Schriftelijke vraag en antwoord nr : 449 - Zittingsperiode : 52
Auteur : Dirk Van der Maelen, SP.A (00565)
Departement : Vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen
Titel : Btw. - Ondernemingen. - De "VAT Package".
Datum indiening : 04/05/2009
Vraag
De zogenaamde "VAT Package" zal in werking treden op 1 januari 2010. In de praktijk blijkt dat het gros van de ondernemingen niet of nauwelijks op de hoogte is van de impact die deze belangrijke wijzigingen zullen hebben.
Kan u verduidelijken wat de btw-behandeling is van de volgende diensten?
1. Een Belgische onderneming doet beroep op een vervoersmaatschappij die goederen vervoert buiten het grondgebied van de EU.
a) Is er Belgische btw verschuldigd?
b) Wat zijn de sancties indien deze ten onrechte werd voldaan of niet voldaan?
c) Maakt u een onderscheid qua sancties naargelang de vervoersmaatschappij al dan niet in België gevestigd is?
2. Een Belgische onderneming doet een beroep op een vervoersmaatschappij die goederen vervoert vanuit België naar een plaats buiten het grondgebied van de EU.
a) Is er Belgische btw verschuldigd?
b) Wat zijn de sancties indien deze ten onrechte werd voldaan of niet voldaan?
c) Maakt u een onderscheid qua sancties naargelang de vervoersmaatschappij al dan niet in België gevestigd is?
3. Een buitenlandse onderneming doet beroep op een vervoersonderneming die goederen vervoert van en naar een opslagplaats in België. De opslagruimte is eigendom van de vervoersmaatschappij. De goederen zijn afkomstig van en bestemd voor België, EU-lidstaten en niet-EU-lidstaten. Op het moment dat de goederen worden opgeslagen is hun eindbestemming niet gekend.
a) Is er Belgische btw verschuldigd op deze handeling?
b) Met andere woorden: beschouwt uw administratie dit als een dienst die betrekking heeft op onroerende goederen (nieuw artikel 47 Btw-Richtlijn) of als een dienst die valt onder de nieuwe algemene regel (artikel 44)?
c) Maakt het daarbij verschil of de vervoersonderneming bijkomende diensten verstrekt in de opslagruimte ?
4. Kan u bevestigen of ons land de regels omtrent "werkelijke exploitatie" en "werkelijk gebruik" (het nieuwe artikel 59bis) zal omzetten in de nationale wetgeving?
Op basis van deze regel kan ons land btw heffen op transacties die hier economisch gezien worden verbruikt en door de toepassing van de nieuwe regels buiten de toepassing van btw dreigen te vallen.
5. Zo neen, kan u verduidelijken waar het onderscheid ligt tussen de verkoop van goederen en de aankoop van grondstoffen die op last van een niet-EU onderneming worden verwerkt?
6. Hoe kan een Belgische ondernemer op een praktische manier aantonen dat hij diensten verstrekt aan een als zodanig handelende niet-EU btw-plichtige onderneming ?
7. In uw antwoord op mijn vraag nr. 166 van 14 januari 2009 stelt u dat een buitenlandse onderneming met een kantoor in België Belgische btw moet voldoen over bepaalde diensten (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2008-2009, nr. 48, blz. 26). Onder de toepassing van de nieuwe plaatsbepalingregels dreigen dergelijke situaties zich meer en meer voor te doen en kan er (vaker) sprake zijn van dubbele belastingheffing.
Hoe zal uw administratie hiermee omgaan?
8. Het zogenaamd "attractieprincipe" zal worden afgeschaft (nieuw artikel 192bis van de Btw-Richtlijn).
a) Op basis van welke criteria zal de administratie uitgaande handelingen van een buitenlandse onderneming toewijzen aan een Belgische vaste inrichting?
b) De tekst van de richtlijn spreekt van de "betrokkenheid" van een "inrichting" van de buitenlandse onderneming. Dit lijkt mij een nogal vaag begrip. Welke betrokkenheid is er vereist ?
