Procesverloop
2 stappen · 3 jaar 7 maanden- Bestreden beslissingHof van beroep te Gent17.03.2000
- Weergegeven beslissingHof van Cassatie van België06.11.2003
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 06.11.2003 (C.01.0147.N)
Administratieve sancties – Geldboete – Dwangbevel – Verzet - Saisine van de rechter
Wettelijke bepalingen
Artt. 83, 85, 89, W.BTW
Samenvatting
De feitenrechter bij wie verzet wordt gedaan tegen een dwangbevel dat een geldboete oplegt, moet zijn uitspraak niet noodzakelijk beperken tot de wettigheid van de gevorderde boete abstract beschouwd. Hij kan evenzeer het bedrag van de verschuldigde B.T.W. vaststellen indien de belastingplichtige op verzet de terugvordering vraagt van reeds onder voorbehoud betaalde of ingehouden bedragen.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie
dd. 06.11.2003
(C.01.0147.N)
D.J. eiser, vertegenwoordigd door mr. H.G., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te …, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
BELGISCHE STAAT, in de persoon van de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, en op vervolging en benaarstiging van :
1. de Rekenplichtige van het eerste BTW-ontvangkantoor te Kortrijk, Hovenierstraat 31,
2. de Hoofdcontroleur van het tweede BTW-controlekantoor te Kortrijk, Hovenierstraat 31,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. I.C.B., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te …, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 maart 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Gent.
Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs heeft geconcludeerd.
Feiten
Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat :
1. de rekening-courant tussen eiser en verweerder werd afgesloten op 30 april 1978 met een BTW-tegoed ten belope van 341.353 BEF ;
2. eiser op 26 december 1978 een naheffingsopgave voor akkoord ondertekende voor een bedrag van 65.859 BEF (verschuldigde BTW) en een geldboete van 6.500 BEF ;
3. eiser een tweede naheffingsopgave, betreffende 297.222 BEF verschuldigde BTW weigerde te ondertekenen ;
4. de hoofdcontroleur op 13 december 1979 per brief liet weten dat hij zich genoodzaakt zag een invorderingsprocedure aan te vatten omdat er geen minnelijk akkoord kon bereikt worden voor sommige overtredingen en tevens aan eiser meedeelde dat op de totaal verschuldigde BTW van 363.081 BEF het BTW-tegoed van 341.353 BEF in mindering gebracht zou worden ;
5. eiser in die periode twee betalingen onder voorbehoud verrichtte, ten bedrage van 35.500 BEF op 1 februari 1980 en ten bedrage van 26.978 BEF op 15 februari 1980 ;
6. verweerder op 17 maart 1980 een uitvoerbaar verklaard dwangbevel betekende aan eiser, samen met een proces-verbaal van 10 december 1979 en de naheffingsopgave van 26 december 1978 ;
7. eiser volgens dit dwangbevel aan verweerder 690.622 BEF geldboete verschuldigd was ;
8. in het dwangbevel werd vastgesteld dat eiser twee betalingen voor een totaal bedrag van 62.478 BEF had gedaan en dat compensatie werd toegepast met het tegoed op de rekening-courant van eiser bij de definitieve afsluiting op 30 april 1978 ; dat het tegoed 341.353 BEF bedroeg en werd toegerekend op de verschuldigde B.T.W. ;
9. eiser in verzet kwam tegen het dwangbevel bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk en vorderde dat "onderhavige betekening en het dwangbevel nietig en/of niet toelaatbaar of ontvankelijk zou zijn en dus moeten worden tenietgedaan en geen uitvoering kunnen of mogen kennen" en dat (verweerder) zou veroordeeld worden "tot de terugbetaling van de ten onrechte betaalde of aangezuiverde sommen, zijnde 35.500 BEF en 26.978 BEF en 341.353 BEF, verhoogd met de gerechtelijke intresten vanaf heden".
