Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 18.12.2009, Zaak F.08.0056.F
Beginsel van behoorlijk bestuur
Rechtszekerheid
Aftrek
Beperkte aftrek op een voertuig
Samenvatting
De beginselen van goed bestuur, die het recht op rechtszekerheid omvatten, zijn bindend voor de belastingadministratie; zij moet de wet toepassen en het staat haar niet vrij om afstand te doen van de verplichting om de wettelijk verschuldigde belasting vast te stellen (1).
(1) Zie concl. O.M. in Pas., 2009, nr ...
Het recht op rechtszekerheid impliceert niet dat de belastingplichtige de toepassing van een met de wet strijdige regeling kan eisen door zich te beroepen op de door de aanschrijvingen van de administratie gewekte schijn, daar die schijn bij hem niet de gewettigde overtuiging heeft kunnen wekken dat de administratie afzag van de strikte toepassing van de wet (1).
(1) Zie concl. O.M. in Pas., 2009, nr ...
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Hof van Cassatie van België
Arrest
Nr. F.08.0056.F
BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,
Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
D. D..
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 september 2007 gewezen
door het hof van beroep te Bergen.
Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert de volgende twee middelen aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 45, §2, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde
waarde, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 107 van de
wet van 27 december 2005;
- de artikelen 37, 107, 108, 159 en 170 van de Grondwet ;
- algemeen beginsel van goed bestuur ;
- algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid ;
- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter geen beslissing, en met name ook
geen rechtsnorm, mag toepassen die een hogere bepaling schendt.
Aangevochten beslissingen
Het arrest bevestigt het beroepen vonnis, verklaart het hoger beroep van de verweerder
gegrond, wijst het toe en verklaart bijgevolg het dwangbevel nr. CTRI 197.0611.17310
LRM nietig dat op 18 juni 1997 is uitgevaardigd door mevrouw de ontvanger van het
ontvangkantoor van de belasting over de toegevoegde waarde te Bergen en dat op 19 juni
1997 is geviseerd en uitvoerbaar verklaard, zegt voor recht dat het door de verweerder
aangekochte voertuig Chrysler Voyager Crew Cab een lichte vrachtwagen is waarvoor
de beperking van de belastingaftrek, bedoeld in artikel 45, §2, eerste lid, van het Wetboek
van de belasting over de toegevoegde waarde, niet geldt, veroordeelt de eiser om aan de
verweerder alle uit dien hoofde onverschuldigd ontvangen belastingen in hoofdsom en
interesten, terug te betalen, wat neerkomt op een bedrag van 3.249,78 euro, vermeerderd
met de gerechtelijke interest aan de wettelijke rentevoet vanaf 20 oktober 1998, tot de
algehele betaling, en veroordeelt hem in de kosten van de verweerder, begroot op een
bedrag van 1.027,01 euro, om de volgende redenen :
"Door de evolutie op het vlak van de conceptie en de inrichting van motorvoertuigen was
een herziening nodig van de regels die het mogelijk maakten een onderscheid te maken
tussen personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen enerzijds, en lichte
vrachtwagens anderzijds. Nieuwe criteria werden derhalve uitgewerkt in de
administratieve aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987 inzake belasting over de
toegevoegde waarde. In de aanhef van die circulaire worden die criteria van toepassing
verklaard op de belasting over de toegevoegde waarde, de inschrijvingstaks, de
verkeersbelasting en op de aangelegenheden die onder de bevoegdheid vallen van het
Ministerie van Verkeerswezen - Bestuur van het Vervoer (goedkeuring van de
voertuigtypes en inschrijving). Die nieuwe criteria zijn zowel van toepassing op de
voertuigen die slechts één aandrijvend wielstel hebben als op deze die uitgerust zijn met
twee aandrijvende wielstellen :
'1. Uiteenzetting van de nieuwe criteria.
A. Algemeen principe.
5. De nieuwe criteria beogen in feite een betere omschrijving van het begrip "lichte
vrachtwagen".