Antwoord
Publicatie antwoord : B080 · Publicatiedatum : 13/10/2009
Richtlijn 2008/8/EG van de Raad van 12 februari 2008 wijzigt ingrijpend Richtlijn 2006/112/EG op het vlak van de plaatsbepaling van diensten inzake btw. Een wetsontwerp tot omzetting in Belgisch recht van deze gewijzigde bepalingen wordt aan het Parlement voorgelegd. Vooruitlopend op de parlementaire behandeling van dit wetsontwerp vindt het geachte Lid hierna een antwoord op zijn vragen.
1. Het vervoer van goederen voor rekening van een als zodanig handelende belastingplichtige is een dienst die vanaf 1 januari 2010 op grond van artikel 44 (nieuw) van Richtlijn 2006/112/EG plaatsvindt daar waar de ontvanger de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd. Wordt deze dienst evenwel verricht voor een vaste inrichting van de belastingplichtige op een andere plaats dan die waar hij de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, dan geldt als plaats van de dienst de plaats waar deze vaste inrichting zich bevindt. Bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, geldt als plaats van de dienst de woonplaats of gebruikelijke verblijf-plaats van de belastingplichtige die deze dienst afneemt. De plaats waar het vervoer effectief wordt verricht, speelt geen rol.
De vervoersdienst zal bijgevolg in België plaatsvinden en aan de Belgische btw zijn onderworpen, tenzij de dienst wordt verricht voor een vaste inrichting van de Belgische onderneming buiten België.Op grond van artikel 196 (nieuw) van Richtlijn 2006/112/EG is de ontvanger van de dienst schuldenaar van de btw, tenzij de vervoersonderneming in België zou gevestigd zijn, in welk geval de dienstverrichter schuldenaar is.
Onverminderd de eventuele toepassing van strafrechtelijke sancties wordt voor iedere overtreding van de verplichting de btw te voldoen een geldboete opgelegd overeenkomstig artikel 70, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek en de ter uitvoering daarvan genomen besluiten. Deze fiscale geldboete wordt opgelegd aan de schuldenaar van de belasting. In de gevallen waarin de btw van rechtswege verschuldigd is kan uiteraard geen sprake zijn van het ten onrechte voldoen van btw.
2. Zelfde oplossing als onder vraag 1, met dien verstande dat de vervoerdienst op grond van artikel 146.1, e), van Richtlijn 2006/112/EG vrijgesteld wordt van de btw. Deze communautaire bepaling werd in het Belgisch recht omgezet in artikel 41, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek.
De schuldenaar van de btw zal de vrijstelling van belasting moeten kunnen aantonen.
3. De diensten die het geachte Lid in deze casus aan de orde stelt, zijn een vervoer van goederen, bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek en een terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen, bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 9°, van het Btw-Wetboek.Zoals verduidelijkt in het antwoord op zijn eerste vraag, wordt de plaats van eerstgenoemde dienst bepaald overeenkomstig het algemeen principe, vervat in artikel 44 (nieuw) van Richtlijn 2006/112/EG, met name daar waar de ontvanger is gevestigd. De plaats van laatstgenoemde dienst wordt bepaald volgens het afwijkend criterium bedoeld in artikel 47 (nieuw) van Richtlijn 2006/112/EG, met name daar waar het onroerend goed is gelegen.
De kwalificatie die inzake btw moet gegeven worden aan een handeling, hangt af van de precieze inhoud van de overeenkomst die de contracterende partijen hebben afgesloten en die geval per geval moet beoordeeld worden: betreft het een vervoersovereenkomst, een contract voor opslag van goederen of worden beide handelingen beoogd, in welk geval beoordeeld moet worden volgens het principe bijzaak volgt hoofdzaak.
Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft gezegd dat een dienst als bijkomend bij een hoofddienst moet worden beschouwd als hij voor de klant geen doel op zich is, doch een middel om de hoofddienst van de dienstverrichter zo aantrekkelijk mogelijk te maken (zie arrest van 22 oktober 1998, Madgett en Baldwin, gevoegde zaken C-308/96 en C-94/97). Het betreft een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden.
