De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.
Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 08.04.2024
WF 703-15-22/047449
[Gunstig voor de administratie]
Belasting over de toegevoegde waarde – Niet-aangegeven omzetcijfer – Verwerping van de aftrek – Regularisatie
Belasting over de toegevoegde waarde – Proportionele geldboeten – Intentie om de belasting te ontduiken
Gerechtelijke procedure – Gebrek aan door eiseres opgeworpen middelen – Niet opgeworpen middelen die steunen op bepalingen die van openbare orde zijn – Rol van de rechter – Niet-verschijnen – Vonnis bij verstek
Wettelijke bepalingen
Artikel 806 Ger.W
Samenvatting
Eiseres is sinds 18 november 2019 voor btw-doeleinden geïdentificeerd voor een activiteit als accountant. Zij is onderworpen aan de regeling van indiening van btw-kwartaalaangiften.
Er wordt een controle van de fiscale situatie van eiseres uitgevoerd in 2021. Deze controle werd veroorzaakt door een andere fiscale controle van een derde onderneming, waarbij wordt vastgesteld deze derde onderneming facturen in de boekhouding heeft opgenomen die door eiseres zijn uitgereikt, terwijl eiseres niet voorkomt op de listing leveranciers van de derde onderneming. Het btw-identificatienummer van eiseres was niet vermeld op de facturen in kwestie.
De controleur heeft derhalve 2021 een vraag om inlichtingen gestuurd naar de klanten van eiseres op grond van de mandaten waarover eiseres beschikte, alsook naar de klanten van de vennootschap waarvan eiseres zaakvoerster was tot op het ogenblik van het faillissement van de vennootschap in oktober 2019. De klanten worden gevraagd om een kopie van de facturen die door eiseres en/of het bedrijf zijn uitgegeven, betalingsbewijzen van deze facturen en de leveranciershistoriek.
Bij brief van 10 augustus 2021 heeft de controleur aan eiseres meegedeeld dat hij overgaat tot een controle van haar fiscale situatie inzake btw met betrekking tot de handelingen die in 2019 en 2020 zijn verricht.
Tijdens deze controle constateerde de belastingcontroleur dat eiseres voor de gecontroleerde jaren alleen “nihil”-aangiften had ingediend, waarin geen omzet was opgenomen en waarin geen aftrek was geëist. Eiseres begon in januari 2019 facturen uit te reiken, terwijl zij een verzoek tot registratie voor btw-doeleinden vanaf 18 november 2019 heeft ingediend.
Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de controleur een regularisatieopgave ten laste van eiseres opgesteld, waarvan op 3 november 2021 kennis werd gegeven, waarin alle facturen werden opgesomd die tijdens de controle waren overgelegd en die in het verkoopjournaal voorkwamen, maar die niet door eiseres waren aangegeven. Er werd ook een geldboete van 200% opgelegd, omdat de controleur van mening was dat de overtredingen waren begaan met de bedoeling om belasting te ontduiken.
Op 8 november 2021 diende eiseres corrigerende aangiften in voor het vierde kwartaal van 2019 en het vierde kwartaal van 2020. Op 2 december 2021 vocht eiseres de regularisatieopgave aan omdat zij corrigerende aangiften had ingediend, dat zij omzet had opgegeven en dat de fiscale administratie derhalve ten onrechte van mening was dat zij het oogmerk had gehad om de belasting te ontduiken.
Op 14 februari 2022 heeft de belastingcontroleur een proces-verbaal opgesteld ten laste van eiseres, rekening houdend met de ingediende gecorrigeerde aangiften. Om dubbele belastingheffing te voorkomen, werd de verschuldigde btw over de aanvankelijk niet aangegeven omzet niet langer van eiseres gevorderd.
De taxatieambtenaar berekent evenwel de intercalaire intresten over de niet aangegeven verschuldigde btw en stelt overtredingen van de aftrekregeling vast.
De geldboete van 200% wordt ook gehandhaafd op grond van het feit dat eiseres, die al vele jaren beroepsmatig een accountant is, alleen bewust kon hebben gehandeld met de bedoeling om belasting te ontduiken of te laten ontduiken.
Eiseres diende een verzoekschrift op tegenspraak in, maar diende geen conclusies in en is niet verschenen voor de rechter. Zij werd bij verstek veroordeeld. De rechtbank merkte ook op dat eiseres geen enkel middel had aangevoerd.