Middel
Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
de artikelen 83, 85, 89 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 8 augustus 1980 ;
artikel 83 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 15 maart 1999 ;
de artikelen 702, 3°, 1042 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek ;
de artikelen 1319, 1320, 1322, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 20 oktober 2000, en 2244 van het Burgerlijk Wetboek ;
het algemeen rechtsbeginsel, genaamd beschikkingsbeginsel.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden arrest verklaart het principaal en incidenteel beroep ontvankelijk en ongegrond, verklaart de eis te bevelen dat de BTW ten belope van 10.207 BEF, berekend op de som van 56.703 BEF, opgenomen in het passief van het faillissement PVBA Beco, moest worden teruggegeven, onontvankelijk en bevestigt het bestreden vonnis, waarbij eisers verzet toelaatbaar en deels gegrond werd verklaard, gezegd werd voor recht dat eiser aan de Staat slechts de som van 262.659 BEF, meer de rente op dit bedrag, verminderd met het bedrag van 26.978 BEF, verschuldigd was, verweerder werd veroordeeld om aan eiser het bedrag van 341.353 BEF, meer de rente vanaf 1 april 1978 tot aan de werkelijke terugbetaling, te betalen en het meer gevorderde als ongegrond werd afgewezen, met dien verstande dat het op 15 februari 1980 betaalde bedrag van 26.978 BEF bestaat uit 21.728 BEF belasting en 5.250 BEF rente en dat deze laatste bedragen respectievelijk in mindering moeten worden gebracht op de in het dwangbevel terecht opgenomen belasting van 262.659 BEF en op de in het dwangbevel opgenomen rente, op grond van onder meer volgende overwegingen :
"(Eiser) deed twee betalingen, telkens onder voorbehoud en zonder enige nadelige bekentenis :
- op 1 februari 1980 betaalde hij de boete ten bedrage van 35.500 BEF
- op 15 februari 1980 betaalde hij de som van 21.728 BEF + 5.250 BEF = 26.978 BEF.
2.2. Nadat het dwangbevel op 28 februari 1980 was opgemaakt met het oog op de invordering van een boete van 726.162 BEF 35.000 BEF = 690.662 BEF (hetgeen nog verschuldigd was nadat er op de belasting van 363.081 BEF, een boete van 726.162 BEF en intresten op 21.000 BEF een aanrekening was gedaan van hetgeen intussen betaald was en van het tegoed uit hoofde van de afsluiting van de rekening-courant) en vervolgens op 7 maart 1980 werd uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur werd het aan (eiser) betekend op 17 maart 1980.
De adjunct-directeur K. S. besliste dan op 11 juni 1980 om de boeten te verminderen tot 35.500 BEF.
Intussen had (eiser) reeds een 'verzet en daging' laten betekenen waardoor de zaak aanhangig werd gemaakt bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk. In dat exploot dat betekend werd aan de Belgische Staat, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen :
1) op vervolging en benaarstiging van de rekenplichtige van het BTW-kantoor te Kortrijk,
2) op vervolging en benaarstiging van de heer Hoofdcontroleur van het tweede Controlekantoor
werd vermeld 'Het verzet betreft in de eerste plaats de Ontvanger, de terugvordering betreft in de eerste plaats de Hoofdcontroleur, doch wordt de andere voor zoveel als nodig medebetekend wat betreft verzet of terugvordering' ;
(Eiser) verliest de omstandigheden uit het oog waarin het dwangbevel werd opgemaakt en betekend.
Na de controle van 14 juni 1978 is er op 16 juni 1978 aan (eiser) meegedeeld welke vaststellingen waren gedaan. Daarop is er briefwisseling gevoerd. Op 26 december 1978 aanvaardde (eiser) een naheffingsopgave, waarbij hij erkende verschuldigd te zijn : 65.859 BEF BTW, 6.500 BEF boete meer de intresten. (Eiser) kreeg nog een naheffingsopgave voorgelegd voor 297.222 BEF (100.422 BEF uit hoofde van zaak Beco + 196.800 BEF uit hoofde van commissieloon) + 29.000 BEF geldboete + de intresten, maar hij weigerde daarop in te gaan.
Op 13 december 1979 besloot de hoofdcontroleur dat er geen minnelijk akkoord kon bereikt worden voor sommige overtredingen (zaak Beco + commissielonen) en dat hij aldus genoodzaakt was de invorderingsprocedure aan te vatten. Zijn brief luidt verder als volgt :
'Het bij niet-betaling uit te vaardigen dwangbevel zal verwijzen naar het proces-verbaal, opgemaakt door de heer F., verificateur, op 10 december 1979. Van laatstgenoemd stuk gaat een afschrift hierbij. Het proces-verbaal vermeldt de aard van iedere overtreding, de als BTW verschuldigde som, de wettelijke boeten en de wettelijke intresten'.
