Herziening van de BTW. Uitvoerende artiesten. Overgangsregeling · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

3-4152 16 januari 2006

Zoeken

Herziening van de BTW. Uitvoerende artiesten. Overgangsregeling

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/3-4152-herziening-btw-uitvoerende-artiesten-overgangsregeling-8c40

Nummer
3-4152
Datum
16 januari 2006

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

18 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat, 2005-2006, nr. 3-60, blz. 5460-5461

Herziening van de BTW - Uitvoerende artiesten - Overgangsregeling

VRAAG

Op 1 januari 2006 treedt de nieuwe BTW-reglementering voor uitvoerende artiesten in werking. Uitvoerend artiesten die zich als rechtspersoon hebben georganiseerd, worden opnieuw vrijgesteld van BTW-plicht na 8 jaar (sinds 1 april 1998) aan deze plicht onderworpen te zijn geweest.

Onder invloed van Europese rechtspraak heeft de BTW-administratie ingezien dat ze - wat de vrijstelling van de uitvoerende artiesten betreft - geen onderscheid mag maken tussen natuurlijke personen en vennootschappen.

Op het eerste zicht is dit goed nieuws voor de uitvoerende artiesten en vennootschappen die gedurende de voorbije jaren tegen heug en meug onder de BTW-regeling vielen.

Bij nader inzien dreigt deze herziening heel wat nadelen te bieden. Als een BTW-plichtige namelijk goederen aankoopt die hij aanwendt in zijn onderneming of zijn economische activiteit (bijvoorbeeld een piano, geluidsinstallaties, enz.), kan hij de betaalde BTW in principe onmiddellijk en volledig recupereren.

Deze regeling geldt eveneens voor de aankopen die het karakter hebben van bedrijfsmiddelen. Omdat dergelijke goederen meestal lang meegaan, werd een herzieningsregeling ingevoerd. Voor roerende goederen bedraagt deze periode vijf jaar, voor de onroerende goederen bedraagt deze periode vijftien jaar.

Concreet houdt dit in dat de fiscus gedurende vijf of vijftien jaar controleert of het goed ook daadwerkelijk gedurende deze periode -zoals oorspronkelijk was aangegeven -wordt gebruikt voor de BTW-plichtige activiteit van de betrokkene. In de mate dat dit niet meer het geval is moet de oorspronkelijk gerecupereerde BTWworden terugbetaald.

Bepaalde vennootschappenvanuitvoerende artiesten die de vorige jaren zwaar hebben geïnvesteerd en - aangezien zij aan de BTWwaren onderworpen - de BTW erop hebben kunnen recupereren, moeten plots met ingang van 1 januari 2006, aangezien ze uit het BTW-stelsel worden gehaald, een groot deel van de gerecupereerde BTW-terugbetalen aan de schatkist. Dit zal voor sommige artiesten in Vlaanderen tot problemen en zelfs het bankroet leiden gelet op de terugwerkende kracht van de nieuwe reglementering.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen:

1. Is de geachte vice-eerste minister op de hoogte van de bijzondere problemen die de abrupte wijziging van de BTW-regeling voor de vennootschappen van uitvoerende artiesten veroorzaakt en overweegt hij maatregelen en overgangsbepalingen om de toekomst van deze vennootschappen te vrijwaren?

2. Gaat hij akkoord met de stelling dat de herziening van de BTW-regeling, wat betreft de goederen die een vennootschap van uitvoerende artiest(en) heeft aangekocht en die worden aangewend in deze onderneming of worden bestemd voor zijn economische activiteit, zal leiden tot onrechtvaardige situaties? Is hij bereid inzake de herziening van de BTW voor deze categorie een tegemoetkoming te doen? Kan hij zijn antwoord kort toelichten?

ANTWOORD

(vice-eerste minister en minister van Financiën)

De door het geachte lid opgeworpen problematiek is mij bekend.

Uit overleg tussen mijn kabinet en de administratie, enerzijds, en vertegenwoordigers van de betrokken beroepssector, anderzijds, is gebleken dat een belangrijk aantal overeenkomsten voor het lopende seizoen inzake diensten van uitvoerende artiesten reeds voorafgaandelijk aan de publicatie van mijn antwoord op de parlementaire vraag nr. 865 van 29 juni 2005, van mevrouw de volksvertegenwoordiger Trees Pieters ( Vragen en Antwoorden, Kamer, 2004-2005, nr. 51-94, blz. 16773-16775) werden gesloten met uitwerking na die datum, waardoor bij de prijsbepaling van die overeenkomsten geen rekening kon worden gehouden met het gewijzigde standpunt.

Daarom werd beslist de toepassing van de beslissing E.T. 108 828 van 30 september 2005 niet te eisen vóór 1 juli 2006.

Ik wijs het geachte lid er evenwel op dat de herziening van de BTW geheven van bedrijfsmiddelen uitdrukkelijk wordt voorzien door de artikelen 48 en 49 van het BTW-Wetboek en de artikelen 9 en 10, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, die in overeenstemming zijn met artikel 20 van de zesde BTW-Richtlijn.

Aangehaalde teksten

5