De rechtbank kan echter ambtshalve de door de partijen aangevoerde middelen aanvullen, op voorwaarde dat zij geen betwisting aan de orde stelt die de partijen in hun betoog hebben uitgesloten, dat zij zich uitsluitend baseert op zaken die naar behoren aan haar zijn voorgelegd, dat zij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat zij geen inbreuk maakt op de rechten van verdediging van de partijen.
Dit betekent niet dat de rechter verplicht is om de toepasselijkheid van alle mogelijke rechtsgronden die niet zijn aangevoerd, te onderzoeken in het licht van de specifieke feiten van de zaak, maar alleen dat hij, met inachtneming van de rechten van de verdediging, de toepasselijkheid moet onderzoeken van de rechtsgronden die niet zijn aangevoerd en die hem onbetwistbaar binden op grond van de feiten zoals die in het bijzonder zijn aangevoerd.
De rechter moet een middel ambtshalve opwerpen als het gebaseerd is op een bepaling van openbare orde, maar altijd binnen de grenzen van het voorwerp en de oorzaak van de vordering zoals beschreven door de partijen.
Uit artikel 806 Gerechtelijk Wetboek volgt dat “de rechter bij verstek de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij moet inwilligen tenzij een grond van openbare orde zich daartegen verzet, met inbegrip van de rechtsregels die de rechter krachtens de wet ambtshalve kan toepassen”.
Het is gebruikelijk dat wat de wezenlijke belangen van de staat of de gemeenschap raakt of in het privaatrecht de rechtsgrondslagen bepaalt waarop de economische of morele orde van de samenleving rust, de openbare orde is. Het is aan de rechter om de contouren van dit abstracte begrip concreet te definiëren.
De rechter verwijst naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (arrest nr. 72/2018, B.5.2., en arrest nr. 145/2018 van 18 oktober 2018, B.8.1.) en oordeelt dat er “Prima facie” geen mogelijkheid/reden is, om het administratieve standpunt in vraag te stellen:
- eiseres heeft geen enkel bewijs geleverd ter betwisting van het standpunt van de Belgische Staat met betrekking tot de afwijzing van haar recht op aftrek van btw op bepaalde facturen, hoewel de bewijslast haar toekomt;
- de geldboete werd berekend overeenkomstig artikel 70, §1er en §1erbis, WBTW, ten bedrage van het dubbele van de belasting die ten onrechte is ontdoken of afgetrokken door de handhaving van de geldboeten wegens niet-aangifte van de omzet - de corrigerende aangiften zijn verzonden na de verzending van de regularisatie;
- de intentie om belasting te ontduiken werd afgeleid uit de niet-aangifte van de omzet, het ontbreken van bewijs van daadwerkelijk geleverde diensten door een bedrijf dat dicht bij eiseres staat en door de wijziging van de informatie op haar eigen facturen (facturen zonder btw-nummer die naar de klant werden gestuurd en vervolgens met vermelding van haar btw-nummer op de uitgaande factuur) en het feit dat eiseres een accountant is, zodat deze tekortkomingen geen eenvoudige nalatigheid kunnen vormen;
- noch schriftelijk noch mondeling is verzocht om kwijtschelding van de geldboete, aangezien eiseres dit heeft nagelaten.
Gelet op het ontbreken van middelen en de controle door de rechtbank, moet de vordering ontvankelijk maar ongegrond worden verklaard.
Opmerkingen
In onderhavige zaak is eiseres niet verschenen en heeft zij geen conclusies ingediend overeenkomstig de kalender dat werd vastgesteld op grond van artikel 747 Ger.W., zodat de procedure tegen haar bij verstek is gevoerd.
Artikel 806 Ger. W. werd gerechtvaardigd door de wil van de wetgever om een einde te maken aan een controverse in de rechtsleer en de rechtspraak over de omvang van de bevoegdheden van de verstekrechter en om discriminatie tussen procespartijen te voorkomen. De betrokken maatregel beantwoordt aan deze doelstelling.
Uit de voorbereidende werkzaamheden voor de betrokken bepaling blijkt dat de wetgever het aan de verstekrechter heeft overgelaten om het begrip openbare orde nader te preciseren, een begrip op grond waarvan hij kan weigeren de vorderingen of verweren van de verschenen partij toe te wijzen: “In principe kan de rechter vrij bepalen wat van openbare orde is, maar het Hof van
Cassatie heeft het laatste woord; bovendien is dit een evolutief concept en dient men dus de vrijheid aan de rechter te laten.” (ParL St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-1219/005, blz. 100-101).
