BOEKWERK VI: Specifieke topics
Hoofdstuk 16. Specifieke topics
Afdeling 7 - Afstandsverkopen
Bijwerking 01.09.2025 – Vorige versies: [01.07.2018] [01.01.2020] [01.09.2022] [01.12.2023] [15.10.2024]
Inhoud · 10 onderdelen
A. Overzicht bepalingen Btw-Wetboek
B. Overzicht bepalingen koninklijke besluiten
3. Afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen
a.3. Belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen, voor zover de levering zou zijn vrijgesteld van de belasting in de lidstaat van verwerving op grond van artikel 148 of 151 van de richtlijn 2006/112/EG (omgezet in België door artikel 42, §§ 1, 2 en 3, eerste lid, 1° tot 8°, van het Btw-Wetboek)
b. Bedoelde goederen
b.1. Nieuwe vervoermiddelen
b.2. Goederen geïnstalleerd of gemonteerd door of voor rekening van de leverancier
b.3. Leveringen van gas via een aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net op het grondgebied van de Gemeenschap, van elektriciteit of van warmte of koude via warmte- of koudenetten
b.4. Accijnsproducten wanneer de afnemer een lid is van de groep van vier
c. Vervoer van goederen
c.1. Tussenkomst van de leverancier bij het vervoer of de verzending
c.2. Verzending of vervoer vanuit een derdelandsgebied of een derde land naar een afnemer in een lidstaat
C. Een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen geeft aanleiding tot verschillende belastbare feiten
D. Plaats van de handelingen
a. Plaats van de levering van goederen
a.1. Algemene regels
a.2. Afwijking voor de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen
a.2.1.De invoer vindt plaats in een andere lidstaat dan die van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer
a.2.2.De invoer vindt plaats in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer
a.2.3.Uitsluiting van de leveringen van goederen onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten
b. Plaats van de invoer
b.1. Invoer zonder toepassing van een opschortende regeling inzake douane of van een fiscale regeling
b.2. Invoer met toepassing van een opschortende regeling inzake douane
b.3. Invoer met toepassing van een fiscale regeling
E. Tijdstip van het belastbare feit en van de opeisbaarheid van de btw
a. Algemene regels
b. Afwijkingen voor de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen
F. Tarief van de belasting
a. Btw-tarief van toepassing in België
b. Btw-tarief van toepassing in de andere lidstaten
G. Geadresseerde bij invoer in België
a. Algemeen
b. Schema
H. Btw-aspecten van de douaneaangifte ten invoer
a. Voor goederen van geringe waarde
b. Voor andere goederen dan goederen van geringe waarde
I. Bijzondere regels voor goederen in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro (goederen van geringe waarde)
a. Algemeenheden
b. Begrip goederen van geringe waarde
c. Elektronische interface als gelijkgestelde leverancier (artikel 13bis, § 1, van het Btw-Wetboek)
c.1. Algemene opmerkingen
c.2. Beoogde goederen
c.3. Beoogde elektronische interfaces
c.4. Het begrip ‘faciliteren’
c.4.1. Definitie
c.4.2. Het begrip ‘de algemene voorwaarden bepalen’
c.4.3. Het begrip 'het verlenen van goedkeuring om te factureren'
c.4.4. Het begrip 'betrokken zijn bij de bestelling of de aflevering van goederen'
c.5. Beoogde leveringen
c.6.1. Het vermoeden van de status van de verkoper
c.6.2. Het vermoeden van de status van de afnemer
c.7. Evaluatie in functie van elke afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen
c.8. Werking van het vermoeden van artikel 13bis, § 1, van het Btw-Wetboek voor de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen
c.8.1. Opsplitsing in twee afzonderlijke leveringen
c.8.2. Toerekening van het vervoer van de goederen
c.8.3. Plaats van de levering
c.8.4. Tijdstip van het belastbare feit en van de opeisbaarheid van de btw
c.8.5. Schema
c.8.6. Voorbeeld
c.9. Beperkte aansprakelijkheid van de gelijkgestelde leverancier
c.10. Hoofdelijke aansprakelijkheid van de onderliggende leverancier
c.11. Betrokkenheid van meerdere elektronische interfaces
d. Bijzondere regeling van toepassing op afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen (invoerregeling/enig loket voor de invoeren of IOSS)
e. Bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer
e.1. Algemeen
e.2. Transactionele optionele regeling
e.3. Materieel toepassingsgebied van de regeling
e.3.1.De goederen zijn geen accijnsproducten bedoeld in artikel 1, § 6, 4°, van het Btw-Wetboek
e.3.2.De goederen worden ingevoerd in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro
e.3.3.Er wordt geen gebruik gemaakt van de invoerregeling van het OSS-systeem
e.3.4.De invoer vind plaats in België alwaar de verzending of het vervoer van de goederen vanuit het derdelandsgebied of het derde land naar de afnemer wordt beëindigd
e.3.5.De afnemer is schuldenaar van de op de invoer verschuldigde btw
e.4. Personeel toepassingsgebied van de regeling
e.5. Werking van de regeling
e.5.1. Principe
e.5.2. Actoren
e.5.3. Aanbrengen van de goederen bij de douane
e.5.4. Verplichtingen inzake aangifte en betaling van de bij invoer verschuldigde btw
e.6. Boekhoudkundige verplichtingen
J. Analyse van de verschillende scenario's
4. Intracommunautaire afstandsverkopen van goederen
A. Inleiding
B. Definitie
a. Hoedanigheid van de afnemer
a.1. Particulieren
a.2. Belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen (groep van vier) die hun intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan accijnsproducten en nieuwe vervoermiddelen niet aan de btw moeten onderwerpen
a.3. Belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon, voor zover de levering zou worden vrijgesteld in de lidstaat van verwerving op grond van artikel 148 of 151, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd (in België artikel 42, §§ 1, 2 en 3, eerste lid, 1° tot 8°, van het Btw-Wetboek)
b. Bedoelde goederen
b.1. Nieuwe vervoermiddelen
b.2. Goederen met montage of installatie door of voor rekening van de leverancier
b.3. Leveringen van gas via een aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net op het grondgebied van de gemeenschap, van elektriciteit of van warmte of koude via warmte- of koudenetten
b.4. Accijnsproducten wanneer de afnemer een lid van de groep van vier is.
c. Vervoer van de goederen
C. Elektronische interface als gelijkgestelde leverancier bij intracommunautaire afstandsverkopen (artikel 13bis, § 2, van het Btw-Wetboek)
a. Algemene opmerkingen
b. Bedoelde leveranciers
c. Bedoelde elektronische interfaces
d. Het begrip 'faciliteren'
e. Bedoelde leveringen
f. Bedoelde afnemers
g. Weerlegbaar wettelijk vermoeden met betrekking tot het statuut van de onderliggende leverancier en de afnemer
h. Beoordeling levering per levering
i. Werking van het vermoeden van artikel 13bis, § 2, van het Btw-Wetboek bij intracommunautaire afstandsverkopen
i.1. Opsplitsing in twee afzonderlijke leveringen
i.2. Toewijzing van het vervoer van de goederen
i.3. Vrijstelling van de levering door de leverancier aan de elektronische interface
i.4. Plaats van de leveringen
i.5. Tijdstip van het belastbaar feit en van de opeisbaarheid van de btw
i.6. Schema
i.7. Voorbeeld
j. Beperkte aansprakelijkheid van de gelijkgestelde leverancier
k. Hoofdelijke aansprakelijkheid van de onderliggende leverancier
l. Betrokkenheid van meerdere elektronische interfaces
D. Plaats van een intracommunautaire afstandsverkoop
a. De goederen worden verzonden of vervoerd vanuit een andere lidstaat naar België
a.1. Algemeen
a.2. Afwijking voor micro-ondernemingen
a.2.1. Voorwaarden
a.2.2. Communautaire drempel van 10.000 euro
a.2.3. Optie
a.2.4. Overgang van de oude naar de nieuwe regels inzake drempel en optie
b. De goederen worden verzonden van België naar een andere lidstaat
b.1. Algemeen
b.2. Afwijking voor micro-ondernemingen
b.2.1. Voorwaarden
b.2.2. Communautaire drempel van 10.000 euro
b.2.3. Optie
b.2.4.Overgang van de oude naar de nieuwe regels inzake drempel en optie
c. Voorbeelden
c.1. Voorbeeld 1
c.2. Voorbeeld 2
c.3. Voorbeeld 3
c.4. Voorbeeld 4
c.5. Voorbeeld 5
c.6. Voorbeeld 6
c.7. Voorbeeld 7
E. Bijzondere regeling van toepassing op de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen en op bepaalde leveringen van goederen (de regeling EU of Unieregeling OSS)
[Top]
1. Wetgevend kader
A. Overzicht bepalingen Btw-Wetboek
Artikel 40, § 1, 1°bis
B. Overzicht bepalingen koninklijke besluiten
2. Inleiding
Op 01.07.2021 heeft de btw-regeling van toepassing op afstandsverkopen van goederen het voorwerp uitgemaakt van een fundamentele hervorming in het kader van het tweede luik van het op Europees niveau goedgekeurde btw-pakket over de elektronische handel, die een nieuw btw-regime instelt voor een aantal handelingen inzake elektronische handel in een B2C context.
De Raad van de Europese Unie heeft die hervorming aangenomen door middel van twee richtlijnen (de btw-richtlijnen inzake e-commerce):
•de richtlijn (EU) 2017/2455 van de Raad van 05.12.2017 tot wijziging van richtlijn 2006/112/EG en richtlijn 2009/132/EG wat betreft bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen en
•de richtlijn (EU) 2019/1995 van de Raad van 21.11.2019 tot wijziging van richtlijn 2006/112/EG wat betreft de bepalingen inzake afstandsverkopen en bepaalde binnenlandse leveringen van goederen.
Verschillende uitvoeringsverordeningen zijn in dat kader aangenomen, waarvan de voornaamste de uitvoeringsverordening (EU) 2019/2026 van de Raad van 21.11.2019 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 wat betreft door elektronische interfaces gefaciliteerde leveringen van goederen of diensten en de bijzondere regelingen voor belastingplichtigen die diensten voor niet-belastingplichtigen, afstandsverkopen van goederen en bepaalde binnenlandse goederenleveringen verrichten, is.
Op 30.09.2020 heeft de Commissie een toelichting op de nieuwe btw-regels voor e-commerce gepubliceerd. Die is beschikbaar op de website van de Europese Commissie: https://ec.europa.eu/taxation_customs/system/files/2020-12/vatecommerceexplanatory_28102020_nl.pdf.
Daarnaast werd eveneens de bijwerking van de gids voor het éénloketsysteem voor btw gepubliceerd. Die is beschikbaar via de volgende link:
https://vat-one-stop-shop.ec.europa.eu/system/files/2021-07/OSS_guidelines_nl.pdf.
De nieuwe regeling werd in Belgisch recht omgezet door:
•de Wet van 02.04.2021 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de regeling betreft die van toepassing is op afstandsverkopen van goederen en op bepaalde leveringen van goederen en diensten (BS 13.04.2021)
•het koninklijk besluit van 29.06.2021 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 4, 7, 10, 22, 24, 31, 41, 44 en 56 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde (BS 01.07.2021).
Bovendien werd een specifieke webpagina aangemaakt op de website van de FOD Financiën met FAQ’s en informatie over het éénloketsysteem OSS op nationaal niveau:
https://financien.belgium.be/nl/ondernemingen/btw/e-commerce.
De belangrijkste wijzigingen die door die hervorming aan de btw-regeling werden aangebracht, kunnen als volgt worden samengevat:
•de uitbreiding van het toepassingsgebied van de twee bestaande vereenvoudigingsregelingen ('EU-regeling' en 'niet-EU-regeling') binnen de MOSS ('Mini One Stop Shop'), die voortaan in het algemeen zal omvatten: de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen en alle diensten verricht aan particulieren door communautaire marktdeelnemers ('EU-regeling') evenals alle diensten verricht aan particulieren door niet-communautaire marktdeelnemers ('niet-EU-regeling').
•de afschaffing van de bestaande drempels voor intracommunautaire verkopen op afstand, die de interne markt verstoorden, en de invoering van een globale EU btw-drempel voor de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen en de zogenaamde TBE-diensten, met name de telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten en langs elektronische weg verrichte diensten, aan particulieren.
•de invoering van een nieuwe functionaliteit binnen het MOSS-systeem, die op een vereenvoudigde wijze de aangifte en de betaling van de btw toelaat die is verschuldigd op afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen (‘invoerregeling’ of ‘IOSS’). Ingevolge de aanzienlijke uitbreiding van het toepassingsgebied van de MOSS, wordt het systeem voortaan OSS ('One Stop Shop') genoemd.
•de afschaffing van de bestaande btw-vrijstelling voor de invoer van kleine zendingen van niet meer dan 22 euro afkomstig van leveranciers in derde landen, die Europese verkopers benadeelde. Die vrijstelling wordt vervangen door een vrijstelling bij invoer tot 150 euro die slechts van toepassing is indien de goederen worden ingevoerd in het kader van een afstandsverkoop van goederen afkomstig uit een derdelandsgebied of een derde land die wordt aangegeven via de nieuwe vereenvoudigingsregeling van het OSS-systeem.
•de invoering van een bijkomende vereenvoudigingsregeling, buiten het OSS-systeem, voor zowel de aangifte als de betaling van de btw die verschuldigd is bij de invoer van goederen, bestemd voor de eindverbruiker, in het kader van een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen, wanneer de btw niet werd voldaan via de invoerregeling van de OSS.
•de invoering van een regeling waarin de elektronische interfaces die afstandsverkopen van goederen faciliteren mee aansprakelijk worden gesteld voor de correcte voldoening van de btw die verschuldigd is op de afstandsverkopen die via hun interface worden verricht.
Deze afdeling handelt over de nieuwe btw-regeling van de afstandsverkopen van goederen. Ze licht de btw-regels toe die van toepassing zijn op de volgende handelingen:
•de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen verricht door leveranciers of gelijkgestelde leveranciers (zie titel 3 van deze Afdeling 7)
•de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen verricht door leveranciers of gelijkgestelde leveranciers evenals bepaalde binnenlandse verkopen van goederen verricht door gelijkgestelde leveranciers (zie titel 4 van deze Afdeling 7).
3. Afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen
A. Algemeen
De verwezenlijking van de interne markt, de mondialisering en de technologische veranderingen hebben geleid tot een exponentiële groei van de elektronische handel en daarmee ook van de afstandsverkopen van goederen vanuit derdelandsgebieden of derde landen naar de Gemeenschap.
De Europese wetgeving, omgezet in Belgisch recht, werd aan deze evolutie aangepast, rekening houdende met het beginsel van belastingheffing op de plaats van bestemming en de noodzaak om de belastinginkomsten van de lidstaten te beschermen, om gelijke concurrentievoorwaarden voor de betrokken ondernemingen te creëren en om de lasten voor hen zoveel mogelijk te beperken.
De aangebrachte wijzigingen laten met name toe om de volgende moeilijkheden te verhelpen:
•vermits er een btw-vrijstelling werd verleend voor de invoer van goederen met een geringe waarde van niet meer dan 22 euro en die vrijstelling aanleiding gaf tot misbruik, liepen de lidstaten een deel van hun belastinginkomsten mis.
•vermits de ondernemingen uit derde landen die uit derde landen afkomstige goederen aan consumenten in de EU verkopen, leveringen zonder btw naar de EU konden verrichten en er niet toe gehouden waren zich voor btw-doeleinden te identificeren, genoten zij van een onmiskenbaar commercieel voordeel ten opzichte van hun in de EU gevestigde concurrenten.
De nieuwe regels plaatsen de ondernemingen in de EU op gelijke voet met de ondernemingen uit derde landen, vereenvoudigen de verplichtingen inzake btw voor de ondernemingen actief in de grensoverschrijdende elektronische handel en versterken de interne markt van de Europese Unie.
B. Definitie van ‘afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen’
Artikel 1, § 20, van het Btw-Wetboek (ter omzetting van artikel 14, lid 4, punt 2, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde) definieert de 'afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen' als de leveringen van goederen die worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van de leverancier, met inbegrip van gevallen waarin de leverancier indirect tussenkomt bij het vervoer of de verzending van de goederen, vanuit een derdelandsgebied of een derde land naar een afnemer in een lidstaat, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
•de levering van goederen wordt verricht voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon van wie de intracommunautaire verwervingen van goederen krachtens artikel 3, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG niet aan de btw zijn onderworpen, of voor enige andere niet-belastingplichtige
•de geleverde goederen zijn geen nieuwe vervoermiddelen bedoeld in artikel 8bis, § 2, van het Btw-Wetboek noch goederen, geleverd na montage of installatie, door of voor rekening van de leverancier, met of zonder beproeven van de geïnstalleerde of gemonteerde goederen.
Voornamelijk de verkopen via internet worden beoogd, maar andere soorten van afstandsverkopen, zoals verkopen via telefoon, worden eveneens beoogd indien zij voldoen aan de wettelijke voorwaarden van voornoemde definitie.
Die definitie wordt hierna toegelicht.
a. Hoedanigheid van de afnemer
Er kan slechts sprake zijn van een 'afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen' indien de afnemer tot één van de volgende drie categorieën behoort:
a.1. Particulieren
De notie 'enige andere niet-belastingplichtige' in de wettelijke definitie van 'afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen' doelt op de particulieren.
a.2. Belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen (groep van vier) die er niet toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan accijnsproducten en nieuwe vervoermiddelen aan de btw te onderwerpen
Deze categorie betreft de belastingplichtigen en de niet-belastingplichtige rechtspersonen die hun intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan accijnsproducten en nieuwe vervoermiddelen niet aan de btw moeten onderwerpen (ook ‘groep van vier’ genoemd), overeenkomstig artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek (ter omzetting van artikel 3, lid 1, onder b), en leden 2, en 3, van de richtlijn 2006/112/EG).
Voor een omschrijving van de groep van vier, wordt verwezen naar ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 2, titel 1, rubriek C’.
Leden van de groep van vier moeten hun intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan accijnsproducten en nieuwe vervoermiddelen niet aan de btw onderwerpen, wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld:
•ze hebben de door hun lidstaat bepaalde drempel (in België bedraagt de drempel 11.200 euro) niet overschreden gedurende het lopende kalenderjaar noch gedurende het vorige kalenderjaar, en
•ze hebben er in hun lidstaat niet voor geopteerd om hun intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan accijnsproducten en nieuwe vervoermiddelen aan de btw te onderwerpen.
Leden van de groep van vier die voornoemde drempel niet hebben overschreden en die niet hebben geopteerd, delen hun eventuele Belgisch btw-identificatienummer niet mee aan de leverancier in het kader van hun intracommunautaire verwervingen van goederen.
Er wordt opgemerkt dat de intracommunautaire verwervingen van accijnsproducten, bedoeld in artikel 2, lid 3, van de richtlijn 2006/112/EG en in artikel 1, § 6, 4°, van het Btw-Wetboek, door een lid van de groep van vier altijd aan de btw zijn onderworpen, ongeacht het bedrag (er is geen drempel van toepassing).
Wanneer de afnemer een lid van de groep van vier is, vormt de levering van accijnsproducten bijgevolg geen afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen.
a.3. Belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen, voor zover de levering zou zijn vrijgesteld van de belasting in de lidstaat van verwerving op grond van artikel 148 of 151 van de richtlijn 2006/112/EG (omgezet in België door artikel 42, §§ 1, 2 en 3, eerste lid, 1° tot 8°, van het Btw-Wetboek)
Deze categorie betreft de belastingplichtigen en de niet-belastingplichtige rechtspersonen, maar enkel voor zover de intracommunautaire verwerving van de goederen niet belastbaar zou zijn in de lidstaat van aankomst van de goederen op grond van artikel 3, lid 1, onder a), van de richtlijn 2006/112/EG (omgezet in België door artikel 25ter, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek), omdat de levering in de lidstaat van aankomst zou zijn vrijgesteld door artikel 148 of 151 van de richtlijn 2006/112/EG (omgezet in België door artikel 42, §§ 1, 2 en 3, eerste lid, 1° tot 8°, van het Btw-Wetboek).
Deze categorie omvat onder meer de diplomatieke en consulaire betrekkingen, de internationale instellingen, de EU, de NAVO… zoals opgesomd in artikel 151 van de richtlijn 2006/112/EG en in artikel 42, § 3, eerste lid, 1° tot 8°, van het Btw-Wetboek. De intracommunautaire verwervingen van goederen die zij verrichten, zijn niet aan de btw onderworpen op grond van artikel 3, lid 1, onder a), van de richtlijn 2006 /112/EG en artikel 25ter, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek.
b. Bedoelde goederen
De definitie van een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen omvat alle leveringen van lichamelijke roerende goederen, met uitzondering van:
b.1. Nieuwe vervoermiddelen
Wanneer de levering betrekking heeft op nieuwe vervoermiddelen die vanuit een derdelandsgebied of een derde land worden ingevoerd, valt die niet onder de definitie van afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen.
De levering van nieuwe vervoermiddelen is aan de normale regels inzake invoer en leveringen van goederen onderworpen, onder meer voor wat betreft de plaats van de levering die moet worden bepaald overeenkomstig artikel 14, § 2, van het Btw-Wetboek (ter omzetting van artikel 32 van de richtlijn 2006/112/EG).
Voor het begrip nieuw vervoermiddel wordt verwezen naar ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 2, titel 1, rubriek F’.
b.2. Goederen geïnstalleerd of gemonteerd door of voor rekening van de leverancier
Wanneer de levering betrekking heeft op goederen die vanuit een derdelandsgebied of een derde land worden ingevoerd en door of voor rekening van de leverancier worden geïnstalleerd of gemonteerd, valt die niet onder de definitie van afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen.
Die levering is aan de normale regels inzake invoer en leveringen van goederen onderworpen, onder meer voor wat betreft de plaats van de levering die moet worden bepaald overeenkomstig artikel 14, § 3, van het Btw-Wetboek (ter omzetting van artikel 36 van de richtlijn 2006/112/EG).
b.3. Leveringen van gas via een aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net op het grondgebied van de Gemeenschap, van elektriciteit of van warmte of koude via warmte- of koudenetten
Wanneer de levering betrekking heeft op gas dat vanuit een derdelandsgebied of een derde land wordt ingevoerd en via een aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net op het grondgebied van de Gemeenschap wordt geleverd, op elektriciteit of op warmte of koude dat via warmte- of koudenetten wordt geleverd, valt die niet onder de definitie van afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen.
Die levering is onderworpen aan de normale regels inzake invoer en leveringen van gas via een aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net op het grondgebied van de Gemeenschap, van elektriciteit of van warmte of koude via warmte- of koudenetten (zie artikelen 38 en 39 van de richtlijn 2006/112/EG en artikel 14bis van het Btw-Wetboek).
b.4. Accijnsproducten wanneer de afnemer een lid is van de groep van vier
Er wordt in dit verband verwezen naar subrubriek a, punt a.2, van deze rubriek B.
Voor een definitie van accijnsproducten wordt verwezen naar ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 2, titel 1, rubriek E’.
Accijnsproducten, zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, van de richtlijn 2006/112/EG en artikel 1, § 6, 4°, van het Btw-Wetboek, worden niet uitdrukkelijk uitgesloten van de definitie van afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen.
De afstandsverkoop van accijnsproducten kan evenwel nooit onder de definitie van afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen vallen, indien de klant een lid is van de groep van vier.
Om als afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen te worden aangemerkt, moet de levering immers worden verricht voor een lid van de groep van vier wiens intracommunautaire verwervingen van goederen niet aan de belasting zijn onderworpen op grond van artikel 3, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG.
