Tekst van de beslissing
ARREST C 99/3
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 15.04.1999
Bedrieglijk verbruik van elektriciteit
De BTW is niet verschuldigd op het verbruik van elektriciteit die door de verdeler niet is geleverd aan de verbruiker maar door laatstgenoemde langs bedrieglijke weg is verkregen.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 18 november 1996 gewezen door het Hof van Beroep te Bergen;
Over het middel: schending van de artikelen 1382, 1383 van het Burgerlijk Wetboek, 2, 9 en 10, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde,
doordat het arrest vaststelt dat de schade die aan de tellers is vastgesteld "het gevolg was van welbepaalde handelingen die bedoeld waren om de tellerschijven te blokkeren teneinde de registratie van het gas- en elektriciteitsverbruik te verhinderen", dat er "zwaarwichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat (verweerder) met die tellers geknoeid heeft", en dat het hof van beroep bij de raming ex aequo et bono van de schade die eiseres geleden heeft "ten gevolge van het bedrog dat (verweerder) in staat heeft gesteld de betaling van een gedeelte van de werkelijk verbruikte energie te ontduiken", het redelijk acht de door (eiseres) voorgestelde bedragen (229.215 frank en 7.732 frank) in aanmerking te nemen, aangezien die bedragen onder meer zijn gebaseerd op het reële verbruik dat was geregistreerd voor de periode van vóór het bedrog"; dat het arrest vervolgens beslist "dat op die bedragen geen belasting over de toegevoegde waarde mag worden gevorderd, daar de schade van (eiseres) voortvloeit uit een misdrijf en niet uit de normale uitvoering van het tussen de partijen bestaande contract van levering", en derhalve verweerder enkel veroordeelt tot betaling van het bedrag van 236.947 frank, vermeerderd met de interest tegen de opeenvolgende wettelijke rentevoeten vanaf 24 september 1987,
terwijl artikel 2 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt dat "de leveringen van goederen (...) die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen zijn wanneer ze in België plaatsvinden"; artikel 9 van voornoemd wetboek bepaalt dat elektriciteit en gas voor de toepassing van dit wetboek als lichamelijke goederen worden beschouwd; artikel 10, § 1, van dat wetboek bepaalt dat "als een levering van een goed wordt beschouwd de overdracht of de overgang van de macht om als een eigenaar over een goed te beschikken" en die omschrijving vervolledigt door de toevoeging dat "er onder meer het feit wordt bedoeld waarbij een goed ter beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt gesteld ingevolge een contract tot overdracht of aanwijzing"; uit de bewoordingen zelf van artikel 10, § 1, blijkt dat het begrip levering van goederen slaat op elke overdracht of overgang van een lichamelijk goed door een partij, waardoor de wederpartij zich ten aanzien van dat goed werkelijk als een eigenaar kan gedragen; de aldus opgevatte levering niet noodzakelijk moet volgen uit een contract tot overdracht of aanwijzing van eigendom; eiseres, blijkens de vaststellingen van het arrest, verschillende jaren onder bezwarende titel gas en elektriciteit heeft geleverd aan verweerder die ze zich heeft toegeëigend zonder de prijs ervoor te betalen; de omstandigheid dat verweerder zich wederrechtelijk de door eiseres geleverde gas en elektriciteit heeft toegeëigend niet tot gevolg heeft dat er geen levering van een goed geschied is in de zin van artikel 10, § 1; het arrest bijgevolg de beslissing dat geen belasting over de toegevoegde waarde mag worden gevorderd op de bedragen van 229.215 frank en 7.732 frank niet naar recht verantwoordt door de overweging dat de schade van eiseres voortvloeit uit "een misdrijf en niet uit de normale uitvoering van het tussen de partijen bestaande contract van levering":
In zoverre het middel de schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek aanvoert:
Overwegende dat het middel niet preciseert waarin de aangevoerde schending van die wetsbepalingen bestaat;
Dat, in zoverre, het middel niet ontvankelijk is;
In zoverre het middel de schending aanvoert van de artikelen 2, 9 en 10, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde:
Overwegende dat het arrest zich niet ertoe beperkt te beslissen "dat de schade van (eiseres) voortvloeit uit een misdrijf en niet uit de normale uitvoering van het tussen de partijen bestaande contract van levering", maar tevens vaststelt "dat de vordering van (eiseres) strekt tot vergoeding van de schade die zij beweert te hebben geleden ten gevolge van het bedrog dat (verweerder) in staat gesteld heeft de betaling van een gedeelte van de werkelijk verbruikte energie te ontduiken", en die schade vervolgens naar billijkheid raamt met de opmerking "dat (die) raming (...) berust op een noodzakelijkerwijs theoretische raming van de niet betaalde gas en elektriciteit";
Dat het arrest aldus ondubbelzinnig uitsluit dat het bedrag van de aan eiseres toegekende vergoeding overeenstemt met de prijs van de door haar aan verweerder geleverde energie en zijn beslissing "dat op (dat) bedrag geen belasting over de toegevoegde waarde mag worden gevorderd" naar recht verantwoordt;
Dat, in zoverre, het middel niet kan worden aangenomen; OM DIE REDENEN,
Beschikkend gedeelte
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.