In zijn arrest van 13 december 2016 oordeelde het Hof van Cassatie als volgt:
“4. Uit de wetgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de wetgever het aan de rechter heeft overgelaten om het begrip openbare orde nader in te vullen.
5. Van openbare orde is datgene wat de essentiële belangen van de Staat of van de gemeenschap raakt of wat in het privaat recht de juridische grondslagen bepaalt waarop de economische of morele orde van de maatschappij berust.
6. In de context van artikel 806 Gerechtelijk Wetboek is het inwilligen van een kennelijk ongegronde vordering of een kennelijk ongegrond verweer strijdig met de openbare orde.
7. De rechter bij verstek die de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij niet inwilligt, moet vaststellen dat het inwilligen ervan strijdig is met de openbare orde.” (Cass., 13 december 2016, P.16.0421.N, juportal.be).
Volgens het Grondwettelijk Hof (arrest 72/2018 van 07.06.2018) laat het begrip « openbare orde » dat voorkomt in artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek de rechter die uitspraak doet bij verstek toe een inwilliging te weigeren van de vorderingen waarvan hij vaststelt dat zij kennelijk ongegrond of kennelijk buitensporig zijn.
Tekst van het vonnis
Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal
Tekst van de beslissing
Tribunal de première instance du Brabant wallon, 14ème chambre fiscale
Jugement du 08.04.2024
Rôle : 22/1157/A
En cause de:
Madame F. G. M. , 072...15
...,
Partie demanderesse
Ne comparaissant pas, ni personne pour la représenter
Et de:
L'ETAT BELGE, Service public fédéral Finances, Administration générale de la Fiscalité —Secteur T.V.A., en la personne de Monsieur le Ministre des Finances et de Monsieur le Conseiller du Centre PME Charleroi, dont les bureaux sont établis rue de l'Industrie, 22 à 1400 NIVELLES
Partie défenderesse
Représenté par Madame X, Attachée (… .charleroi.expertise2@minfin.fed.be)
PROCÉDURE
Le Tribunal a examiné les pièces déposées au dossier de la procédure et notamment : la requête contradictoire déposée au greffe le 12 août 2022 ;
- le calendrier de mise en état déposé à l'audience du 3 octobre 2022 ;
- les conclusions de synthèse déposées au greffe le 31 août 2023 par l'ETAT BELGE ;
- le dossier de pièces de l'ETAT BELGE déposé à l'audience du 4 mars 2024.
Mme F. G. n'a pas comparu, ni à l'audience du 18 décembre 2023, ni à l'audience du 4 mars 2024 de telle sorte que la procédure est prise par défaut à son encontre.
Le représentant de l'Etat belge a été entendu à l'audience du 4 mars 2024. A l'issue des plaidoiries, les débats ont été clos et la cause prise en délibéré.
La procédure est régulière, ce qui n'est pas contesté.
Les articles 1, 34 à 37, 40 et 41 de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues ont été appliqués ; usage de la langue française ayant été fait.
FAITS PERTINENTS ET CADRE DU LITIGE
1. Madame F. G., partie demanderesse, est identifiée à la T.V.A. sous le numéro BE 072...15 depuis le 18 novembre 2019 pour une activité d'expert-comptable (pièce 1 du dossier de l'Etat belge).
Elle est soumise au régime de dépôt de déclarations périodiques trimestrielles.
2. Un contrôle de la situation fiscale de la demanderesse intervient en août 2021 et est déclenché par un autre contrôle : au cours de l'année 2021, l'administration procède au contrôle fiscal de la SRL T. & A. et constate que cette société a comptabilisé des factures émanant de la demanderesse alors que la demanderesse n'apparait pas sur le listing fournisseurs de la société. Le numéro d'identification à la TVA de la demanderesse n'était pas repris sur les factures en question.
Ainsi, le 4 août 2021, l'agent taxateur adresse une demande de renseignements aux clients de la demanderesse sur base des mandats dont celle-ci disposait ainsi qu'aux clients de la société T. M. SRL, dont la demanderesse était gérante jusqu'à la faillite de l'entreprise le 28 octobre 2019.