Er is evenwel geen drempel van toepassing op de intracommunautaire verwervingen van accijnsproducten door leden van de groep van vier, waardoor zij steeds aan de btw zijn onderworpen, ongeacht hun bedrag (zie artikel 3, lid 1, onder b), van de richtlijn 2006/112/EG en artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek).
De afstandsverkoop van accijnsproducten aan een lid van de groep van vier (zie Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 2, titel 1, rubriek C) valt daarentegen wel binnen het concept van de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen, voor zover de levering in de lidstaat van verwerving zou zijn vrijgesteld op grond van artikel 148 of 151 van de richtlijn 2006/112/EG (zie subrubriek a, punt a.3, van deze rubriek B).
De levering van accijnsproducten aan een particulier valt steeds binnen het concept van de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen, wanneer de andere wettelijke voorwaarden zijn vervuld.
Tot slot wordt opgemerkt dat de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde accijnsproducten uitdrukkelijk worden uitgesloten van de bijzondere regelingen voorzien in de artikelen 58quinquies en 58sexies van het Btw-Wetboek.
c. Vervoer van goederen
Overeenkomstig de wettelijke definitie (zie rubriek B van deze titel 3), veronderstelt een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen dat de goederen:
•worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van de leverancier, ook wanneer de leverancier indirect tussenkomt bij het vervoer of de verzending van de goederen
•vanuit een derdelandsgebied of een derde land naar een afnemer in een lidstaat.
c.1. Tussenkomst van de leverancier bij het vervoer of de verzending
Overeenkomstig artikel 5bis, lid 1, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, worden goederen geacht te zijn verzonden of vervoerd door of voor rekening van de leverancier, inclusief wanneer de leverancier indirect een rol speelt in de verzending of het vervoer van de goederen, met name in de volgende gevallen:
•wanneer de verzending of het vervoer van de goederen door de leverancier wordt uitbesteed aan een derde die de goederen aflevert bij de afnemer
•wanneer de verzending of het vervoer van de goederen door een derde wordt verricht, maar de leverancier hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk verantwoordelijk is voor de aflevering van de goederen bij de afnemer
•wanneer de leverancier de vervoerskosten factureert en int bij de afnemer en de afnemer voorts doorverwijst naar een derde die de verzending of het vervoer van de goederen zal uitvoeren
•wanneer de leverancier op welke manier ook de leveringsdiensten van een derde promoot, de afnemer en een derde met elkaar in contact brengt of anderszins de informatie die nodig is voor de aflevering van de goederen aan de afnemer verstrekt aan een derde.
De goederen worden niet beschouwd als verzonden of vervoerd door of voor rekening van de leverancier indien:
•de afnemer de goederen zelf vervoert of,
•de afnemer de aflevering van de goederen regelt met een derde en de leverancier niet direct of indirect tussenkomt om de verzending of het vervoer van die goederen te verrichten of te helpen organiseren.
c.2. Verzending of vervoer vanuit een derdelandsgebied of een derde land naar een afnemer in een lidstaat
De voorwaarde dat de goederen moeten worden verzonden of vervoerd vanuit een derdelandsgebied of een derde land naar een afnemer in een lidstaat veronderstelt dat:
•de goederen moeten worden verzonden of vervoerd vanuit een plaats die geen deel uitmaakt van het grondgebied van de Gemeenschap naar een plaats die er wel deel van uitmaakt (zie ‘Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer, Afdeling 2, titel 1, rubriek B, van Boekwerk II’, voor de afbakening van het grondgebied van de Gemeenschap)
•de eindbestemming bij de afnemer op het grondgebied van de Gemeenschap moet gekend zijn op het tijdstip van vertrek van de verzending of het vervoer vanuit het derdelandsgebied of het derde land.
De goederen die uit derdelandsgebieden of derde landen worden ingevoerd en die pas na hun binnenkomst in de EU worden verkocht (bijvoorbeeld goederen die om logistieke redenen in bulk worden ingevoerd met het oog op het aanleggen van een stock in de Gemeenschap), vallen niet onder het begrip afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen.
C. Een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen geeft aanleiding tot verschillende belastbare feiten
In tegenstelling tot een intracommunautaire afstandsverkoop van goederen die vanuit btw-oogpunt één handeling vormt (zie titel 4 van deze Afdeling 7), geeft een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen, in principe, aanleiding tot twee afzonderlijke handelingen vanuit btw-oogpunt:
•een levering van goederen met verzending of vervoer van de goederen van de leverancier aan de eindafnemer in de Gemeenschap (de afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen)
•een invoer van goederen in de Gemeenschap.
Minstens één van die handelingen, soms beide, wordt aan de btw onderworpen in de Gemeenschap overeenkomstig het bestemmingsbeginsel (belastingheffing in de lidstaat van verbruik).
Wanneer beide handelingen worden belast, is de bij invoer verschuldigde btw in principe aftrekbaar.
Die belastingheffing geldt steeds vanaf de eerste euro, rekening houdend met de afschaffing van de btw-vrijstelling voor de invoer van goederen met een geringe waarde (niet meer dan 22 euro in België) door artikel 12 van het koninklijk besluit van 29.06.2021, voornoemd (zie rubriek I, subrubriek a, van deze titel 3).
Er wordt opgemerkt dat bij toepassing van het vermoeden voorzien in artikel 13bis, § 1, van het Btw-Wetboek (zie rubriek I, subrubriek c, van deze titel 3), eenzelfde commerciële verkoop aanleiding geeft tot drie afzonderlijke handelingen vanuit btw-oogpunt:
•een levering van goederen zonder verzending of vervoer van de onderliggende leverancier aan de gelijkgestelde leverancier
•een levering van goederen met verzending of vervoer van de gelijkgestelde leverancier aan de eindafnemer in de Gemeenschap (de afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen)
•een invoer van goederen in de Gemeenschap.
De plaats van de levering van goederen door de onderliggende leverancier aan de gelijkgestelde leverancier wordt steeds geacht zich buiten de Gemeenschap te bevinden, overeenkomstig artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek.
De plaats van de afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen en van de invoer van goederen in de Gemeenschap worden bepaald overeenkomstig de hierna beschreven regels.
D. Plaats van de handelingen
a. Plaats van de levering van goederen
a.1. Algemene regels
Wanneer het goed door de leverancier, door de afnemer of door een derde wordt verzonden of vervoerd, wordt als plaats van levering aangemerkt de plaats waar het goed zich bevindt op het tijdstip van vertrek van de verzending of het vervoer naar de afnemer, overeenkomstig artikel 14, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek (ter omzetting van artikel 31, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG).
De plaats van de levering verricht door de persoon op wiens naam de wegens de invoer verschuldigde belasting regelmatig is voldaan, evenals de plaats van eventuele daaropvolgende leveringen, worden evenwel geacht in de lidstaat van invoer van de goederen te liggen, wanneer de plaats van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen in een derdelandsgebied of een derde land ligt, overeenkomstig artikel 14, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek (ter omzetting van artikel 31, lid 2, van de richtlijn 2006/112/EG).
De persoon op wiens naam de wegens de invoer verschuldigde belasting regelmatig is voldaan, is de geadresseerde bij invoer overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 7, van 29.12.1992, met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (zie rubriek G van deze titel 3).
Voor de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen bestaat er een afwijking op die algemene regels, zoals hierna wordt uiteengezet.
a.2. Afwijking voor de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen
a.2.1. De invoer vindt plaats in een andere lidstaat dan die van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer
Overeenkomstig artikel 33, onder b), van de richtlijn 2006/112/EG wordt de plaats van levering van afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen geacht de plaats te zijn waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of het vervoer naar de afnemer, indien de invoer plaatsvindt in een andere lidstaat dan die van aankomst van de verzending of het vervoer naar de afnemer.
Die bepaling is omgezet in Belgisch recht door de volgende bepalingen:
•wanneer de goederen zich in België bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer en de invoer in een andere lidstaat dan België plaatsvindt:
artikel 15, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek bepaalt dat, in afwijking van artikel 14, § 2, van het Btw-Wetboek en met uitsluiting van de levering van goederen onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing bedoeld in de artikelen 312 tot 341 van de richtlijn 2006/112/EG, de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen worden geacht in België plaats te vinden, wanneer de goederen zich in België bevinden op het tijdstip van de aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer en de invoer in een andere lidstaat dan België plaatsvindt.
•wanneer de goederen zich in een andere lidstaat dan België bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer en de invoer in België plaatsvindt:
•artikel 15, § 2bis, 1°, van het Btw-Wetboek bepaalt dat, in afwijking van artikel 14, § 2, van het Btw-Wetboek en met uitsluiting van de levering van goederen onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing bedoeld in de artikelen 312 tot 341 van de richtlijn 2006/112/EG, de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen in zendingen met een intrinsieke waarde van meer dan 150 euro worden geacht plaats te hebben in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer, wanneer de goederen zich op het tijdstip van de aankomst van de zending of van het vervoer van de goederen naar de afnemer in die lidstaat bevinden en de invoer in België plaatsvindt.
•artikel 15, § 2bis, 2°, van het Btw-Wetboek bepaalt dat, in afwijking van artikel 14, § 2, van het Btw-Wetboek en met uitsluiting van de levering van goederen onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing bedoeld in de artikelen 312 tot 341 van de richtlijn 2006/112/EG, de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen worden geacht plaats te hebben in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer, wanneer de goederen zich in die lidstaat bevinden op het tijdstip van aankomst van de zending of het vervoer van de goederen naar de afnemer en de invoer in België plaatsvindt, mits de belasting op die goederen moet worden aangegeven in het kader van de bijzondere regeling bedoeld in titel XII, hoofdstuk 6, afdeling 4, van de richtlijn 2006/112/EG (invoerregeling of enig loket voor de invoer of IOSS).
a.2.2. De invoer vindt plaats in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer
Overeenkomstig artikel 33, onder c), van de richtlijn 2006/112/EG wordt de plaats van levering van afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen geacht zich in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer in die lidstaat te bevinden, indien de invoer in die lidstaat plaatsvindt, mits de btw op deze goederen moet worden aangegeven in het kader van de bijzondere regeling van titel XII, hoofdstuk 6, afdeling 4 van de richtlijn 2006/112/EG.
Die bepaling is omgezet in Belgisch recht door artikel 15, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek. Dat artikel bepaalt dat, in afwijking van artikel 14, § 2, van het Btw-Wetboek en met uitsluiting van de levering van goederen onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing bedoeld in de artikelen 312 tot 341 van de richtlijn 2006/112/EG, de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen worden geacht in België plaats te vinden, wanneer de goederen zich in België bevinden op het tijdstip van de aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer en de invoer in België plaatsvindt, mits de belasting op die goederen moet worden aangegeven in het kader van de bijzondere regeling bedoeld in titel XII, hoofdstuk 6, afdeling 4, van de richtlijn 2006/112/EG (invoerregeling of enig loket voor de invoer of IOSS).
a.2.3. Uitsluiting van de leveringen van goederen onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten
Overeenkomstig artikel 35 van de richtlijn 2006/112/EG is artikel 33 van dezelfde richtlijn niet van toepassing op leveringen van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten zoals omschreven in artikel 311, lid 1, punten 1) tot en met 4), van die richtlijn, noch op leveringen van gebruikte vervoermiddelen als omschreven in artikel 327, lid 3, van die richtlijn die aan de btw zijn onderworpen overeenkomstig de toepasselijke bijzondere regeling.
Die bepaling is omgezet in Belgisch recht door artikel 15, § 1, eerste lid, en § 2bis, van het Btw-Wetboek. Dat artikel sluit de leveringen van goederen die onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing bedoeld in de artikelen 312 tot 341 van de richtlijn 2006/112/EG (zie artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek) uit van de bijzondere plaatsbepalingsregels voor de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen.
Bijgevolg wordt de plaats van de leveringen van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten die onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, steeds bepaald overeenkomstig artikel 14 van het Btw-Wetboek.
Er wordt opgemerkt dat de leveringen van goederen onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten niet uitgesloten zijn van de definitie van afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen (zie rubriek B van deze titel 3).
b. Plaats van de invoer
b.1. Invoer zonder toepassing van een opschortende regeling inzake douane of van een fiscale regeling
Overeenkomstig artikel 23, § 3, van het Btw-Wetboek (ter omzetting van artikel 60 van de richtlijn 2006/112/EG), vindt de invoer van een goed plaats in de lidstaat op het grondgebied waarvan het zich ten tijde van het binnenkomen in de Gemeenschap bevindt.
b.2. Invoer met toepassing van een opschortende regeling inzake douane
Wanneer een goed vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap onder één van de opschortende regelingen inzake douane bedoeld in artikel 23, § 4, van het Btw-Wetboek wordt geplaatst, is artikel 23, § 3, van het Btw-Wetboek niet van toepassing.
In afwijking van artikel 23, § 3, van het Btw-Wetboek, vindt de invoer van een goed op grond van artikel 23, § 4, van het Btw-Wetboek immers plaats in de lidstaat op het grondgebied waarvan het goed aan één van de in dat artikel bedoelde opschortende regelingen inzake douane wordt onttrokken.
De opschortende regelingen inzake douane die in het kader van afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen kunnen worden gebruikt, zijn de volgende:
•de regeling van tijdelijke opslag
•de regeling van douane-entrepots
•de regeling voor extern douanevervoer.
Die opschortende regelingen hebben een tijdelijk karakter en worden in de regel aangezuiverd door de goederen te bestemmen voor de interne markt van het douanegebied van de Gemeenschap of, eventueel, voor de wederuitvoer uit het douanegebied van de Gemeenschap.
In geval van wederuitvoer worden de goederen voor de toepassing van de btw geacht niet aan de betrokken opschortende regeling te zijn onttrokken. Bijgevolg geven dergelijke goederenbewegingen geen aanleiding tot een aan de btw onderworpen invoer in een lidstaat van de Gemeenschap.
Goederen die aan één van de voornoemde opschortende regelingen worden onttrokken om in het douanegebied van de Gemeenschap op de markt te worden gebracht teneinde er te worden verbruikt, moeten overeenkomstig de douanereglementering in het vrije verkeer worden gebracht.
Een goed kan onder verschillende opeenvolgende opschortende regelingen inzake douane worden geplaatst. Zo kan een goed bij het binnenkomen in de Gemeenschap onder een regeling van tijdelijke opslag worden geplaatst, vervolgens onder een regeling van douane-entrepot worden geplaatst en tot slot het douane-entrepot verlaten onder een regeling voor extern douanevervoer.
De invoer van dat goed vindt dan plaats en is aan de btw onderworpen in de lidstaat waar het goed, ter aanzuivering van de regeling voor extern douanevervoer, in het vrije verkeer wordt gebracht.
Tot slot wordt opgemerkt dat artikel 221, lid 4, van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24.11.2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, bepaalt dat vanaf 01.07.2021 het douanekantoor dat bevoegd is voor het vrijgeven voor het vrije verkeer van goederen in een zending die op grond van artikel 23, lid 1, of artikel 25, lid 1, van verordening (EG) nr. 1186/2009 een vrijstelling van invoerrechten geniet, in het kader van een andere btw-regeling dan de in titel XII, hoofdstuk 6, afdeling 4, van richtlijn 2006/112/EG bedoelde bijzondere regeling voor afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen, een douanekantoor is dat is gelegen in de lidstaat waar de verzending of het vervoer van de goederen eindigt.
Uit die bepaling volgt dat de goederen verplicht onder een regeling voor extern douanevervoer moeten worden geplaatst in de lidstaat van binnenkomst in de Gemeenschap en in het vrije verkeer moeten worden gebracht in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen, indien de afstandsverkoop betrekking heeft op goederen:
•die een douanevrijstelling genieten op grond van artikel 23, lid 1, van de verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad (goederen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro in totaal per zending)
•die zijn bestemd voor een afnemer in een andere lidstaat dan de lidstaat van binnenkomst en
•er geen gebruik wordt gemaakt van de invoerregeling (ook genaamd het enig loket voor de invoer of IOSS).
b.3. Invoer met toepassing van een fiscale regeling
Goederen die worden verzonden of vervoerd vanuit een grondgebied dat deel uitmaakt van het douanegebied van de Gemeenschap maar niet tot het btw-gebied behoort, kunnen in België worden geplaatst onder een fiscale regeling die equivalent is aan bepaalde regelingen inzake douane, binnen de beperkingen en onder de voorwaarden die gelden voor niet-Uniegoederen die onder de overeenkomstige opschortende regeling inzake douane worden geplaatst.
In afwijking van artikel 23, § 3, van het Btw-Wetboek, vindt de invoer van die goederen op grond van artikel 23, § 5, van Btw-Wetboek plaats in de lidstaat op het grondgebied waarvan de goederen aan een fiscale regeling worden onttrokken.
Voor enkele voorbeelden wordt verwezen naar punt 4.4.3 van de circulaire 2021/C/72 van 27.07.2021 betreffende de btw-regeling voor grensoverschrijdende e-commerceactiviteiten tussen ondernemingen en consumenten (B2C relatie) (nr. E.T. 138.049).
E. Tijdstip van het belastbare feit en van de opeisbaarheid van de btw
a. Algemene regels
Het belastbare feit is het feit waardoor de wettelijke voorwaarden worden vervuld die vereist zijn voor het opeisbaar worden van de belasting (zie artikel 1, § 12, 1°, van het Btw-Wetboek).
De opeisbaarheid van de belasting is het recht dat de Schatkist heeft om krachtens de wet de belasting vanaf een bepaald tijdstip te vorderen van de persoon die de belasting moet voldoen, ook al kan de betaling daarvan worden uitgesteld (zie artikel 1, § 12, 2°, van het Btw-Wetboek). De opeisbaarheid bepaalt in de praktijk aldus het aangiftetijdvak (kalendermaand, kwartaal) waarin de levering in de btw-aangifte moet worden opgenomen.
Overeenkomstig artikel 16, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip waarop de levering van het goed wordt verricht.
Indien de levering de verzending of het vervoer van de goederen door of voor rekening van de leverancier omvat, wordt de levering verricht op het tijdstip van de aankomst van de verzending of van het vervoer naar de afnemer.
In de praktijk wijkt artikel 17 van het Btw-Wetboek in de meeste gevallen af van dat principe inzake de opeisbaarheid van de belasting, door rekening te houden met:
•het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt
•het tijdstip waarop de betaling wordt ontvangen.
Wat de invoer betreft, vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip waarop het goed in België wordt binnengebracht of, wanneer het goed vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap werd geplaatst onder één van de in artikel 23, §§ 4 en 5, van het Btw-Wetboek bedoelde regelingen, op het tijdstip waarop dat goed in België aan die regeling wordt onttrokken, overeenkomstig artikel 24, § 1, van het Btw-Wetboek.
Om het tijdstip waarop de btw verschuldigd is in de praktijk steeds te laten samenvallen met het tijdstip waarop de invoerrechten verschuldigd zijn, bepaalt artikel 24, § 2, van het Btw-Wetboek dat de btw opeisbaar wordt:
•op het tijdstip van het ontstaan van de douaneschuld, indien de ingevoerde goederen zijn onderworpen aan invoerrechten, aan landbouwheffingen of aan heffingen van gelijke werking die zijn ingesteld in het kader van een gemeenschappelijk beleid
•op het tijdstip bepaald overeenkomstig de vigerende bepalingen met betrekking tot het vaststellen van het tijdstip van het ontstaan van de douaneschuld, indien de ingevoerde goederen niet aan één van die communautaire rechten zijn onderworpen (bijvoorbeeld: goederen waarop een nulrecht van toepassing is of goederen afkomstig uit een gedeelte van het douanegebied van de Gemeenschap dat buiten de werkingssfeer van de btw valt).
Onder douaneschuld bij invoer wordt verstaan, de verplichting van een persoon tot betaling van het bedrag aan invoerrechten dat uit hoofde van de geldende douanewetgeving verschuldigd is.
De situaties die aanleiding geven tot het ontstaan van een douaneschuld evenals het tijdstip van het ontstaan van die douaneschuld zijn opgenomen in de artikelen 77 tot en met 79 van het Douanewetboek van de Unie.
b. Afwijkingen voor de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen
Voor de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen bestaan er twee afwijkingen op voornoemde algemene regel:
•voor de levering van goederen door een belastingplichtige die geacht wordt die goederen te hebben ontvangen en geleverd overeenkomstig artikel 13bis van het Btw-Wetboek (de gelijkgestelde leverancier) en voor de levering van goederen aan die belastingplichtige, vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip waarop de betaling is aanvaard (artikel 17, § 5, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 66bis van de richtlijn 2006/112/EG).
Overeenkomstig artikel 41bis van de uitvoeringsverordening nr. 282/2011 is, voor de toepassing van artikel 66bis van de richtlijn 2006/112/EG, het tijdstip waarop de betaling aanvaard is het tijdstip waarop de betalingsbevestiging, het bericht van goedkeuring van betaling of de betalingstoezegging van de afnemer wordt ontvangen door of namens de leverancier die goederen verkoopt via de elektronische interface, ongeacht wanneer de werkelijke betaling wordt uitgevoerd, afhankelijk van wat het eerst gebeurt.
•voor de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen waarvoor de belasting is aangegeven overeenkomstig de bijzondere regeling bedoeld in titel XII, hoofdstuk 6, afdeling 4, van de richtlijn 2006/112/EG (invoerregeling of IOSS), vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip waarop de betaling is aanvaard (artikel 17, § 6, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 369quindecies van de richtlijn 2006/112/EG).
Overeenkomstig artikel 61ter van de uitvoeringsverordening nr. 282/2011 is, voor de toepassing van artikel 369quindecies van de richtlijn 2006/112/EG, het tijdstip waarop de betaling aanvaard is het tijdstip waarop de betalingsbevestiging, -goedkeuring of -toezegging van de afnemer wordt ontvangen door of namens de belastingplichtige die gebruikmaakt van de invoerregeling, ongeacht wanneer de werkelijke betaling wordt uitgevoerd, maar afhankelijk van wat het eerst gebeurt.
F. Tarief van de belasting
a. Btw-tarief van toepassing in België
Indien de afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen in België aan de btw is onderworpen, is die onderworpen aan het btw-tarief bepaald in het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, ter uitvoering van artikel 37 van het Btw-Wetboek.
Indien de invoer van goederen die het voorwerp uitmaken van die afstandsverkoop in België aan de btw is onderworpen, is die eveneens onderworpen aan het btw-tarief bepaald in voornoemd koninklijk besluit.
Het normale tarief van 21 % evenals de verschillende verlaagde tarieven (12 %, 6 % en 0 %) kunnen aldus van toepassing zijn op die handelingen.
Merk op dat artikel 369 octovicies van de richtlijn 2006/112/EG aan de lidstaten de mogelijkheid geeft om, in afwijking van artikel 94, lid 2, van dezelfde richtlijn, te bepalen dat het normaal geldende btw-tarief in de lidstaat van invoer van toepassing is, wanneer gebruik wordt gemaakt van de bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer voorzien in artikel 58sexies van het Btw-Wetboek (zie rubriek I, subrubriek e, van deze titel 3). België heeft geen gebruik gemaakt van die mogelijkheid.
b. Btw-tarief van toepassing in de andere lidstaten
Indien de afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen in een andere lidstaat aan de btw is onderworpen, is die onderworpen aan het btw-tarief bepaald door de wetgeving van die lidstaat.
Indien de invoer van goederen die het voorwerp uitmaken van die afstandsverkoop in een andere lidstaat aan de btw is onderworpen, is die eveneens onderworpen aan het btw-tarief bepaald door de wetgeving van die lidstaat.
Informatie over de btw-tarieven die in de gehele EU van toepassing zijn, zijn beschikbaar op de website van elke lidstaat. De Europese Commissie centraliseert die gegevens eveneens op het volgende adres: https://europa.eu/youreurope/business/taxation/vat/vat-rules-rates/index_nl.htm.