Het dwangbevel vermeldde de ganse vordering van de Belgische Staat en zo blijkt dat deze vordering beliep :
- aan belasting : 363.081 BEF
- aan wettelijke boeten : 726.162 BEF
- aan intresten : de intresten bedoeld in artikel 91, ,§1 van het BTW-Wetboek te rekenen vanaf 21 januari op een bedrag van 21.000 BEF.
Toen (eiser) tegen dat dwangbevel opkwam door middel van verzet heeft hij duidelijk geargumenteerd tegen de ganse vordering, met inbegrip van de rechten ten bedrage van 363.081 BEF, waarvan hij de terugbetaling vorderde. Er werd van de eerste rechter verwacht dat hij het geschil nopens de rechten zou beslechten en hij heeft dit ook gedaan. Nu beweren dat het verzet zonder voorwerp is geworden toen door de herleiding van de boete tot 35.500 BEF het in het dwangbevel vermeld saldo van 690.662 BEF verviel is niet ernstig en volledig in strijd met de houding die (eiser) aannam voor de eerste rechter. (Eiser) verliest daarbij uit het oog dat hij de betaling van de rechten slechts beschouwde als voorlopig in afwachting van een gerechtelijke beslissing over de rechten. De beslissing van de adjunct-directeur van 11 juni 1980 om de boete te verminderen tot 35.500 BEF kon niet tot effect hebben dat het voorwerp van het verzet, zijnde de betwisting over de rechten, wegviel en dat is ook nooit de bedoeling geweest.
De eerste rechter heeft niet meer gedaan dan hetgeen van hem gevorderd werd. Hij heeft geen veroordeling uitgesproken. Hij besliste dus niet ultra petita zoals (eiser) beweert. Waar hij besliste dat het verzet ten dele gegrond was en ten dele ongegrond heeft hij moeten zeggen in welke mate de vordering gehandhaafd bleef. Dat gebeurde als volgt : 'Zegt voor recht dat eiser aan verweerder slechts verschuldigd is in hoofdsom : tweehonderd tweeënzestig duizend zeshonderd negenenvijftig frank, meer de rente op dit bedrag, verminderd met het bedrag van 26.978 BEF'. De verklaring daarvan is te vinden bij de recapitulatie, die aan het dispositief voorafging.
6. Het bedrag van 262.659 BEF is samengesteld uit twee bedragen, namelijk 196.800 BEF en 65.859 BEF. Het eerste bedrag betreft betwiste rechten. Het laatste bedrag betreft niet-betwiste rechten (zie de op 26.12.1978 ondertekende naheffingsopgave, die ook gewag maakt van een boete van 6.500 BEF en de rente). Terecht stelde de eerste rechter het volgende : 'Zodoende erkende eiser aan verweerder schuldig te zijn 9.000 BEF + 56.859 BEF of 65.859 + de boete en intresten. De rechtbank stelt derhalve nu reeds vast dat eiser alleszins dit bedrag aan hoofdsom verschuldigd is'.
De eerste rechter wees terecht het verzet af waar het betrekking had op de belasting ten belope van 65.859 BEF (begrepen in het bedrag van 363.081 BEF, dat vermeld werd in het dwangbevel als belasting). Door de kennisgeving van het dwangbevel werd de vordering tot voldoening van de belasting, van de boete en van de intresten gestuit en deze stuiting sorteert effect gedurende de ganse duur van het rechtsgeding.
In de mate dat het verzet betrekking had op de geldboete van 6.500 BEF, die vermeld werd in de naheffingsopgave, heeft (eiser) zelf gezegd dat die som is betaald (begrepen in de som van 35.500 BEF) en dat hij daarvan geen terugbetaling kan vragen gelet op het akkoord van 26.12.1978 (zie conclusies van 9 november 1990, p. 20, in fine van A)".
Grieven
Eerste onderdeel
Luidens artikel 85 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 8 augustus 1980, is het dwangbevel de eerste akte van vervolging met het oog op de voldoening van de belasting, de intresten, de administratieve geldboeten en het toebehoren en wordt het uitgevaardigd door de met invordering belaste ambtenaar.
Het dwangbevel is zodoende te omschrijven als een uitvoerbare akte, zijnde een akte die een gebod of een veroordeling om een welbepaald bedrag te betalen of een bepaalde handeling te stellen inhoudt.
De uitvoerbare kracht van dergelijke titel reikt niet verder dan het gebod of de veroordeling die deze titel inhoudt.
