Vr. en Antw., Senaat, 1994-1995, nr. 143, blz. 7540
Terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen - Artikel 18, § 1, 8°
VRAAG
Naar aanleiding van uw antwoord op een parlementaire vraag van kamerlid de Clippele (bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, 1993- 1994, nr. 123, blz. 12902), blijft er bij velen nog onduidelijkheid over de toepassing van de BTW-heffing op de verhuur van garages.
Volgens uw antwoord is er sprake van BTW-heffing vanaf het ogenblik dat de terbeschikkingstelling (geregeld en zelfstandig) plaatsvindt binnen de uitoefening van een economische werkzaamheid.
Welnu, in het geval van een rentenier die als enig inkomen, behoudens zijn pensioen, een genot heeft van huuropbrengsten van een serie garages (zonder woongelegenheid), komt het mij voor dat het hier niet om een "economische" activiteit gaat, doch wel om het beheer van een privaat (onroerend) vermogen.
Kan de geachte minister mij bevestigen dat dit soort van verhuring niet geviseerd wordt door de BTW-wetgeving ?
ANTWOORD
De omstandigheid dat de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen bepaald in artikel 18, § 1, tweede lid, 8°, van het BTW- Wetboek, sinds de wijziging onder meer van die bepaling op 1 januari 1993 niet meer in het kader van een exploitatie van een parking of garage, moet geschieden, heeft tot gevolg dat de draagwijdte van bovengenoemde dienst veel ruimer is geworden.
Zoals u weet vloeit de bovengenoemde wijziging voort uit de aanpassing op 1 januari 1993 van het BTW-Wetboek aan de zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake omzetbelasting-gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde, zodat thans de draagwijdte van artikel 18, § 1, tweede lid, 8°, van genoemd wetboek, volledig overeenstemt met de Europese rechtsleer ter zake. Onder die omstandigheden ligt het dan ook voor de hand dat de Europese rechtspraak in dit verband (z. HVJ, zaak 173/88, Skatteministeriet/Morten Henriksen, 13 juli 1989) als leidraad wordt genomen bij de bepaling van het toepassingsgebied van de beoogde dienstverrichting zoals dat is weergegeven in het antwoord op de parlementaire vraag van de heer volksvertegenwoordiger de Clippele waarnaar het geachte lid verwijst.
Voor de toepassing van de BTW is derhalve de terbeschikkingstelling in het door het geachte lid beoogde geval van een serie garages, aan te merken als een economische activiteit die behoudens toepassing in voorkomend geval van artikel 56, § 2, van het BTW-Wetboek inzake de vrijstellingsregeling, de BTW opeisbaar maakt. Overigens op grond van artikel 4, tweede lid, van de bovengenoemde richtlijn omvat het begrip economische activiteit alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt onder andere beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.