G. Geadresseerde bij invoer in België
a. Algemeen
De btw bij invoer is verschuldigd door de geadresseerde die in België een belastbare invoer van goederen verricht, overeenkomstig artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd.
De geadresseerde is in de regel de verkrijger aan wie de goederen worden verzonden op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt, overeenkomstig artikel 6, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd.
De leverancier of een vorige leverancier mag evenwel als geadresseerde optreden onder de voorwaarden bepaald in artikel 6, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd. De leverancier moet:
•hetzij in België zijn gevestigd
•hetzij voor btw-doeleinden in België zijn geïdentificeerd overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek
•hetzij vertegenwoordigd worden door een persoon die vooraf is erkend overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek.
Artikel 9 van het koninklijk besluit van 29.06.2021, voornoemd, heeft naast enkele terminologische wijzigingen ook artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, aangevuld met een derde lid, waarin de personen worden aangeduid die in bepaalde situaties de btw bij invoer van andere goederen dan accijnsproducten moeten voldoen, wanneer de invoer plaatsvindt in het kader van een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen.
Vanaf 01.07.2021 moet de geadresseerde bij een invoer in België in het kader van een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen in de zin van artikel 1, § 20, van het Btw-Wetboek (zie rubriek B, van deze titel 3) worden bepaald rekening houdend met artikel 6, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd.
In die bepaling wordt een onderscheid gemaakt tussen drie verschillende situaties:
•de invoer van andere goederen dan accijnsproducten, in zendingen met een intrinsieke waarde van meer dan 150 euro, verricht ten behoeve van een afstandsverkoop van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen die plaatsvindt in een andere lidstaat dan België (artikel 6, § 2, derde lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd). In dergelijk geval moet de leverancier optreden als geadresseerde.
•de invoer van andere goederen dan accijnsproducten, in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro, verricht ten behoeve van een afstandsverkoop van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen, met twee mogelijke hypothesen:
•de aangever maakt gebruik van de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58sexies van het Btw-Wetboek (toepassing van de bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer) (artikel 6, § 2, derde lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd). In dergelijk geval treedt de verkrijger op als geadresseerde.
•de aangever maakt geen gebruik van de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58sexies van het Btw-Wetboek en de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58quinquies van het Btw-Wetboek wordt evenmin toegepast (toepassing van de algemene regeling bij invoer) (artikel 6, § 2, derde lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd). In dergelijk geval moet de leverancier optreden als geadresseerde.
Wanneer de bijzondere invoerregeling IOSS op een correcte wijze wordt gebruikt, is de invoer van de btw vrijgesteld op grond van artikel 143, lid 1, onder c bis), van de richtlijn 2006/112/EG, omgezet in Belgisch recht door artikel 40, § 1, 1°bis, van het Btw-Wetboek. De vraag wie de schuldenaar is van de btw bij invoer is in dit geval zonder voorwerp.
b. Schema
Volgende tabel duidt de persoon aan die inzake btw als geadresseerde bij invoer kan optreden wanneer goederen, andere dan accijnsproducten bedoeld in artikel 1, § 6, 4°, van het Btw-Wetboek, in België worden ingevoerd in het kader van een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen in de zin van artikel 1, § 20, van het Btw-Wetboek.
* op voorwaarde dat de leverancier of de gelijkgestelde leverancier:
•ofwel in België is gevestigd of voor btw-doeleinden in België is geïdentificeerd overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek,
•ofwel vertegenwoordigd wordt door een persoon die vooraf is erkend overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek.
Voor een meer omstandige toelichting wordt verwezen naar punt 4.7.3. van de circulaire 2021/C/72 van 27.07.2021 betreffende de btw-regeling voor grensoverschrijdende e-commerceactiviteiten tussen ondernemingen en consumenten (B2C relatie) (nr. E.T. 138.049).
H. Btw-aspecten van de douaneaangifte ten invoer
a. Voor goederen van geringe waarde
Sinds 01.07.2021 is het mogelijk om voor de invoer van zendingen met een geringe waarde een elektronische douaneaangifte in te dienen in IDMS (Import Declaration Management System), zowel in een B2B als in een B2C context (dataset H7). Het betreft de zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro.
Die mogelijkheid is voorzien in artikel 143bis van de gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28.07.2015 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie.
Het betreft een douaneaangifte met een zeer beperkte dataset die minder gegevenselementen bevat dan de standaard douaneaangifte.
De douaneregeling is steeds 40 00, vermits het om een douaneaangifte voor het vrij verkeer en ten verbruik gaat.
Uiteraard heeft de persoon die de goederen bij de douane aanbrengt steeds de mogelijkheid om voor de invoer van de goederen gebruik te maken van een standaard douaneaangifte.
De in de douaneaangifte H7 op te nemen gegevenselementen zijn voornamelijk gegevens voor douanedoeleinden.
Het enige gegeven dat voor btw-doeleinden in die aangifte moet worden opgenomen, is het btw-identificatienummer dat in gegevenselement 13 16 034 000 moet worden vermeld.
In het kader van de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen, moet volgend onderscheid worden gemaakt:
•Wanneer de invoerregeling van het OSS-systeem (IOSS) wordt toegepast (artikel 58quinquies van het Btw-Wetboek), komt het in gegevenselement 13 16 034 000 te vermelden nummer overeen met het btw-identificatienummer dat voor de toepassing van de regeling IOSS aan de leverancier is toegekend, overeenkomstig artikel 369octodecies van de richtlijn 2006/112/EG.
De douane controleert of het nummer correct en geldig is, met het oog op de toepassing van de vrijstelling bij invoer voorzien in artikel 40, § 1, 1°bis, van het Btw-Wetboek.
In het gegevenselement 13 16 031 000 wordt de code FR5 vermeld om aan te geven dat het in gegevenselement 13 16 034 000 vermelde nummer betrekking heeft op een btw-identificatienummer voor de toepassing van de regeling IOSS.
Wanneer het IOSS-nummer wordt vermeld in gegevenselement 13 16 034 000, moeten de codes C07 (1) en F48 (2) worden opgenomen in gegevenselement 11 10 000 000 om de aanvullende regeling aan te duiden.
(1) Zendingen met een te verwaarlozen waarde (artikel 23 van verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad)
(2) Invoer in het kader van de bijzondere regeling voor afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen zoals bepaald in titel XII, hoofdstuk 6, afdeling 4, van richtlijn 2006/112/EG
•Wanneer de bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer wordt toegepast (artikel 58sexies van het Btw-Wetboek), wordt de toepassing van de bijzondere regeling door de persoon die de goederen bij de douane aanbrengt, kenbaar gemaakt door de vermelding in de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen van enerzijds de codes C07 (3) en F49 (4) in het veld voor de codes van de aanvullende regeling (G.E. 11 10 000 000) en anderzijds de soort beschikking en haar referentienummer in de velden voor de bewijsstukken (respectievelijk G.E. 12 03 002 000 en G.E. 12 03 001 000).
(3) Zendingen met een te verwaarlozen waarde (artikel 23 van verordening (EG) nr. 1186/2009 van de raad)
(4) Invoer in het kader van de bijzondere regeling voor de aangifte en de betaling van btw bij invoer zoals bepaald in titel XII, hoofdstuk 7, van richtlijn 2006/112/EG.
•Wanneer geen van beide voornoemde vereenvoudigingsregelingen worden toegepast en de leverancier, of de elektronische interface handelend als gelijkgestelde leverancier, optreedt als geadresseerde bij invoer (zie rubriek G van deze titel 3 voor het bepalen van de geadresseerde bij invoer), komt het in gegevenselement 13 16 034 000 te vermelden nummer overeen met het Belgisch btw-identificatienummer van de leverancier of van de elektronische interface die als een gelijkgestelde leverancier wordt aangemerkt.
In het gegevenselement 13 16 031 000 wordt de code FR1 vermeld om aan te geven dat het in gegevenselement 13 16 034 000 vermelde nummer betrekking heeft op het Belgisch btw-identificatienummer van de geadresseerde bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd.
Voor meer informatie omtrent de douaneformaliteiten in het kader van de regeling IOSS en van de bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer, wordt verwezen naar de door de douane gepubliceerde circulaire 2023/C/73 van 06.09.2023 betreffende de invoer en uitvoer van zendingen met een geringe waarde in het kader van e-commerce.
b. Voor andere goederen dan goederen van geringe waarde
De goederen waarvoor geen douaneaangifte H7 kan worden ingediend (goederen met een intrinsieke waarde van meer dan 150 euro of die specifiek zijn uitgesloten door de douanewetgeving), moeten het voorwerp uitmaken van een douaneaangifte met een andere dataset in het nationale invoersysteem IDMS (bijvoorbeeld met de dataset H1), overeenkomstig wat door de douaneautoriteiten wordt voorzien.
In afwachting van de definitieve inwerkingtreding van die andere datasets, kunnen die goederen nog steeds in de toepassing PLDA worden aangegeven.
I. Bijzondere regels voor goederen in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro (goederen van geringe waarde)
a. Algemeenheden
Er zijn bijzondere regels voorzien voor de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro (goederen van geringe waarde – zie subrubriek b van deze rubriek I).
Enerzijds wordt er een btw-fictie voorzien met betrekking tot elektronische interfaces die afstandsverkopen van dat type goederen faciliteren. Volgens die fictie worden die interfaces geacht de goederen via hun platform bij de leverancier te hebben gekocht en vervolgens zelf aan de finale afnemer te hebben wederverkocht (artikel 13bis, § 1, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 14bis, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG). Daaruit volgt dat die interfaces, welke de katalysator zijn van de elektronische handel, worden aangemerkt als gelijkgestelde leverancier en daadwerkelijk betrokken zijn bij de inning van de btw op de verkopen die via hun interface worden verricht, met als gevolg een efficiëntere inning van de btw en een afname van de administratieve lasten voor de consumenten (zie subrubriek c van deze rubriek I).
Anderzijds worden twee bijzondere (optionele) vereenvoudigingsregelingen voorzien voor de aangifte en betaling van de over dat type afstandsverkopen verschuldigde btw, met name:
•de invoerregeling of enig loket voor de invoer of IOSS (zie subrubriek d van deze rubriek I en Afdeling 10, titel 2, van dit Hoofdstuk 16) en
•de bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer of de regeling special arrangements (zie subrubriek e van deze rubriek I).
Om enige concurrentieverstoring tussen leveranciers binnen en buiten de Gemeenschap te voorkomen en om het verlies aan fiscale inkomsten tegen te gaan, werd de vrijstelling voor de invoer van goederen met een te verwaarlozen waarde voorzien in richtlijn 2009/132/EG van de Raad van 19.10.2009 houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 143, onder b) en c), van richtlijn 2006/112/EG met betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de definitieve invoer van bepaalde goederen, opgeheven door artikel 3 van de richtlijn (EU) 2017/2455 van de Raad van 05.12.2017.
Die afschaffing werd in Belgisch recht omgezet door artikel 12 van het koninklijk besluit van 29.06.2021, voornoemd, die de vrijstelling voor de invoer van goederen met een globale waarde van niet meer dan 22 euro opheft. Die vrijstelling werd voorzien in artikel 18 van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd.
Voornoemde vrijstelling is vervangen door de btw-vrijstelling bij invoer bedoeld in artikel 40, § 1, 1°bis, van het Btw-Wetboek, die slechts van toepassing is indien de goederen worden ingevoerd in het kader van een afstandsverkoop van uit een derde land of een derdelandsgebied ingevoerde goederen die wordt aangegeven onder de nieuwe vereenvoudigingsregeling IOSS (artikel 58quinquies van het Btw-Wetboek).
b. Begrip goederen van geringe waarde
Goederen van geringe waarde zijn goederen die worden verzonden of vervoerd in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro. Boven deze drempel is voor douanedoeleinden een volledige douaneaangifte bij invoer vereist (zie rubriek H van deze titel 3).
Om de intrinsieke waarde van in de Gemeenschap ingevoerde goederen te bepalen, wordt verwezen naar de douanewetgeving. Overeenkomstig artikel 1, punt 48, van de gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446, is de intrinsieke waarde de prijs van de goederen zelf bij verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, met uitzondering van vervoers- en verzekeringskosten, tenzij deze in de prijs zijn begrepen en niet afzonderlijk op de factuur zijn vermeld, en alle andere belastingen en heffingen zoals te constateren door de douaneautoriteiten op basis van relevante documenten.
Alle andere verwante kosten, naast het vervoer en de verzekering, die niet de waarde van de goederen zelf weerspiegelen, moeten eveneens uit de intrinsieke waarde worden uitgesloten, zodra ze afzonderlijk en duidelijk op de factuur worden vermeld (bijvoorbeeld gereedschapskosten, licentierechten, uitvoerbelasting …).
Onder 'andere belastingen en heffingen' wordt begrepen elke belasting of heffing die wordt geïnd op basis van de waarde van de goederen of bovenop een op die goederen toegepaste belasting of heffing. De btw (verschuldigd op de invoer of op de levering) is niet in de intrinsieke waarde opgenomen en moet derhalve van de verkoopprijs worden afgetrokken indien die inclusief btw wordt vastgesteld.
Er wordt verwezen naar de schriftelijke parlementaire vraag nr. 606 van de heer Volksvertegenwoordiger Josy Arens van 08.09.2021 met betrekking tot onder meer de vervoerskosten.
c. Elektronische interface als gelijkgestelde leverancier (artikel 13bis, § 1, van het Btw-Wetboek)
c.1. Algemene opmerkingen
De afstandsverkopen van goederen van een lidstaat naar een andere lidstaat of van een derdelandsgebied of een derde land naar de Gemeenschap worden in grote mate gefaciliteerd door het gebruik van een elektronische interface, zoals een marktplaats, platform, portaal of soortgelijk middel, vaak in samenhang met faciliteiten voor opslag en orderverwerking.
Om te zorgen voor een efficiëntere inning van de btw en om de administratieve lasten voor de verkopers, belastingdiensten en consumenten te verminderen, werd het noodzakelijk geacht om de belastingplichtigen die afstandsverkopen van goederen faciliteren door het gebruik van een dergelijke elektronische interface, te betrekken bij de inning van de btw op die verkopen.
Om die redenen werden in de btw-wetgeving twee ficties opgenomen die bepalen dat dergelijke belastingplichtigen, voor de toepassing van de btw en onder bepaalde voorwaarden, worden geacht de via hun elektronische interface verkochte goederen zelf bij de leveranciers te hebben gekocht en vervolgens die goederen zelf te hebben verkocht aan de eindklanten.
Door die ficties worden die belastingplichtigen gelijkgestelde leveranciers. Er wordt verwezen naar titel 4, rubriek C, van deze Afdeling 7 voor de fictie in verband met de intracommunautaire afstandsverkopen (artikel 13bis, § 2, van het Btw-Wetboek).
De fictie voor afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen maakt het voorwerp uit van het onweerlegbaar wettelijk vermoeden voorzien in artikel 13bis, § 1, van het Btw-Wetboek (ter omzetting van artikel 14bis, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG):
“Indien een belastingplichtige via het gebruik van een elektronische interface, zoals een marktplaats, platform, portaal of soortgelijk middel, afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro, faciliteert, wordt die belastingplichtige geacht die goederen zelf te hebben ontvangen en geleverd.”
c.2. Beoogde goederen
Voor de toepassing van artikel 13bis, § 1, van het Btw-Wetboek moet het gaan om een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen van geringe waarde, zoals bepaald in subrubriek b van deze rubriek I.
Met andere woorden, de belastingplichtige die door het gebruik van een elektronische interface de levering faciliteert, wordt een gelijkgestelde leverancier voor de via zijn elektronische interface verrichte leveringen van goederen van geringe waarde, die worden ingevoerd en geleverd aan een afnemer in de Gemeenschap, ongeacht of de onderliggende leverancier binnen of buiten de Gemeenschap is gevestigd.
De belastingplichtige die door het gebruik van een elektronische interface de levering faciliteert, wordt bijgevolg geen gelijkgestelde leverancier voor de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen andere dan goederen van geringe waarde.
c.3. Beoogde elektronische interfaces
Het begrip elektronische interface is op zich niet gedefinieerd in het gemeenschapsrecht. Zoals de explanatory notes van de Europese Commissie aangeven, betreft het elk mechanisme of programma dat twee onafhankelijke systemen onderling dan wel het systeem en de eindgebruiker in staat stelt met elkaar te communiceren.
Het is een ruim concept dat een website, een portaal, een gateway, een marktplaats, een application programming interface (API)… omvat.
In het kader van deze Afdeling 7 verwijst deze interface zowel naar het gebruikte systeem als naar de belastingplichtige die dat systeem beheert en zijn 'faciliterende' diensten aanbiedt.
Het is voor de toepassing van het vermoeden voorzien in artikel 13bis, § 1, van het Btw-Wetboek van geen belang waar de belastingplichtige die de elektronische interface exploiteert, is gevestigd. Bijgevolg maakt het niet uit of de belastingplichtige binnen of buiten de Gemeenschap is gevestigd.
c.4. Het begrip ‘faciliteren’
c.4.1. Definitie
Artikel 5ter van de uitvoeringsverordening nr. 282/2011 definieert wat wordt bedoeld met de term 'faciliteren' voor de toepassing van artikel 14bis van de richtlijn 2006/112/EG (omgezet in artikel 13bis van het Btw-Wetboek).
Volgens deze bepaling wordt onder 'faciliteren' verstaan het gebruik van een elektronische interface om een afnemer en een leverancier die goederen te koop aanbiedt via de elektronische interface met elkaar in contact te brengen, resulterend in een levering van goederen via die elektronische interface.
De verkoop-aankoop van de verkoper aan de afnemer wordt verricht/gesloten met behulp van de elektronische interface.
Het concept omvat de situaties waarin de afnemers het aankoopproces starten of een bod uitbrengen om de goederen te kopen, en waarin de onderliggende leveranciers het bod aanvaarden via de elektronische interface.
In het algemeen wordt dit bij e-commerce transacties weerspiegeld door de eigenlijke bestelling en de afrekening door of met behulp van de elektronische interface.
Bovendien betekenen de termen 'resulterend in een levering van goederen via die elektronische interface' dat een transactie wordt gesloten op de elektronische interface (website, portaal, gateway, marktplaats, applicatieprogramma-interface (API) of soortgelijk mechanisme), maar dit wordt niet bepaald door de fysieke levering van de goederen die al dan niet kan worden georganiseerd/uitgevoerd door de belastingplichtige die de elektronische interface beheert.
Een belastingplichtige faciliteert een levering van goederen echter niet wanneer alle volgende voorwaarden vervuld zijn:
•de belastingplichtige bepaalt noch direct, noch indirect één van de algemene voorwaarden waaronder de levering van goederen wordt verricht, EN
•de belastingplichtige is noch direct, noch indirect betrokken bij het verlenen van goedkeuring om de afnemer te factureren voor de gedane betaling, EN
•de belastingplichtige is noch direct, noch indirect betrokken bij de bestelling of de aflevering van de goederen.
Het vermoeden van artikel 14bis van de richtlijn 2006/112/EG (omgezet in artikel 13bis van het Btw-Wetboek) is evenmin van toepassing op een belastingplichtige die slechts de volgende taken vervult:
•de verwerking van betalingen met betrekking tot de levering van goederen
•het aanbieden van of het reclame maken voor goederen
•het doorgeleiden of overbrengen van afnemers naar andere elektronische interfaces waar goederen worden aangeboden voor verkoop, zonder verdere tussenkomst bij de levering.
Indien een elektronische interface activiteiten verricht die toegang geven tot een betaalsysteem of waarmee enkel mogelijke te koop aangeboden goederen onder de aandacht worden gebracht, zoals doorklikreclame waarmee potentiële afnemers worden doorgeleid naar de website van een verkoper of websites met rubrieksadvertenties zonder aankoopmogelijkheden, dan wordt hij niet als gelijkgestelde leverancier behandeld.
De elektronische interface is niet direct of indirect betrokken bij de levering die volkomen onafhankelijk plaatsvindt tussen de leverancier en de afnemer, waardoor hij bij de normale uitoefening van zijn bedrijfsactiviteiten geen kennis zou hebben van aspecten zoals:
•of en wanneer een transactie wordt gesloten, of
•waar de goederen zich bevinden, of
•waar de goederen naartoe worden vervoerd.
Zonder deze informatie zou de elektronische interface onmogelijk aan de btw-verplichtingen als gelijkgestelde leverancier kunnen voldoen.
Meer algemeen, laat het begrip 'faciliteren' voor de toepassing van het in artikel 13bis van het Btw-Wetboek bedoelde vermoeden slechts de tussenkomst van één enkele interface toe, die wordt beschouwd als koper-verkoper van de goederen in het kader van een afstandsverkoop.
c.4.2. Het begrip ‘de algemene voorwaarden bepalen’
Indien de elektronische interface direct of indirect één van de algemene voorwaarden bepaalt waaronder de levering wordt verricht, wordt hij geacht die goederenlevering te faciliteren (zie artikel 5ter, alinea 2, onder a), van de uitvoeringsverordening nr. 282/2011).
Onder de algemene voorwaarden moet worden verstaan de rechten en plichten van de onderliggende leverancier en de afnemer in verband met de levering, zoals de prijs, het soort of de aard van de goederen, regelingen voor betaling, levering of eventuele garanties. Zij hebben ook betrekking op de voorwaarden voor zowel de onderliggende leverancier als de afnemer om gebruik te maken van de website/het platform (waaronder voorwaarden om een account aan te maken op de website/het platform).
Aangezien in de bepaling wordt verwezen naar één van de direct of indirect te bepalen algemene voorwaarden, moet het begrip ruim worden geïnterpreteerd. Het beoogt een breed scala aan belastingplichtigen die een marktplaats, platform, portaal of soortgelijk bedrijfsmodel aanbieden dat bestaat of nieuw is in de onlinehandel of e-commerce.
Het gebruik van 'indirect' en 'één van de' bij het bepalen van de algemene voorwaarden waaronder de goederenlevering wordt verricht, is bedoeld om de kunstmatige opsplitsing van de rechten en plichten tussen de elektronische interface en de onderliggende leveranciers te voorkomen. Bijvoorbeeld, de aanwijzing dat de verkoper (onderliggende leverancier) verantwoordelijk is voor de via een marktplaats/platform verkochte goederen of dat de overeenkomst wordt gesloten tussen de onderliggende leverancier en de afnemer is niet voldoende om de belastingplichtige die de elektronische interface aanbiedt, te ontheffen van de btw-verplichtingen als gelijkgestelde leverancier.
Het begrip gaat dus verder dan de contractuele relatie. Zij houdt rekening met de economische realiteit en, in het bijzonder, de door de elektronische interfaces uitgeoefende invloed op of geleverde bijdrage aan de feitelijke goederenlevering.
