Nieuwbouw. Bepaling normale bouwwaarde. Groothandelsprijzen. Prijskortingen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1102 23 januari 2006

Zoeken

Nieuwbouw. Bepaling normale bouwwaarde. Groothandelsprijzen. Prijskortingen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1102-nieuwbouw-bepaling-normale-bouwwaarde-groothandelsprijzen-fd6c

Nummer
1102
Datum
23 januari 2006

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

33 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 110, blz. 20582-20585

Nieuwbouw - Bepaling normale bouwwaarde - Groothandelsprijzen - Prijskortingen

VRAAG

Naar verluidt moeten de controlerende BTW-ambtenaren de ingediende BTW-bouwaangifte nr. 106.3 op een objectieve wijze verifiëren en daarbij in beginsel onder andere rekening houden met de door de leveranciers aangerekende verkoopprijzen, exclusief BTW.

In de praktijk valt het echter ook regelmatig voor dat zelfs een particuliere bouwheer, voornamelijk en onder meer omwille van familiale of vriendschapsbanden of door bemiddeling van zijn werkgever bij sommige aannemers de nodige bouwmaterialen tegen een voordeliger prijs kan aanschaffen en/of eveneens goedkopere uurlonen worden aangerekend bij de plaatsing of de verwerking ervan door een geregistreerd aannemer.

Het komt ons voor dat bij de forfaitaire becijfering of de benaderende raming van de "normale" oprichtingsprijs er in zo'n gevallen geen rekening moet worden gehouden met de werkelijk betaalde lagere eenheidsprijzen, maar daarentegen wel degelijk alleen met de "normale" waarde van die materialen en met de "normaal" in de bewuste sector geldende uurlonen.

Terzake rijzen dan ook de volgende algemene en praktijkgerichte vragen.

1. Op al welke praktische wijzen kan de bouwheereigenaar het onomstootbare bewijs of tegenbewijs leveren dat hij als particulier een gunstiger prijs heeft genoten dan gebruikelijk op de bouwmarkt?

2. Volstaat het in rechte en in feite dat er op de aankoopfacturen uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van alle verleende betalingsof andere kortingen, rabatten, disconto's en restorno's, van alle bijzondere prijsverminderingen en/of van het feit dat de bouwmaterialen werden gekocht tegen "groothandelsprijzen"?

3. Volstaat als fiscale rechtvaardiging en naar voldoening van recht de gelijktijdige vermelding op de facturen van het reëel aangerekend uurloon, het exacte en gedetailleerde aantal gepresteerde uren en van het feit dat er een lager uurloon dan normaal werd gefactureerd ?

4.

a) Welke billijke, werkelijke en/of forfaitaitaire verbeteringsen herleidingscoëfficiënten worden er telkens gehanteerd op:

•die verwerkte voordeliger bouwmaterialen;

•die toegepaste goedkopere uurlonen

om tot de "normale" oprichtingswaarde te komen?

b) Of worden, steunend op het algemeen geldend realiteits- en objectiveringsbeginsel, steeds de werkelijk verleende kortingen en de toegestane prijsverminderingen in aanmerking genomen?

5. Hoe moet de normale waardebepaling geschieden wanneer er herbruik-, recuperatie- en/of afbraakmaterialen worden aangewend die de bouwheer reeds lang zelf in zijn bezit of eigendom had?

6. Kunt u punt per punt uw algemene en klantvriendelijke ziens- en handelwijze weergeven, onder meer in het licht van de wettelijke en de reglementaire bepalingen van de artikelen 28 en 64, § 4, van het BTW-Wetboek?

ANTWOORD

(vice-eerste minister en minister van Financiën, 24.02.2006)

Voor werk in onroerende staat geleverd door een belastingplichtige en dat betrekking heeft op de oprichting van een gebouw bepaalt artikel 36, § 1, b), van het BTW-Wetboek dat de maatstaf van heffing niet lager mag zijn dan de normale waarde van die dienst. Artikel 28 van het BTW-Wetboek is in dit geval niet van toepassing.

Artikel 32, 2e lid, van het BTW-Wetboek omschrijft die normale waarde als de prijs die hier te lande voor dat werk kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen.

