Koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992, Vrijstellingsregeling in het voordeel van kleine ondernemingen. · Koninklijke besluiten

Naar de tekst
Juriel

01.04.2014 nr. 19

Zoeken
Niet meer van kracht

Koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992, Vrijstellingsregeling in het voordeel van kleine ondernemingen.

https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-19-december-vrijstellingsregeling-in-voordeel-kleine-9a64

Opgeheven op
01.04.2014
Besluit
nr. 19

Over het document

Verzameling
Koninklijke besluiten
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

16 artikelen

BTW

Koninklijk besluit nr. 19, van 29 december 1992, met betrekking tot de vrijstellingsregeling bepaald door artikel 56, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen.

(Uitvoering van de artikelen 53 en 56, § 2, van het Wetboek)

(Officieuze coördinatie)

Opgeheven, met ingang van 01.04.2014 (KB 29.06.2014, B.S. 09.07.2014, pg. 52188) [recente wijzigingen]

Dit koninklijk besluit werd, met ingang van 01.04.2014, opgeheven en vervangen door het koninklijk besluit nr. 19, van 29 juni 2014, met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen.

lid 1(Vanaf 01.01.2002 worden de in KB nr. 19, artikel 1 opgenomen bedragen uitgedrukt in euro. (Art.3, 18, KB 20.07.2000 en Art.37, 6°, KB 13.07.2001))

lid 2Als kleine ondernemingen voor de toepassing van artikel 56, § 2, van het Wetboek worden aangemerkt de belastingplichtigen van wie de jaaromzet gerealiseerd tijdens het voorgaand kalenderjaar niet meer bedraagt dan 5.580 EUR.

lid 3Ten aanzien van ondernemingen die een activiteit aanvangen in de loop van een kalenderjaar dient het omzetcijfer van 5.580 EUR te worden verminderd naar rato van de duur van de activiteit van de onderneming gedurende het jaar van aanvang.

lid 1(De tekst van KB nr. 19, artikel 2, is van toepassing met ingang van 01.10.2007. (Art. 128, W 27.04.2007, B.S. 08.05.2007))

lid 2De vrijstellingsregeling van belasting is niet toepasselijk op :

de handelingen beoogd in de artikelen 8 en 8bis van het Wetboek;

de handelingen die bestaan uit een werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, tweede lid, van het Wetboek en de handelingen opgesomd in artikel 20, § 2, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;

de handelingen beoogd in artikel 57 van het Wetboek, verricht door landbouwondernemers onderworpen aan de bijzondere landbouwregeling;

de handelingen beoogd in artikel 58, §§ 1 en 2, van het Wetboek;

de handelingen verricht door belastingplichtigen die niet in België zijn gevestigd.

lid 1(De tekst van KB nr. 19, artikel 3, is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (KB 29.12.1992))

lid 2De omzet die als maatstaf dient voor de toepassing van het bepaalde van artikel 1 wordt gevormd door het bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van de belastbare leveringen van goederen en diensten, alsmede door het bedrag van de door het Wetboek vrijgestelde handelingen.

lid 3Bij het vaststellen van de omzet wordt geen rekening gehouden met de overdracht van lichamelijke of onlichamelijke investeringsgoederen van de onderneming, met de handelingen beoogd in artikel 2, noch met de handelingen beoogd in artikel 44, §§ 1 en 2, van het Wetboek.

art. 4

lid 1(De tekst van KB nr. 19, artikel 4, is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (KB 29.12.1992))

lid 2Wanneer verscheidene personen in onverdeeldheid of in vereniging een beroepswerkzaamheid uitoefenen, dient er voor de toepassing van artikel 1 rekening te worden gehouden met het jaarlijks totaalbedrag van de overeenkomstig artikel 3 bepaalde omzetcijfers die ze gezamenlijk realiseren.

lid 3Wanneer daarentegen echtgenoten een onderscheiden beroepswerkzaamheid uitoefenen, wordt afzonderlijk rekening gehouden met de werkzaamheid van ieder van de echtgenoten, ongeacht hun huwelijksvoorwaarden.