Verschillende elementen/kenmerken kunnen erop wijzen dat een belastingplichtige die een elektronische interface aanbiedt, de algemene voorwaarden bepaalt. Om tot een definitieve conclusie te komen, moeten alle kenmerken van de levering in aanmerking worden genomen. Hieronder volgen echter enkele voorbeelden (niet cumulatief en niet limitatief) van activiteiten die erop wijzen dat de belastingplichtige die een elektronische interface aanbiedt, direct of indirect de algemene voorwaarden bepaalt:
•de elektronische interface is eigenaar van of beheert het technische platform waarlangs de goederen worden geleverd
•de elektronische interface bepaalt regels voor het aanbieden en verkopen van goederen via zijn platform
•de elektronische interface is eigenaar van klantgegevens in verband met de levering
•de elektronische interface voorziet in een technische oplossing voor het opnemen van bestellingen of het in gang zetten van het aankoopproces (bijvoorbeeld door de goederen in een winkelwagen te plaatsen)
•de elektronische interface organiseert/beheert de communicatie van het aanbod, de aanvaarding van de bestelling of de betaling voor de goederen
•de elektronische interface bepaalt voorwaarden waaronder de leverancier of afnemer verantwoordelijk is voor de betaling van de kosten in verband met het terugzenden van goederen
•de elektronische interface legt één of meer specifieke betaalmethoden, opslag- of fulfilmentvoorwaarden of methoden voor verzending of levering op aan de onderliggende leverancier die moeten worden gebruikt om de handeling te volbrengen
•de elektronische interface heeft het recht de betaling van de afnemer te verwerken of in te houden van de onderliggende leverancier of om anderszins de toegang tot tegoeden te beperken
•de elektronische interface kan de verkoop zonder toestemming of goedkeuring van de onderliggende leverancier crediteren indien de goederen niet naar behoren werden ontvangen
•de elektronische interface biedt klantenservice, hulp bij het terugzenden of omruilen van goederen, of procedures voor klachtenafhandeling en geschillenbeslechting voor leveranciers en/of hun afnemers
•de elektronische interface heeft het recht om de prijs vast te stellen waartegen de goederen worden verkocht, bijvoorbeeld door korting aan te bieden via een loyaliteitsprogramma, heeft controle over of oefent invloed uit op de prijsstelling.
c.4.3. Het begrip 'het verlenen van goedkeuring om te factureren'
Indien de elektronische interface direct of indirect betrokken is bij het verlenen van goedkeuring om de afnemer te factureren voor de gedane betaling, wordt hij geacht de goederenlevering te faciliteren (artikel 5ter, alinea 2, onder b), van de uitvoeringsverordening nr. 282/2011).
Het begrip 'het verlenen van goedkeuring om te factureren' heeft betrekking op de situatie waarin de elektronische interface kan beïnvloeden of, wanneer en onder welke voorwaarden de afnemer betaalt.
De elektronische interface verleent goedkeuring voor de betaling wanneer hij besluit dat de rekening, bankkaart of dergelijke van de afnemer kan worden gedebiteerd/belast als betaling voor de levering of wanneer hij betrokken is bij de ontvangst van het bericht van goedkeuring voor de betaling of de verbintenis tot betaling van de afnemer. Dit begrip betekent niet dat de elektronische interface daadwerkelijk de betaling moet innen of ontvangen, of dat hij betrokken moet zijn bij elke stap van het betalingsproces.
Verschillende elementen/kenmerken kunnen erop wijzen dat een elektronische interface goedkeuring verleent om te factureren. Om tot een definitieve conclusie te komen, moeten alle kenmerken van de levering in aanmerking worden genomen. Hieronder volgen echter enkele voorbeelden (niet cumulatief en niet limitatief) van activiteiten die erop wijzen dat de elektronische interface betrokken is bij het verlenen van goedkeuring om de afnemer te factureren voor de gedane betaling:
•de elektronische interface verstrekt de afnemer informatie over de betaling, zoals de te betalen prijs, de bestanddelen ervan, eventuele bijkomende kosten, de betalingstermijn, betaalmethoden…
•de elektronische interface zet het proces door middel waarvan de afnemer wordt gefactureerd, in gang
•de elektronische interface verzamelt/ontvangt betaalgegevens/-informatie van de klant, zoals creditcard-/debitcardnummer, geldigheid van de kaart, beveiligingscode, naam en/of rekeningnummer van de houder, informatie over een digitale- of cryptovalutarekening, informatie over een digitale portemonnee …
•de elektronische interface int het geld voor de geleverde goederen en maakt dit vervolgens over naar de onderliggende leverancier
•de elektronische interface koppelt de afnemer aan een derde partij die de betaling verwerkt volgens de instructies van de elektronische interface (activiteiten van een belastingplichtige die enkel de betaling verwerkt zonder andere betrokkenheid bij de levering zijn uitgesloten van de bepaling inzake de gelijkgestelde leverancier).
c.4.4. Het begrip 'betrokken zijn bij de bestelling of de aflevering van goederen'
Indien de elektronische interface direct of indirect betrokken is bij de bestelling of de aflevering van de goederen, wordt hij geacht de goederenlevering te faciliteren (artikel 5ter, alinea 2, onder c), van de uitvoeringsverordening nr. 282/2011).
Het begrip 'betrokken zijn bij de bestelling of de aflevering van goederen' moet ruim worden geïnterpreteerd.
De betrokkenheid bij de bestelling van goederen betekent niet noodzakelijk dat de elektronische interface betrokken is bij het genereren van de aankooporder, maar heeft betrekking op situaties waarin de elektronische interface de bestelling van goederen op een of andere manier kan beïnvloeden.
Het begrip 'betrokken zijn bij de aflevering van goederen' is niet beperkt tot de fysieke levering van goederen, die al dan niet door of voor rekening van de elektronische interface kan worden geregeld/verricht. Het heeft betrekking op situaties waarin de elektronische interface de levering van goederen op een of andere manier kan beïnvloeden.
Verschillende elementen/kenmerken kunnen erop wijzen dat een belastingplichtige die een elektronische interface aanbiedt, betrokken is bij de bestelling of de aflevering van goederen. Om tot een definitieve conclusie te komen, moeten alle kenmerken van de levering in aanmerking worden genomen. Hieronder volgen echter enkele voorbeelden (niet cumulatief en niet limitatief) van activiteiten die erop wijzen dat de elektronische interface betrokken is bij de bestelling of de levering van goederen:
•de elektronische interface voorziet in het technische hulpmiddel om de bestelling van de afnemer aan te nemen (meestal de winkelwagen/afrekening)
•de elektronische interface verstrekt de afnemer en de onderliggende leverancier de bevestiging en/of de gegevens van de bestelling
•de elektronische interface rekent de onderliggende leverancier een vergoeding of commissie aan op basis van de waarde van de bestelling
•de elektronische interface geeft goedkeuring om met de levering van de goederen te beginnen/geeft de onderliggende leverancier of een derde opdracht om de goederen te leveren
•de elektronische interface verleent fulfilmentdiensten aan de onderliggende leverancier
•de elektronische interface regelt de levering van de goederen
•de elektronische interface verstrekt de afnemer gegevens met betrekking tot de levering.
Indien een elektronische interface activiteiten verricht die toegang geven tot een betaalsysteem of waarmee enkel mogelijke te koop aangeboden goederen onder de aandacht worden gebracht, zoals doorklikreclame waarmee potentiële afnemers worden doorgeleid naar de website van een verkoper of websites met rubrieksadvertenties zonder aankoopmogelijkheden, dan wordt hij niet als gelijkgestelde leverancier behandeld. De elektronische interface is niet direct of indirect betrokken bij de levering die volkomen onafhankelijk plaatsvindt tussen de leverancier en de afnemer, waardoor hij bij de normale uitoefening van zijn bedrijfsactiviteiten dus geen kennis zou hebben van aspecten zoals i) of en wanneer een transactie wordt gesloten, ii) waar de goederen zich bevinden of iii) waar de goederen naartoe worden vervoerd. Zonder deze informatie zou de elektronische interface onmogelijk aan de btw-verplichtingen als gelijkgestelde leverancier kunnen voldoen.
c.5. Beoogde leveringen
Het vermoeden van artikel 13bis, § 1, van het Btw-Wetboek is slechts van toepassing indien de levering een afstandsverkoop is van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen van geringe waarde (zie subrubriek b van deze rubriek I voor het begrip goederen van geringe waarde).
Bijgevolg moet het gaan om leveringen van goederen die worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van de leverancier, met inbegrip van gevallen waarin de leverancier indirect tussenkomt bij het vervoer of de verzending van de goederen, vanuit een derdelandsgebied of een derde land naar een afnemer in een lidstaat, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
•de eindklant is een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon van wie de intracommunautaire verwervingen van goederen krachtens artikel 3, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG niet aan de btw zijn onderworpen, of enige andere niet-belastingplichtige
•de geleverde goederen zijn geen nieuwe vervoermiddelen bedoeld in artikel 8bis, § 2, van het Btw-Wetboek, noch goederen, geleverd na montage of installatie, door of voor rekening van de leverancier, met of zonder beproeven van de geïnstalleerde of gemonteerde goederen.
c.6. Weerlegbaar wettelijk vermoeden met betrekking tot de status van de onderliggende leverancier en van de afnemer
De gelijkgestelde leverancier beschouwt, tenzij hij over tegengestelde informatie beschikt:
•de persoon die goederen verkoopt via een elektronische interface als een belastingplichtige
•de persoon die deze goederen koopt als een niet-belastingplichtige (artikel 5quinquies van de uitvoeringsverordening nr. 282/2011).
Deze bepaling moet de gelijkgestelde leverancier bevrijden van de onevenredige last om in alle gevallen de status van de verkoper en de koper te moeten verifiëren en is er derhalve op gericht de gelijkgestelde leverancier meer rechtszekerheid te bieden.
c.6.1. Het vermoeden van de status van de verkoper
De elektronische interface moet de onderliggende leverancier als belastingplichtige beschouwen, tenzij hij van de leverancier of andere bronnen informatie heeft ontvangen waaruit het tegendeel blijkt. Louter en alleen het ontbreken van het btw-identificatienummer of het fiscaal registratienummer (bijvoorbeeld als de leverancier een dergelijk nummer niet heeft verstrekt tijdens de registratie/inschrijving bij de elektronische interface) betekent niet automatisch dat de onderliggende leverancier geen belastingplichtige is.
Indien de onderliggende leverancier bij de elektronische interface aangeeft dat hij als niet-belastingplichtige handelt, moet de elektronische interface hem als zodanig beschouwen. De elektronische interface moet echter over een controleprocedure beschikken om te beoordelen of deze onderliggende leverancier op grond van zijn leveringen niet de hoedanigheid van belastingplichtige krijgt.
Dit vermoeden betreft alleen de status van de onderliggende leverancier als belastingplichtige en bepaalt dus niets over het feit of hij al dan niet binnen de Gemeenschap is gevestigd.
c.6.2. Het vermoeden van de status van de afnemer
Hoewel het btw-identificatienummer of het fiscaal registratienummer geen absolute voorwaarde is om een belastingplichtige te zijn, is het een belangrijk onderdeel van het bewijs van de status van een belastingplichtige.
Daarom moet de elektronische interface, tenzij hij over informatie beschikt waaruit het tegendeel blijkt, de afnemer als niet-belastingplichtige beschouwen indien de afnemer tijdens de registratie/inschrijving bij de elektronische interface geen btw-identificatienummer of fiscaal registratienummer heeft verstrekt.
c.7. Evaluatie in functie van elke afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen
Of de elektronische interface een afstandsverkoop faciliteert en derhalve een gelijkgestelde leverancier is, moet per transactie worden beoordeeld, rekening houdend met de hiervoor vermelde criteria.
Bijgevolg kan de elektronische interface worden geacht sommige afstandsverkopen te faciliteren en derhalve voor die verkopen een gelijkgestelde leverancier zijn, en tegelijkertijd betrokken zijn bij andere afstandsverkopen waarvoor hij geen gelijkgestelde leverancier is.
Een elektronische interface kan bijvoorbeeld betrokken zijn bij:
•afstandsverkopen van goederen in zendingen met een intrinsieke waarde van meer dan 150 euro die in de Gemeenschap moeten worden ingevoerd, waarvoor hij geen gelijkgestelde leverancier is, en
•afstandsverkopen van goederen in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro die in de Gemeenschap moeten worden ingevoerd, waarvoor hij een gelijkgestelde leverancier is.
c.8. Werking van het vermoeden van artikel 13bis, § 1, van het Btw-Wetboek voor de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen
Indien een elektronische interface een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen in naam en voor rekening van de leverancier faciliteert, vindt er op btw-vlak in principe slechts één levering van goederen plaats, met name een levering tussen de leverancier en de afnemer.
De handeling verricht door de elektronische interface, met name het faciliteren van de verkoop, vormt dan vanuit btw-oogpunt in principe een dienst.
De toepassing van het vermoeden van artikel 13bis, § 1, van het Btw-Wetboek, wijkt af van voormelde principes en heeft de volgende consequenties:
c.8.1. Opsplitsing in twee afzonderlijke leveringen
Het vermoeden van artikel 13bis, § 1, van het Btw-Wetboek bepaalt dat op btw-vlak de levering tussen de leverancier en de afnemer wordt opgesplitst in twee afzonderlijke leveringen:
•enerzijds een levering van de onderliggende leverancier aan de elektronische interface (gelijkgestelde B2B-levering)
•anderzijds een levering van de elektronische interface aan de afnemer (gelijkgestelde B2C-levering).
c.8.2. Toerekening van het vervoer van de goederen
Op grond van artikel 14, § 6, van het Btw-Wetboek (ter omzetting van artikel 36ter van de richtlijn 2006/112/EG) wordt, indien een belastingplichtige geacht wordt goederen te hebben ontvangen en geleverd overeenkomstig artikel 13bis van het Btw-Wetboek, de verzending of het vervoer van de goederen toegerekend aan de levering die door die belastingplichtige wordt verricht.
Bijgevolg kan het vervoer van de goederen enkel worden toegerekend aan de levering verricht door de elektronische interface, zodat:
•de levering door de onderliggende leverancier aan de elektronische interface een levering zonder vervoer is
•de levering door de elektronische interface aan de afnemer een afstandsverkoop is van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen.
c.8.3. Plaats van de levering
De plaats van de levering zonder vervoer die wordt verricht door de leverancier aan de elektronische interface is de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van de levering, overeenkomstig artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek (ter omzetting van artikel 31 van de richtlijn 2006/112/EG).
Deze plaats stemt gewoonlijk overeen met het derdelandsgebied of het derde land waar het vervoer van de goederen naar de afnemer in het btw-gebied van de Europese Unie aanvangt, zodat dergelijke levering in principe geen btw-gevolgen heeft binnen de Gemeenschap.
De regels inzake plaatsbepaling van de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen door de elektronische interface aan de afnemer, worden besproken in rubriek D, subrubriek a, van deze titel 3.
c.8.4. Tijdstip van het belastbare feit en van de opeisbaarheid van de btw
Zowel voor de levering door de onderliggende leverancier aan de elektronische interface als voor de levering door de elektronische interface aan de afnemer, vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip waarop de betaling is aanvaard overeenkomstig artikel 17, § 5, van het Btw-Wetboek dat de omzetting vormt van artikel 66bis van de richtlijn 2006/112/EG (zie rubriek E van deze titel 3).
c.8.5. Schema
c.8.6. Voorbeeld
Belastingplichtige X verkoopt via de elektronische interface van Y schoenen met een waarde van 100 euro, die door of voor rekening van X vanuit een derdelandsgebied / derde land naar particulieren in België worden verzonden.
Vermits Y een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen in een zending met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro faciliteert, is het vermoeden van artikel 13bis, § 1, van het Btw-Wetboek van toepassing.
De leverancier X wordt geacht een levering zonder vervoer aan Y te verrichten, die in het derdelandsgebied / derde land plaatsvindt.
Y wordt geacht een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen te verrichten aan de particulieren in België, waarvan de plaats wordt bepaald overeenkomstig de regels uiteengezet in rubriek D, subrubriek a, van deze titel 3.
De twee leveringen vinden plaats op het tijdstip waarop de betaling wordt aanvaard. Op dat tijdstip wordt de btw opeisbaar.
c.9. Beperkte aansprakelijkheid van de gelijkgestelde leverancier
Het vermoeden van artikel 13bis van het Btw-Wetboek inzake de gelijkgestelde leverancier is een fictie die voor btw-doeleinden werd gecreëerd.
De gelijkgestelde leverancier heeft de goederen gewoonlijk niet in zijn bezit en de eigendomsoverdracht van de goederen vindt plaats tussen de onderliggende leverancier en de afnemer.
Bijgevolg beschikt de gelijkgestelde leverancier vaak niet over de informatie die nodig is om de plaats van levering vast te stellen en om aan zijn btw-verplichtingen te voldoen, zoals de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van de handeling (plaats van vertrek) of de aard van de geleverde goederen.
De elektronische interface moet dergelijke informatie krijgen van de onderliggende leverancier.
Voorts moet de gelijkgestelde leverancier bepalen wat zijn btw-verplichtingen zijn op het moment dat de afnemer afrekent.
Bijgevolg is de gelijkgestelde leverancier vaak afhankelijk van de nauwkeurigheid van de informatie die de leveranciers voorafgaand aan of uiterlijk op het moment van afrekenen verstrekken, om te zorgen voor de juiste btw-behandeling (verplichtingen inzake aangifte en betaling) van de levering.
Teneinde geen onevenredige lasten te veroorzaken voor marktplaatsen, wordt meer rechtszekerheid geboden en is hun aansprakelijkheid voor de betaling van de btw beperkt in vooraf omschreven gevallen.
Op grond van artikel 5quater van de uitvoeringsverordening nr. 282/2011 is de belastingplichtige die de elektronische interface beheert en die wordt geacht de goederen zelf te hebben ontvangen en geleverd, niet gehouden meer btw te betalen dan de btw die hij heeft aangegeven en betaald op deze leveringen, indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
•de belastingplichtige is afhankelijk van informatie verstrekt door leveranciers die via zijn elektronische interface goederen verkopen of door andere derden om de over die leveringen verschuldigde btw correct te kunnen aangeven en betalen, en
•de in de eerste bullet point bedoelde informatie is onjuist, en
•de belastingplichtige kan aantonen dat hij niet wist en redelijkerwijs niet kon weten dat de ontvangen informatie onjuist was.
Wanneer aan de bovenstaande voorwaarden voor de beperking van de aansprakelijkheid is voldaan, is de elektronische interface niet verantwoordelijk voor het btw-verschil in verband met de betrokken leveringen noch voor eventuele boeten en interesten voor te late betaling bij een herbeoordeling van de verschuldigde btw.
De bewijslast ligt dus bij de gelijkgestelde leverancier (elektronische interface). Hij moet bewijzen dat aan alle noodzakelijke voorwaarden is voldaan om een beroep te doen op de bepaling inzake beperkte aansprakelijkheid.
Vermits elk geval anders kan zijn, is het onmogelijk om duidelijke richtsnoeren te geven over wanneer voor elk scenario aan de voorwaarden zou zijn voldaan. Dit moet van geval tot geval worden beoordeeld en aangetoond. Een elektronische interface moet evenwel rekening houden met de volgende overwegingen:
•in de eerste plaats moet de gelijkgestelde leverancier in commercieel opzicht redelijke en zorgvuldige inspanningen leveren om bij de onderliggende leverancier alle informatie te verzamelen die hij nodig heeft om aan zijn btw-verplichtingen te kunnen voldoen. Dit moet worden uitgewerkt in het kader van de commerciële relatie tussen de leverancier en de elektronische interface die optreedt als gelijkgestelde leverancier, met inbegrip van de vereiste mate van gedetailleerdheid. Dit kan derhalve verschillen afhankelijk van de elektronische interface (zijn omvang, zijn mate van automatisering …).
De informatie die de elektronische interface mogelijk bij de onderliggende leverancier moet verzamelen en waarop hij zich vervolgens moet baseren voor de aangifte en inning van de btw, omvat onder meer:
•de vestigingsplaats van de onderliggende leverancier
•een omschrijving van de goederen
•de maatstaf van heffing voor btw-doeleinden (op basis van de prijs bij afrekenen)
•de plaats van vertrek van de verzending (op basis van de beschikbare informatie tot aan het moment van afrekenen)
•informatie over retourzendingen van goederen en annuleringen van verkopen.
De elektronische interface moet derhalve binnen de commerciële relatie met de onderliggende leverancier nadrukkelijk wijzen op het belang van het verstrekken van alle relevante informatie en de onderliggende leverancier daarvan bewust maken. Indien de onderliggende leverancier aanhoudend verzuimt de noodzakelijke informatie te verstrekken, moet de gelijkgestelde leverancier (elektronische interface) passende maatregelen nemen.
•In de tweede plaats moet de elektronische interface te goeder trouw handelen en de zorgvuldigheid van een goed koopman aan de dag leggen. Of dit ook echt het geval is, moet niet alleen worden beoordeeld op basis van de specifieke omstandigheden van de levering, maar ook met inachtneming van de interne organisatie van de elektronische interface en de informatie die binnen de systemen/omgeving van de elektronische interface beschikbaar kan zijn. De wijze waarop de zorgvuldigheid van een goed koopman wordt betracht, kan verschillen afhankelijk van de omvang van het bedrijf, het bedrijfsmodel, de omvang van de transacties waarvoor de elektronische interface een gelijkgestelde leverancier is, het aantal onderliggende leveranciers … Terwijl sommige elektronische interfaces bijvoorbeeld een volledig geautomatiseerde oplossing kunnen invoeren om de door onderliggende leveranciers verstrekte informatie te verifiëren en mogelijke fouten op te sporen, beschikken andere niet over voldoende middelen om een dergelijke grootschalige oplossing te ontwikkelen en voeren zij daarom alleen steekproefsgewijze verificaties van gegevens uit.
In de bepaling inzake beperkte aansprakelijkheid wordt rekening gehouden met de verschillen tussen elektronische interfaces en aanvaard dat het begrip 'zorgvuldigheid van een goed koopman' zich bij verschillende interfaces in verschillende procedures vertaalt. De bepaling inzake de gelijkgestelde leverancier mag elektronische interfaces niet onevenredig zwaar belasten. Ook wordt er niet mee gestreefd naar een algemene norm voor controles die voor elke levering moeten worden uitgevoerd, wat een zwaardere belasting kan vormen voor kleinere platforms ten opzichte van grotere platforms en er uiteindelijk toe zou kunnen leiden dat bepaalde grotere platforms een nog groter marktaandeel in handen krijgen. Het is echter onvermijdelijk dat de interne bedrijfscontroles van elektronische interfaces erdoor zullen worden beïnvloed en mogelijk moeten worden aangepast om ervoor te zorgen dat een elektronische interface de zorgvuldigheid van een goed koopman kan betrachten.
In de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn enkele theoretische richtsnoeren te vinden, met name met betrekking tot de mate van verantwoordelijkheid van de belastingplichtige. In die gevallen benadrukte het Hof dat een handelaar te goeder trouw moet handelen en alles in het werk moet stellen wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om ervoor te zorgen dat de handeling die hij verricht geen belastingontduiking tot gevolg heeft. Derhalve is de verantwoordelijkheid van de belastingplichtige beperkt tot de normale zorgvuldigheid van een handelaar (of de zorgvuldigheid van een goed koopman) bij de uitoefening van zijn bedrijfsactiviteit.