Er is bovendien slechts reden tot het uitvaardigen van een uitvoerbare akte in de mate waarin de schuld, die eraan ten grondslag ligt, nog niet werd aangezuiverd.
Het dwangbevel, waarvan sprake in artikel 85 van het BTW-Wetboek, kan dan ook slechts worden opgesteld ten belope van de nog openstaande schuld en zijn uitvoerbare kracht reikt niet verder dan het hierin gelegde gebod om een welbepaald bedrag te betalen.
Te dezen stelt het bestreden arrest uitdrukkelijk vast dat op 28 februari 1980 een dwangbevel werd opgemaakt tot invordering van een boete van 726.132 BEF 35.500 BEF = 690.662 BEF (hetgeen nog verschuldigd was nadat er op de belasting van 363.081 BEF, een boete van 726.162 BEF en intresten op 21.000 BEF een aanrekening was gedaan van hetgeen intussen betaald was en van het tegoed uit hoofde van de afsluiting van de rekening-courant), dat vervolgens uitvoerbaar verklaard werd door de gewestelijke directeur en aan eiser op 17 maart 1980 werd betekend.
Bij voornoemd dwangbevel door verweerder werd dan ook enkel een bedrag van 690.662 BEF ten titel van boete ingevorderd.
De verwijzing in het dwangbevel naar de aan deze boete ten grondslag liggende basisbelasting doet hieraan geen afbreuk, nu enerzijds de verwijzing naar die belasting ertoe strekte de invordering van de boete te rechtvaardigen en anderzijds er expliciet wordt vermeld dat er na aanrekening door de administratie van diverse bedragen enkel nog een saldo van 690.662 BEF verschuldigd was.
De administratie beschouwde de schuld voor het meerdere zodoende ingevolge deze aanrekening als aangezuiverd, zodat zij hiervan geen betaling meer kon vorderen.
Hieruit volgt dat het hof van beroep, dat bij het bestreden arrest aanneemt dat de eerste rechter vermocht te oordelen in welke mate de vordering van de administratie gehandhaafd bleef, aldus, impliciet doch zeker, oordelende dat het dwangbevel niet alleen het saldo, verschuldigd uit hoofde van de wettelijke boete, waarvan betaling werd gevorderd bij het exploot betekend op 17 maart 1980 betrof, doch bovendien de aan dit saldo ten grondslag liggende belasting, de draagwijdte van de uitvoerbare titel, die het dwangbevel uitmaakt, miskent (schending van artikel 85 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 8 augustus 1980), evenals de bewijskracht, gehecht aan het betekeningsexploot dd. 17 maart 1980, waarin enkel sprake was van een bedrag van 690.662 BEF uit hoofde van boete, en aan het dwangbevel, dat in zijn beschikkend gedeelte expliciet gewag maakte van een "nog te betalen saldo van 690.662 BEF", miskent door hieraan een met de bewoordingen, zin en draagwijdte van voornoemde stukken onverenigbare uitlegging te geven (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 20 oktober 2000) en bijgevolg niet wettig kon beslissen enerzijds dat de beslissing van de adjunct-directeur van 11 juni 1980 om de boete te verminderen tot 35.500 BEF niet tot effect kon hebben dat het voorwerp van eisers verzet wegviel (schending van de artikelen 85 en 89 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 8 augustus 1980), anderzijds dat de kennisgeving van voornoemd dwangbevel, waarbij uitsluitend betaling werd gevorderd van een wettelijke boete, de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, waaronder het bedrag van 65.859 BEF, van de boete en van de intresten ha
d gestuit (schending van de artikelen 83 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 8 augustus 1980, en 83 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 15 maart 1999 en 2244 van het Burgerlijk Wetboek).
Tweede onderdeel
Blijkens artikel 89 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 8 augustus 1980, kan de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts worden gestuit bij de door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding.
Ingevolge voornoemd verzet aan de bevoegde rechtbank, te weten de rechtbank van eerste aanleg waaronder het kantoor van de ambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd, ressorteert, wordt een betwisting voorgelegd die, naargelang van het geval, de regelmatigheid dan wel de gegrondheid van het door die ambtenaar uitgevaardigde dwangbevel zal betreffen.
Recht doende op dit verzet zal deze rechter, op straffe van miskenning van de hem toekomende rechtsmacht, geen andere beslissing kunnen vellen dan de afwijzing van dit verzet, indien hij dat verzet ongegrond bevindt, dan wel de gehele of gedeeltelijke vernietiging van het dwangbevel indien het verzet geheel dan wel ten dele gegrond blijkt te zijn.