6. Onder deze term wordt voortaan verstaan "elke auto met een hoogste toegelaten
gewicht van niet meer dan 3.500 kg, gebouwd of definitief omgevormd voor het vervoer
van goederen en essentieel voor dit doel bestemd". Onder voorbehoud van de bijzondere
bijkomende voorwaarden hierna bepaald onder nr. 10, kan een voertuig slechts aan deze
omschrijving beantwoorden wanneer op zijn minst de volgende voorwaarden vervuld
zijn:
1° het voertuig is uitgerust met ten hoogste één rij (zetels) vooraan of één zitbank
vooraan;
2° het voertuig heeft een niet wegneembare vlakke laadvloer voor goederen, één geheel
vormend met het voertuig door middel van laswerk, rivetten, bouten met afbrekende kop
of een ander procédé met gelijkwaardig resultaat en met een lengte die in principe niet
kleiner mag zijn dan de helft van de wielbasis;
3° de mogelijkheid tot het plaatsen van zetels en veiligheidsgordels in de laadruimte is
onbestaande, hetgeen inhoudt dat op het laadvlak geen verankerings-, aanhechtings- of
bevestigingspunten voor zetels, zitbanken en veiligheidsgordels aanwezig zijn (…).
10. In afwijking van de regel dat het voertuig met slechts één rij zetels vooraan of één
zitbank vooraan mag uitgerust zijn, wordt aanvaard, voor zover welteverstaan de
verschillende voorwaarden uiteengezet onder nr. 6 hierboven (met uitzondering van deze
vermeld onder 1° en 4° van het eerste lid van dit nr. 6) zijn vervuld, dat de voertuigen met
zogenaamde "dubbele cabine" kunnen worden aangemerkt als lichte vrachtwagen
wanneer ze aan de volgende bijkomende voorwaarden voldoen:
1° de bestuurdersruimte bestaat van bij de bouw of assemblage in een stevige en
afgesloten constructie, volledig onafhankelijk van de ruimte bestemd voor de goederen;
2° deze constructie mag uitgerust zijn met slechts twee rijen zetels of met twee zitbanken,
geplaatst in de rijrichting (…)'.
De aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990 inzake belasting over de toegevoegde
waarde verduidelijkt met name wat onder het begrip 'lichte vrachtwagen' en 'voertuig
met dubbele cabine' wordt verstaan: (...)
'Bijzonder geval van de voertuigen met dubbele cabine
3. Het nummer 10 van de aanschrijving van 11 september 1987, nr. 10, wordt vervangen
door de volgende tekst:
"Voertuigen met dubbele cabine
10. In afwijking van de regel dat het voertuig met slechts één rij zetels vooraan of een
zitbank vooraan mag uitgerust zijn, wordt aanvaard, voor zover welteverstaan de
verschillende voorwaarden uiteengezet onder nr. 6 hierboven (met uitzondering van deze
vermeld onder 1 ° en 4° van het eerste lid van dit nr. 6) zijn vervuld, dat de voertuigen
met zogenaamde "dubbele cabine" kunnen worden aangemerkt als lichte vrachtwagen
wanneer ze aan de volgende bijkomende voorwaarden voldoen:
1° de bestuurdersruimte bestaat in een stevige en afgesloten constructie, volledig
gescheiden van de ruimte bestemd voor de goederen; deze passagiersruimte mag
oorspronkelijk zo gebouwd zijn (type: 'pick-up') ofwel door verbouwing afgeleid zijn van
een gesloten bestelwagen, met uitsluiting van elke verbouwing van een personenauto of
een auto voor dubbel gebruik tot een 'dubbele cabine'. Zo het voertuig afgeleid is van een
'gesloten bestelwagen', moet een wand, niet wegneembaar gemaakt door lassen of door
een ander gelijkwaardig procédé (met uitsluiting van een bevestiging met schroeven) de
goederenruimte volledig van de passagiersruimte scheiden, zonder mogelijkheid tot
doorgang van de ene naar de andere ruimte;
2° de passagiersruimte moet twee rijen zetels omvatten. De achterste zetels van de
'dubbele cabine' mogen naar voor gerichte of zijdelings geplaatste zetels of zitbanken
zijn. In ieder geval mag deze passagiersruimte maximaal 6 zitplaatsen bevatten, de
zitplaats van de bestuurder niet inbegrepen;
3° de goederenruimte mag in de zijwanden niet met ruiten uitgerust zijn; indien er ruiten
aanwezig zijn, moeten zij afgedicht worden. Hierbij zijn zelfklevende films of verf
uitgesloten (…)'.