lid 1(De tekst van KB nr. 19, artikel 5, is van toepassing met ingang van 01.01.2004. (Art. 15, KB 20.02.2004, B.S. 27.02.2004))

lid 2De belastingplichtige die een beroepswerkzaamheid aanvangt na 31 december 1992 is onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting wanneer hij, onder controle van de administratie, in de bij artikel 53, § 1, eerste lid, 1°, van het Wetboek bedoelde aangifte verklaart dat zijn werkzaamheid naar alle waarschijnlijkheid zal voldoen aan de voorwaarden die voor de toepassing van die regeling zijn gesteld.

lid 3Wanneer uit de omstandigheden duidelijk blijkt dat aan de voorwaarden gesteld voor de toepassing van de vrijstellingsregeling van belasting niet zal worden voldaan, beslist de administratie dat de belastingplichtige onderworpen is aan een andere belastingregeling, en zulks ongeacht de verklaring waarvan sprake in het eerste lid.

lid 1(De tekst van KB nr. 19, artikel 6, is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (KB 29.12.1992))

lid 2De in artikel 56, § 2, vijfde lid, van het Wetboek bedoelde optie voor de normale regeling van de belasting of de forfaitaire regeling van artikel 56, § 1, van het Wetboek, moet worden uitgeoefend bij een ter post aangetekende brief gericht aan het hoofd van het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert. Die optie heeft uitwerking te rekenen vanaf het verstrijken van de maand na die waarin de brief wordt verzonden.

lid 3Vóór 1 januari van het derde jaar na dat waarin de optie uitwerking heeft gehad kan de belastingplichtige niet opnieuw overgaan naar de vrijstellingsregeling van belasting ingesteld bij artikel 56, § 2, van het Wetboek. Van die wijziging in de belastingregeling moet vóór 1 december bij een ter post aangetekende brief kennis worden gegeven aan het hoofd van het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert; die wijziging heeft uitwerking met ingang van 1 januari van het volgend jaar.

lid 1(De tekst van KB nr. 19, artikel 7, eerste lid,, is van toepassing met ingang van 20.09.2004. (Art. 6, KB 01.09.2004, B.S. 10.09.2004))

lid 2Wanneer het totaalbedrag van de omzet, in de loop van een kalenderjaar, meer bedraagt dan het bedrag bepaald in artikel 1, is de kleine onderneming onderworpen aan de normale regeling van de belasting of eventueel aan de forfaitaire regeling van artikel 56, § 1, van het Wetboek, vanaf de eerste handeling, in haar geheel genomen, waarvoor het bedrag bepaald in artikel 1 wordt overschreden. Ze is ertoe gehouden het hoofd van het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder ze ressorteert hiervan onmiddellijk kennis te geven bij ter post aangetekende brief waarin ze eventueel preciseert te opteren voor de forfaitaire regeling van de belasting indien ze de voorwaarden vervult die voor de toepassing van die regeling zijn bepaald; bij ontstentenis van dergelijke optie zal ze onderworpen zijn aan de normale regeling van de belasting.

lid 3Indien de overschrijding van het bedrag vermeld in artikel 1 uitzonderlijk is en niet meer bedraagt dan een door of vanwege de Minister van Financiën bepaald bedrag, kan de in het voorgaand lid bedoelde belastingplichtige het voordeel van de vrijstellingsregeling van belasting behouden.

lid 1(De tekst van KB nr. 19, artikel 8, is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (KB 29.12.1992))

lid 2Indien tijdens het verstreken kalenderjaar de jaaromzet van een belastingplichtige die niet is onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting niet meer bedraagt dan het bedrag beoogd in artikel 1 is de belastingplichtige, behoudens toepassing de artikelen 2 en 6, onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting vanaf 1 juli van het volgend jaar. De belastingplichtige die niet wenst te genieten van deze regeling dient daarvan het hoofd van het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert, vóór 1 juni, bij ter post aangetekende brief, in kennis te stellen.

lid 3De belastingplichtige die wenst te genieten van de vrijstellingsregeling van belasting vanaf 1 januari van het volgend jaar kan te dien einde een aanvraag indienen bij het hoofd van het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert in de loop van het laatste kwartaal maar vóór 15 december van het lopend jaar.

lid 4De aanvraag moet worden verricht bij een ter post aangetekende brief waarin tevens melding moet worden gemaakt van de omzet van de eerste drie kwartalen van het lopend jaar, alsmede een raming van de omzet van het vierde kwartaal.