De rechtsmacht van de rechtbank, waarvoor een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, wordt aldus beperkt enerzijds door het voorwerp van dat dwangbevel, zijnde de nog verschuldigde belasting, boeten, intresten en toebehoren, waarvan bij het dwangbevel betaling gevorderd wordt, anderzijds door de perken van het door de belastingplichtige ingestelde verzet tegen dat dwangbevel, met dien verstande dat hetgeen niet door het verzet wordt aangevochten aan de rechtsmacht van de rechtbank onttrokken zal zijn.
Het komt deze rechter evenwel in geen geval toe de rechten van de administratie, die werden ingevorderd in de door voornoemde ambtenaar uitgevaardigde uitvoerbare titel, die het dwangbevel is en die het voorwerp van het verzet uitmaakt, in haar voordeel uit te breiden of te wijzigen en aldus het voorwerp van het dwangbevel te wijzigen.
De rechtbank die, recht doende op het verzet van de belastingplichtige, zou vaststellen dat de BTW-schuld door de administratie verkeerdelijk als aangezuiverd werd aangezien, doordat deze bij het uitvaardigen van het dwangbevel op onwettige wijze overging tot compensatie van de beweerde openstaande BTW-schuld met het BTW-tegoed, dat de rekening-courant van de belastingplichtige vertoonde, dan ook, geenszins vermag andere, niet eerder ingevorderde bedragen in de plaats te stellen van de door de administratie weerhouden bedragen.
Dergelijke handelwijze zou immers neerkomen op het zich aanmatigen van de bij artikel 85 aan de administratie voorbehouden bevoegdheid om ten belope van de openstaande BTW-schuld een dwangbevel uit te vaardigen en hiervan zelf het voorwerp te bepalen, evenals op een omzeiling van de bij artikel 83 van het BTW-Wetboek op dwingende wijze voorgeschreven verjaringstermijnen, waarbinnen de betaling van de BTW door de administratie dient te worden ingevorderd.
Blijkens het dwangbevel, uitgevaardigd op 7 maart 1980 en aan eiser betekend op 17 maart 1980, werd van eiser betaling gevorderd van een saldo van 690.662 BEF ten titel van wettelijke boete, met uitzondering van enig ander bedrag.
Eisers verzet tegen dat dwangbevel betrof dan ook uitsluitend het bevel tot betaling van dat bedrag van 690.622 BEF ten titel van wettelijke boete.
Door het hof van beroep wordt in navolging van de eerste rechter, vastgesteld dat voornoemde boete na het uitvaardigen van die titel herleid werd tot een bedrag van 35.500 BEF, bedrag dat door eiser reeds onder voorbehoud was betaald.
Gelet op die vaststelling, kwam het de rechter derhalve nog uitsluitend toe na te gaan in welke mate het dwangbevel ten belope van dit bedrag van 35.500 BEF gerechtvaardigd bleef.
Hieruit volgt dat het hof van beroep, dat bij het bestreden arrest beslist dat de eerste rechter vermocht te oordelen in welke mate de vordering van de administratie gehandhaafd bleef, niettegenstaande de vaststelling dat bij het dwangbevel, dat op 28 februari 1980 werd opgemaakt, een boete van 726.132 BEF 35.500 BEF = 690.662 BEF werd ingevorderd, hetzij hetgeen nog verschuldigd was nadat er op de belasting van 363.081 BEF, een boete van 726.162 BEF en intresten op 21.000 BEF een aanrekening was gedaan van hetgeen intussen betaald was en van het tegoed uit hoofde van de afsluiting van de rekening-courant en te zeggen voor recht dat eiser aan de Staat de som van 262.659 BEF uit hoofd van BTW, meer de rente op dit bedrag, verminderd met het bedrag van 26.978 BEF, verschuldigd was, en diens beslissing desbetreffend bevestigt, aldus de rechtsmacht van de rechtbank, welke is beperkt tot het voorwerp van het dwangbevel, met uitsluiting van de bevoegdheid om de in dat dwangbevel ingevorderde rechten in het voordeel van de administratie uit te breiden of te wijzigen, miskent en aldus het voorwerp van het dwangbevel wijzigt (schending van de artikelen 85 en 89 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 8 augustus 1980, en voor zoveel als nodig de artikelen 702, 3°, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek), evenals de uitsluitende bevoegdheid van de door de Koning aangewezen ambtenaar om de bij het dwangbevel ingevorderde rechten te bepalen (schending van artikel 85 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 8 augustus 1980) en tenslotte ook uitspraak doet in miskenning van het door eiser in gestelde verzet, waarvan het voorwerp niet verder kan reiken dan hetgeen het voorwerp van het dwangbevel uitmaakt (schending van de artikelen 89 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 8 augustus 1980, 702, 3° en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek).