Zoals de federale ombudsman terecht heeft beklemtoond (...), is de verschillende
uitlegging door het Ministerie van Financiën en door het Ministerie van Verkeerswezen
die aan de basis ligt van de volledige aftrek van de BTW te wijten aan een gebrek aan
samenwerking. Het is niet zonder belang om op dit punt uittreksels uit deze naar recht
(…) perfect gemotiveerde brief aan te halen: '(...) de administratie van de belasting over
de toegevoegde waarde is niet gebonden door de omschrijving die het Ministerie van
Verkeerswezen aan het voertuig geeft. Bijgevolg is de mogelijkheid voor de administratie
om zodoende af te wijken van de door andere departementen uitgevaardigde regels,
strijdig met de rechtszekerheid en schendt zij het gewettigd vertrouwen van de burger
(...)'".
en voegt hieraan het volgende toe:
"De algemene beginselen van goed bestuur die (aldus) zowel voor de diensten van het
Ministerie van Verkeerswezen als voor die van het Ministerie van Financiën bindend zijn,
omvatten het recht op rechtszekerheid, dat ook het vertrouwensbeginsel wordt genoemd
en dat onder meer inhoudt dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders
kan opvatten dan als een vaste gedrags- en beleidsregel (...). De openbare diensten
moeten dus in beginsel de gerechtvaardigde verwachtingen inlossen die zij bij de burger
hebben gewekt. Het vertrouwensbeginsel verplicht de administratie daarenboven om door
haar gedrag geen schijn op te wekken waardoor de belastingplichtige in dwaling zou
kunnen worden gebracht, alsook te vermijden dat de gerechtvaardigde verwachtingen
van de belastingplichtige niet zouden worden ingevuld (...). Blijkens de leer van de
arresten van het Hof van Cassatie van 3 en 14 juni 2002 is het wettelijkheidsbeginsel niet
van toepassing op de feitenkwesties en het vertrouwensbeginsel niet op rechtskwesties
(...). Het staat vast dat er nieuwe criteria ter differentiatie van personenauto's, auto's
voor gemengd gebruik en minibussen, enerzijds, en lichte vrachtwagens, anderzijds, zijn
ingevoerd door de administratieve aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987, en dat
deze op bepaalde punten zijn verduidelijkt door de aanschrijving nr. 25 van 11 december
1990. De eerste aanschrijving verklaart die onderscheidingscriteria in haar aanhef van
toepassing op de belasting over de toegevoegde waarde, de inschrijvingstaks, de
verkeersbelasting en op de aangelegenheden die onder de bevoegdheid vallen van het
Ministerie van Verkeerswezen, Bestuur van Vervoer (goedkeuring van de voertuigtypes
en inschrijving).
De toepassing van die differentiatiecriteria betreft een feitenkwestie. Het staat vast dat de
vermelding 'lichte vrachtwagen' voorkwam op het eenvormigheidsattest van de
constructeur en op het inschrijvingsbewijs dat op 18 februari 1997, met referentie
95/1324, voor de nummerplaat (…) is uitgereikt door de Dienst Inschrijving Voertuigen
(hierna DIV) van het Ministerie van Verkeerswezen. In die omstandigheden en ongeacht
de latere dwalingen van de verschillende administraties van de twee verschillende
ministeries, heeft (de eiser) de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen
miskend toen hij, door middel van een regularisatie, het recht op 100 pct. aftrek van de
door de (verweerder) bij de aankoop van een voertuig betaalde belasting in het gedrang
heeft gebracht".
Grieven
Artikel 45, §2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals het
te dezen van toepassing is, dus vóór de wijziging ervan door de wet van 27 december
2005, bepaalde:
"Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van
automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor
personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van goederen
en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan
50 pct. van de betaalde belasting.
Deze bepaling is evenwel niet van toepassing :
a) op voertuigen bestemd om te worden verkocht of te worden verhuurd door een
belastingplichtige die een specifieke economische activiteit uitoefent die bestaat in de
verkoop of de verhuur van automobielen;
b) op voertuigen bestemd om uitsluitend te worden gebruikt voor bezoldigd
personenvervoer;
c) op nieuwe voertuigen in de zin van artikel 8bis, §2, 2°, andere dan deze bedoeld onder
a en b, die het voorwerp uitmaken van een op grond van artikel 39bis vrijgestelde
levering. In dit geval wordt de aftrek slechts uitgeoefend binnen de grenzen of ten belope
van het bedrag van de belasting dat op deze levering opeisbaar zou zijn indien ze niet
vrijgesteld zou zijn op grond van genoemd artikel 39bis".
