzijds, de akte is die geldt als uitvoerbare titel, die nodig is voor de invordering van die belastingschuld.

Het dwangbevel, dat ter kennis wordt gebracht van degene die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, is een van de wijzen is waarop de verjaring in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek kan worden gestuit. De verjaring is, behoudens een nieuwe stuiting van de verjaring, tegen de Staat verkregen vijf jaar na de kennisgeving van het dwangbevel, tenzij een rechtsgeding hangend is. Dit rechtsgeding kan bestaan in het verzet van de belastingplichtige, dat de opschorting van de uitvoerbare kracht van het dwangbevel tot gevolg heeft, en waaruit volgt dat de verjaring tijdens de gehele duur ervan, tegen de Staat niet is verkregen (Cass. (1e k.) AR C.06.0433.F, 16 oktober 2008, FJF 2009, afl. 2, 218, JLMB 2010, afl. 4, 148, Pas. 2008, afl. 10, 2236, conclusie advocaat-generaal A. HENKES, RGCF 2009, afl. 2, 133, noot F. STEVENART MEEUS, 'L'opposition à contrainte formée par un assujetti à la TVA. est-elle une instance en justice visée à l'article 83, alinéa 1er , du Code de la TVA ?', (RGCF 2009, afl. 2, 136-140), Rec.gén.enr.not. 2009, afl. 3, 100, noot A. CULOT, TFR 2009, afl. 358, 283, noot B. VANERMEN, 'Verzet tegen dwangbevel schorst de verjaring ook voor oude BTW-schulden', (TFR 2009, afl. 358, 286-288).

2.2. Artikel 40 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

"Ten aanzien van hen die in België geen gekende woonplaats, verblijfplaats, of gekozen woonplaats hebben, stuurt de gerechtsdeurwaarder bij een ter post aangetekende brief het afschrift van de akte aan hun woonplaats of aan hun verblijfplaats in het buitenland en met de luchtpost indien de plaats van bestemming niet in een aangrenzend land ligt, onverminderd enige andere wijze van toezending overeengekomen tussen België en het land waar zij hun woon- of verblijfplaats hebben. De betekening wordt geacht te zijn verricht door de afgifte van de akte aan de postdienst tegen ontvangstbewijs in de vormen die in dit artikel worden bepaald.

Heeft de betrokkene in België noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats, noch gekozen woonplaats, dan wordt de betekening gedaan aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de rechter die van de vordering kennis moet nemen of heeft genomen, zitting houdt; is of wordt er geen vordering voor de rechter gebracht, dan geschiedt de betekening aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de verzoeker zijn woonplaats heeft of indien hij geen woonplaats in België heeft, aan de procureur des Konings te Brussel. De betekeningen mogen altijd aan de persoon worden gedaan, indien deze in België wordt aangetroffen.

De betekening in het buitenland of aan de procureur des Konings is ongedaan indien de partij op wier verzoek ze verricht is, de woonplaats of de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van degene aan wie betekend wordt, in België of in voorkomend geval in het buitenland, kende".

Uit voormelde wetsbepaling mag niet worden afgeleid dat de persoon op wiens verzoek de betekening geschiedt, de verplichting zou hebben om in alle stadia van de procedure bij de bevolkingsdiensten of bij het rijksregister van de fysieke personen na te gaan of de toestand nog steeds ongewijzigd bleef sinds het ogenblik waarop de betrokkenen geen woonst- of verblijfplaats had of dat hij uit de bevolkingsregisters geschrapt werd (A. SMETS, Artikel 40 Ger.W., in X., Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 2007, Deel I, Hfdst. VII, Ger.W., Art. 39 Ger. W. -Art. 41 Ger. W., nr. 4 p. 33; vgl. Cass. AR P.93.1140.F, 15 december 1993, 1070, Bull. 1993, 1071, Pas. 1993 (verkort), I, 1071, R. Cass. 1994, 25, noot R. DE CORTE, K. SEYEN, 'De adressering van de procespartijen en de betekening', (R. Cass. 1994, 21-24), RW 1993-94, 1458).

De betekening aan de procureur des Konings is aldus regelmatig, als de rechter vaststelt dat de woonplaats van degene aan wie betekend wordt in België of in het buitenland niet bekend was en dat zulks aan diens eigen nalatigheid te wijten was (Cass., 22 mei 1980, Arr. Cass., 1979-80, 1178, Pas., 1980, I, 1168).

De aan de procureur des Konings gedane betekening zal dan ook niet ongedaan zijn, wanneer de rechter op grond van feitelijke gegevens oordeelt dat de partij op wiens verzoek de betekening wordt gedaan wegens de eigen nalatigheid van de geadresseerde diens woonplaats niet kende op het ogenblik van de betekening (vgl. Cass. (2e k.) AR P.00.1110.F, 13 december 2000, Arr. Cass. 2000, afl. 10, 1976, Bull. 2000, afl. 12, 1930; Cass. AR P.93.1511.N, 3 januari 1995, Arr. Cass. 1995, 3, A.J.T. 1995-96, 142, Bull. 1995, 3, Pas. 1995, I, 3, noot M.D.S.).

