Diensten
Vaste inrichting
BTW-identificatienummer
VRAAG
In zijn antwoord op een parlementaire vraag van de heer de Clippele van 15 mei 2000 maakt de minister een onderscheid wat betreft de notie "vestiging" in het kader van artikel 21 en artikel (51 en) 55 van het BTW-Wetboek. Kan u meedelen of het antwoord nog steeds van toepassing is?
ANTWOORD
Ik kan het geachte Lid meedelen dat het antwoord op de door hem geciteerde parlementaire vraag nr. 645 van de heer Senator de Clippele van 15 mei 2000 (Vragen en Antwoorden, Senaat, 2000-2001, nr. 2-25, blz. 1172-1173) nog steeds van toepassing is. In de huidige stand van de regelgeving en administratieve doctrine wordt de aandacht van het geachte Lid evenwel gevestigd op de volgende actualiseringen in de verwijzingen: - De omschrijving van het begrip "vaste inrichting" voor de toepassing van de artikelen 50, 51 en 55 van het Btw-Wetboek is thans opgenomen in hoofdstuk II (nrs. 6-29) van de Circulaire AOIF nr. 4 van 4 maart 2003 met betrekking tot de toepasselijke regeling voor de door de niet in België gevestigde belastingplichtigen verrichte handelingen. - De toekenning in de voorgelegde situatie van het btw-identificatienummer door de Dienst controle van het Centraal btw-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen kadert nu binnen het toepassingsveld van artikel 50, § 3 van het Btw-Wetboek. - Wanneer de belasting overeenkomstig artikel 51, § 2, 1°, 2°, 5° en 6°, van het Btw-Wetboek verschuldigd is door de medecontractant, voorziet artikel 5, § 1, 9°, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde thans dat de medecontractant de vermelding "Belasting te voldoen door de medecontractant - Btw-Wetboek artikel 51, § 2" of de verwijzing naar de betreffende bepaling van de richtlijn of elke andere gelijkwaardige vermelding op de factuur aanbrengt in de plaats van de vermelding van de tarieven en het totaalbedrag van de verschuldigde belasting.