Vr. en Antw., Kamer, 1994-1995, nr. 151, blz. 16.209-16.213
Terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen - Verplichtingen.
VRAAG
Naar aanleiding van de aanpassing van de wetgeving aan de Europese BTW-richtlijn, rijzen er vandaag vragen omtrent het terbeschikkingstellen van garageboxen.
1.
a) Onder welke voorwaarden is een verhuurder van garageboxen BTW- plichtig?
b) Kunnen garageboxen verhuurd worden zonder BTW-plicht?
2. In de gevallen dat de BTW-plicht geldt, wat moet de BTW-plichtige doen om in orde te zijn?
ANTWOORD
1. Zoals ik reeds heb medegedeeld in mijn antwoorden op vraag nr. 1133 van de heer volksvertegenwoordiger de Clippele van 15 juni 1994 (Vragen en Antwoorden, Kamer, G.Z., 1993-1994, nr. 123, 3 oktober 1994, blz. 12902-12903), vraag nr. 927 van de heer senator Cannaerts van 14 december 1994 (Vragen en Antwoorden, Senaat, G.Z., 1994-1995, nr. 143, 24 januari 1995, blz. 7540) en vraag nr. 1376 van de heer volksvertegenwoordiger Dielens van 17 januari 1995 is de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 8°, van het BTW-wetboek.
Genoemd wetsartikel werd in overeenstemming met de Zesde Richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake omzetbelasting - gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde, in die zin gewijzigd dat sinds 1 januari 1993 niet meer vereist is dat de daarin beoogde activiteit moet uitgeoefend worden in het kader van een exploitatie van een parking of garage.
Derhalve heeft eenieder die binnen de voorwaarden van artikel 2 en 4 van het BTW-wetboek stalling voor rijtuigen - ook wanneer het afgescheiden garages of boxen betreft - ter beschikking stelt, de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige met recht op aftrek en is over de aangerekende vergoeding de BTW verschuldigd tegen het normale tarief dat thans 20,5 % bedraagt. Het aantal stallingen dat verhuurd wordt speelt hierbij geen enkele rol. Hierbij dient evenwel opgemerkt te worden dat overeenkomstig artikel 56, § 2, van het BTW-wetboek en artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992 de kleine ondernemingen waarvan de jaaromzet niet meer bedraagt dan 225.000 frank, van rechtswege aan de vrijstellingsregeling zijn onderworpen.
Bovendien, artikel 18, § 1, tweede lid, 8°, van het BTW-wetboek vindt geen toepassing ten aanzien van de terbeschikkingstelling of de verhuur van stalling voor rijtuigen wanneer zij nauw verbonden is met een op grond van artikel 44, § 3, 2°, van dat wetboek vrijgestelde huurovereenkomst betreffende een voor een ander gebruik bestemd onroerend goed (bv. bewoning, commerciële doeleinden, enz.) zodanig dat beide verhuringen één enkele economische handeling vormen. Dit is inzonderheid het geval wanneer de stalling voor rijtuigen en het voor andere doeleinden verhuurd onroerend goed deel uitmaken van eenzelfde onroerend geheel (bv. appartementsgebouw, woningcomplex, ...) en beide goederen door dezelfde eigenaar - zelfs bij afzonderlijk gesloten overeenkomsten - aan dezelfde huurder worden verhuurd. Aldus zal de stalling voor rijtuigen ingericht in flatgebouwen of in aanhorigheden ervan en die uitsluitend ter beschikking wordt gesteld van de medeëigenaars of van de huurders in de regel niet aan de BTW zijn onderworpen.
2. De verplichtingen die de BTW-belastingplichtige dient na te leven zijn de volgende:
a) De BTW-belastingplichtige moet vooraleer een economische activiteit uit te oefenen, overeenkomstig artikel 53, eerste lid, 1°, van het BTW-wetboek, daarvan aangifte doen op het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde dat bevoegd is voor de plaats waar hij gevestigd is.
Bij het indienen van de aanvraag tot registratie als belastingplichtige moet hij, wanneer een inschrijving in het handels- of ambachtsregister vereist is, een afschrift van de inschrijving in het voormeld register voorleggen.
b) Overeenkomstig artikel 53, eerste lid, 2°, van het voornoemd wetboek en artikel 1, § 1 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, is de belastingplichtige gehouden aan zijn medecontractant een factuur uit te reiken ingevolge de door hem verrichte dienst in de uitoefening van zijn economische activiteit. Artikel 4, § 1, van het genoemd koninklijk besluit bepaalt dat de factuur moet worden uitgereikt uiterlijk de vijfde werkdag van de maand na die waarin de belasting opeisbaar wordt over het geheel of een deel van de prijs.
