Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 094, blz. 16773-16775
Uitvoerende artiesten - Vrijstelling
VRAAG
De prestaties die uitvoerende artiesten verrichten ten aanzien van organisatoren van schouwspelen, concerten en andere manifestaties zijn vrijgesteld van BTW krachtens artikel 44, § 2, 8° WBTW. Deze vrijstelling geldt uitsluitend indien deze prestaties worden verricht door een natuurlijke persoon die ook als individu optreedt. Wanneer de artistieke prestaties worden geleverd door een rechtspersoon dan stelt de administratie dat deze rechtspersonen zonder meer van de vrijstelling bepaald in artikel 44, § 2, 8° WBTW zijn uitgesloten. (« Beslissing» nr. E.T. 63 111 van 10 juni 1988, BTW, Rev., nr. 84, 77, nr. 904).
De rechtbank van eerste aanleg te Luik vonniste op 18 november 2004 dat de uitsluiting van rechtspersonen evenwel strijdig is met de wet. In casu betrof het een VZW die in opdracht van een organisator concerten gaf en bijgevolg door de administratie BTW had moeten aanrekenen. De VZW beriep zich op de vrijstelling zoals bepaald in artikel 44, § 2, 8° WBTW.
De rechtbank gaf de artiest gelijk en motiveerde haar standpunt dat de uitsluiting van rechtspersonen tot gevolg heeft dat voor een identieke prestatie een verschillende economische behandeling geschiedt en dat dergelijke houding in strijd is met het neutraliteitsbeginsel van de VZW. De rechtbank verwijst eveneens naar de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie (zaak nr. C-109/02 van 23 oktober 2003, Fiscoloog, nr. 911, blz. 5).
Dit heeft op heden heel wat consequenties voor de VZW's. Dit betekent dat in de toekomst de VZW's geen BTW meer mogen aanrekenen op hun uitgaande facturen en bijgevolg ook geen BTW meer kunnen recupereren. Toch mag niet uit het oog worden verloren dat deze VZW's op hun inkomsten 6% BTW aanrekenden en op hun kosten die met die prestaties te maken hadden 21% BTW in aftrek konden nemen.
Als de administratie de uitspraak van de rechtbank uitvoert en haar rechten laat gelden om drie jaar terug te keren dan kan dit voor de VZW's voor onoverkomelijke problemen zorgen gezien zij de ten onrechte betaalde BTW van 6% terug zullen krijgen en de ten onrechte afgetrokken BTW van 21% zullen moeten terugbetalen.
1. Vanaf wanneer overweegt u om de «Beslissing» nr. E.T.63 111 van 10 juni 1988 ( BTW-Rev., nr. 84, 77, nr. 904) te vernietigen ?
2. Overweegt u de vrijstelling te laten ingaan vanaf de datum van uw beslissing van de vernietiging van deze «Beslissing»?
3. Zal de maatregel met terugwerkende kracht ingaan en zo ja, welke datum stelt u voorop ?
ANTWOORD
(vice-eerste minister en minister van Financiën, 20.09.2005)
Vooraf wordt opgemerkt dat de beslissing nr. ET. 63 111 van 10 juni 1988, waarnaar het geachte lid verwijst, werd ingetrokken middels de circulaire nr. 13 van 19 november 1997.
Bedoelde circulaire verduidelijkt de draagwijdte van de vrijstelling beoogd door artikel 44, § 2, 8°, tweede zin, van het BTW-Wetboek.
In het verleden heeft mijn administratie steeds vooropgesteld dat bedoelde vrijstelling in principe enkel geldt ten aanzien van de prestaties die worden verricht door een fysiek persoon die individueel als zodanig optreedt. Er werd evenwel beslist dat de feitelijke verenigingen en groeperingen gelijk kunnen worden gesteld met fysieke personen zodat kwestieuze vrijstelling ook in hun hoofde van toepassing kan zijn (zie het antwoord op de parlementaire vraag nr. 1314 van de heer Dufour van 9 april 1998, Vragen en Antwoorden, Kamer, 1997-1998, nr. 149, blz. 20397, BTW-Revue nr. 141, blz. 274).
Uit een vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen blijkt dat het beginsel van de fiscale neutraliteit zich ertegen verzet dat voor de toepassing van de vrijstellingen beoogd door artikel 13 van de zesde BTW-richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977, omgezet in Belgisch recht middels artikel 44 van het BTW-Wetboek, een onderscheid wordt gemaakt voor de natuurlijke personen en de rechtspersonen (zie inzonderheid het arrest van 11 augustus 1995, zaak C-453/93, het arrest van 7 september 1999, zaak C-216/97, het arrest van 3 april 2003, zaak C-144/00 en het arrest van 23 oktober 2003, zaak C-109/02).
Gelet op wat voorafgaat is de toepassing van artikel 44, § 2, 8°, tweede zin, van het BTW-Wetboek niet langer afhankelijk van de hoedanigheid, natuurlijk persoon of rechtspersoon, van de dienstverrichter.
Ik deel ten slotte de bezorgdheid van het geachte lid nopens de praktische problemen die zich zouden voordoen in het geval de prestaties van bedoelde rechtspersonen met terugwerkende kracht zouden worden vrijgesteld van de belasting. Ten einde de betrokkenen de nodige tijd te geven zich voor te bereiden zal het gewijzigde administratieve standpunt bijgevolg slechts vanaf 1 oktober 2005 van toepassing zijn.
Het spreekt voor zich dat rekening moet worden gehouden met een herziening van het recht op aftrek dat oorspronkelijk werd uitgeoefend in het geval waarin een belastingplichtige, niettegenstaande wat in het vorige lid wordt gezegd, toch een recht op teruggaaf zou willen uitoefenen van de in het verleden geheven belasting.