ANTWOORD
De BTW-schulden omvatten naast de hoofdsom de interesten en toebehoren, ook de administratieve geldboeten die voorzien zijn in de artikelen 70 en volgende van het BTW-wetboek. De voornoemde artikelen bepalen enkel de minima- en maximabedragen van de boeten. Het exacte bedrag van de opgelegde boeten vloeit voort uit de toepassing van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 (tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde) gewijzigd door de koninklijke besluiten van 21 oktober 1993 en 30 maart 1994 of van het koninklijk besluit nr. 44 van 21 oktober 1993 (tot vaststelling van het bedrag van de niet- proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde) gewijzigd door het koninklijk besluit van 30 maart 1994. De voornoemde koninklijke besluiten regelen praktisch de vermindering van boeten, die, in de omschreven gevallen, rekening houdt met het toevallige karakter van de begane onregelmatigheden, of met het feit dat ze te wijten zijn aan onwetendheid, vergissing of nalatigheid.
Bij het bepalen van het bedrag van een voor een bepaald geval toe te passen boete, was één van de streefdoelen van de Administratie in te gaan tegen de laksheid, de nalatigheid en de slechte wil van haar schuldenaars - wat trouwens inherent is aan ratio legis van de administratieve geldboeten. Dit doel is onder meer verzekerd door het artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 41 alsmede door het artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 44 hiervoor geciteerd. Overeenkomstig deze bepalingen, worden, in geval van kennisgeving of betekening van het dwangbevel bedoeld in artikel 85 van het BTW-wetboek, de in de tabellen van de bijlagen van hogergenoemde koninklijke besluiten bepaalde geldboeten, verhoogd met 50 %, zonder dat het gevorderde bedrag hoger mag zijn dan het wettelijk maximum. Deze verhoging komt in feite neer op een kleinere vermindering van de wettelijke boeten ten opzichte van deze bepaald in de bijlagen. Deze kleine vermindering wordt slechts toegepast op het ogenblik van de kennisgeving of betekening van het dwangbevel, dit wil zeggen bij de afloop van de administratieve fase van de invordering.
Krachtens artikel 85 van het BTW-wetboek wordt er, bij gebreke van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren, een dwangbevel uitgevaardigd door de met de invordering belaste ambtenaar en dit dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar.
Het dwangbevel is een uitvoerbare titel die het nemen van verschillende gedwongen uitvoeringsmaatregelen toelaat, zowel voor deze voorzien in het BTW-wetboek als voor deze voorzien in het Gerechtelijk wetboek met het oog op het verzekeren van invordering van de staatsgelden. De kennisgeving of de betekening van een dwangbevel doet zich ondermeer voor ten gevolge van de niet-betaling van de verschuldigde sommen door een belastingplichtige op grond van een ingediende periodieke aangifte. Ze doet zich ook voor ten gevolge van de rechtzetting van de fiscale toestand van een belastingplichtige. In de administratieve praktijk worden de gedwongen uitvoerende maatregelen slechts genomen - en bijgevolg het dwangbevel slechts uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard - na afloop van een min of meer lange periode, die aanvangt met de vaststelling van de niet-betaling van de aangegeven belasting of met de vaststelling van andere overtredingen tegen de bepalingen van het BTW-wetboek of van de ten uitvoer ervan genomen maatregelen.
De voornoemde periode is ingesteld ten gunste van de belastingplichtige om hem toe te laten ter gelegener tijd de vrijwillige betaling van zijn schulden te verrichten of desgevallend op een geldige manier zijn bezwaren tegenover een lastens hem gedane taxatie kenbaar te maken.
Er dient aan herinnerd dat de invordering van BTW-schulden verzekerd wordt door de met de invordering belaste ambtenaar, die voor deze opdracht verantwoordelijk is voor het Rekenhof, en dat de BTW-schuld van openbare orde is. In tegenstelling met de schulden van contractuele aard is de BTW opeisbaar op het moment dat alle voorwaarden van het materiële recht vervuld zijn en dit zelfs in het geval van betwisting door de belastingplichtige.
Met andere woorden, de BTW-schuld is van rechtswege verschuldigd op het ogenblik van de belastbare handelingen zelf en is betaalbaar ten laatste bij het verstrijken van de termijn vastgelegd in de wettelijke en reglementaire bepalingen. Het geval van dwangbevel - uitvoerbare titel door de Administratie zelf uitgevaardigd - doet zich in de praktijk van de invordering slechts voor in het ultieme stadium, dit wil zeggen wanneer de invordering der verschuldigde sommen nodig is langs gerechtelijke weg en dit als reactie tegen de onverschilligheid, de nalatigheid of de overduidelijk slechte wil van de belastingplichtige.
De belastingplichtige, die het voorwerp heeft uitgemaakt van een dwangbevel en de daaruitvolgende uitvoeringsmaatregelen, kan de tenuitvoerlegging van het dwangbevel stuiten door een met redenen omkleed verzet met dagvaarding en dit bij toepassing van artikel 89, tweede alinea van het BTW-wetboek. Indien de belastingplichtige in het gelijk wordt gesteld door het gerecht, zal de nietigverklaring van het dwangbevel door de rechtspraak ten gronde, ipso facto de annulatie van de opgelegde boete inhouden.
Rekening houdend met wat voorafgaat, kan worden gesteld dat geen enkele verhoging van de opgelegde boeten toegepast wordt wanneer een belastingplichtige bij toepassing van het artikel 89 of 90 van het BTW- wetboek of van de bepalingen van het gemeen recht, zijn toevlucht neemt tot de gerechtelijke macht teneinde over een bepaald rechtsprobleem te laten beslissen.