4. en 5. Artikel 59bis (nieuw) van voornoemde Richtlijn 2006/112/EG laat de lidstaten toe de plaats waar het werkelijke gebruik of exploitatie van sommige diensten plaatsvindt in aanmerking te nemen om te vermijden dat er zich gevallen van dubbele heffing of niet-heffing van de belasting of verstoring van de mededinging zouden voordoen. Het betreft in feite een bepaling die reeds het voorwerp uitmaakte van artikel 58, van de Richtlijn 2006/112/EG die was opgenomen in het huidig artikel 21, § 4, van het Btw-Wetboek. Deze bepaling zal mutatis mutandis ook worden opgenomen in het wetsontwerp tot wijziging van het Btw-Wetboek. Men mag hierbij uiteraard niet uit het oog verliezen dat de mogelijkheid tot afwijking die voornoemd artikel 59bis biedt ter voorkoming van dubbele heffing of niet-heffing uitsluitend betrekking heeft op diensten waarvan het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie buiten de Gemeenschap geschieden (artikel 59bis, a) dan wel voor diensten waarvan de plaats van de dienst volgens de normale regels buiten de Gemeenschap is gelegen (artikel 59bis, b).
6. Gelet op het feit dat Richtlijn 2008/8/EG nog moet worden omgezet in Belgisch recht is de vraagstelling van het geachte Lid enigszins voorbarig. Aangezien echter voornoemde Richtlijn geen specifieke bepalingen bevat inzake het te leveren bewijs kan men denken dat het bewijs van de plaats van de dienst zal worden geleverd door alle middelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed.
7. Het begrip "vaste inrichting" wordt niet omschreven in Richtlijn 2006/112/EG. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft het begrip vaste inrichting van een dienstverrichter weliswaar reeds uit-gebreid omschreven als een inrichting met een voldoende mate van duurzaamheid en een - wat personeel en technisch materieel betreft - geschikte structuur om een zelfstandige verrichting van de betreffende diensten mogelijk te maken (zie onder meer arrest van 17 juli 1997, Aro Lease BV, zaak C-190/95).
Ten aanzien van de draagwijdte van het begrip "vaste inrichting" in hoofde van de ontvanger van de dienst bestaat er nog geen vaste rechtspraak.De administratie heeft ter zake steeds het standpunt ingenomen dat een vaste inrichting permanent over een geheel van menselijke en materiële middelen moet beschikken die het mogelijk moeten maken om de haar geleverde diensten te kunnen ontvangen en te verbruiken.Het feit dat een belastingplichtige voor btw-doeleinden is geïdentificeerd in een andere lidstaat dan de lidstaat waar hij de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, is op zich evenwel nog geen voldoende aanleiding om te kunnen zeggen dat hij beschikt over een vaste inrichting in die lidstaat.
De draagwijdte van het begrip "vaste inrichting" maakt - naar aanleiding van de implementatie van Richt-lijn 2008/8/EG en met het oog op het vermijden van situaties van dubbele taxatie of niet-heffing - thans nog het voorwerp uit van besprekingen in de schoot van het btw-comité.
8. Voor de toepassing van artikel 192bis (nieuw) van Richtlijn 2006/112/EG zal een belasting-plichtige die in België een vaste inrichting heeft, aangemerkt worden als een niet in België gevestigde belastingplichtige als deze inrichting niet betrokken is bij de levering van goederen of de dienst. Die laatste zal echter worden geacht betrokken te zijn wanneer aan minstens één van de volgende voorwaarden is voldaan :
- het aan de handeling ten gronde liggende contract werd gesloten met de vaste inrichting;
- de handeling wordt gefactureerd onder vermelding van de coördinaten van de vaste inrichting (naam of benaming, adres en BE-btw-identi-ficatienummer);
- de handeling en de eventuele bijkomende handelingen worden tot stand gebracht met rechtstreekse of onrechtstreekse materiële tussenkomst van de vaste inrichting, met andere woorden de technische en/of menselijke middelen van de vaste inrichting worden ingezet bij het verrichten van de goederenlevering of de dienst.