De belastingplichtige is ervan ontheven een factuur uit te reiken wanneer hij diensten verstrekt aan natuurlijke personen, al dan niet BTW-belastingplichtigen, die ze bestemmen voor hun privé-gebruik. Deze ontheffing is facultatief en niet van toepassing voor de diensten verstrekt aan rechtspersonen noch voor bepaalde handelingen vermeld in artikel 1, § 2, tweede lid, van het genoemd koninklijk besluit nr. 1.
c) Overeenkomstig artikel 53, eerste lid, 3°, van het BTW-wetboek is de belastingplichtige gehouden iedere maand aangifte te doen van het bedrag van de in dit wetboek bedoelde handelingen die hij heeft verricht of die aan hem werden verstrekt, gedurende de vorige maand in het kader van zijn economische activiteit, van het bedrag van de opeisbare belasting, van de te verrichten aftrek en van de te verrichten herzieningen. De aangifte moet uiterlijk de twintigste van de maand die volgt op de maand waarop zij betrekking heeft, worden ingediend bij het controlekantoor van de BTW waaronder de belastingplichtige ressorteert. Onder bepaalde voorwaarden voorzien in artikel 18, § 2, eerste lid, van het genoemd koninklijk besluit nr. 1, kan de belastingplichtige gemachtigd worden slechts om de drie maanden een aangifte in te dienen, uiterlijk de twintigste van de maand na ieder kalenderkwartaal.
d) Overeenkomstig artikel 53, eerste lid, 4°, van het wetboek is de belastingplichtige gehouden de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de aangifte. Krachtens artikel 19, § 1, van het genoemd koninklijk besluit nr. 1, moet de belastingplichtige die een kwartaalaangifte indient, uiterlijk de twintigste van de tweede en de derde maand van ieder kalenderkwartaal een voorschot voldoen op de verschuldigde belasting. Krachtens § 3 van diezelfde bepaling moet de belastingplichtige die op 1 december van het lopende kalenderjaar gehouden is tot het indienen van een maandaangifte, een voorschot betalen op de belasting die verschuldigd is over zijn handelingen van de maand december van datzelfde jaar.
e) Krachtens artikel 53quinquies van het BTW-wetboek, is de belastingplichtige gehouden jaarlijks voor iedere belastingplichtige die voor BTW-doeleinden moet geïdentificeerd zijn, behalve voor degenen die uitsluitend handelingen verrichten die krachtens artikel 44 van genoemd wetboek van de belasting zijn vrijgesteld, en aan wie hij diensten heeft verstrekt in de loop van het vorige jaar, de Administratie van de BTW, registratie en domeinen in kennis stellen van het totale bedrag van de handelingen alsmede van het totale bedrag van de in rekening gebrachte belasting.
f) Krachtens artikel 14, § 1, van het genoemd koninklijk besluit nr. 1, moet de belastingplichtige een aan de omvang van zijn activiteiten aangepaste boekhouding voeren om de belasting over de toegevoegde waarde te kunnen toepassen en controleren. De boekhouding bevat minstens drie boeken (zie art. 14, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1): een boek voor inkomende facturen, een boek voor uitgaande facturen en een dagboek van ontvangsten waarin de ontvangsten zijn ingeschreven met betrekking tot de handelingen waarvoor gebruik is gemaakt van de ontheffing van de factureringsplicht.
De belastingplichtigen onderworpen aan de vrijstellingsregeling zijn ervan ontheven BTW-aangiften in te dienen en kunnen in geen enkel geval de BTW die zij aan hun leveranciers hebben betaald in aftrek brengen.
Deze belastingplichtigen zijn echter wel gehouden tot dezelfde verplichtingen zoals deze bedoeld in de punten a), b), e) en f) hiervoor.
Het past evenwel te wijzen op volgende bijzonderheden:
•inzake facturering mogen de facturen of de als zodanig geldende stukken uitgereikt door de kleine onderneming op geen enkele manier de belasting vermelden;
•wat bovendien de boekhouding betreft is de kleine onderneming krachtens artikel 14, § 4, van het genoemd koninklijk besluit nr. 1, ervan ontheven de boeken voor inkomende en uitgaande facturen te houden, voor zover zij de facturen en de stukken die zij ontvangt en de dubbels van de facturen en de stukken die zij uitreikt, bewaart volgens een ononderbroken reeks volgnummers toegekend bij hun ontvangst indien het gaat om inkomende facturen en stukken of naargelang hun uitreiking indien het gaat om uitgaande facturen en stukken en dat zij het boek houdt bedoeld in artikel 14, § 5, van het genoemd koninklijk besluit nr. 1.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.