In de praktijk kan in de volgende voorbeelden (niet-limitatieve lijst) worden aangetoond dat de elektronische interface de zorgvuldigheid van een goed koopman betracht:
•de elektronische interface heeft aan de onderliggende leveranciers meegedeeld (bijvoorbeeld bij hun besluit of een handelaar gebruik mag maken van de elektronische interface, in de algemene voorwaarden …) welke noodzakelijke informatie zij moeten verstrekken en duidelijk gemaakt dat deze informatie van essentieel belang is om de btw correct aan te geven en te innen
•de elektronische interface verzoekt de onderliggende leveranciers deze informatie naar behoren aan de elektronische interface te verstrekken (bijvoorbeeld verlangt dat zij een beschrijving van de goederen uploaden, verstrekt duidelijke richtsnoeren over de wijze waarop de door hen aangeboden producten op de elektronische interface moeten worden ingedeeld, verzoekt hun de plaats van verzending van de goederen mee te delen …). In het kader van de inspanningen om juiste informatie te verzamelen en fouten te voorkomen, kan de elektronische interface de onderliggende leveranciers extra hulp bieden, bijvoorbeeld wanneer het de leveranciers niet goed lukt om de producten in te delen (bijvoorbeeld via FAQ’s of via eventuele ondersteuningsteams)
•de elektronische interface heeft redelijke verificatieprocedures opgezet wat betreft de informatie van onderliggende leveranciers voor bepaalde productcategorieën (bijvoorbeeld productcategorieën waar verschillende btw-tarieven kunnen gelden op basis van specifieke productkenmerken). Deze kunnen gebaseerd zijn op visuele verificatie (waarbij de afbeelding van het product wordt vergeleken met de beschrijving) en op technieken voor machinaal leren (waarbij de voor de aangeboden producten gebruikte zoektermen worden gecombineerd met de hoofdkenmerken van het product in verband met het belastingtarief). De manier waarop deze controles worden verricht, hangt vooral af van de bedrijfsomvang, de omvang van de transacties, het bedrijfsmodel … van elke elektronische interface en moet passend en evenredig zijn
•indien de elektronische interface, naast de rechtstreeks door de onderliggende leverancier verstrekte gegevens, andere onmiddellijk beschikbare gegevens over de goederen van interne of externe bronnen heeft die kunnen helpen om de onjuiste informatie te corrigeren, dan moet de elektronische interface die gegevens gebruiken in het kader van zijn verplichtingen om zorgvuldigheid als een goed koopman te betrachten.
c.10. Hoofdelijke aansprakelijkheid van de onderliggende leverancier
Het vermoeden van artikel 13bis van het Btw-Wetboek inzake de gelijkgestelde leverancier heeft tot gevolg dat de elektronische interface die de levering faciliteert, wordt beschouwd als de feitelijke leverancier van goederen ten opzichte van de afnemer (voor btw-doeleinden). De elektronische interface neemt de rechten en verplichtingen inzake btw over van de onderliggende leverancier voor wat betreft de levering aan die afnemer. Bijgevolg is de gelijkgestelde leverancier (en niet de onderliggende leverancier) gehouden tot betaling van de over die levering verschuldigde btw.
c.11. Betrokkenheid van meerdere elektronische interfaces
In de praktijk kan het voorkomen dat goederen via een elektronische interface worden gekocht en dat die laatste (of de belastingplichtige die de interface beheert) op zijn beurt beroep doet op een andere elektronische interface om de betrokken goederen aan te schaffen, enzovoort. In dergelijke situatie stelt zich dus de vraag welke elektronische interface als gelijkgestelde leverancier zal worden aangemerkt.
Artikel 5ter van de uitvoeringsverordening nr. 282/2011 voorziet in een verdere verduidelijking van het begrip gelijkgestelde leverancier: 'om een afnemer en een leverancier die goederen te koop aanbiedt via de elektronische interface met elkaar in contact te brengen, resulterend in een goederenlevering via die elektronische interface'.
Het betreft situaties waarin de feitelijke bestelling en/of afrekening wordt beheerd/uitgevoerd via de elektronische interface.
Dat impliceert dat er slechts één elektronische interface als gelijkgestelde leverancier kan worden aangemerkt, met name de elektronische interface waar de bestelling is opgenomen en via welke de handeling met de afnemer wordt afgerond.
Iedere andere tussenpersoon in de toeleveringsketen verricht doorgaans een B2B-levering aan de onderliggende leverancier, aan de elektronische interface die de gelijkgestelde leverancier is of aan eventuele andere elektronische interfaces.
Voorbeeld 1
Een afnemer bestelt goederen die door een onderliggende leverancier via elektronische interface 1 te koop worden aangeboden. De onderliggende leverancier heeft geen voorraad van de goederen die hij te koop aanbiedt, maar koopt deze via elektronische interface 2 (een doorverkoopplatform). De onderliggende leverancier geeft elektronische interface 2 (doorverkoopplatform) opdracht de goederen rechtstreeks naar de afnemer te verzenden.
Om vast te stellen welke elektronische interface in dit geval de gelijkgestelde leverancier is, moet worden nagegaan via welke elektronische interface de koop feitelijk wordt gesloten met de afnemer, dus via welke elektronische interface de afnemer de bestelling plaatst en/of de betaling verricht. Indien de bestelling en/of afrekening plaatsvindt via elektronische interface 1, verleent het doorverkoopplatform (elektronische interface 2) een dienst aan de onderliggende leverancier.
Voorbeeld 2
Een afnemer is van plan goederen te bestellen die te koop worden aangeboden op een elektronische interface (EI 1). Wanneer hij tot bestelling overgaat, wordt hij doorgeleid naar een andere elektronische interface (EI 2) waar goederen te koop worden aangeboden door een onderliggende leverancier. De koop wordt uiteindelijk gesloten via elektronische interface 2 (EI 2).
Hoewel het eerste contact werd gelegd via elektronische interface 1, wordt de koop gesloten met elektronische interface 2. Derhalve is die laatste de gelijkgestelde leverancier.
d. Bijzondere regeling van toepassing op afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen (invoerregeling/enig loket voor de invoeren of IOSS)
Met ingang van 01.07.2021 werd een optionele bijzondere regeling ingevoerd, genaamd invoerregeling, enig loket voor de invoeren of IOSS (artikel 58quinquies van het Btw-Wetboek).
Die regeling laat de leverancier die afstandsverkopen verricht van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen, in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro, toe om de in de Gemeenschap verschuldigde btw aan te geven en te voldoen via een in één enkele lidstaat gecentraliseerde I-OSS-aangifte. De accijnsproducten bedoeld in artikel 1, § 6, 4°, van het Btw-Wetboek (artikel 2, lid 3, van de richtlijn 2006/112/EG) zijn uitgesloten van de regeling.
Er wordt verwezen naar Afdeling 10, titel 2, van dit Hoofstuk 16 voor een gedetailleerde toelichting van die nieuwe regeling.
e. Bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer
e.1. Algemeen
Artikel 58sexies van het Btw-Wetboek voert een vereenvoudigingsregeling in voor de aangifte en de betaling van de btw die verschuldigd is bij de invoer in België van andere goederen dan accijnsproducten, in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro, wanneer België de lidstaat van bestemming is en er geen gebruik wordt gemaakt van de invoerregeling van het OSS-systeem, voorzien in artikel 58quinquies, van het Btw-Wetboek, van toepassing op afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen.
Deze regeling vormt een alternatieve vereenvoudigingsregeling voor de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen bedoeld in artikel 1, § 20, van het Btw-Wetboek, waarvoor de leverancier had kunnen kiezen om de daaraan verbonden btw-verplichtingen af te handelen via de invoerregeling van het OSS-systeem (zie subrubriek d van deze rubriek I).
De bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer kan derhalve niet worden gebruikt voor de afhandeling van de btw-verplichtingen van invoeren die verbonden zijn aan leveringen van goederen waarvoor de invoerregeling van het OSS-systeem niet van toepassing is
e.2. Transactionele optionele regeling
De bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer is een optionele regeling, zoals eveneens het geval is voor de invoerregeling van het OSS-systeem. Er kan dus steeds geopteerd worden voor de toepassing van de gewone btw-regeling. In dit laatste geval zal de bij invoer verschuldigde btw volgens de gewone regels voorzien in artikel 7, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, moeten worden betaald. Meer bepaald, door betaling van het bedrag van de verschuldigde btw aan de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen of door opname van dat bedrag als verschuldigde belasting in de periodieke btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de invoer heeft plaatsgevonden (zie Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 4: Invoer, Afdeling 5, titel 3).
De bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer is een transactionele optionele regeling. Dat betekent dat er per invoer die voor de toepassing van deze bijzondere regeling in aanmerking komt, kan worden gekozen om de bijzondere regeling al dan niet toe te passen. Het toepassen van de bijzondere regeling op een bepaalde invoer, houdt dus niet in dat die regeling dan moet worden toegepast op alle invoeren die voor de toepassing van de bijzondere regeling in aanmerking komen.
Wanneer de bijzondere regeling wordt toegepast op een invoer die plaatsvindt in het kader van een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen, kan later voor andere dergelijke handelingen nog steeds van de gewone btw-regeling of van de invoerregeling van het OSS-systeem gebruik worden gemaakt.
Op dat vlak wijkt de bijzondere regeling af van de invoerregeling van het OSS-systeem, in die zin dat die laatste regeling een globale optionele regeling is (zie Afdeling 10, titel 2, rubriek A, van dit Hoofdstuk 16).
e.3. Materieel toepassingsgebied van de regeling
De bijzondere regeling kan worden gebruikt voor de aangifte en betaling van de btw die verschuldigd is bij de invoer van goederen die het voorwerp uitmaken van een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen zoals bedoeld in artikel 1, § 20, van het Btw-Wetboek (zie rubriek B van deze titel 3), voor zover de volgende voorwaarden voorzien in artikel 58sexies, §§ 1 en 2, van het Btw-Wetboek zijn vervuld:
e.3.1. De goederen zijn geen accijnsproducten bedoeld in artikel 1, § 6, 4°, van het Btw-Wetboek
Zoals vermeld in rubriek B, subrubriek b, punt b.4., van deze titel 3, valt een levering van accijnsproducten slechts binnen de definitie van een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen wanneer de afnemer ofwel een niet-belastingplichtige natuurlijke persoon (een particulier) ofwel een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon is, voor zover de levering aan die tweede categorie personen in de lidstaat van verwerving zou worden vrijgesteld op grond van artikel 148 of 151, van de richtlijn 2006/112/EG (artikel 42, §§ 1, 2 en 3, eerste lid, 1° tot 8°, van het Btw-Wetboek).
Dergelijke afstandsverkopen van accijnsproducten komen evenwel niet in aanmerking voor de toepassing van de bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer. Net als bij de invoerregeling van het OSS-systeem worden de accijnsproducten uitgesloten van de bijzondere regeling. Bij gebrek aan een mogelijke vereenvoudigingsregeling, zijn de aangifte en de betaling van de op de invoer en de levering van accijnsproducten verschuldigde belasting steeds aan de gewone regeling onderworpen.
e.3.2. De goederen worden ingevoerd in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro
De zending waarvan de goederen deel uitmaken mag een intrinsieke waarde hebben van maximaal 150 euro (zie subrubriek b van deze rubriek I).
Merk op dat de waarde geen belang heeft van zodra de zending een accijnsproduct bevat. Zendingen die zowel goederen die voor de bijzondere regeling in aanmerking komen als accijnsproducten bevatten, komen nooit in aanmerking voor de toepassing van de bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer.
e.3.3. Er wordt geen gebruik gemaakt van de invoerregeling van het OSS-systeem
Wanneer de voorwaarden vermeld onder de punten e.3.1. en e.3.2. zijn vervuld, kan de aangifte en de betaling van de btw verschuldigd op de afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen in principe plaatsvinden via de invoerregeling van het OSS-systeem.
Opdat de bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer zou kunnen worden toegepast, mag de leverancier (of gelijkgestelde leverancier) er evenwel niet voor geopteerd hebben om de invoerregeling van het OSS-systeem toe te passen, noch voor de bewuste handeling noch voor een eerdere handeling. Die laatste regeling is immers een globale optionele regeling (zie Afdeling 10, titel 2, rubriek A, van dit Hoofdstuk 16).
e.3.4. De invoer vind plaats in België alwaar de verzending of het vervoer van de goederen vanuit het derdelandsgebied of het derde land naar de afnemer wordt beëindigd
De goederen worden in het vrije verkeer gebracht in België, zijnde de lidstaat van bestemming waar de verzending of het vervoer naar de afnemer eindigt. De lidstaat waarlangs de goederen de Gemeenschap worden binnengebracht, is daarbij in principe van geen belang:
•ofwel komen de goederen de Gemeenschap binnen via België en worden ze in België in het vrije verkeer gebracht en ten verbruik aangegeven. De invoer vindt dan plaats in België, overeenkomstig artikel 23, § 3, van het Btw-Wetboek
•ofwel komen de goederen de gemeenschap binnen via een andere lidstaat dan België.
In dergelijk geval bepaalt de douanereglementering (5) dat het douanekantoor dat bevoegd is voor het in het vrije verkeer brengen van goederen in een zending met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro, die een vrijstelling van invoerrechten genieten op grond van artikel 23, lid 1, van verordening (EG) nr. 1186/2009 (6), waarvoor geen gebruik gemaakt wordt van de invoerregeling van het OSS-systeem, een douanekantoor is gelegen in de lidstaat waar de verzending of het vervoer van de goederen eindigt.
(5) Artikel 221, lid 4, van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de commissie van 24.11.2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie.
(6) Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de raad van 16.11.2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen.
Goederen die bestemd zijn voor een afnemer in België en die:
•in het kader van een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen,
•in een zending met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro die geniet van een vrijstelling van invoerrechten op grond van artikel 23, lid 1, van de verordening (EG) nr. 1186/2009,
•waarvoor geen gebruik gemaakt wordt van de invoerregeling van het OSS-systeem,
het grondgebied van de gemeenschap worden binnengebracht via een andere lidstaat dan België, kunnen derhalve slechts ten verbruik worden aangegeven in België, zijnde de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer.
De goederen zullen daartoe onder de douaneregeling extern douanevervoer worden verzonden of vervoerd vanuit de lidstaat van binnenkomst in de gemeenschap naar de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer. Wanneer België de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer is, worden de goederen in België aan de regeling extern douanevervoer onttrokken en vindt de invoer in België plaats, overeenkomstig artikel 23, § 4, 3°, van het Btw-Wetboek.
Op voormeld principe aangaande het niet van belang zijn van de lidstaat waarlangs de goederen de gemeenschap worden binnengebracht voor de toepassing van de bijzondere regeling, bestaat er een uitzondering voor de invoer van parfum en toiletwater. Artikel 24, onder b), van de verordening (EG) nr. 1186/2009 sluit parfum en toiletwater immers uit van de vrijstelling voorzien in artikel 23, lid 1, van dezelfde verordening, waardoor artikel 221, lid 4, van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 niet van toepassing is op de invoer van parfum en toiletwater.
Wanneer dergelijke goederen de gemeenschap worden binnengebracht via een andere lidstaat dan de lidstaat van bestemming waar de verzending of het vervoer naar de afnemer eindigt, zijnde België, bestaat er geen verplichting om die goederen in België in het vrije verkeer te brengen, ongeacht de intrinsieke waarde van de zending waarvan het parfum of het toiletwater deel uitmaakt.
Indien bedoelde goederen in het vrije verkeer worden gebracht in de lidstaat waarlangs zij de gemeenschap worden binnengebracht, vindt de invoer niet plaats in België (lidstaat waar het vervoer of de verzending naar de afnemer eindigt), waardoor er geen toepassing kan worden gemaakt van de bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer.
Merk op dat de regels met betrekking tot het belastbare feit en het tijdstip van opeisbaarheid, voorzien in artikel 24, van het Btw-Wetboek, eveneens van toepassing zijn op de invoeren van goederen die in België onder de bijzondere regeling plaatsvinden. Die regeling bevat immers geen afwijkende bepalingen in die zin.
e.3.5. De afnemer is schuldenaar van de op de invoer verschuldigde btw
Voor de toepassing van de bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer geldt dat de persoon voor wie de goederen bestemd zijn, schuldenaar is van de bij invoer verschuldigde belasting, overeenkomstig artikel 58sexies, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek. Daartoe werd een nieuw artikel 6, § 2, derde lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, ingevoerd dat de afnemer van de goederen aanduidt als geadresseerde wanneer van deze vereenvoudigingsregeling gebruik wordt gemaakt. Vermits het een toepassingsmodaliteit van de bijzondere regeling betreft, kan daar niet van worden afgeweken.
e.4. Personeel toepassingsgebied van de regeling
De bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer is voorbehouden aan de persoon die de goederen bij de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen aanbrengt voor rekening van de persoon voor wie de goederen bestemd zijn en die uit dien hoofde de bij invoer van die goederen verschuldigde btw aan de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen betaalt.
Het gaat dan om koeriersbedrijven, postdiensten, douane-expediteurs en andere marktdeelnemers die dergelijke diensten verlenen.
Bovendien moet de persoon die van de vereenvoudigingsregeling gebruik maakt, voldoen aan de voorwaarden voor het uitstel van betaling van de douanerechten zoals bedoeld in de artikelen 110 en 111, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de raad van 09.10.2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie.
België heeft immers gebruik gemaakt van de in artikel 63quinquies, lid 1, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 geboden mogelijkheid om de toepassing van de maandelijkse betaling van de invoer-btw in het kader van de bijzondere regeling te onderwerpen aan de voorwaarden die gelden voor het uitstel van betaling van douanerechten. Die aanvullende toepassingsvoorwaarde van de bijzondere regeling is opgenomen in artikel 58sexies, § 1, in fine, van het Btw-Wetboek.
Voormelde persoon dient daartoe een beschikking aan te vragen bij de voor hem bevoegde regionale component van de Administratie Operaties van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen. Van zodra die beschikking is uitgereikt, zal die persoon gebruik kunnen maken van de bijzondere regeling.
Het betreft een afzonderlijke beschikking, andere dan die voor het uitstel van betaling van de douanerechten, die specifiek geldt voor de toepassing van de bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer. Voor meer informatie omtrent de aanvraag van bedoelde beschikking, wordt verwezen naar de door de douane gepubliceerde circulaire 2023/C/73 van 06.09.2023 betreffende de invoer en uitvoer van zendingen met een geringe waarde in het kader van e-commerce.
e.5. Werking van de regeling
e.5.1. Principe
Een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen geeft aanleiding tot twee afzonderlijke belastbare handelingen: een invoer in de zin van artikel 23, § 1, van het Btw-Wetboek en een levering van goederen in de zin van artikel 10, van het Btw-Wetboek, die overeenkomstig artikel 1, § 20, van het Btw-Wetboek als een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen wordt aangemerkt (zie rubriek C van deze titel 3).
De bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer heeft betrekking op de invoer van goederen die het voorwerp uitmaken van een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen. Het doel van de regeling is om de btw-formaliteiten bij de invoer te vereenvoudigen.
In het kader van de bijzondere regeling vindt de afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen plaats daar waar het goed zich bevindt op het tijdstip van vertrek van de verzending of het vervoer naar de afnemer, overeenkomstig artikel 14, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek. Bijgevolg vindt de afstandsverkoop plaats buiten de gemeenschap en is die dus niet aan de btw onderworpen.
Deze vereenvoudigingsregeling werkt dus omgekeerd dan de invoerregeling van het OSS-systeem:
•wanneer de bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer wordt toegepast, wordt de invoer belast en is de afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen niet aan de btw onderworpen in de gemeenschap
•wanneer de invoerregeling van het OSS-systeem wordt toegepast, is de invoer vrijgesteld en wordt de afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen belast.
e.5.2. Actoren
Artikel 58sexies, § 2, van het Btw-Wetboek maakt een onderscheid tussen de schuldenaar van de bij de invoer verschuldigde btw en de persoon die de goederen bij de douane aanbrengt.
De schuldenaar van de belasting die in het kader van de bijzondere regeling op de invoer is verschuldigd, is de persoon voor wie de goederen zijn bestemd, overeenkomstig artikel 58sexies, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek. Artikel 6, § 2, derde lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, duidt dan ook de afnemer van de goederen aan als geadresseerde wanneer deze vereenvoudigingsregeling wordt toegepast.
Hoewel de afnemer van de goederen de wettelijke schuldenaar is van de op de invoer verschuldigde btw, is hij niet de persoon die ertoe gehouden is die belasting daadwerkelijk aan de douaneautoriteiten te betalen. Artikel 58sexies, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek bepaalt immers dat de persoon die de goederen bij de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen aanbrengt, de belasting int bij de persoon voor wie de goederen bestemd zijn (de afnemer van de goederen) en die belasting voldoet op de wijze voorzien in artikel 58sexies, § 3, van het Btw-Wetboek (zie punt e.5.4 van deze subrubriek e).
Op het tijdstip van de invoer van de goederen in België, worden de goederen voor het verbruik aangegeven met uitstel van betaling van de btw, zoals voorzien in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd. De persoon die de goederen bij de douane aanbrengt, is verantwoordelijk om het bedrag van de bij de invoer verschuldigde btw bij de afnemer van de goederen te innen alvorens de goederen aan die laatste te bezorgen. Vervolgens moet hij de bij invoer verschuldigde belasting aan de douane betalen.
De persoon die de goederen bij de douane aanbrengt, neemt passende maatregelen om te garanderen dat het juiste bedrag aan btw wordt betaald door de persoon voor wie de goederen bestemd zijn. Op basis van onder meer de handelsfactuur en van de documenten die de ingevoerde goederen vergezellen, dient hij na te gaan of de aangegeven intrinsieke waarde correct is en moet hij het juiste btw-tarief toepassen.
e.5.3. Aanbrengen van de goederen bij de douane
Artikel 58sexies, § 1, van het Btw-Wetboek bepaalt dat de bijzondere regeling kan worden gebruikt door de persoon die de goederen bij de douane aanbrengt voor rekening van de persoon voor wie de goederen zijn bestemd (zie punt e.4. van deze subrubriek e).
In overeenstemming met de mogelijkheid die aan de lidstaten wordt gelaten door artikel 63quinquies, lid 2, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, wordt de voorwaarde 'die voor rekening van de persoon voor wie de goederen zijn bestemd de goederen bij de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen aanbrengt' als vervuld beschouwd, indien de persoon die de goederen bij de douane aanbrengt te kennen geeft voornemens te zijn van de bijzondere regeling gebruik te maken en de btw te innen bij de persoon voor wie de goederen bestemd zijn.
In de praktijk zal de toepassing van de bijzondere regeling door de persoon die de goederen bij de douane aanbrengt, kenbaar worden gemaakt door de vermelding in de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen van enerzijds de codes C07 (7) en F49 (8) in het veld voor de codes van de aanvullende regeling (G.E. 11 10 000 000) en anderzijds de soort beschikking en haar referentienummer in de velden voor de bewijsstukken (respectievelijk G.E. 12 03 002 000 en G.E. 12 03 001 000).
(7) Zendingen met een te verwaarlozen waarde (artikel 23 van verordening (EG) nr. 1186/2009 van de raad)
(8) Invoer in het kader van de bijzondere regeling voor de aangifte en de betaling van btw bij invoer zoals bepaald in titel XII, hoofdstuk 7, van richtlijn 2006/112/EG.
Zoals reeds vermeld in rubriek H, subrubriek a, van deze titel 3, gaat het hierbij om een elektronische douaneaangifte die via het Import Declaration Management System (IDMS) wordt ingediend en die aanzienlijk minder gegevenselementen (dataset H7) bevat dan de standaard douaneaangifte. Het betreft een aangifte voor het vrije verkeer en voor het verbruik, waarvoor steeds de douaneregeling 40 00 van toepassing is. Uiteraard heeft de persoon die de goederen bij de douane aanbrengt, steeds de mogelijkheid om voor de invoer van de goederen gebruik te maken van een standaard douaneaangifte.
Voor meer informatie omtrent de douaneformaliteiten in het kader van de bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer, wordt verwezen naar de door de douane gepubliceerde circulaire 2023/C/73 van 06.09.2023 betreffende de invoer en uitvoer van zendingen met een geringe waarde in het kader van e-commerce.
e.5.4. Verplichtingen inzake aangifte en betaling van de bij invoer verschuldigde btw
Artikel 58sexies, § 3, van het Btw-Wetboek bepaalt de verplichtingen van de persoon die de goederen bij de douane aanbrengt met betrekking tot de aangifte en de betaling van de btw die verschuldigd is bij een invoer in het kader van de bijzondere regeling.
De persoon die de goederen bij de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen aanbrengt, neemt de belasting die verschuldigd is overeenkomstig de bijzondere regeling op in een maandelijkse aangifte die langs elektronische weg wordt ingediend uiterlijk op de veertiende dag van de maand volgend op de maand waarop ze betrekking heeft. In de aangifte wordt het totale bedrag van de belasting vermeld dat in de desbetreffende kalendermaand is geïnd.
