Band met economische activiteit, Helikoptervluchten, Aftrek · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 18 november 2003

Zoeken

Band met economische activiteit, Helikoptervluchten, Aftrek

https://juriel.be/nl/rechtspraak/band-economische-activiteit-helikoptervluchten-aftrek-rechtbank-brugge-2003-11-18-66aa

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
18 november 2003

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

73 paragrafen

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 18.11.2003

Band met economische activiteit - Helikoptervluchten - Aftrek

De belastingplichtige die de B.T.W. wenst af te trekken met betrekking tot facturen inzake helikoptervluchten draagt de aanvoerings- en bewijslast.

Belastingplichtige voert aan dat het om vluchten gaat waarmee buitenlandse klanten op een efficiëntere manier tot bij haar gebracht worden. De klanten bezoeken het bedrijf volgens haar om zich ervan te vergewissen dat belastingplichtige wel degelijk over de nodige capaciteit beschikt om grote orders te produceren en dat er bij belastingplichtige snel en efficiënt wordt gewerkt. De rechtbank oordeelt dat dit op zich een valabele uitleg is die zou kunnen verantwoorden dat daartoe gebruik wordt gemaakt van een helikopter. Hiermee lost belastingplichtige slechts haar aanvoeringsplicht in. Daarnaast moet zij die aangevoerde feiten nog bewijzen.

De rechtbank stelt vast dat de omschrijving op de betreffende facturen uiterst summier is en bovendien geen enkele concrete verwijzing bevat naar specifieke data, trajecten, kostprijseenheden enz. In principe beantwoorden die facturen dus niet aan de vereisten van artikel 5, § 1, 6 K.B. nr. 1 en dus automatisch ook niet aan de vereisten van artikel 3, § 1, 1 K.B. nr. 3. Zelfs wanneer zou kunnen aangenomen worden dat belastingplichtige kan toegestaan worden om de ware toedracht vooralsnog te bewijzen, dan stelt de rechtbank vast dat zij daaraan niet tegemoetkomt.

In die omstandigheden heeft de Administratie met reden geoordeeld dat het recht op aftrek van de B.T.W. op de betreffende facturen moest worden verworpen.

Alleensprekend rechter: M. V.

Advocaten: Mr. V., Mr. W.

N.V. V.T.V.

tegen

de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

I. Procedure

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 21 oktober 2003, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten:

1. de gedinginleidende dagvaarding van 21 december 2001;

2. de conclusie voor verweerder van 20 augustus 2002;

3. de conclusie voor eiseres van 4 december 2002 en

4. de conclusie voor verweerder van 17 februari 2003.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

II. De bijzonderste gegevens van de zaak

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiseres heeft een registratie als B.T.W.-plichtige voor de verhuring van materiaal, logistiek, kopiëren van CD's, video's en DVD's.

Op 31 augustus 2001 startte verweerder een controle bij eiseres met betrekking tot de toepassing van de B.T.W.-reglementering voor de periode van 1 januari 1998 tot 31 december 1999. Tussen de inkomende facturen van eiseres staken facturen van de N.V. C.A. die betrekking hebben op helikoptervluchten. Er waren twee soorten vluchten: «vluchten voor de regionale televisie» en «vluchten met uw klanten».

Verweerder heeft de aftrek van de B.T.W. op facturen voor helikoptervluchten «met uw klanten» verworpen op grond van artikel 45 § 3, 4° W.B.T.W. omdat verweerder die kosten beschouwde als «kosten van onthaal».

Na een correctieopgave kwam het op het vlak van de B.T.W. op helikoptervluchten niet tot een akkoord tussen de partijen. Voor de betreffende 16 facturen vroeg de gedelegeerd bestuurder van eiseres de correctieopgave aan te passen. Hij gaf in zijn brief van 24 oktober 2001 de volgende reden:

«Zoals U in bijlage zult kunnen vaststellen zijn deze door U opgenomen kosten geen kosten van onthaal doch opnamekosten geboekt op de rekening "603200 opnames TV algemeen.» (stuk 2 dossier verweerder).