Il est demandé aux clients de fournir :
Une copie des factures délivrées par la demanderesse et/ou par la SRL T. M. ;
Les preuves de paiement de ces factures ;
L'historique fournisseur.
Par courrier du 10 août 2021, l'agent taxateur informe la demanderesse qu'elle procède à un contrôle de sa situation fiscale en matière de TVA en date du 23 septembre 2021; contrôle portant sur les opérations réalisées durant les années 2019 et 2020.
Lors du contrôle, l'agent taxateur constate que la demanderesse a, pour les années contrôlées, déposé uniquement des déclarations « néant » ne reprenant aucun chiffre d'affaires et dans lesquelles aucune déduction n'était revendiquée (pièces 5 à 9 du dossier de l'Etat belge). La demanderesse a commencé à émettre des factures dès le mois de janvier 2019 alors qu'elle n'a demandé son identification à la TVA qu'à partir du 18 novembre 2019.
3. Suite à ces constatations, l'agent taxateur établit un relevé de régularisation à charge de la demanderesse, notifié en date du 3 novembre 2021 (pièce 10 du dossier de l'Etat belge). Au sein de celui-ci, l'agent taxateur reprend l'ensemble des factures présentées lors du contrôle et reprises dans le journal des ventes mais qui n'ont pas été déclarées par la demanderesse. Le chiffre d'affaires non déclaré s'élève à 40.387,91€ HTVA, sur lequel une TVA au taux de 21% était appliquée pour un montant de 8.915,74 € (6.878,63€ pour 2019 et 2.037,11€ pour 2020). Une amende de 200% est également reprise ; l'agent taxateur considérant que les infractions ont été commisses dans l'intention d'éluder l'impôt.
4. Le 8 novembre 2021, la demanderesse dépose des déclarations rectificatives pour le quatrième trimestre
2019 et le quatrième trimestre 2020 (pièces 11 et 12 du dossier de l'Etat belge).
Elle déclare :
| Déclaration | Grille 03Based'imposition | Grille 54TVA due(opérations déclarées en grille03) | Grille 55TVA due(report deperception) | Grilles 81, 82 et 83 (Frais) | Grille 59TVA etdéduite | SoldeDéclaration Grille 71 |
| 4 ème trimestre2019 | 30.689,92€ | 6.444,91€ | 34,65€ | 28.427,35€ | 4.036,67€ | 2.442,89€ |
| 4 ème trimestre2020 | 9.054,15€ | 1.901,38€ | 37,80€ | 14.884,84€ | 1.874,24€ | 64,94€ |
5. Le 2 décembre 2021, la demanderesse conteste le relevé de régularisation en faisant valoir qu'elle a déposé les déclarations rectificatives, qu'elle a déclaré un chiffre d'affaires à l'IPP pour l'année 2019 et que partant, c'est à tort que l'administration fiscale retient, dans son chef, une intention d'éluder l'impôt (pièce 13 du dossier de l'Etat belge).
6. Le 14 février 2022, l'agent taxateur établit un procès-verbal à charge de la demanderesse (pièce 14 du dossier de l'Etat belge). Au sein de ce procès-verbal, l'agent tient compte des déclarations rectificatives déposées par la demanderesse. La TVA due sur le chiffre d'affaires initialement non déclaré n'est plus réclamée à la demanderesse pour éviter toute double imposition. Cependant, l'agent taxateur calcule des intérêts intercalaires sur les montants de TVA due non déclarés, relève des infractions au régime de la déduction et maintient une amende de 200%; l'amende étant motivée comme-suit :
« En l'espèce, Madame M. F. G. qui est une professionnelle du chiffre depuis de nombreuses années, ignore les principes légaux qu'il lui appartient de connaître et de respecter, et ce même plus que quiconque puisqu'elle est censée les faire appliquer chez ses clients. De plus, elle a déjà rencontré une problématique similaire par le biais de deux procès-verbaux de taxation à charge de la SRL T. M. (BE 042...48) dont elle était la gérante.
C'est donc en pleine connaissance de cause qu'au 10.08.2021, date à laquelle l'administration a annoncé le contrôle, que Madame M. F. G., qui a reçu les montants de TVA due que ses clients lui ont payés sur les ventes effectuées au cours des années 2019 et 2020, a choisi de ne pas les déclarer, ni de les verser au Trésor, et ce en contravention à l'article 53, §ler, 2° et 3° du Code de la TVA.