Diezelfde persoon voldoet het totale bedrag van de in voormelde aangifte opgenomen belasting uiterlijk op de zestiende dag van de maand volgend op de maand waarop die aangifte betrekking heeft. Deze termijn komt overeen met de maximumtermijn die geldt voor het uitstel van betaling van de verschuldigde douanerechten overeenkomstig artikel 111, § 6, tweede alinea, / 108, lid 1, tweede alinea, van de verordening (EU) nr. 952/2013 (het douanewetboek van de Unie). De btw is aldus maandelijks verschuldigd binnen de termijn die voor de betaling van de invoerrechten geldt, zoals voorgeschreven door artikel 369novovicies, lid 2, van de richtlijn 2006/112/EG.
Bij wijze van administratieve vereenvoudiging, zal de maandelijkse aangifte in de praktijk iedere veertiende dag van de maand automatisch worden gecreëerd door de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen onder de vorm van een overzicht van alle niet-ongeldig gemaakte douaneaangiften die door de betrokken persoon in de loop van de voorgaande maand onder de bijzondere regeling zijn ingediend, met aanduiding van het totale bedrag van de op die invoeren verschuldigde btw. Dat bedrag moet door de persoon die van de bijzondere regeling gebruik heeft gemaakt ten laatste op de zestiende dag van dezelfde maand aan de douaneautoriteiten worden betaald.
Wanneer goederen niet worden geleverd of niet worden aanvaard door de afnemer, kan de persoon
die de goederen bij de douane heeft aangebracht de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen van die goederen onder de bijzondere regeling ongeldig maken. Die persoon moet per maand een overzicht opmaken van alle in die maand ongeldig gemaakte douaneaangiften onder de bijzondere regeling, met vermelding van onder meer de referentie van de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen, de datum van het ongeldig maken van die douaneaangifte, de bestemming van de goederen (in de meeste gevallen wederuitvoer of vernietiging) en een bewijs van de bestemming van de goederen (in de meeste gevallen een douaneaangifte tot wederuitvoer of het proces-verbaal van vernietiging). Dat overzicht moet binnen een termijn van 90 dagen volgend op de maand waarop die betrekking heeft aan de douaneautoriteiten worden overgemaakt. Voor meer informatie omtrent het ongeldig maken van een douaneaangifte in het kader van de bijzondere regeling, wordt verwezen naar de door de douane gepubliceerde circulaire 2023/C/73 van 06.09.2023 betreffende de invoer en uitvoer van zendingen met een geringe waarde in het kader van e-commerce.
Voorbeelden van mogelijke situaties met een niet-levering of niet-aanvaarding van de goederen tot gevolg: het adres van de afnemer is niet correct, de afnemer is verschillende opeenvolgende dagen niet thuis, de afnemer weigert het bedrag van de verschuldigde btw te betalen, de goederen zijn beschadigd…
De invoer van niet-geleverde of niet-aanvaarde goederen wordt niet in de automatisch door de douane gecreëerde maandelijkse aangifte opgenomen, wanneer het ongeldig maken van de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen van die goederen onder de bijzondere regeling plaatsvindt vóór de veertiende dag van de maand volgend op de maand waarin die douaneaangifte is ingediend.
De maandelijkse aangifte dient als basis voor de maandelijkse betaling van het totale btw-bedrag dat onder de bijzondere regeling is verschuldigd door de persoon die de goederen bij de douane heeft aangebracht. Deze maandelijkse betaling vindt telkens plaats ten laatste op de zestiende dag van de maand volgend op de maand waarop de maandelijkse aangifte betrekking heeft. Door de tijdig ongeldig gemaakte douaneaangiften niet in de maandelijkse aangifte op te nemen, wordt voorkomen dat bedoelde persoon btw moet betalen op de invoer van goederen die niet geleverd of niet aanvaard werden en waarvoor hij aldus geen btw heeft kunnen innen. De persoon die de goederen bij de douane heeft aangebracht, moet de niet-verschuldigdheid van de btw op die invoeren kunnen rechtvaardigen en dient daartoe de nodige vermeldingen op te nemen in zijn register bedoeld in artikel 58sexies, § 4, van het Btw-Wetboek (zie punt e.6. van deze subrubriek e).
Ingeval van een laattijdig ongeldig gemaakte douaneaangifte, wordt die douaneaangifte in de maandelijkse aangifte opgenomen en moet er op die invoer btw worden betaald. De persoon die de goederen bij de douane heeft aangebracht, kan dan teruggaaf van de betaalde btw vragen aan de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen. Dergelijke situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de niet-levering of niet-aanvaarding van de goederen plaatsvindt na de veertiende dag van de maand volgend op de maand van indiening van de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen van die goederen onder de bijzondere regeling. Voor de teruggaafprocedure bij de douane wordt verwezen naar de door de douane gepubliceerde circulaire 2023/C/73 van 06.09.2023 betreffende de invoer en uitvoer van zendingen met een geringe waarde in het kader van e-commerce.
Het is derhalve de verantwoordelijkheid van de persoon die de goederen bij de douane heeft aangebracht om de goederen bij de afnemer aan te bieden vóór de veertiende dag van de maand volgend op de maand van indiening van de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen van die goederen onder de bijzondere regeling, om zodoende de btw te innen of de douaneaangifte tijdig ongeldig te kunnen maken ingeval van niet-levering of niet-aanvaarding van de goederen.
Voor een nadere toelichting omtrent de bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer, meer bepaald voor een schematisch overzicht en voorbeelden, wordt verwezen naar de punten 7.2.5.5 en 7.2.5.6 van de circulaire 2021/C/72 van 27.07.2021 betreffende de btw-regeling voor grensoverschrijdende e-commerceactiviteiten tussen ondernemingen en consumenten (B2C relatie) (nr. E.T. 138.049).
e.6. Boekhoudkundige verplichtingen
Overeenkomstig artikel 58sexies, § 4, van het Btw-Wetboek, houden de personen die van deze bijzondere regeling gebruikmaken, van alle onder deze bijzondere regeling vallende handelingen, een boekhouding bij onder de vorm van een register met voldoende gegevens om de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde in staat te stellen de juistheid van de aangegeven belasting te beoordelen. Dat register moet op verzoek langs elektronische weg beschikbaar worden gesteld aan de administratie belast met de belasting over de toegevoerde waarde.
Voor meer informatie omtrent bedoeld register, wordt verwezen naar punt 8.2.1.3. van de circulaire 2021/C/72 van 27.07.2021 betreffende de btw-regeling voor grensoverschrijdende e-commerceactiviteiten tussen ondernemingen en consumenten (B2C relatie) (nr. E.T. 138.049).
J. Analyse van de verschillende scenario's
Voor een analyse van de verschillende scenario’s wordt verwezen naar punt 4.10 van de circulaire 2021/C/72 van 27.07.2021 betreffende de btw-regeling voor grensoverschrijdende e-commerceactiviteiten tussen ondernemingen en consumenten (B2C relatie) (nr. E.T. 138.049).
4. Intracommunautaire afstandsverkopen van goederen
A. Inleiding
Het begrip verkopen op afstand wordt gebruikt sinds 1993, maar werd tot 01.07.2021 niet gedefinieerd in de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, noch in het Btw-Wetboek.
Deze officieuze benaming werd ontleend aan het plaatsbepalingscriterium van artikel 33, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd en artikel 15, §§ 1 en 2, van het Btw-Wetboek zoals van kracht tot 30.06.2021. Volgens dat plaatsbepalingscriterium wordt de levering van goederen onder bepaalde voorwaarden geacht plaats te vinden in de lidstaat van aankomst van het vervoer van de goederen.
Sinds 01.07.2021 omschrijven de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, en het Btw-Wetboek het begrip intracommunautaire afstandsverkopen van goederen uitdrukkelijk.
Net zoals voorheen heeft de regeling inzake intracommunautaire afstandsverkopen tot doel om onder bepaalde voorwaarden de levering te laten plaatsvinden in de lidstaat waar de goederen aankomen (de lidstaat waarnaar de koper de goederen laat verzenden) zodat de goederen worden onderworpen aan de btw van de lidstaat van aankomst. Op die manier wordt een 'level playing field' gecreëerd tussen ondernemingen die in verschillende lidstaten zijn gevestigd en wordt vermeden dat ondernemingen hun leveringen zouden verrichten vanuit een lidstaat met een lager btw-tarief.
Om zogenaamde micro-ondernemingen die slechts in één lidstaat gevestigd zijn te ontzien, wordt de plaats van een intracommunautaire verkoop op afstand niet verlegd naar de lidstaat van aankomst van het vervoer en vindt de levering dus plaats in de lidstaat van vertrek, voor zover een drempel van 10.000 euro niet wordt overschreden in het lopende of vorige kalenderjaar en de onderneming niet opteert voor belastingheffing in de lidstaat van aankomst. Deze nieuwe communautaire drempel komt in de plaats individuele nationale drempels die van toepassing waren tot 30.06.2021 en waarvan het bedrag varieerde per lidstaat. Deze drempel omvat ook nog bepaalde diensten.
Om de voldoening van de btw in de lidstaat van aankomst van de goederen te vereenvoudigen wordt de 'one stop shop'-regeling uitgebreid naar intracommunautaire afstandsverkopen. Zo hoeft de leverancier zich omwille van zijn intracommunautaire afstandsverkopen niet meer te identificeren voor btw-doeleinden in iedere lidstaat waar hij zulke leveringen verricht en kan hij via één aangifte de btw voldoen die hij verschuldigd is in verschillende lidstaten (zie Boekwerk VI: Specifieke topics - Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 10’).
De btw-regeling voor de intracommunautaire afstandsverkopen wordt uitgebreid besproken in punt 5 van de circulaire 2021/C/72 van 27.07.2021 betreffende de btw-regeling voor grensoverschrijdende e-commerceactiviteiten tussen ondernemingen en consumenten (nr. E.T. 138.049).
B. Definitie
Artikel 1, § 19, van het Btw-Wetboek definieert 'intracommunautaire afstandsverkopen van goederen' als leveringen van goederen die worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van de leverancier, ook wanneer de leverancier indirect tussenkomt bij het vervoer of de verzending van de goederen, vanuit een andere lidstaat dan die van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
•de levering van goederen wordt verricht voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon van wie de intracommunautaire verwervingen van goederen krachtens artikel 3, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, niet aan de belasting zijn onderworpen, of voor enige andere niet-belastingplichtige
•de geleverde goederen zijn geen nieuwe vervoermiddelen bedoeld in artikel 8bis, § 2, noch goederen, geleverd na montage of installatie, door of voor rekening van de leverancier, met of zonder beproeven van de geïnstalleerde of gemonteerde goederen.
Hieronder wordt de definitie meer in detail besproken.
a. Hoedanigheid van de afnemer
Er kan slechts sprake zijn van een intracommunautaire afstandsverkoop wanneer de afnemer behoort tot één van de volgende drie categorieën:
a.1. Particulieren
De categorie 'andere niet-belastingplichtigen' omvat de particulieren.
a.2. Belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen (groep van vier) die hun intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan accijnsproducten en nieuwe vervoermiddelen niet aan de btw moeten onderwerpen
Deze categorie betreft de belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen, de groep van vier, die hun intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan accijnsproducten en nieuwe vervoermiddelen niet aan de btw moeten onderwerpen overeenkomstig artikel 3, lid 1, b) en leden 2 en 3, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd en (in België) artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek.
Voor een definitie van de groep van vier wordt verwezen naar ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 2, titel 1, rubriek C’.
Leden van de groep van vier moeten hun intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan accijnsproducten en nieuwe vervoermiddelen niet aan de btw onderwerpen wanneer zij:
•de door hun lidstaat bepaalde drempel (in België bedraagt de drempel 11.200 euro) niet hebben overschreden gedurende het vorige kalenderjaar of niet overschrijden en niet hebben overschreden gedurende het lopende kalenderjaar , en
•in hun lidstaat niet hebben geopteerd om hun intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan accijnsproducten en nieuwe vervoermiddelen aan de btw te onderwerpen.
Leden van de groep van vier die die bovenstaande drempel niet hebben overschreden en niet hebben geopteerd, delen hun Belgisch btw-identificatienummer niet mee aan de leverancier in het kader van hun intracommunautaire verwervingen van goederen.
Er wordt opgemerkt dat de intracommunautaire verwervingen van accijnsproducten (zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, en artikel 1, § 6, 4°, van het Btw-Wetboek) door een lid van de groep van vier altijd aan de btw is onderworpen, zonder dat er sprake is van een drempel.
Wanneer de afnemer een lid van de groep van vier is, valt de levering van accijnsproducten bijgevolg nooit onder de definitie van intracommunautaire afstandsverkoop.
a.3. Belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon, voor zover de levering zou worden vrijgesteld in de lidstaat van verwerving op grond van artikel 148 of 151, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd (in België artikel 42, §§ 1, 2 en 3, eerste lid, 1° tot 8°, van het Btw-Wetboek)
Deze categorie betreft belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen, maar dan enkel voor zover de intracommunautaire verwerving van de goederen in de lidstaat van aankomst niet belastbaar zou zijn op basis van artikel 3, lid 1, a), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd en (in België) artikel 25ter, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek omdat de levering in de lidstaat van aankomst zou worden vrijgesteld door artikel 148 of 151, van de richtlijn 2006/112/EG en (in België) artikel 42, §§ 1, 2 en 3, 1° tot 8°, van het Btw-Wetboek.
Deze categorie omvat onder meer de diplomatieke en consulaire betrekkingen, internationale instellingen, EU, NAVO zoals opgesomd in artikel 151, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd en (in België) artikel 42, § 3, 1° tot 8°, van het Btw-Wetboek. De intracommunautaire verwervingen van goederen die zij verrichten worden niet aan de btw onderworpen krachtens artikel 3, lid 1, a), van de richtlijn 2006/112/EG en (in België) artikel 25ter, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek.
b. Bedoelde goederen
De definitie van intracommunautaire afstandsverkopen beoogt alle lichamelijk roerende goederen met uitzondering van:
b.1. Nieuwe vervoermiddelen
De intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel wordt altijd aan de btw onderworpen in de lidstaat van aankomst, ongeacht de hoedanigheid van de afnemer (belastingplichtig-indiener, lid van de groep van vier, particulier…). De levering vindt steeds plaats in de lidstaat van vertrek (ongeacht of het vervoer of de verzending gebeurt door of voor rekening van de leverancier of de afnemer) en wordt vrijgesteld (als alle voorwaarden voldaan zijn). Daarom vallen nieuwe vervoermiddelen buiten de definitie van intracommunautaire afstandsverkopen.
Voor de definitie van nieuw vervoermiddel wordt verwezen naar ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 2, titel 1, rubriek F’.
b.2. Goederen met montage of installatie door of voor rekening van de leverancier
Wanneer het goed wordt verzonden of vervoerd van een lidstaat naar een andere lidstaat en door of voor rekening van de leverancier wordt geïnstalleerd of gemonteerd, wordt als plaats van de levering aangemerkt de lidstaat waar de installatie of de montage plaatsvindt (zie artikel 36, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, en artikel 14, § 3, van het Btw-Wetboek).
Daarom vallen dergelijke leveringen van goederen buiten de definitie van intracommunautaire afstandsverkopen.
b.3. Leveringen van gas via een aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net op het grondgebied van de gemeenschap, van elektriciteit of van warmte of koude via warmte- of koudenetten
De goederen die onder de regeling inzake de leveringen van gas via een op het grondgebied van de gemeenschap gesitueerd aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net, levering van elektriciteit of levering van warmte of koude via warmte- of koudenetten, worden niet beoogd (zie artikel 38 en 39, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, en artikel 14bis van het Btw-Wetboek).
b.4. Accijnsproducten wanneer de afnemer een lid van de groep van vier is.
Er wordt in dit verband verwezen naar punt a.2. hiervoor.
Voor een definitie van accijnsproducten wordt verwezen naar ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 2, titel 1, rubriek E’.
Accijnsproducten (zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, en artikel 1, § 6, 4°, van het Btw-Wetboek) worden niet uitdrukkelijk vermeld in de definitie van intracommunautaire afstandsverkopen.
Nochtans kan de levering van accijnsproducten nooit onder de definitie van intracommunautaire afstandsverkopen vallen, wanneer de afnemer een lid van de groep van vier is.
Het immers zo dat de intracommunautaire verwervingen van accijnsproducten door leden van de groep van vier altijd aan de btw zijn onderworpen, zonder dat er sprake is van een verwervingsdrempel in hoofde van de afnemer (zie artikel 3, lid 1, b), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, en artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek).
De leverancier verricht dan een intracommunautaire levering die plaatsvindt in de lidstaat van vertrek van de goederen en die daar kan worden vrijgesteld als alle voorwaarden zijn voldaan (zie artikel 138, lid 1 en lid 2, b), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, en artikel 39bis, eerste lid, 1° en 3°, van het Btw-Wetboek).
Daarentegen, wanneer de afnemer een particulier (zie punt a.1. hiervoor) is of een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon, voor zover de levering in kwestie in de lidstaat van verwerving zou worden vrijgesteld krachtens artikelen 148 of 151, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd (zie punt a.3. hiervoor), valt de levering van accijnsproducten wel degelijk binnen het begrip intracommunautaire afstandsverkopen als de voorwaarden inzake vervoer zoals vermeld onder subrubriek c vervuld zijn.
c. Vervoer van de goederen
Er is slechts sprake van een intracommunautaire afstandsverkoop wanneer de goederen worden vervoerd of verzonden:
•vanuit een lidstaat naar een andere lidstaat
•door of voor rekening van de leverancier, ook wanneer de leverancier indirect tussenkomt bij het vervoer of de verzending van de goederen.
De goederen worden geacht te zijn verzonden of vervoerd door of voor rekening van de leverancier, inclusief wanneer de leverancier indirect een rol speelt in de verzending of het vervoer van de goederen, met name in de volgende gevallen, wanneer:
•de verzending of het vervoer van de goederen door de leverancier wordt uitbesteed aan een derde die de goederen aflevert bij de afnemer
•de verzending of het vervoer van de goederen door een derde wordt verricht, maar de leverancier hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk verantwoordelijk is voor de aflevering van de goederen bij de afnemer
•de leverancier de vervoerskosten factureert en int bij de afnemer en de afnemer voorts doorverwijst naar een derde die de verzending of het vervoer van de goederen zal uitvoeren
•de leverancier op welke manier ook de leveringsdiensten van een derde promoot, de afnemer en een derde met elkaar in contact brengt of anderszins de informatie die nodig is voor de aflevering van de goederen aan de afnemer verstrekt aan een derde (zie artikel 5bis, eerste lid, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).
De goederen worden echter niet beschouwd als verzonden of vervoerd door of voor rekening van de leverancier indien de afnemer:
•de goederen zelf vervoert of,
•de aflevering van de goederen regelt met een derde en de leverancier niet direct of indirect intervenieert om de verzending of het vervoer van die goederen te verrichten of te helpen organiseren (zie artikel 5bis, tweede lid, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).
C. Elektronische interface als gelijkgestelde leverancier bij intracommunautaire afstandsverkopen (artikel 13bis, § 2, van het Btw-Wetboek)
a. Algemene opmerkingen
Afstandsverkopen worden vaak gefaciliteerd door elektronische interfaces, zoals een marktplaats, platform, portaal, of soortgelijke middel. Daarbij wordt bovendien vaak gebruik gemaakt van regelingen voor fulfilment warehousing (opslag van goederen en verwerking van de bestellingen).
Deze elektronische interfaces brengen dus een veelheid aan verkopers samen, die al dan niet op het grondgebied van de gemeenschap gevestigd zijn. Belastingplichtigen die niet in de gemeenschap gevestigd zijn, zijn niet noodzakelijk op de hoogte van de verplichtingen die op grond van de Europese btw-reglementering op hen van toepassing zijn. Bovendien is de invordering van de bedragen die zij verschuldigd zijn bijzonder complex.
Om een efficiëntere invordering van de btw mogelijk te maken die verschuldigd is op handelingen van belastingplichtigen verricht op het grondgebied van de gemeenschap, om oneerlijke concurrentie tussen verkopers die binnen en buiten de gemeenschap gevestigd zijn te verminderen en om de administratieve lasten te verminderen voor de verkopers, de belastingdiensten en de consumenten, werd het noodzakelijk geacht om belastingplichtigen die afstandsverkopen van goederen vergemakkelijken door het gebruik van een elektronische interface, te betrekken bij de inning van de btw over deze verkopen.
Daarom werd beslist dat dergelijke belastingplichtigen voor de toepassing van de btw, onder bepaalde voorwaarden, geacht worden de goederen die worden verkocht via hun elektronische interface zelf te hebben aangekocht bij de leverancier en vervolgens zelf te hebben doorverkocht aan de eindklanten.
Voor wat betreft de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen wordt deze doelstelling gerealiseerd door het onweerlegbaar wettelijk vermoeden van artikel 13bis, § 2, van het Btw-Wetboek:
'Indien een belastingplichtige via het gebruik van een elektronische interface, zoals een marktplaats, platform, portaal of soortgelijk middel, de levering van goederen binnen de gemeenschap door een niet in de gemeenschap gevestigde belastingplichtige aan een niet-belastingplichtige, faciliteert, wordt de belastingplichtige die de levering faciliteert geacht die goederen zelf te hebben ontvangen en geleverd.'
Opmerking:
De administratie is van oordeel dat artikel 13bis, § 2, van het Btw-Wetboek niet van toepassing is op een levering van goederen, die wordt verricht via een belastingplichtige elektronische interface aan een niet-belastingplichtige, wanneer die elektronische interface schuldenaar is van de op die levering verschuldigde btw omdat:
•de belastingplichtige onderliggende leverancier de goederen levert in de zin van artikel 10, § 1, van het Btw- Wetboek aan de elektronische interface en laatstgenoemde op zijn beurt de goederen levert in de zin van artikel 10, § 1, van het Btw-Wetboek aan de niet- belastingplichtige, of
•de elektronische interface in het kader van de levering van de desbetreffende goederen aan de niet-belastingplichtige afnemer handelt als commissionair in de zin van artikel 13, § 1, van het Btw-Wetboek, dit wil zeggen in eigen naam maar voor rekening van een lastgever.
Artikel 13bis, § 2, van het Btw-Wetboek heeft immers tot doel om ervoor te zorgen dat de btw over de levering van goederen die via de elektronische interface wordt verricht, wordt afgedragen door de elektronische interface, hetgeen niet nodig is wanneer de elektronische interface reeds schuldenaar is van de btw omdat hij de goederen in kwestie zelf aankoopt en levert in de zin van artikel 10, § 1, van het Btw-Wetboek of omdat hij met betrekking tot die transactie handelt als een commissionair in de zin van artikel 13, § 1, van het Btw-Wetboek.
In dat geval zal de levering door de onderliggende leverancier aan de elektronische interface niet vrijgesteld zijn door artikel 39ter van het Btw-Wetboek.
b. Bedoelde leveranciers
Opdat het vermoeden van artikel 13bis, § 2, van het Btw-Wetboek van toepassing kan zijn, is vereist dat de onderliggende leverancier van de goederen een belastingplichtige is die niet gevestigd is binnen de gemeenschap.
Het feit dat de onderliggende leverancier niet in de gemeenschap is gevestigd, maar wel in één of meerdere lidstaten geïdentificeerd is voor btw-doeleinden, vormt op zich geen beletsel.
c. Bedoelde elektronische interfaces
Voor het begrip 'elektronische interface' in de wettekst van artikel 13bis, van het Btw-Wetboek wordt mutatis mutandis verwezen naar hetgeen in titel 3, rubriek I, subrubriek c, punt c.3 hiervoor is uiteengezet.
d. Het begrip 'faciliteren'
Voor het begrip 'faciliteren' in de wettekst van artikel 13bis, van het Btw-Wetboek wordt mutatis mutandis verwezen naar hetgeen in titel 3, rubriek I, subrubriek c, punt c.4 hiervoor is uiteengezet.
e. Bedoelde leveringen
Het vermoeden van artikel 13bis, § 2, van het Btw-Wetboek kan pas van toepassing zijn als het gaat om een levering van goederen binnen de gemeenschap.