Verweerder was kennelijk niet overtuigd en stelde op 9 november 2001 een proces-verbaal op. Daarin werd voor een bedrag van 10.153,67 euro B.T.W. verschuldigd verklaard, meer een verminderde proportionele boete van 991,57 euro en de wettelijke interest vanaf 21 januari 2000, waarop een betalingsbericht van 12 november 2001 werd verstuurd aan eiseres.

Onder voorbehoud van alle rechten betaalde eiseres de gevorderde bedragen.

Met een dagvaarding van 21 december 2001 stelde eiseres haar huidige vordering in.

2. De standpunten en vorderingen van de partijen

Eiseres vordert dat de rechtbank de terugbetaling aan haar zou bevelen van de in uitvoering van het betalingsbericht van 12 november 2001 betaalde rechten, boeten en interest, zijnde in het totaal 12.929,68 euro, verhoogd met de moratoire interest vanaf de dag van de betaling en met de gerechtelijke rente.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. Beoordeling

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

2. De grond van de vordering

2.1. Stelling van eiseres

Eiseres stelt dat de betreffende helikoptervluchten geen «kosten van onthaal» zijn. Volgens haar gaat het om kosten om gratis vervoer aan te bieden aan haar klanten van een welbepaalde plaats tot in haar bedrijf.

Het zou niet relevant zijn dat helikoptervluchten niet onder «gebruikelijk vervoer» gerekend worden. Volgens eiseres bewijst het feit dat verweerder de facturen van de vluchten voor de regionale televisie niet van het recht op aftrek uitsluit, dat het zelfs wel om gebruikelijk vervoer gaat.

In elk geval betwist eiseres dat die helikoptervluchten vergelijkbaar zouden zijn met rondritten met een pleziervaartuig. Eiseres voert immers aan dat de vluchten worden uitgevoerd om haar buitenlandse klanten op een adequate, snelle en rendabele manier over te brengen van hetzij het vliegveld, hetzij hun eigen onderneming naar de onderneming van eiseres. Zij legt een lijst voor met de omzetcijfers van een tiental buitenlandse klanten. Zij voegt er aan toe dat het vervoer per helikopter binnen haar bedrijf geen eenmalig gebeuren is, nu er maandelijks diverse vluchten met klanten worden verricht in haar opdracht. Dat bevestigt volgens eiseres dat het voor haar geen verkapte attractie betreft maar een normaal vervoer is.

Bovendien zou verweerder het rechtszekerheidsbeginsel geschonden hebben, met name door haar eigen administratieve richtlijnen niet toegepast te hebben. Eiseres wijst op enkele gepubliceerde beslissingen die voor haar gunstig zouden zijn en zij stelt dat verweerder zich aan het beleid dat daaruit kan afgeleid worden, moet houden. Ook daarom zou de weigering van de aftrek van voorbelastingen ongegrond zijn.

2.2. Stelling van verweerder

Verweerder beroept zich op de bijzondere bewijswaarde van haar proces-verbaal van 8 oktober 2001.

Klanten zijn, zo stelt verweerder, «aan het bedrijf vreemde bezoekers». Voor hem kan er geen twijfel over bestaan dat vervoer per helikopter van klanten valt onder «onthaal» vermits het voor die klanten een attractie zou zijn en geen vorm van gebruikelijk vervoer. Verweerder maakt de vergelijking met de aankoop van een pleziervaartuig voor het bevorderen van zakenrelaties door het organiseren van tochten op zee voor klanten of leveranciers.

Volgens eiseres kon de gedelegeerd bestuurder van eiseres geen verdere verduidelijking geven over de facturen met de vermelding «vluchten met uw klanten».

Als er dan toch, zoals eiseres aanvoert, per maand diverse vluchten zijn, dan vraagt verweerder zich af waarom er door de N.V. C.A. een verschillende omschrijving op haar facturen wordt vermeld.

Verweerder stelt dat hij niet uitsluit dat helikoptervluchten tot het normale vervoer kunnen gerekend worden, maar in het betreffende geval zouden de gegevens op de facturen niet volstaan om de handeling te determineren, zoals door artikel 5, § 1, 6 KB nr. 1 van 29 december 1992 wordt voorgeschreven.