Derde onderdeel
Luidens artikel 89 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 8 augustus 1980, kon de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts worden gestuit bij door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding.
Dat verzet werd bij exploot betekend aan de Staat, meer bepaald aan de door de Koning aangewezen ambtenaar.
Ingevolge dit verzet door de belastingplichtige wordt aan de rechter geen andere betwisting voorgelegd dan deze van de rechtsgeldigheid en gegrondheid van het door de belastingambtenaar uitgevaardigde dwangbevel, en dit binnen de perken van het verzet van de belastingplichtige tegen dit dwangbevel.
Uit het voorgaande volgt dat het de rechter niet toekwam om over een andere schuld dan deze, waarvan bij het dwangbevel van de belastingplichtige betaling werd gevorderd, uitspraak te doen, zulks op straffe van miskenning van de perken van dit verzet, waardoor de toestand van de verzetdoende belastingplichtige in geen geval kan worden verzwaard.
Blijkens het bestreden arrest bij het dwangbevel, uitgevaardigd op 7 maart 1980 en betekend bij exploot van 17 maart 1980, werd betaling gevorderd van een saldo van 690.662 BEF uit hoofde van boetes, met uitsluiting van enig ander bedrag.
De administratie gaf in het dwangbevel uitdrukkelijk te kennen dat de aan de gevorderde boete ten grondslag liggende belasting aangezuiverd werd aan de hand van betalingen, die door eiser onder voorbehoud werden verricht, evenals door de compensatie met het tegoed op zijn rekening-courant en gaf aldus te kennen hiervan bij het dwangbevel geen betaling te vorderen.
Eiser tekende tegen dit dwangbevel bij dagvaardingsexploot verzet aan in zoverre hierbij een boete van 690.662 BEF van hem werd ingevorderd.
Hij vorderde bovendien de terugbetaling van het tegoed van 341.353 BEF van zijn rekening-courant, dat door de administratie in weerwil van de wettelijke bepalingen werd ingehouden, hetgeen hij als een feitelijkheid omschreef, hierin gevolgd, zowel door de eerste rechter als door de rechter in hoger beroep.
Hij vorderde tenslotte de terugbetaling van de bedragen die hij onder voorbehoud betaalde, hetzij de bedragen van 35.500 BEF en 26.978 BEF of 62.478 BEF in het totaal.
Aan de rechter werd zodoende ingevolge eisers verzet enkel de vraag voorgelegd of verweerder over een rechtmatige en rechtsgeldige titel beschikte in zoverre hierbij een boete van voornoemde omvang werd ingevorderd, evenals de rechtmatigheid van de inhouding door de administratie van het tegoed van de rekening-courant ten bedrage van 341.353 BEF en de verplichting om het bedrag van 62.478 BEF te betalen.
Het kwam op eisers verzoek de feitenrechter zodoende geenszins toe om na het gegrond bevinden van zijn grieven aangaande de onterechte toerekening van voornoemd BTW-tegoed en de onterecht geheven boete, de hoegrootheid van de eventueel nog verschuldigde belasting, te bepalen.
Het hof van beroep vermocht hoogstens na te gaan of er aan de betaling onder voorbehoud van het bedrag van 62.478 BEF een belastingschuld ten grondslag lag.
Verweerder besloot zijnerzijds tot de ongegrondverklaring van eisers verzet en tot de afwijzing van eisers vorderingen.
Hij verzocht op geen enkel ogenblik, bij wijze van tegeneis, de rechter te zeggen voor recht welk bedrag aan basisbelasting door eiser nog verschuldigd was of in welke mate zijn vordering gehandhaafd bleef, dan wel het voorwerp van het door hem uitgevaardigde dwangbevel, strekkende tot betaling van een wettelijke boete, te wijzigen in een titel strekkende tot de betaling van belasting.