Om die normale waarde vast te stellen, voorziet artikel 59, § 2, van het BTW-Wetboek in de bevoegdheid zowel voor de door de minister van Financiën aangewezen ambtenaar als voor de betrokken belastingplichtige om een deskundige schatting te vorderen overeenkomstig de procedure bepaald in de artikelen 14 tot 21 van het koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970.

Het toepassen van de bovengenoemde wetsbepalingen blijft zonder invloed op de individuele en private rechtsbetrekkingen van de partijen die een overeenkomst van werk in onroerende staat hebben gesloten.

Zij zijn enerzijds als maatregelen aan te merken waarbij de Staat ten laste van de eigenaar van een pas opgericht gebouw een belasting oplegt en anderzijds als controlemaatregelen die zowel voor de Staat als voor de betrokken eigenaar de verplichting oplegt de overeengekomen prijs van het werk in onroerende staat tot oprichting van een woning te toetsen aan het door de wet omschreven begrip van normale waarde zoals hierboven omschreven.

Indien bij toepassing van de voormelde controlemaatregelen de administratie de normale waarde op een hoger bedrag vaststelt dan de overeengekomen prijzen zoals die blijken uit de voorgelegde contracten, betekent dit niet dat die overeenkomsten als vals dienen te worden bestempeld. Het is inderdaad niet onmogelijk dat uitzonderlijk de bouwheer gunstiger prijzen heeft kunnen afdwingen bij sommige aannemers dan de normale prijzen toepasselijk in de streek.

Voorts vestigt artikel 64, § 4, van het BTW-Wetboek een vermoeden, waarbij ieder pas opgericht gebouw geacht wordt door een belastingplichtige geleverd te zijn ter uitvoering van een of meer dienstverrichtingen met betrekking tot een werk in onroerende staat.

Dit vermoeden heeft tot gevolg dat er in principe ten aanzien van ieder pas opgericht gebouw facturen moeten bestaan tot beloop van de normale waarde van de dienstverrichtingen.

Het gaat hier echter om een vermoeden " juris tantum", zodat de eigenaar van het gebouw steeds kan bewijzen dat er in een bepaalde mate geen dienstverrichting met betrekking tot een werk in onroerende staat is geweest of dat een dienstverrichting alleen bestond in het verrichten van werk zonder levering van materialen.

Het bewijs dat er in een bepaalde mate werk in onroerende staat werd verricht anders dan ter uitvoering van een belastbare handeling, kan door de eigenaar worden geleverd door alle bewijsmiddelen van gemeen recht, door aan te tonen, dat hij in die mate zelf of met de kosteloze medewerking van anderen het werk heeft verricht.

In de mate waarin dat tegenbewijs is geleverd of wanneer wordt aangetoond dat materialen rechtstreeks door de eigenaar werden gekocht en dus niet in een dienstverrichting begrepen waren, wordt, naargelang van het geval, de waarde van het bedoelde werk en van de materialen die hierbij werden gebruikt, of alleen de waarde van de materialen, afgetrokken van de normale waarde waarmee rekening dient gehouden.

Dit heeft tot gevolg dat wanneer om praktische redenen de normale waarde van een gebouw wordt geraamd met inbegrip van de bedoelde materialen, de normale waarde van die materialen en niet hun werkelijke kostprijs van die raming moet worden afgetrokken.

Zulks houdt vanzelfsprekend in dat de eigenaaroprichter moet bewijzen dat hij de materialen gekocht heeft tegen prijzen die lager liggen dan de normale. Dat bewijs kan onder meer worden geleverd door facturen waarop aanzienlijke kortingen voorkomen of door de bijzondere omstandigheden van de zaak (bijvoorbeeld werkzaamheid van de bouwheer in de onroerende sector, beroepsrelatie, enzovoort). De familieverhouding van de bouwheer met de leverancier van de bouwmaterialen wordt niet aanzien als een bijzondere omstandigheid.

Ingeval ten slotte herbruikmaterialen verwerkt werden, wordt de waarde van gelijkaardige nieuwe materialen in aanmerking genomen.

Aangehaalde teksten

6
WBTW art. 282 voorkomens
WBTW art. 642 voorkomens
WBTW art. 361 voorkomen
WBTW art. 591 voorkomen