lid 1(De tekst van KB nr. 19, artikel 9, is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (KB 29.12.1992))

lid 2Op de facturen of op de als zodanig geldende stukken die de kleine onderneming uitreikt voor de door haar geleverde goederen of verrichte diensten mag de belasting, onder welke vorm dan ook, niet worden vermeld en dient de vermelding te worden aangebracht : "Kleine onderneming onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting. BTW niet toepasselijk.".

art. 10

lid 1(De tekst van KB nr. 19, artikel 10, eerste lid,, is van toepassing met ingang van 29.06.2008. (Art. 1, KB 12.06.2008) B.S. 19.06.2008; vervangen met ingang van 30.06.2008 (Art. 1, KB 12.06.2008, B.S. 20.06.2008))

lid 2De kleine onderneming die op 31 december de vrijstellingsregeling van belasting toepast, is ertoe gehouden, vóór 31 maart van het volgend jaar, de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, in kennis te stellen van het totaalbedrag van de omzet, gerealiseerd in de loop van het voorgaand kalenderjaar. Indien zij haar activiteit heeft aangevangen tijdens dat jaar, moet zij tevens opgeven gedurende welk tijdvak zij die werkzaamheid heeft uitgeoefend.

lid 3Deze gegevens moeten worden vermeld in het daartoe bestemde kader van de jaarlijkse opgave der afnemers-belastingplichtigen die de kleine onderneming bij de administratie moet indienen overeenkomstig artikel 53quinquies van het Wetboek.

art. 11

1 document

(De tekst van KB nr. 19, artikel 11, is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (KB 29.12.1992))

1)

De belastingplichtige die niet langer onderworpen is aan de bijzondere regeling ingesteld bij artikel 56, § 2, van het Wetboek en overgaat naar de normale regeling van de belasting of, eventueel, naar de forfaitaire regeling van artikel 56, § 1, van het Wetboek, kan teruggaaf verkrijgen van de belasting over de toegevoegde waarde geheven :

1°

van de andere goederen dan bedrijfsmiddelen, die nog niet werden vervreemd en van de diensten die nog niet werden gebruikt bij de wijziging van belastingregeling;

2°

van de bedrijfsmiddelen die bij de wijziging nog bestaan, voor zover die goederen nog bruikbaar zijn en het herzieningstijdvak bepaald bij artikel 48, § 2, van het Wetboek, of ter uitvoering ervan, niet is verstreken.

2)

De teruggaaf is afhankelijk van de indiening bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert, binnen drie maanden vanaf de wijziging van belastingregeling, van een inventaris van de voorraad op het tijdstip van die wijziging en van een staat van de op dat tijdstip nog bruikbare bedrijfsmiddelen. Die stukken worden opgemaakt in drie exemplaren waarvan er twee bestemd zijn voor het controlekantoor; ze moeten op een gedetailleerde wijze de goederen en diensten vermelden die in aanmerking worden genomen voor het berekenen van de voor teruggaaf vatbare belasting, alsmede de datum waarop die goederen werden geleverd en die diensten werden verstrekt aan de belastingplichtige en het nummer van de aankoopfactuur of van het invoerdocument, de maatstaf van heffing waarover ze met de belasting over de toegevoegde waarde werden belast en het terug te geven bedrag.

lid 2

De teruggaaf wordt slechts toegestaan in de mate waarin de belastingplichtige de aftrek had kunnen verrichten bij toepassing van de artikelen 45 tot 49 van het Wetboek, indien hij op het tijdstip van de wijziging in de belastingregeling de hoedanigheid van belastingplichtige had verkregen zoals bedoeld in artikel 49, 3°, van het Wetboek.

lid 3

De belastingplichtige oefent zijn recht op teruggaaf uit bij het indienen van de aangifte met betrekking tot de handelingen van de laatste maand van het kalenderkwartaal na dat waarin de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde stukken bij het controlekantoor werden ingediend.

art. 12

(De tekst van KB nr. 19, artikel 12, is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (KB 29.12.1992))

1)

De belastingplichtige die niet langer onderworpen is aan de normale regeling van de belasting of aan de forfaitaire regeling van artikel 56, § 1, van het Wetboek, en overgaat naar de bijzondere regeling ingesteld bij artikel 56, § 2, van het Wetboek, herziet de door hem verrichte aftrek van de belasting geheven :

1°

van de andere goederen dan bedrijfsmiddelen, die nog niet werden vervreemd en van de diensten die nog niet werden gebruikt bij de wijziging van belastingregeling;

2°

van de nog bruikbare bedrijfsmiddelen die op dat tijdstip bestaan en waarvan de oorspronkelijke aftrek het voorwerp uitmaakt van een herziening.

lid 2

De overgang naar de bijzondere regeling wordt gelijkgesteld met het verlies van de hoedanigheid van belastingplichtige voor de toepassing van artikel 49, 3°, van het Wetboek.