C'est seulement en date du 08.11.2021, soit après l'envoi du relevé de régularisation le 03.11.2021 qu'elle a déposé des déclarations rectificatives afin de déclarer les montants de TVA due.
(...)
Ce faisant, l'assujettie a uniquement agi par pure opportunité en cherchant à éviter de supporter les amendes fiscales encourues conformément à l'article 70, §1er du Code de la TVA. Ceci est confirmé par la constatation qu'à ce jour, l'assujettie reste en défaut d'avoir payé les montants dus au Trésor (TVA et intérêts de retard) pour la déclaration rectificative relative au 4ème trimestre 2019 et déposée tardivement le 8.11.2021. A ce jour, l'assujettie est donc toujours en infraction à l'article 53, §1er, 3° du Code de la TVA.
Ce qui précède démontre que l'assujettie a agi avec une intention d'éluder ou de permettre d'éluder la TVA au sens de l'article 1', aliéna 2 de l'arrêté royal n°41. (...)
Ensuite, l'assujettie n'hésite pas à altérer les documents, c'est-à-dire à envoyer à ses clients une facture sans mention de son numéro de TVA tandis qu'elle insère la même facture mais avec mention de son numéro de TVA dans son facturier de sorties. »
Sur base de ce procès-verbal, l'Etat belge estime que la Mme F.-G. est redevable des sommes suivantes :
- 5.196,67€ à titre de TVA ;
- 27.730,82€ à titre d'amende proportionnelle (200% en application des articles 70, §1');
0,8 % par mois à titre d'intérêts, à calculer sur le montant de TVA arrondi à la dizaine d'euros inférieure, à partir du 21 janvier 2022 en vertu de l'article 91, §1er, du Code de la TVA.
7..
L'article 500...46 fait l'objet d'une inscription au registre de perception et recouvrement n° 202...24 rendu exécutoire le 31 mars 2022. Un avis de perception et recouvrement a été envoyé à la demanderesse à cette même date (pièce 15 du dossier de l'Etat belge)
8. Le 12 août 2022, Mme F. G. dépose une requête contradictoire au greffe du tribunal de céans.
OBJET DES DEMANDES DES PARTIES
9. Mme F. G. n'a pas conclu. Au sein de sa requête contradictoire, elle conteste le procès-verbal en matière de TVA et l'avis de perception et recouvrement TVA (« objet ») mais n'explicite pas quels sont ses moyens. Elle précise que le relevé de régularisation ne tient pas compte des montants de TVA à récupérer sur les achats et elle semble contester le montant de l'amende.
10. Dans ses dernières conclusions, l'Etat belge demande au tribunal de :
- Dire la demande recevable mais non fondée ;
- valider l'enrôlement de la dette visée à l'article 500...46 et inscrite au registre de perception et recouvrement n°202...24, rendu exécutoire le 31 mars 2022 ;
- Condamner la demanderesse aux entiers frais et dépens de l'instance, liquidés dans le chef de l'Etat belge à la somme de 0€.
ANALYSE DU TRIBUNAL
I. QUANT À LA RECEVABILITÉ DU RECOURS JUDICIAIRE
11. La requête a été déposée dans les formes et délais légaux ; un recours administratif préalable n'étant pas obligatoire en matière de TVA. Elle est dès lors recevable, ce qui n'est pas contesté par les parties.
II. QUANT AU FONDEMENT DU RECOURS JUDICIAIRE
12.Le tribunal relève que Mme F. G. ne soulève aucun moyen.
Le juge peut compléter d'office les motifs invoqués par les parties à la condition qu'il ne soulève pas de contestation dont les parties ont exclu l'existence dans leurs conclusions, qu'il se fonde exclusivement sur des éléments qui lui ont été régulièrement soumis, qu'il ne modifie pas l'objet de la demande et qu'il ne viole pas les droits de défense des parties. Le juge est tenu de soulever d'office les voies de recours dont l'application est requise par les faits invoqués en particulier par les parties à l'appui de leurs demandes. Cela n'implique pas que le juge est tenu d'examiner le caractère applicable de tous les motifs juridiques possibles mais non invoqués à la lumière des faits certains du litige mais uniquement que, moyennant le respect des droits de défense, il doit examiner le caractère applicable des motifs juridiques qui n'ont pas été invoqués qui s'imposent incontestablement à lui en raison des faits tels qu'ils sont invoqués en particulier. Le juge doit invoquer d'office un moyen si celui-ci repose sur une disposition d'ordre public, mais toujours dans les limites de l'objet et de la cause de l'instance telles que décrites par les parties.