Die bepaling is zonder onderscheid van toepassing op alle motorvoertuigen, zelfs als zij
door de belastingplichtige uitsluitend worden gebruikt voor beroepsdoeleinden, met
uitsluiting van de in het tweede lid bedoelde gevallen.
De belastingwetgever heeft de aftrekbaarheid van de belasting over de toegevoegde
waarde op motorvoertuigen stelselmatig op een zeer restrictieve wijze toegepast om
bedrog en misbruik in die aangelegenheid te bestrijden. Alleen de voertuigen die strikt
genomen bedrijfsvoertuigen zijn, d.w.z. die uitsluitend dienen voor het goederenvervoer
of het bezoldigd personenvervoer of de verhuur, vallen niet onder de beperkingen
bepaald in artikel 45, §2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
Zodra een voertuig zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kan dienen,
moet de wettelijke beperking van de aftrekbaarheid van de belasting over de toegevoegde
waarde tot 50 pct. worden toegepast, aangezien noch artikel 45, §2, van het Wetboek van
de belasting over de toegevoegde waarde, noch enige andere wettelijke bepaling, destijds
de categorieën van voertuigen heeft omschreven waarop die beperkte aftrekbaarheid van
toepassing was en evenmin heeft bepaald dat deze omschrijving reglementair of
administratief mocht gebeuren.
Aldus moet het begrip voertuigen "die zowel voor personenvervoer als voor
goederenvervoer kunnen dienen" in zijn gebruikelijke maar noodzakelijkerwijs
alomvattende betekenis worden begrepen, zoals de wetgever dat heeft gewild. De
administratie is immers niet bevoegd om aan het begrip "lichte vrachtwagen" een
ruimere betekenis te geven, ook al zouden andere ministeries dit aanvaarden.
(…)
Tweede onderdeel
Hoewel de algemene beginselen van goed bestuur, rechtszekerheid en gewettigd
vertrouwen, die bindend zijn voor de administratie van financiën, het recht op
rechtszekerheid omvatten, dat onder meer inhoudt dat de burger moet kunnen vertrouwen
op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- en beleidsregel, een
beginsel krachtens hetwelk de openbare diensten de gerechtvaardigde verwachtingen
moeten inlossen die zij bij de burger hebben gewekt, kan de toepassing van die beginselen
evenwel geen afwijking van de wet verantwoorden, omdat dit een schending van de
artikelen 159 en 170 van de Grondwet zou inhouden.
De beginselen van goed bestuur en rechtszekerheid dienen alleen om feitelijke situaties te
regelen en kunnen niet worden aangevoerd in situaties die bij wet zijn geregeld. Onder
feitelijke kwestie moet worden verstaan een betwisting die betrekking heeft op de raming
van het bedrag van een inkomen of een aftrek, de vaststelling van een percentage, de
bewijskracht van een boekhouding, enz. Een rechtskwestie, daarentegen, heeft betrekking
op de toepassing of de draagwijdte van een wettelijke bepaling, de omschrijving van
bepaalde inkomsten, het vrijgesteld of belastbaar karakter van de aftrekbaarheid van
beroepskosten, enz.
De bepaling van het toepassingsgebied en de beperking van het recht op aftrek van de
belasting over de toegevoegde waarde, op grond van artikel 45, §2, eerste lid, van het
Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, betreffen zonder de minste twijfel,
en in tegenstelling tot wat het arrest verklaart, een rechtskwestie en niet een feitenkwestie
die de administratie van geval tot geval kan en moet onderzoeken en waarop het
algemeen beginsel van goed bestuur niet van toepassing is, aangezien een ongeschreven
algemeen rechtsbeginsel de rechter niet kan ontslaan van de verplichting om de
desbetreffende wet toe te passen.
Voor de toepassing van de beperking van het recht op aftrek, zoals bepaald in artikel 45,
§2, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, is de
benaming waaronder het voertuig is ingeschreven, zonder belang voor het antwoord op
de vraag of het voertuig al dan niet moet worden beschouwd als een voertuig dat zowel
voor personenvervoer als voor goederenvervoer kan dienen en of het bijgevolg beperkt
aftrekbaar is.
De toepassing van artikel 45, §2, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de
toegevoegde waarde, kan daarenboven niet worden geweigerd op grond van de algemene
beginselen van goed bestuur, rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen.