Hiermee worden bedoeld:
•leveringen van goederen met of zonder vervoer waarbij de goederen de lidstaat waarin zich bevinden niet verlaten (zogenoemde nationale leveringen)
•leveringen van goederen met vervoer door de leverancier, door de afnemer of door een derde, waarbij de goederen worden vervoerd of verzonden van een lidstaat naar een andere lidstaat.
Intracommunautaire afstandsverkopen vallen onder de tweede categorie.
f. Bedoelde afnemers
Opdat het vermoeden van artikel 13bis, § 2, van het Btw-Wetboek van toepassing kan zijn, is vereist dat de afnemer een niet-belastingplichtige is.
Onder niet-belastingplichtigen worden begrepen:
•de particulieren
•de niet-belastingplichtige rechtspersonen.
Wanneer de afnemer een niet-belastingplichtige rechtspersoon is, maakt het voor de toepassing van het vermoeden van artikel 13bis, § 2, van het Btw-Wetboek niet uit of die afnemer al dan niet verplicht is om al zijn intracommunautaire verwervingen van goederen van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten aan de btw te onderwerpen.
Niettemin merken we op dat de uiteenzetting in deze titel zich focust op de toepassing van het vermoeden bij intracommunautaire afstandsverkopen. Wanneer de levering wordt verricht voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, kan er slechts sprake zijn van een intracommunautaire afstandsverkoop wanneer de afnemer een niet-belastingplichtige rechtspersoon is die zijn intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten niet aan de btw moet onderwerpen (zie artikel 3, lid, 1, b) en leden 2 en 3, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, en artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek), of wanneer hij zich bevindt in de situatie bedoeld in rubriek B, subrubriek a, punt a.3. hiervoor.
g. Weerlegbaar wettelijk vermoeden met betrekking tot het statuut van de onderliggende leverancier en de afnemer
Voor het weerlegbaar wettelijk vermoeden met betrekking tot het statuut van de onderliggende leverancier en de afnemer wordt mutatis mutandis verwezen naar hetgeen in titel 3, rubriek I, subrubriek c, punt c.6 hiervoor wordt uiteengezet.
h. Beoordeling levering per levering
Of de elektronische interface een gelijkgestelde leverancier is, moet levering per levering worden beoordeeld rekening houdend de hierboven besproken criteria.
Bijgevolg is het mogelijk dat de elektronische interface optreedt als gelijkgestelde leverancier voor bepaalde leveringen die zij faciliteert, terwijl zij voor andere leveringen niet optreedt als gelijkgestelde leverancier.
i. Werking van het vermoeden van artikel 13bis, § 2, van het Btw-Wetboek bij intracommunautaire afstandsverkopen
Wanneer een elektronische interface een intracommunautaire afstandsverkoop faciliteert in naam en voor rekening van de leverancier, vindt er op btw-vlak normaal gezien slechts één levering van goederen plaats, met name een levering tussen de leverancier en de afnemer.
De prestatie die de elektronische interface verricht, namelijk het faciliteren van de levering, is dan normaal gezien een dienst op btw-vlak.
De toepassing van het vermoeden van artikel 13bis, § 2, van het Btw-Wetboek heeft de volgende gevolgen:
i.1. Opsplitsing in twee afzonderlijke leveringen
Het vermoeden van artikel 13bis, § 2, van het Btw-Wetboek zorgt ervoor dat de levering tussen de leverancier en de afnemer op vlak van btw wordt opgesplitst in twee afzonderlijke leveringen van goederen:
•enerzijds een levering van goederen door de niet in de gemeenschap gevestigde onderliggende leverancier aan de elektronische interface
•anderzijds een levering van goederen door de elektronische interface aan de niet-belastingplichtige afnemer.
i.2. Toewijzing van het vervoer van de goederen
Artikel 14, § 6, van het Btw-Wetboek (vergelijk artikel 36ter, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd) zorgt ervoor dat het vervoer van de goederen uitsluitend wordt toegerekend aan de levering door de elektronische interface:
•de levering door de niet in de gemeenschap gevestigde leverancier aan de elektronische interface is dus een levering zonder vervoer
•de levering door de elektronische interface aan de afnemer is een levering met vervoer door of voor rekening van de elektronische interface.
i.3. Vrijstelling van de levering door de leverancier aan de elektronische interface
Door de toepassing van het vermoeden van artikel 13bis, § 2, van het Btw-Wetboek wordt de niet in de gemeenschap gevestigde leverancier geacht de goederen te hebben geleverd aan de elektronische interface.
Die levering wordt vrijgesteld (zie artikel 39ter, van het Btw-Wetboek en artikel 136bis, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).
Het betreft een oneigenlijke vrijstelling, wat betekent dat de vrijgestelde handeling recht op aftrek van de voorbelasting verleent (zie artikel 45, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek en artikel 169, b), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).
i.4. Plaats van de leveringen
De levering zonder vervoer door de niet in de gemeenschap gevestigde leverancier aan de elektronische interface, vindt plaats daar waar het goed zich bevindt op het tijdstip van de levering (artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek en artikel 31, van de richtlijn 2006/112/EG). Die plaats komt normaal gezien overeen met de lidstaat waar het vervoer van de goederen naar de afnemer aanvangt.
De plaatsbepalingsregels met betrekking tot de intracommunautaire afstandsverkoop door de elektronische interface aan de afnemer worden besproken onder rubriek D hierna.
i.5. Tijdstip van het belastbaar feit en van de opeisbaarheid van de btw
Het 'belastbare feit' is het feit waardoor de wettelijke voorwaarden worden vervuld die vereist zijn voor het opeisbaar worden van de belasting (zie artikel 1, § 12, 1°, van het Btw-Wetboek).
De 'opeisbaarheid van btw' is het recht dat de Schatkist heeft om krachtens de wet de btw vanaf een bepaald tijdstip te vorderen van de persoon die de btw moet voldoen, ook al kan de betaling daarvan worden uitgesteld (zie artikel 1, § 12, 2°, van het Btw-Wetboek). De opeisbaarheid bepaalt dus in de praktijk het aangiftetijdperk (kalendermaand, kwartaal) waarin de levering in de aangifte moet worden opgenomen.
Zowel bij de levering door de niet in de gemeenschap gevestigde leverancier aan de elektronische interface als bij de levering door de elektronische interface aan de afnemer, doen het belastbaar feit en de opeisbaarheid van btw zich voor op het tijdstip waarop de betaling is aanvaard (zie artikel 17, § 5, van het Btw-Wetboek en artikel 66bis, van de richtlijn 2006/112/EG).
Overeenkomstig artikel 41bis, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 is het tijdstip waarop de betaling aanvaard het tijdstip waarop de betalingsbevestiging, het bericht van goedkeuring van betaling of de betalingstoezegging van de afnemer wordt ontvangen door of namens de leverancier die goederen verkoopt via de elektronische interface, ongeacht wanneer de werkelijke betaling wordt uitgevoerd, afhankelijk van wat het eerst gebeurt.
i.6. Schema
i.7. Voorbeeld
Een in een derde land gevestigde belastingplichtige X (die niet in de gemeenschap is gevestigd) verkoopt via de elektronische interface van Y computers en toebehoren die vanuit lidstaat 1 worden verzonden naar particulieren in België.
Aangezien Y de levering faciliteert voor een niet in de gemeenschap gevestigde belastingplichtige, er sprake is van leveringen binnen de gemeenschap en de afnemer een niet-belastingplichtige is, is het vermoeden van artikel 13bis, § 2, van toepassing.
De leverancier wordt geacht een vrijgestelde levering zonder vervoer te verrichten aan Y die plaatsvindt in lidstaat 1.
Y wordt geacht een intracommunautaire afstandsverkoop te verrichten aan de particuliere kopers in België. Zoals we hieronder zullen zien zullen die leveringen in principe plaatsvinden in België, tenzij de afwijking voor micro-ondernemingen van toepassing zou zijn in hoofde van Y.
Beide leveringen vinden plaats op het tijdstip waarop de betaling is aanvaard. Het is op dat moment dat de btw opeisbaar wordt.
j. Beperkte aansprakelijkheid van de gelijkgestelde leverancier
Voor de beperkte aansprakelijkheid van de gelijkgestelde leverancier wordt mutatis mutandis verwezen naar hetgeen in titel 3, rubriek I, subrubriek c, punt c.9, hiervoor wordt uiteengezet.
k. Hoofdelijke aansprakelijkheid van de onderliggende leverancier
Voor de hoofdelijke aansprakelijkheid van de onderliggende leverancier wordt mutatis mutandis verwezen naar hetgeen in titel 3, rubriek I, subrubriek c, punt c.10, hiervoor wordt uiteengezet.
l. Betrokkenheid van meerdere elektronische interfaces
Voor de betrokkenheid van meerdere elektronische interfaces wordt mutatis mutandis verwezen naar hetgeen in titel 3, rubriek I, subrubriek c, punt c.11 hiervoor wordt uiteengezet.
D. Plaats van een intracommunautaire afstandsverkoop
a. De goederen worden verzonden of vervoerd vanuit een andere lidstaat naar België
a.1. Algemeen
In het algemeen worden leveringen van goederen met vervoer in principe geacht plaats te vinden in de lidstaat waar het vervoer of de verzending aanvangt (zie artikel 32, eerste lid, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd en artikel 14, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek).
Intracommunautaire afstandsverkopen van goederen worden evenwel in principe geacht plaats te vinden in de lidstaat van aankomst (in dit geval België) van het vervoer of de verzending (zie artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek en artikel 33, a), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd). Ze worden dus in de lidstaat van aankomst aan de btw onderworpen.
Er bestaan evenwel twee uitzonderingen op die regel:
•Ten eerste zijn uitgesloten de leveringen van goederen onderworpen aan de bijzondere regeling voor belastingplichtige wederverkopers bedoeld in de artikelen 312 tot 341 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd (zie artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek), ook wel de winstmargeregeling genoemd
•Ten tweede heeft de Europese wetgever ervoor gekozen om een drempel in te voeren zodat micro-ondernemingen die slechts in één lidstaat zijn gevestigd onder bepaalde voorwaarden de intracommunautaire afstandsverkopen die zij verrichten vanuit die lidstaat aan de btw kunnen onderwerpen in de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen en de telecommunicatiediensten, de radio- en televisiediensten en de langs elektronische weg verrichte diensten (TBE-diensten) die zij verrichten aan niet-belastingplichtigen die gevestigd zijn in een andere lidstaat dan de dienstverrichter kunnen onderwerpen in de lidstaat waar zij gevestigd zijn.
a.2. Afwijking voor micro-ondernemingen
a.2.1. Voorwaarden
Intracommunautaire afstandsverkopen vinden normaal gezien plaats in de lidstaat van aankomst van het vervoer of de verzending van de goederen (België).
Voor micro-ondernemingen bestaat er een afwijking.
De intracommunautaire afstandsverkoop vindt plaats in de lidstaat van vertrek van het vervoer of de verzending van de goederen, op voorwaarde dat (zie artikel 15, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek):
•de leverancier is gevestigd of, bij gebreke van een vestiging, zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft in slechts één lidstaat, andere dan België
•de goederen vanuit de lidstaat van vestiging worden verzonden naar België (wat logisch is aangezien we hier de situatie bedoelen waarbij de goederen vanuit een andere lidstaat naar België worden vervoerd of verzonden)
•de leverancier de communautaire drempel van 10.000 euro exclusief btw (of de tegenwaarde daarvan in de nationale munteenheid) bedoeld in artikel 15, § 1, tweede lid, 3°, van het Btw-Wetboek (vergelijk artikel 59quater, lid 1, c), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd) niet heeft overschreden gedurende het vorige kalenderjaar en niet overschrijdt en niet heeft overschreden gedurende het lopende kalenderjaar, en de leverancier in de lidstaat van vestiging niet ervoor heeft geopteerd dat zijn intracommunautaire afstandsverkopen plaatsvinden in de lidstaat van aankomst en dat de telecommunicatiediensten, de radio- en televisiediensten en de elektronische diensten (TBE-diensten) die hij verricht aan niet-belastingplichtigen die gevestigd zijn in een andere lidstaat dan de dienstverrichter, plaatsvinden in de lidstaat waar de ontvanger van de dienst is gevestigd of zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft.
De afwijking voor micro-ondernemingen geldt ook voor elektronische interfaces die worden beschouwd als gelijkgestelde leveranciers (zie rubriek C hiervoor) zoals bedoeld in artikel 14bis, lid 2, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, en 13bis, § 2, van het Btw-Wetboek, voor zover alle voorwaarden voldaan zijn natuurlijk.
De afwijking voor micro-ondernemingen geldt ook voor accijnsproducten bedoeld in artikel 1, § 6, 4°, van het Btw-Wetboek, behalve wanneer de levering wordt verricht voor een lid van de groep van vier (voor zover er geen sprake is van de situatie bedoeld in rubriek B, subrubriek a, punt a.3) aangezien er in dat geval geen sprake is van een intracommunautaire afstandsverkoop. In tegenstelling tot vroeger worden de intracommunautaire afstandsverkopen van accijnsproducten naar België dus niet langer automatisch (vanaf de eerste euro) aan de btw onderworpen in België, voor zover de hierboven genoemde voorwaarden voor micro-ondernemingen vervuld zijn.
Wanneer in de loop van een kalenderjaar de communautaire drempel wordt overschreden door een bepaalde intracommunautaire afstandsverkoop naar België, dan wordt deze in zijn geheel geacht plaats te vinden in België.
Het toepassingsgebied van de drempel (de afwijking voor micro-ondernemingen), is dus veel kleiner dan onder de oude regeling van verkopen op afstand, want:
•de nieuwe drempel houdt ook rekening met TBE-diensten die worden verricht aan niet-belastingplichtigen die gevestigd zijn in een andere lidstaat dan de dienstverrichter
•de nieuwe drempel houdt rekening met alle intracommunautaire afstandsverkopen die worden verricht vanuit de lidstaat van vestiging (de drempel wordt niet langer individueel per lidstaat van aankomst berekend)
•het bedrag van de nieuwe drempel van 10.000 euro is lager dan de drempelbedragen van vroeger
•de afwijking is niet van toepassing wanneer de leverancier in meerdere lidstaten is gevestigd of wanneer hij niet in de gemeenschap is gevestigd
•de afwijking is niet van toepassing op intracommunautaire afstandsverkopen die worden verricht vanuit andere lidstaten dan de lidstaat van vestiging (zie punt c.4. hierna).
a.2.2. Communautaire drempel van 10.000 euro
Om te bepalen of de communautaire drempel van 10.000 euro (of de tegenwaarde daarvan in de nationale munteenheid) in een bepaald kalenderjaar wordt overschreden, moet de leverancier rekening houden met het totale bedrag, exclusief btw, van de:
•telecommunicatiediensten, de radio- en televisiediensten en de langs elektronische weg verrichte diensten (TBE-diensten) die worden verleend aan niet-belastingplichtigen die gevestigd zijn in een andere lidstaat dan de dienstverrichter (zie artikel 21bis, § 2, 9°, tweede lid, b), van het Btw-Wetboek), en
•intracommunautaire afstandsverkopen van goederen (inclusief accijnsproducten) vanuit de lidstaat waar de leverancier is gevestigd (of bij gebreke daarvan zijn woonplaats of gebruikelijk verblijfplaats heeft) naar andere lidstaten (artikel 15, § 1, tweede lid, 3°, van het Btw-Wetboek, vergelijk artikel 59quater, lid 1, c), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd). In dit verband wordt verwezen naar het tweede richtsnoer van het 118e btw-comité van 19.04.2021 (Document D – taxud.c.1(2021)8354974 – 1021) dat stelt dat voor de berekening van de drempel van 10.000 euro enkel rekening mag worden gehouden met afstandsverkopen van de lidstaat van vestiging. Er zal daarom geen rekening worden gehouden met afstandsverkopen vanuit een andere lidstaat waar de leverancier een voorraad aanhoudt in de mate dat die voorraad niet wordt beschouwd als een vaste inrichting.
Er wordt dus niet alleen rekening gehouden met alle intracommunautaire afstandsverkopen vanuit de lidstaat van vestiging naar andere lidstaten, maar ook met de hierboven bedoelde TBE-diensten. Het betreft dus een globale en communautaire drempel.
Wat de diensten betreft, wordt benadrukt dat enkel de hierboven bedoelde TBE-diensten moeten worden opgenomen in de berekening van de drempel. Er moet dus geen rekening worden gehouden met andere diensten die voor afnemers binnen de Gemeenschap worden verricht.
Om te bepalen of de communautaire drempel van 10.000 euro is overschreden moet er (in tegenstelling tot voorheen) ook rekening worden gehouden met de intracommunautaire afstandsverkopen van accijnsproducten zoals bedoeld in artikel 1, § 6, 4°, van het Btw-Wetboek (we herinneren eraan dat leveringen van accijnsproducten aan leden van de groep van vier - met uitzondering van belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen die zich in de situatie van rubriek B, subrubriek a, punt a.3. bevinden - niet binnen het begrip intracommunautaire afstandsverkopen vallen, zie rubriek B, subrubriek b, punt b.4. hiervoor).
a.2.3. Optie
Wanneer de belastingplichtige leverancier in de lidstaat van vestiging heeft gekozen dat:
•de door hem verrichte intracommunautaire afstandsverkopen plaatsvinden in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen, of
•de plaats van de TBE-diensten bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek wordt bepaald overeenkomstig punt b) van die bepaling,
dan is de communautaire drempel niet van toepassing en worden zijn intracommunautaire afstandsverkopen naar België aan de btw onderworpen in België (zie artikel 15, § 1, vierde lid, van het Btw-Wetboek en artikel 59quater, lid 3, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).
a.2.4. Overgang van de oude naar de nieuwe regels inzake drempel en optie
Tot en met 30.06.2021 gelden de oude regels inzake verkopen op afstand. Als de belastingplichtige leverancier de Belgische drempel van 35.000 euro voor verkopen op afstand naar België niet heeft overschreden gedurende het kalenderjaar 2020 en de eerste zes maanden van 2021, en niet heeft geopteerd om zijn verkopen op afstand in België aan de btw te onderwerpen, geldt tot en met 30.06.2021 dat de leveringen van andere goederen dan accijnsproducten (die in aanmerking komen voor de oude regeling verkopen op afstand) plaatsvinden in de lidstaat van vertrek van de goederen en niet in België.
Vanaf 01.07.2021 geldt evenwel de nieuwe drempel die rekening houdt met meer handelingen (ook TBE-diensten die worden verricht aan niet-belastingplichtigen die gevestigd zijn in een andere lidstaat dan de dienstverrichter), communautair wordt geëvalueerd, lager is in bedrag (10.000 euro), enkel geldt als de leverancier in één lidstaat is gevestigd en enkel geldt voor intracommunautaire afstandsverkopen die vanuit de lidstaat van vestiging worden verricht. Het betreft dus een aanzienlijke inperking van de mogelijkheid om de levering aan de btw te onderwerpen in de lidstaat van vertrek van de goederen.
Het kan dus zijn dat de intracommunautaire afstandsverkopen op het moment van de inwerkingtreding van de nieuwe regels op 01.07.2021 onmiddellijk plaatsvinden in de lidstaat van aankomst van het vervoer of de verzending van de goederen (daar waar dat vroeger misschien niet het geval was), bijvoorbeeld omdat de nieuwe drempel van 10.000 euro op die datum reeds overschreden blijkt te zijn gedurende de eerste helft van 2021 of gedurende 2020.
Iedere onderneming moet dus een evaluatie moeten maken of zij op 01.07.2021 in aanmerking komt voor de afwijking voor micro-ondernemingen (zie punt a.2.1. hiervoor). Zo nee, dan zullen de door de onderneming verrichte intracommunautaire afstandsverkopen naar België onmiddellijk bij de inwerkingtreding van de nieuwe regels (dus vanaf 01.07.2021) plaatsvinden in België.
Als de leverancier vóór 01.07.2021 overeenkomstig artikel 15, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek (zoals van kracht tot en met 30.06.2021), had geopteerd om zijn verkopen op afstand naar België te laten plaatsvinden in België, vervalt deze optie met de inwerkingtreding van de nieuwe regels op 01.07.2021.
Indien de voorwaarden voor de afwijking voor micro-ondernemingen (zie punt a.2.1. hiervoor) zijn vervuld, maar hij toch zijn intracommunautaire afstandsverkopen naar België wil blijven onderwerpen aan de Belgische btw, zal hij in de lidstaat van vertrek van de goederen (lidstaat van vestiging) de optie van artikel 15, § 1, vierde lid, van het Btw-Wetboek en artikel 59quater, lid 3, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, moeten uitoefenen.
b. De goederen worden verzonden van België naar een andere lidstaat
b.1. Algemeen
In het algemeen worden leveringen van goederen met vervoer in principe geacht plaats te vinden in de lidstaat waar het vervoer of de verzending aanvangt (in dit geval België) (z. artikel 32, eerste lid, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd en artikel 14, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek).
Intracommunautaire afstandsverkopen van goederen worden evenwel in principe geacht plaats te vinden in de lidstaat van aankomst van het vervoer of de verzending (zie artikel 15, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek en artikel 33, a), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).
Er bestaan evenwel twee uitzonderingen op die regel:
•ten eerste zijn uitgesloten de leveringen van goederen onderworpen aan de bijzondere regeling voor belastingplichtige wederverkopers bedoeld in artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek, ook wel de winstmargeregeling genoemd
•ten tweede heeft de Europese wetgever ervoor gekozen om een drempel in te voeren zodat micro-ondernemingen die slechts in één lidstaat zijn gevestigd onder bepaalde voorwaarden de intracommunautaire afstandsverkopen die zij verrichten vanuit die lidstaat aan de btw kunnen onderwerpen in de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen en de telecommunicatiediensten, de radio- en televisiediensten en de langs elektronische weg verrichte diensten (TBE-diensten) die zij verrichten aan niet-belastingplichtigen die gevestigd zijn in een andere lidstaat dan de dienstverrichter kunnen onderwerpen in de lidstaat waar zij gevestigd zijn.
b.2. Afwijking voor micro-ondernemingen
b.2.1. Voorwaarden
Intracommunautaire afstandsverkopen vinden normaal gezien plaats in de lidstaat van aankomst van het vervoer of de verzending van de goederen.
Voor micro-ondernemingen bestaat er een afwijking.
De intracommunautaire afstandsverkoop vindt plaats in België, op voorwaarde dat (zie artikel 15, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek):
•de leverancier uitsluitend in België is gevestigd of, bij gebreke van een vestiging, zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats uitsluitend in België heeft
•de goederen worden verzonden vanuit België naar een andere lidstaat dan die waar de leverancier gevestigd is
•de leverancier de communautaire drempel van 10.000 euro exclusief btw (of de tegenwaarde daarvan in de nationale munteenheid) bedoeld in artikel 15, § 1, tweede lid, 3°, van het Btw-Wetboek (vergelijk artikel 59quater, lid 1, c), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd) niet heeft overschreden gedurende het vorige kalenderjaar en niet overschrijdt en niet heeft overschreden gedurende het lopende kalenderjaar, en de leverancier in de lidstaat van vestiging niet ervoor heeft geopteerd dat zijn intracommunautaire afstandsverkopen plaatsvinden in de lidstaat van aankomst en dat de telecommunicatiediensten, de radio- en televisiediensten en de elektronische diensten (TBE-diensten) die hij verricht aan niet-belastingplichtigen die gevestigd zijn in een andere lidstaat dan de dienstverrichter, plaatsvinden in de lidstaat waar de ontvanger van de dienst is gevestigd of zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft.