Hieruit volgt dat het hof van beroep, dat in navolging van de eerste rechter, wiens beslissing weliswaar door beide partijen werd aangevochten, nagaat in welke mate de vordering gehandhaafd bleef en vervolgens zegt voor recht dat eiser aan verweerder in hoofdsom een bedrag van 262.659 BEF, meer de rente op dit bedrag, verminderd met het bedrag van 26.978 BEF verschuldigd bleef, uitspraak doet in miskenning van de perken van eisers verzet tegen het dwangbevel, aldus zijn toestand verzwarende (schending van artikel 89 van de wet van 3 juli 1969 tot uitvoering van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 8 augustus 1980), daarbij uitspraak doet over niet gevorderde zaken (schending van de artikelen 702, 3°, 1042 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, evenals van het algemeen rechtsbeginsel, genaamd beschikkingsbeginsel) en tenslotte ook de bewijskracht, gehecht aan eisers verzetakte, waarbij eiser opkwam tegen de invordering bij dwangbevel van een bedrag van 690.662 BEF uit hoofde van wettelijke geldboete, en de terugbetaling van het ten onrechte ingehouden bedrag van 341.353 BEF en van de onder voorbehoud verrichte betalingen vorderde, miskent in zoverre het oordeel dat het voorwerp van het verzet de betwisting over de rechten was, aldus aan deze akte een met de bewoordingen, zin en draagwijdte onverenigbare uitlegging gevende (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322, zoals van toepassing vóór de wetswijziging van 20 oktober 2000, van het Burgerlijk Wetboek).
Beslissing van het Hof
1. Eerste onderdeel
Overwegende dat het onderdeel aanvoert dat de appèlrechter oordeelt dat het dwangbevel niet alleen het saldo, verschuldigd uit hoofde van de wettelijke boete, waarvan betaling gevraagd werd bij het exploot, betrof, doch bovendien ook betrekking had op de aan dit saldo ten grondslag liggende belasting ;
Dat de appèlrechter dit niet beslist maar integendeel uitdrukkelijk vaststelt dat het dwangbevel opgemaakt was met het oog op de invordering van een boete van 690.662 BEF ;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ;
2. Tweede onderdeel en derde onderdeel (partim)
Overwegende dat de twee onderdelen ervan uitgaan dat het geding dat aan de feitenrechter onderworpen was, alleen betrekking had op de geldboete verschuldigd door eiser ;
Overwegende dat uit de bewoordingen van de dagvaarding waarbij het verzet tegen het dwangbevel werd ingeleid, blijkt dat eiser aan de rechter niet alleen vroeg om uitspraak te doen over de vermelde boete, maar ook dat hij de fiscale schuld in haar geheel betwistte ;
Dat uit de voor de eerste rechter genomen conclusie van verweerder blijkt dat hij van oordeel was dat de gevorderde belasting over de toegevoegde waarde in hoofdsom door eiser integraal verschuldigd was en dat op grond hiervan de door eiser ingestelde vordering ongegrond was ;
Dat aldus aan de feitenrechter gevraagd werd te oordelen over de gehele bestreden fiscale schuld ;
Overwegende dat hieruit volgt dat de onderdelen in zoverre zij berusten op de onjuiste veronderstelling dat aan de feitenrechter ingevolge eisers verzet enkel de vraag werd voorgelegd of verweerder over een rechtmatige en rechtsgeldige titel beschikte voor de invordering van de administratieve geldboete, feitelijke grondslag missen ;
3. Derde onderdeel voor het overige
Overwegende dat de feitenrechter bij wie verzet wordt gedaan tegen een dwangbevel dat een geldboete oplegt, niet noodzakelijk zijn uitspraak moet beperken tot de wettigheid van de gevorderde boete abstract beschouwd ; dat hij evenzeer, indien die vordering voor hem is gesteld en inzonderheid de belastingplichtige op verzet de terugvordering vraagt van reeds onder voorbehoud betaalde of ingehouden bedragen, het bedrag van de verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde kan vaststellen ;
Dat de rechter immers in dergelijke omstandigheden moet kunnen nagaan in welke mate de vordering tot betaling van de belasting wordt gehandhaafd wat het bedrag van de verschuldigde boete kan determineren ;
Dat het onderdeel in zoverre het aanvoert dat de feitenrechter hierdoor de aangewezen bepalingen van het WTB-Wetboek schendt, niet kan worden aangenomen ;
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
De kosten begroot op de som van tweehonderd vijfenveertig euro zeven cent jegens de eisende partij en op de som van honderd en een euro zesentwintig cent jegens de verwerende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter …
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.