Verweerder ontkent dat hij het rechtszekerheidsbeginsel zou geschonden hebben. Zijn standpunt in deze zaak zou in de lijn liggen van beslissingen van de Centrale Administratie met betrekking tot een plezierboot en de aankoop van een appartement aan de kust.

2.3. Beoordeling

De discussie met betrekking tot de vraag of de betreffende facturen betrekking hebben op «kosten van onthaal» en in het algemeen het recht op aftrek van de betaalde B.T.W. verantwoorden, kan slechts beoordeeld worden op basis van de concrete, feitelijke achtergrond. De vraag is dus waarvoor die gefactureerde helikoptervluchten werkelijk hebben gediend.

Nu eiseres gebruik wil maken van haar recht op aftrek van voorbelasting, draagt zij de aanvoerings- en bewijslast.

Zij voert aan dat het om vluchten gaat waarmee buitenlandse klanten op een efficiëntere manier tot bij haar gebracht worden. De klanten bezoeken het bedrijf volgens haar om zich ervan te vergewissen dat eiseres wel degelijk over de nodige capaciteit beschikt om grote orders te produceren en dat er bij eiseres snel en efficiënt wordt gewerkt. Op zich is dat een valabele uitleg die zou kunnen verantwoorden dat daartoe gebruik wordt gemaakt van een helikopter. Verweerder erkent dat principe trouwens zelf.

Daarmee lost eiseres nochtans slechts haar aanvoeringsplicht in. Daarnaast moet zij die aangevoerde feiten nog bewijzen.

De rechtbank stelt met verweerder vast dat de omschrijving op de betreffende facturen uiterst summier is en bovendien geen enkele concrete verwijzing bevat naar specifieke data, trajecten, kostprijseenheden enz. In principe beantwoorden die facturen dus niet aan de vereisten van artikel 5 § 1, 6 KB nr. 1 van 29 december 1992 en dus automatisch ook niet aan de vereisten van artikel 3, § 1, 1 KB nr. 3 van 10 december 1969.

Zelfs wanneer zou kunnen aangenomen worden dat eiseres kan toegestaan worden om de ware toedracht vooralsnog te bewijzen, dan stelt de rechtbank vast dat zij daaraan niet tegemoetkomt. Zij beroept zich naast de facturen alleen op de grote omzet van een tiental buitenlandse klanten. Op zich bewijst dat niet het uitvoeren van helikoptervluchten voor die klanten (om ze op een snelle manier van en naar het bedrijf te brengen). Er zijn geen andere bijkomende feitelijke elementen bewezen waarmee de rechtbank verder het bestaan van die vluchten bij wijze van vermoeden zou kunnen afleiden.

Integendeel valt het op dat de gedelegeerd bestuurder van eiseres in zijn brief aan verweerder van 24 oktober 2001 geen dergelijke uitleg verschafte en zelfs een andere verklaring gaf, met name dat het om «opnamekosten» ging onder de post «opname TV algemeen».

In die omstandigheden heeft verweerder met reden geoordeeld dat het recht op aftrek van de B.T.W. op de betreffende facturen moest worden verworpen.

Het rechtszekerheidsbeginsel kon hier niet in het gedrang komen. Eiseres toont immers niet aan dat verweerder op enige manier ooit zou beslist hebben dat in vergelijkbare omstandigheden toch het recht van aftrek van de voorbelasting moet worden toegestaan. Aldus kon bij eiseres nooit de indruk gewekt zijn dat zij wel degelijk recht op aftrek had.

De vordering van eiseres is daarom ongegrond.

3. De gerechtskosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid.

4. Uitvoerbaarheid bij voorraad

Nu de vordering van eiseres niet kan ingewilligd worden, heeft een voorlopige tenuitvoerlegging voor haar geen nut. Ook dat deel van de vordering is dus ongegrond.

Beschikkend gedeelte

IV. Uitspraak

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.

De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast:

aan de zijde van verweerder:

· rechtsplegingsvergoeding: 342,09 euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.

De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot de voorlopige tenuitvoerlegging af als ongegrond.

Aangehaalde teksten

2
KB nr. 1 art. 53 voorkomens
KB nr. 3 art. 32 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8