Het arrest, dat beslist dat het litigieuze voertuig door de administratie van de DIV en
door het Ministerie van Verkeerswezen als een lichte vrachtwagen werd beschouwd,
zowel voor het goedkeuringsattest als voor het inschrijvingsbewijs, en de differentiatie
van de verschillende voertuigentypes een feitenkwestie is, zodat de verweerder op grond
van de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen recht had op 100 pct.
aftrek van de bij de aankoop betaalde belasting, schendt bijgevolg de artikelen 45, §2,
eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, 159 en 170 van
de Grondwet en miskent de algemene rechtsbeginselen van goed bestuur, rechtszekerheid
en gewettigd vertrouwen.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Tweede onderdeel
De beginselen van goed bestuur, die het recht op rechtszekerheid omvatten, zijn
bindend voor de belastingadministratie.
Zij moet echter de wet toepassen en het staat haar niet vrij om afstand te doen van
de verplichting om de wettelijk verschuldigde belasting vast te stellen.
Bijgevolg impliceert het recht op rechtszekerheid, in de regel, niet dat de
belastingplichtige de toepassing van een met de wet strijdige regeling kan eisen
door zich te beroepen op de door de aanschrijvingen van de administratie gewekte
schijn, daar die schijn bij hem niet de gewettigde overtuiging heeft kunnen
wekken dat de administratie afzag van de strikte toepassing van de wet.
Artikel 45, §2, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde
waarde, zoals het te dezen van toepassing is, bepaalt dat ten aanzien van de
levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen die
zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten
aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, de aftrek in
geen geval hoger mag zijn dan 50 pct. van de betaalde belasting. Het tweede lid
van die bepaling somt de afwijkingen van die regel op, die te dezen niet van
toepassing zijn.
De omschrijving van voertuigen "die zowel voor personenvervoer als voor
goederenvervoer kunnen dienen", in de zin van die bepaling, is geen feitenkwestie
maar een rechtskwestie.
Het arrest beslist:
- dat "er nieuwe criteria voor het onderscheid tussen personenauto's, auto's voor
gemengd gebruik en minibussen, enerzijds, en lichte vrachtwagens, anderzijds,
zijn ingevoerd door de administratieve aanschrijving nr. 10 van 11 september
1987, en dat deze op bepaalde punten zijn verduidelijkt door de aanschrijving
nr. 25 van 11 december 1990;
- dat de eerste aanschrijving die differentiatiecriteria in haar aanhef van
toepassing verklaart op de belasting over de toegevoegde waarde, de
inschrijvingstaks, de verkeersbelasting en op de aangelegenheden die onder de
bevoegdheid vallen van het Ministerie van Verkeerswezen, Bestuur van
Vervoer (goedkeuring van de voertuigtypes en inschrijving)";
- en dat het vaststaat dat de vermelding "lichte vrachtwagen" voorkwam op het
eenvormigheidsattest van de constructeur en op het door het Ministerie van
Verkeerswezen uitgereikte inschrijvingsbewijs en proces-verbaal van
goedkeuring.
Het arrest, dat beslist dat de toepassing van de daarin opgesomde
differentiatiecriteria "een feitenkwestie betreft" en dat de eiser, in de voormelde
omstandigheden, "de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen
heeft miskend toen hij, door middel van een regularisatie, het recht op 100 pct.
aftrek van de door de (verweerder) bij de aankoop van een voertuig betaalde
belasting in het gedrang heeft gebracht", zonder te onderzoeken of er wel voldaan
was aan de voormelde voorwaarde waaraan de wet de aftrek van de betaalde
belastingen tot beloop van meer dan 50 pct. onderwerpt, verantwoordt zijn
beslissing niet naar recht.
Het onderdeel is gegrond.
(…)
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het het hoger beroep en het
verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk verklaart.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het
gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door
afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis,
Sylviane Velu en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 18 december
2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van
advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van Geert Jocqué en overgeschreven met
assistentie van griffier Philippe Van Geem.
De griffier, De raadsheer,
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
1Rechtspraak
4België
4Hof van CassatieF.14.0162.N04.02.2016
Recht op aftrek, Automobielen voor personenvervoer
Hof van beroep te Luik2015/RG/6810.01.2017
Recht op aftrek, Uitsluitingen, Kosten van onthaal
Hof van beroep te Brussel2011/AR/222929.10.2015