Door het Hof dient uit de door partijen voorgelegde stukken te worden vastgesteld dat :

- de BTW-navordering uitsluitend ten laste van appellante, m.n. mevrouw A. V. T., wordt vervolgd en niet ten laste van haar echtgenoot de heer G. W., aan wie geen enkel van de betrokken gerechtsdeurwaardersexploten werd betekend;

- de BTW-navordering, zowel krachtens het op 5 februari 1993 uitgevaardigd dwangbevel als de op 12 januari 1995 uitgevaardigde dwangbevelen, op benaarstiging en vervolging van de Ontvanger van het Tweede BTW-Ontvangkantoor te Hasselt geschiedt;

- het op 5 februari 1993 uitgevaardigd dwangbevel aan appellante op 20 april 1993 bij exploot van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder D. V., handelend in vervanging van gerechtsdeurwaarder J. W., met standplaats te …, betekend werd op het adres …, te …;

- appellante zich op 29 juli 1993 heeft laten afschrijven uit voormeld adres om te worden ingeschreven in de bevolkingsregisters van de gemeente … (…) met als adres …, …;

- voormeld … adres ambtshalve geschrapt werd op 21 februari 1994;

- het op 5 februari 1993 uitgevaardigd dwangbevel aan appellante op 18 december 1997 bij exploot van gerechtsdeurwaarder P. W., met standplaats te …, bij gebrek aan gekend woon- of verblijfplaats, noch in België noch in het buitenland, herbetekend werd aan de Procureur des Konings bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt;

- de rechtsgeldigheid van de herbetekening van voormeld dwangbevel op 18 januari 2000 op het adres te …, …, niet betwist wordt;

- de op 12 januari 1995 uitgevaardigde dwangbevelen aan appellante op 19 januari 1995 bij exploot van gerechtsdeurwaarder P. W., met standplaats te …, bij gebrek aan gekende woon- of verblijfplaats, noch in België noch in het buitenland, betekend werden aan de Procureur des Konings bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt;

- de door appellante voorgelegde stukken ten bewijze van de kennis in hoofde van de belastingadministratie van haar inschrijving in de bevolkingsregisters van de gemeente …, op het adres … te …, hetzij uitgaan van de Ontvanger der Penale Boeten hetzij gericht zijn aan haar echtgenoot de heer G. W..

Uit vorenstaande vaststellingen dient te worden besloten dat :

- appellante op datum van 20 april 1993 nog steeds gedomicilieerd was te …, zodat het op deze datum betekend exploot rechtsgeldig is;

- appellante in gebreke blijft te bewijzen dat de vervolgende schuldeiser, m.n. de Ontvanger van het Tweede BTW-Ontvangkantoor te Hasselt, op datum van betekening van de gerechtsdeurwaarderexploten op 19 januari 1995 resp. 18 december 1997, kennis had van haar inschrijving in de bevolkingsregisters van de gemeente … in …;

- zulks aan haar eigen nalatigheid te wijten was;

- de kennis van dit adres door enige andere vervolgende schuldeiser of enige andere Ontvanger van de belastingadministratie hieraan geen afbreuk doet (vgl. Cass. (1e k.) AR C.10.0074.N, 17 december 2010, RABG 2011, afl. 6, 443, noot);

- de gebeurlijke kennis van het adres van de echtgenoot van appellante in hoofde van de vervolgende schuldeiser niet pertinent is, gezien de BTW-navordering uitsluitend ten laste van appellante wordt vervolgd;

- de gerechtsdeurwaarderexploten betekend op 20 april 1993, 19 januari 1995, 18 december 1997 en tenslotte 18januari 2000 alle stuitende werking hebben, zodat de verschillende BTW-navorderingen, die het voorwerp uitmaken van de op 5 februari 1993 resp. de op 12 januari 1995 uitgevaardigde dwangbevelen, geenszins verjaard zijn.

Het hoger beroep faalt derhalve zo in feite als in rechte.

2.3. Artikel 2 van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat stelt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding vast voor de geschillen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen, met uitzondering van de aangelegenheden bedoeld in artikel 4 van dit besluit.

Artikel 3 van voormeld Koninklijk besluit stelt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding vast voor de geschillen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen.

De vordering heeft betrekking op een BTW-navordering, die kan geraamd worden op een bedrag van … EUR. De vordering is derhalve in geld waardeerbaar (vgl. Cass. (1e k.) AR F.09.0006.F, F.09.0020.F, 12 maart 2010, FJF 2010, afl. 7, 720, JLMB 2011 (samenvatting), afl. 1, 45, RABG 2010, afl. 18, 1187, noot P. VANLERSBERGHE, 'Rechtsplegingsvergoeding en (niet) in geld waardeerbare vorderingen', (RABG 2010, afl. 18, 1190-1193), RGCF 2010, afl. 5,372; zie ook : Cass. (1e k.) AR F.08.0043.F, 18 juni 2010, JLMB 2011 (samenvatting), afl. 1, 45, RABG 2010, afl. 19, 1239, TFR 2010, afl. 391, 963, noot S. DE RAEDT, 'Over interestkapitalisatie en het uitdrukkelijk vorderen van moratoriuminteresten bij het betwisten van de aanslag', (TFR 2010, afl. 391, 971-980), RGCF 2011, afl. 1, 63, RW 2010-11, afl. 33, 1393, noot M. DELANOTE, 'Interestkapitalisatie op het vlak van de inkomstenbelastingen : Hof van Cassatie geeft uitsluitsel', (RW 2010-11, afl. 33, 1393-1395)).

De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep dient dan ook te worden begroot op … EUR.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis;

Verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond;

Veroordeelt appellanten tot de kosten van hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ZES SEPTEMBER TWEEDUIZENDENELF,

waar aanwezig waren :

D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;

M. D. en S. B., Raadsheren;

A. V. L., Griffier.

A. V. L. S. B. M. D. D. W.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 41 voorkomen
WBTW art. 811 voorkomen
WBTW art. 831 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8