2)

Het bedrag van de terug te storten belasting wordt bepaald op basis van een inventaris van de voorraad op het tijdstip van de wijziging van belastingregeling en van een staat van de op dat tijdstip nog bruikbare bedrijfsmiddelen. Die stukken worden opgemaakt in drie exemplaren waarvan er twee bestemd zijn voor het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert. Ze moeten op een gedetailleerde wijze de goederen en diensten vermelden die voor herziening vatbaar zijn, alsmede de datum waarop die goederen werden geleverd en die diensten werden verstrekt aan de belastingplichtige en het nummer van de aankoopfactuur of van het invoerdocument, de maatstaf van heffing waarover ze met de belasting over de toegevoegde waarde werden belast en het terug te storten bedrag.

lid 2

Deze stukken moeten binnen de maand vanaf de wijziging van belastingregeling worden ingediend bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert.

art. 13

1 document

(De tekst van KB nr. 19, artikel 13, is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (KB 29.12.1992))

1)

De belastingplichtige die zijn werkzaamheid heeft aangevangen vóór 1 januari 1993 wordt onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting wanneer hij op dat tijdstip voldoet aan de voorwaarden die voor de toepassing van die regeling zijn bepaald. Om de omvang van zijn handelingen te bepalen wordt rekening gehouden met de omzet van het jaar 1991; indien hij zijn werkzaamheid heeft aangevangen na 1 januari 1991 wordt de jaaromzet berekend op grond van de omzet die werd verwezenlijkt vóór 1 januari 1993.

2)

De in § 1 bedoelde belastingplichtige kan opteren voor de normale regeling van de belasting, of voor de forfaitaire regeling van artikel 56, § 1, van het Wetboek indien de voorwaarden worden vervuld om van die bijzondere regeling te kunnen genieten.

lid 2

De optie moet worden gedaan vóór 31 december 1992 bij ter post aangetekende brief gericht aan het hoofd van het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert. Ze heeft uitwerking te rekenen vanaf 1 januari 1993.

art. 14

lid 1(De tekst van KB nr. 19, artikel 14, is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (KB 29.12.1992))

lid 2Dit besluit vervangt het koninklijk besluit nr. 19 van 20 juli 1970 tot regeling van de toepassing van de egalisatiebelasting.

art. 15

lid 1(De tekst van KB nr. 19, artikel 15, is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (KB 29.12.1992))

lid 2Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1993 met uitzondering van artikel 13 dat in werking treedt de dag waarop het besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

art. 16

lid 1(De tekst van KB nr. 19, artikel 16, is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (KB 29.12.1992))

lid 2Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Aangehaalde teksten

12
WBTW art. 5612 voorkomens
WBTW art. 493 voorkomens
WBTW art. 532 voorkomens
WBTW art. 191 voorkomen
WBTW art. 441 voorkomen
WBTW art. 451 voorkomen
WBTW art. 481 voorkomen
WBTW art. 571 voorkomen
WBTW art. 581 voorkomen
WBTW art. 81 voorkomen
WBTW art. 8bis1 voorkomen

Administratieve doctrine

11

« … betrekkelijk gering blijven in vergelijking met de gezamenlijke vrijgestelde ontvangsten. Dienaangaande kan men stellen dat in de praktijk aan deze voorwaarde voldaan is wanneer de ontvangsten van de cafetaria het bedrag van 5.580 euro, voorzien door artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992 inzake vrijstellingsregeling bepaald door artikel 56, § 2, van het BTW-Wetboek, niet overschrijden of, als dit bedrag toch overschreden is, wanneer deze ontvangsten hoogstens 10 % van de globale … »

AssujettissementOmzendbrief29.08.2007art. 1

11 documenten hangen aan een welbepaald punt van het artikel. De koppeling wordt in de tekst van de documenten gelezen.

Bekijk de 11 documenten