L'article 806 du Code judiciaire dispose que « dans le jugement par défaut, le juge fait droit aux demandes ou moyens de défense de la partie comparante, sauf dans la mesure où la procédure, ces demandes ou moyens sont contraires à l'ordre public, y compris les règles de droit que le juge peut, en vertu de la loi, appliquer d'office ».
Il est classiquement entendu que ce qui touche aux intérêts essentiels de l'État ou de la communauté ou qui détermine dans le droit privé les fondements juridiques sur lesquels repose l'ordre économique ou moral de la société est d'ordre public. Il appartient au juge de définir concrètement les contours de cette notion abstraite.
La Cour constitutionnelle a eu l'occasion de préciser que :
« La disposition en cause limite le pouvoir d'appréciation du juge statuant par défaut en lui enjoignant de faire droit aux demandes ou moyens de défense de la partie comparante, sauf dans l'hypothèse où la procédure, ces demandes ou moyens sont contraires à l'ordre public (...). » (arrêt n° 72/2018, B.5.2.)
« (...) la notion d'ordre public qui figure dans l'article 806 du Code judiciaire permet au juge statuant par défaut de refuser de faire droit aux demandes dont il constate qu'elles sont manifestement non fondées ou manifestement excessives ». (arrêt n° 145/2018 du 18 octobre 2018, B.8.1.).
13.Prima facie, le tribunal ne relève pas de moyen/raison de remettre en cause la position administrative étant entendu que :
- la demanderesse n'apporte aucun élément probant pour remettre en cause la position de l'Etat belge quant au rejet de son droit à déduction de la TVA portées en cause sur certaines factures alors que la charge de la preuve lui incombe ;
- l'amende a été calculée conformément à l'article 70, §1er et §1erbis du CTVA, d'un montant égal au double de la taxe éludée ou déduite indûment en maintenant des amendes sanctionnant le défaut de déclaration du chiffre d'affaires — les déclarations rectificatives étant postérieures à l'envoi de régularisation ;
- l'intention d'éluder l'impôt a été déduite de l'absence de déclaration de chiffres d'affaires, l'absence de preuve de prestations réellement effectuées par une société proche de la demanderesse et par l'altération des mentions sur ses propres factures (facture sans numéro de TVA adressées au client puis avec mention de son numéro de TVA dans le facturier de sorties) et le fait que la demanderesse est expert-comptable de telle sorte que ces manquements ne peuvent constituer une simple négligence ;
- aucune demande de remise d'amende n'est formulée, ni par écrit, ni oralement ; la demanderesse ayant fait défaut.
Vu l'absence de moyens et vu le contrôle opéré par le tribunal, la demande doit être dite recevable mais non fondée.
14. Succombant dans la présente procédure, Madame F. G. est condamnée aux dépens dus à l'Etat belge, liquidés à 0,00€.
Beschikkend gedeelte
DÉCISION DU TRIBUNAL
PAR CES MOTIFS,
LE TRIBUNAL,
Vu les articles 1, 34 à 37, 40 et 41 loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire, usage de la langue française ayant été fait ;
Statuant par défaut,
Écartant toute autre argumentation devenue sans pertinence en raison de sa décision,
Dit la demande recevable et non fondée ;
En déboute la demanderesse ;
Valide l'enrôlement de la dette visée à l'article 500...46 et inscrite au registre de perception et recouvrement n°202...24 rendu exécutoire le 31 mars 2022 ;
Condamne Madame F. G. aux entiers frais et dépens de l'instance dûs à l'Etat belge, liquidés à 0,00€;
Délaisse à Madame F. G. ses propres dépens, dont la contribution de 22,00 euros au profit du fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne, institué par la loi du 19 mars 2017.
AINSI jugé et signé par V. E., Juge, présidant la 14ème Chambre fiscale, du Tribunal de Première Instance du Brabant wallon,
et prononcé en langue française à l'audience publique de la même chambre le lundi 8 avril 2024 par V. E., précité(e), assisté(e) de M. V., Greffier assumé,
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.