Vr. en Antw., Senaat, 2000-2001, nr. 2-25, blz. 1176
Investeringsgoederen - Vernietiging - Herziening.
VRAAG
Het gebeurt steeds vaker dat roerende goederen, computers onder meer, slechts enkele jaren meegaan en afgeschreven worden over een periode van bijvoorbeeld drie jaar.
Gesteld dat de goederen bij het eind van de gebruiksperiode opzettelijk worden vernietigd gedurende de regularisatietermijn van de BTW, moet men dan overgaan tot een herziening van de aftrek of tot een heffing?
ANTWOORD
Ik wens vooraf duidelijk te stellen dat het stelsel van de onttrekkingen geregeld bij artikel 12 van het BTW-Wetboek, niet van toepassing is wanneer een bedrijfsmiddel, al dan niet opzettelijk, wordt vernietigd. In een dergelijke situatie kunnen enkel de regels met betrekking tot de herziening van de aftrek van toepassing zijn.
In dit verband bepaalt artikel 10, 3°, van het koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, dat het oorspronkelijk uitgeoefende recht op aftrek moet worden herzien wanneer een investeringsgoed ophoudt in de onderneming te bestaan gedurende het herzieningstijdvak, tenzij wordt aangetoond dat het goed het voorwerp heeft uitgemaakt van een levering die recht op aftrek geeft of dat het werd vernietigd of ontvreemd.
In de door het geachte lid gemaakte veronderstelling, dient bijgevolg geen herziening te worden verricht, voor zover de belastingplichtige tot voldoening van de administratie het bewijs kan leveren van de vernietiging van de computers. Indien dat bewijs niet kan worden geleverd, wordt de herziening in eenmaal verricht voor het jaar waarin de computers ophouden in de onderneming te bestaan en voor de nog te lopen jaren van het herzieningstijdvak tot beloop van een vijfde per jaar (artikel 11, § 3, van het koninklijk besluit nr. 3, voormeld).