De afwijking voor micro-ondernemingen geldt ook voor elektronische interfaces die worden beschouwd als gelijkgestelde leveranciers (zie rubriek C hiervoor) zoals bedoeld in artikel 14bis, lid 2, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd en 13bis, § 2, van het Btw-Wetboek voor zover alle voorwaarden voldaan zijn natuurlijk.
De afwijking voor micro-ondernemingen geldt ook voor accijnsproducten bedoeld in artikel 1, § 6, 4°, van het Btw-Wetboek, behalve wanneer de levering wordt verricht voor een lid van de groep van vier (voor zover er geen sprake is van de situatie bedoeld in rubriek B, subrubriek a, punt a.3 hiervoor) aangezien er in dat geval geen sprake is van een intracommunautaire afstandsverkoop. In tegenstelling tot vroeger worden de intracommunautaire afstandsverkopen van accijnsproducten vanuit België naar een andere lidstaat dus niet langer automatisch (vanaf de eerste euro) aan de btw onderworpen in de lidstaat van aankomst, voor zover de hierboven genoemde voorwaarden voor micro-ondernemingen vervuld zijn.
Wanneer in de loop van een kalenderjaar de communautaire drempel wordt overschreden door een bepaalde intracommunautaire afstandsverkoop, dan wordt deze in zijn geheel geacht plaats te vinden in lidstaat van aankomst van de goederen en dus niet in België.
Het toepassingsgebied van de drempel (de afwijking voor micro-ondernemingen), is dus veel kleiner dan onder de oude regeling van verkopen op afstand, want:
•de nieuwe drempel houdt ook rekening met TBE-diensten die worden verricht aan niet-belastingplichtigen die gevestigd zijn in een andere lidstaat dan de dienstverrichter
•de nieuwe drempel houdt rekening met alle intracommunautaire afstandsverkopen die worden verricht vanuit België (de drempel wordt niet langer individueel per lidstaat van aankomst berekend)
•het bedrag van de nieuwe drempel van 10.000 euro is lager dan de drempelbedragen van vroeger
•de afwijking is niet van toepassing wanneer de leverancier in meerdere lidstaten is gevestigd of wanneer hij niet in de gemeenschap is gevestigd
•de afwijking is niet van toepassing op intracommunautaire afstandsverkopen die worden verricht vanuit andere lidstaten dan België (zie punt c.4. hierna).
b.2.2. Communautaire drempel van 10.000 euro
Berekening
Om te bepalen of de communautaire drempel van 10.000 euro (of de tegenwaarde daarvan in de nationale munteenheid) in een bepaald kalenderjaar wordt overschreden, moet de leverancier rekening houden met het totale bedrag, exclusief btw, van de:
•telecommunicatiediensten, de radio- en televisiediensten en de langs elektronische weg verrichte diensten (TBE-diensten) die worden verleend aan niet-belastingplichtigen die gevestigd zijn in een andere lidstaat dan de dienstverrichter (zie artikel 21bis, § 2, 9°, tweede lid, b), van het Btw-Wetboek), en
•intracommunautaire afstandsverkopen van goederen (inclusief accijnsproducten) vanuit België naar andere lidstaten (artikel 15, § 2, tweede lid, 3°, van het Btw-Wetboek, vergelijk artikel 59quater, lid 1, c), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd). In dit verband wordt verwezen naar het tweede richtsnoer van het 118e btw-comité van 19.04.2021 (Document D – taxud.c.1(2021)8354974 – 1021) dat stelt dat voor de berekening van de drempel van 10.000 euro enkel rekening mag worden gehouden met afstandsverkopen van de lidstaat van vestiging. Er zal daarom geen rekening worden gehouden met afstandsverkopen vanuit een andere lidstaat waar de leverancier een voorraad aanhoudt, in de mate dat die voorraad niet wordt beschouwd als een vaste inrichting.
Er wordt dus niet alleen rekening gehouden met alle intracommunautaire afstandsverkopen vanuit België naar andere lidstaten, maar ook met de hierboven bedoelde TBE-diensten. Het betreft dus een globale en communautaire drempel die voor afnemers binnen de gemeenschap worden verricht.
Voor wat de diensten betreft, wordt benadrukt dat enkel de hierboven bedoelde TBE-diensten moeten worden opgenomen in de berekening van de drempel. Er moet dus geen rekening worden gehouden met andere diensten.
Om te bepalen of de communautaire drempel van 10.000 euro is overschreden moet er ook rekening worden gehouden met de intracommunautaire afstandsverkopen vanuit België naar andere lidstaten van accijnsproducten zoals bedoeld in artikel 1, § 6, 4°, van het Btw-Wetboek (we herinneren eraan dat leveringen van accijnsproducten aan leden van de groep van vier - met uitzondering van belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen die zich in de situatie van punt rubriek B, subrubriek a, punt a.3. bevinden - niet binnen het begrip intracommunautaire afstandsverkopen vallen, zie rubriek B, subrubriek b, punt b.4. hiervoor).
Aangifte drempeloverschrijding
Iedere belastingplichtige die vanuit België intracommunautaire afstandsverkopen van goederen verricht, doet aangifte van de overschrijding van de drempel van 10.000 euro vanaf de eerste handeling, in haar geheel beschouwd, waarvoor de drempel is overschreden en van de datum vanaf wanneer die overschrijding plaatsvond (zie artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit nr. 10 van 29.12.1992, met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde):
•belastingplichtigen die gebruik willen maken van de OSS Unie-regeling (artikel 58quater, van het Btw-Wetboek), zijn gehouden de Algemene Administratie van de Fiscaliteit in kennis te stellen op het daarvoor door de minister van Financiën of zijn gemachtigde gecreëerde elektronische adres (oss@minfin.fed.be)
•belastingplichtigen die geen gebruik willen maken van de OSS Unie-regeling, zijn gehouden het KMO centrum van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, waaronder zij ressorteren, per aangetekende zending in kennis te stellen. Deze zending moet vermelden:
◦de naam of de maatschappelijke benaming van de belastingplichtige en het adres van zijn administratieve of maatschappelijke hoofdzetel alsook het identificatienummer dat hem door de lidstaat van identificatie werd toegekend voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde
◦de lidstaten van aankomst van de verzonden of vervoerde goederen ter bestemming waarvan de belastingplichtige zijn intracommunautaire afstandsverkopen en TBE-diensten verricht
◦de datum van de drempeloverschrijding
◦de datum alsook de naam en de hoedanigheid van de ondertekenaar.
De belastingplichtige is evenwel van die verklaring ontslagen wanneer een dergelijke verklaring in de loop van het voorafgaande kalenderjaar werd ingediend of wanneer hij in de loop van één van de twee voorafgaande kalenderjaren of in het lopende kalenderjaar de optie bedoeld in punt b.2.3. heeft uitgeoefend.
b.2.3. Optie
De in België gevestigde belastingplichtige (leverancier) die voldoet aan de voorwaarden voor de afwijking voor micro-ondernemingen, maar hiervan geen gebruik wenst te maken, kan in België ervoor kiezen (verder optie genoemd) dat zijn intracommunautaire afstandsverkopen plaatsvinden in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen (zie artikel 15, § 2, vierde lid, van het Btw-Wetboek en artikel 59quater, lid 3, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).
Onweerlegbaar wettelijk vermoeden van optie voor belastingplichtigen die de OSS-Unieregeling toepassen (artikel 7, § 1, van koninklijk besluit nr. 10, voornoemd):
Belastingplichtigen die gebruikmaken of gebruik wensen te maken van de OSS-Unieregeling (artikel 58quater van het Btw-Wetboek), worden geacht op onweerlegbare wijze te hebben gekozen voor de plaatsbepaling van de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen in kwestie, overeenkomstig artikel 15, § 2, vierde lid, van het Btw-Wetboek.
Wanneer de belastingplichtige de OSS-Unieregeling nog niet toepast, gaat de optie in op de eerste dag waarop de belastingplichtige de OSS-Unieregeling mag toepassen, dat wil zeggen in beginsel, vanaf de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het verzoek om inschrijving onder die bijzondere regeling (zie artikel 57quinquies, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).
In de gevallen waarin de belastingplichtige deze bijzondere regeling reeds toepast, gaat de optie daarentegen in vanaf de eerste intracommunautaire afstandsverkoop die de belastingplichtige verricht of de eerste door de belastingplichtige verrichte TBE-dienst bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, tweede lid, b), van het Btw-Wetboek.
Als de belastingplichtige reeds vóór 01.07.2021 de bijzondere regeling (MOSS) toepast voor zijn TBE-diensten, gaat de optie in vanaf 01.07.2021.
De rechtsgevolgen van de optie nemen hoe dan ook geen einde vóór 31 december van het tweede jaar dat volgt op die data, al naargelang het geval.
De optie blijft evenwel gelden zolang de belastingplichtige gebruik blijft maken van de OSS-Unieregeling.
Aangezien het een onweerlegbaar vermoeden betreft, werd er toch in een mogelijkheid voorzien om aan het vermoeden te ontsnappen. Aldus geldt de optie niet meer wanneer de belastingplichtige beslist om niet langer gebruik te maken van de OSS-Unieregeling. In dat geval houdt de keuze onmiddellijk op uitwerking te hebben met alle gevolgen die daaruit voortvloeien voor de plaatsbepaling van de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen en de TBE-diensten (in functie van een eventuele overschrijding van de drempel van 10.000 euro tijdens het lopende of voorafgaande kalenderjaar).
Deze optie (krachtens het vermoeden) geldt eveneens om de plaats van de TBE-diensten bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, tweede lid, b), van het Btw-Wetboek te bepalen in de lidstaat waar de ontvanger is gevestigd of waar hij zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft.
Optie door belastingplichtigen die geen gebruik willen maken van de OSS-Unieregeling:
De belastingplichtigen die de optie uitoefenen, maar die geen gebruik willen maken van de OSS Unie-regeling, zijn gehouden het centrum van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, waaronder zij ressorteren, daarvan via aangetekende zending in kennis te stellen.
Deze zending moet vermelden:
•de naam of de maatschappelijke benaming van de belastingplichtige en het adres van zijn administratieve of maatschappelijke hoofdzetel alsook het identificatienummer dat hem door de lidstaat van identificatie werd toegekend voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde
•de lidstaten van aankomst van de verzonden of vervoerde goederen ter bestemming waarvan de belastingplichtige zijn intracommunautaire afstandsverkopen en TBE-diensten verricht
•de datum alsook de naam en de hoedanigheid van de ondertekenaar van de brief.
De optie gaat in op de datum van de aangetekende zending en geldt tot 31 december van het tweede jaar dat op die datum volgt.
Deze optie geldt eveneens om de plaats van de diensten bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, tweede lid, b), van het Btw-Wetboek te bepalen in de lidstaat waar de ontvanger van de dienst is gevestigd of waar hij zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft.
Gevolgen voor de intracommunautaire afstandsverkopen wanneer de belastingplichtige de optie voor TBE-diensten heeft uitgeoefend
De afwijking voor micro-ondernemingen is evenmin van toepassing, wanneer de belastingplichtige in België ervoor heeft gekozen of geacht wordt te hebben gekozen dat de plaats van de TBE-diensten bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek wordt bepaald overeenkomstig punt b) van die bepaling (zie artikel 21bis, § 2, 9°, vierde lid, van het Btw-Wetboek en artikel 7ter, van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd). De optie inzake TBE-diensten geldt dus ook voor de intracommunautaire afstandsverkopen.
b.2.4. Overgang van de oude naar de nieuwe regels inzake drempel en optie
Tot en met 30.06.2021 gelden de oude regels inzake verkopen op afstand. Als de belastingplichtige leverancier de drempel van de lidstaat van bestemming voor verkopen op afstand niet heeft overschreden gedurende het kalenderjaar 2020 en de eerste zes maanden van 2021 en niet in België heeft geopteerd om zijn verkopen op afstand in die lidstaat aan de btw te onderwerpen, geldt tot en met 30.06.2021 dat de leveringen van andere goederen dan accijnsproducten, die in aanmerking komen voor de oude regeling verkopen op afstand, plaatsvinden in België.
Vanaf 01.07.2021 geldt evenwel de nieuwe drempel die rekening houdt met meer handelingen (ook TBE-diensten die worden verricht aan niet-belastingplichtigen die gevestigd zijn in een andere lidstaat dan de dienstverrichter), communautair wordt geëvalueerd, lager is in bedrag (10.000 euro), enkel geldt als de leverancier in één lidstaat is gevestigd en enkel geldt voor de intracommunautaire afstandsverkopen die vanuit die lidstaat worden verricht. Het betreft dus een aanzienlijke inperking van de mogelijkheid om de levering aan de btw te onderwerpen in de lidstaat van vertrek van de goederen.
Het kan dus zijn dat de intracommunautaire afstandsverkopen op het moment van de inwerkingtreding van de nieuwe regels op 01.07.2021 onmiddellijk plaatsvinden in de lidstaat van aankomst van het vervoer of de verzending van de goederen, bijvoorbeeld omdat de nieuwe drempel van 10.000 euro op die datum reeds overschreden blijkt te zijn gedurende de eerste helft van 2021 of gedurende 2020.
Bij de inwerkingtreding van de nieuwe regels zal iedere onderneming dus een evaluatie moeten maken of zij op 01.07.2021 in aanmerking komt voor de afwijking voor micro-ondernemingen (zie punt b.2.1. hiervoor). Zo nee, dan zullen de door de onderneming verrichte intracommunautaire afstandsverkopen vanuit België onmiddellijk bij de inwerkingtreding van de nieuwe regels (dus vanaf 01.07.2021) plaatsvinden in de lidstaat van aankomst van de goederen.
Als de leverancier vóór 01.07.2021 overeenkomstig artikel 15, § 2, tweede lid, b), van het Btw-Wetboek (zoals van kracht tot en met 30.06.2021), had geopteerd om zijn verkopen op afstand vanuit België te laten plaatsvinden in de lidstaat van aankomst van de goederen, vervalt deze optie met de inwerkingtreding van de nieuwe regels op 01.07.2021.
Indien de voorwaarden voor de afwijking voor micro-ondernemingen (zie punt b.2.1. hiervoor) zijn vervuld, maar hij toch zijn intracommunautaire afstandsverkopen wil blijven onderwerpen aan de btw van de lidstaat van aankomst van de goederen, zal hij in België de optie van artikel 15, § 2, vierde lid van het Btw-Wetboek en artikel 59quater, lid 3, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, moeten uitoefenen (zie punt b.2.3. hiervoor). Het is natuurlijk ook mogelijk dat het onweerlijkbaar wettelijk vermoeden van optie van artikel 7, § 1, of 7ter, § 1, van koninklijk besluit nr. 10, voornoemd, van toepassing is, omwille van de toepassing van de OSS-unieregeling. In dit verband wordt trouwens opgemerkt dat wanneer de belastingplichtige al vóór 01.07.2021 de bijzondere regeling (MOSS) toepast voor zijn TBE-diensten, het vermoeden van optie ingaat vanaf 01.07.2021, en het uiteraard ook geldt voor de intracommunautaire afstandsverkopen.
c. Voorbeelden
c.1. Voorbeeld 1
Een belastingplichtige X die enkel in België is gevestigd, verricht intracommunautaire afstandsverkopen van goederen vanuit zijn Belgische vestiging aan klanten in lidstaat 1 en lidstaat 2. Het totaal bedrag van zijn intracommunautaire afstandsverkopen op kalenderjaarbasis overschrijdt de drempel van 10.000 euro niet. Hij verricht geen TBE-diensten en past de OSS-Unieregeling (nog) niet toe.
De afwijking voor micro-ondernemingen is van toepassing. Bijgevolg vinden de intracommunautaire afstandsverkopen plaats in België en worden ze in België aan de btw onderworpen.
Als X toch wil dat zijn intracommunautaire afstandsverkopen plaatsvinden in de lidstaat van aankomst, kan hij de optie bedoeld in artikel 15, § 2, vierde lid, van het Btw-Wetboek uitoefenen.
Als X gebruik wil maken van de OSS-Unieregeling, dan houdt de registratie in België voor die regeling het onweerlegbaar vermoeden in dat hij de optie van artikel 15, § 2, vierde lid, van het Btw-Wetboek uitoefent. De keuze gaat dan in op de eerste dag waarop de belastingplichtige de OSS-Unieregeling mag toepassen, dat wil zeggen in beginsel, vanaf de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het verzoek om inschrijving onder die bijzondere regeling. De rechtsgevolgen van de optie nemen hoe dan ook geen einde vóór 31 december van het tweede jaar dat volgt op die data, al naargelang het geval. De optie blijft evenwel gelden zolang de belastingplichtige gebruik blijft maken van die bijzondere regeling. X doet de aangifte en de betaling van de btw die hij verschuldigd is in lidstaat 1 en 2 via het Belgische OSS-portaal.
Als X ervoor kiest om geen gebruik te maken van de OSS-unieregeling, is hij gehouden het centrum van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, waaronder hij ressorteert, daarvan via aangetekende zending in kennis te stellen. De optie gaat in op de datum van de aangetekende zending en geldt tot 31 december van het tweede jaar dat op die datum volgt. Hij zal dan verplicht zijn om zich in lidstaat 1 en lidstaat 2 te identificeren voor btw-doeleinden en daar de intracommunautaire afstandsverkopen aan te geven en de btw te voldoen.
c.2. Voorbeeld 2
Y is een belastingplichtige die enkel in lidstaat 1 is gevestigd en intracommunautaire afstandsverkopen verricht vanuit lidstaat 1 naar België en lidstaat 2.
Het totale bedrag aan intracommunautaire afstandsverkopen naar België bedroeg in 2020 3.500 euro (exclusief btw) en in de eerste zes maanden van 2021 8.000 euro.
Het totale bedrag aan intracommunautaire afstandsverkopen naar lidstaat 2 bedroeg in 2020 3.000 euro (exclusief btw) en in de eerste zes maanden van 2021 4.000 euro.
Van 01.01.2021 en met 30.06.2021 moest Y zijn afstandsverkopen naar België niet in België aan de btw onderwerpen omdat hij de Belgische drempel van 35.000 euro niet had overschreden in het lopende en vorige kalenderjaar, ervan uitgaande dat hij niet heeft geopteerd voor belastingheffing in België.
Vanaf 01.07.2021 vinden de intracommunautaire afstandsverkopen naar België onmiddellijk plaats in België. De afwijking voor micro-ondernemingen van artikel 15, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek is niet van toepassing aangezien het totale bedrag aan intracommunautaire afstandsverkopen gedurende de eerste zes maanden van 2021 met een bedrag van 12.000 euro de communautaire drempel van 10.000 euro heeft overschreden.
c.3. Voorbeeld 3
Belastingplichtige A is gevestigd in België en heeft een vaste inrichting in lidstaat 1.
A verricht occasioneel intracommunautaire afstandsverkopen vanuit België zonder de drempel van 10.000 euro op kalenderjaarbasis te overschrijden.
A kan de afwijking voor micro-ondernemingen niet toepassen omdat hij in 2 lidstaten is gevestigd. Alle intracommunautaire afstandsverkopen vinden dus plaats in de lidstaat waar de goederen aankomen.
c.4. Voorbeeld 4
Belastingplichtige B is enkel in België gevestigd. B verricht intracommunautaire afstandsverkopen vanuit België naar lidstaat 1 jaarlijks voor een totaal bedrag van 4.000 euro (exclusief btw) en vanuit lidstaat 2 (zonder daar een vaste inrichting te hebben) naar lidstaat 3 jaarlijks voor een totaal bedrag van 8.000 euro (exclusief btw). We gaan er in dit voorbeeld van uit dat B niet geopteerd heeft (of geacht wordt te hebben geopteerd).
De afwijking voor micro-ondernemingen kan enkel van toepassing zijn op de intracommunautaire afstandsverkopen vanuit België omdat de leverancier daar is gevestigd. Die leveringen vinden dus plaats in België.
De afwijking voor micro-ondernemingen is niet van toepassing op de intracommunautaire afstandsverkopen vanuit lidstaat 2 naar lidstaat 3 omdat de goederen niet worden verzonden vanuit de lidstaat van vestiging. Die leveringen vinden dus plaats in lidstaat 3. Voor de berekening van de drempel van 10.000 euro moet er trouwens geen rekening worden gehouden met deze intracommunautaire afstandsverkopen.
Bovendien wordt opgemerkt dat in dit geval, waarbij B intracommunautaire afstandsverkopen van goederen verricht vanuit België voor een bedrag dat de drempel van 10.000 euro niet overschrijdt, en hij niet opteert voor belastingheffing over deze handelingen in de lidstaat van bestemming, hij geen gebruik zal kunnen maken van de OSS-Unieregeling voor de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen die hij vanuit lidstaat 2 verricht (de optie voor de OSS-Unieregeling moet immers globaal gebeuren voor alle intracommunautaire afstandsverkopen en dat is onverenigbaar met het gebruik van de drempelregel voor de intracommunautaire afstandsverkopen vanuit de lidstaat van vestiging).
Voor deze handelingen zal hij zich bijgevolg voor btw-doeleinden moeten laten identificeren in lidstaat 3, en daar aangifte moeten doen van de over deze handelingen verschuldigde btw (in de regel door middel van een periodieke aangifte) overeenkomstig de door die lidstaat vastgestelde modaliteiten.
Kiest hij er toch voor om zich in België te registreren voor de OSS-Unieregeling dan geldt het vermoeden van artikel 7, § 1, van koninklijk besluit nr. 10, voornoemd, dat hij geopteerd heeft dat zijn intracommunautaire afstandsverkopen vanuit België plaatsvinden in de lidstaat van bestemming aan en verzaakt hij bijgevolg aan de afwijking voor micro-ondernemingen.
c.5. Voorbeeld 5
C is een belastingplichtige die enkel in lidstaat 1 is gevestigd en in 2020 vanuit lidstaat 1 intracommunautaire afstandsverkopen heeft verricht naar België voor een totaalbedrag (exclusief btw) van 5.000 euro en naar lidstaat 2 voor een totaalbedrag (exclusief btw) van 4.000 euro.
Bovendien heeft hij in 2020 voor een totaal bedrag van 20.000 euro aan TBE-diensten verricht aan een niet-belastingplichtige rechtspersoon in lidstaat 3 die in die lidstaat geen btw-nummer heeft (of zou moeten hebben).
C kan bij de inwerkingtreding van de nieuwe regels op 01.07.2021 de afwijking voor micro-ondernemingen niet toepassen omdat de drempel van 10.000 euro werd overschreden in 2020 (5.000+4.000+20.000).
c.6. Voorbeeld 6
D is een belastingplichtige die enkel in België is gevestigd (economische activiteit is gestart op 01.01.2021).
Hij verricht volgende handelingen:
Januari 2021: 1.800 euro (exclusief btw) aan TBE diensten aan particulieren in andere lidstaten (hij opteert niet dat de diensten plaatsvinden in de lidstaat van de afnemer).
Februari 2021: 3.200 euro (exclusief btw) aan intracommunautaire afstandsverkopen vanuit België naar andere lidstaten.
Augustus 2021: 2.500 euro (exclusief btw) aan TBE-diensten aan particulieren in andere lidstaten en 2.000 euro aan intracommunautaire afstandsverkopen vanuit België naar andere lidstaten.
D kan vanaf 01.07.2021 de afwijking voor micro-ondernemingen toepassen op bovengenoemde intracommunautaire afstandsverkopen en TBE-diensten aangezien de drempel van 10.000 euro niet overschreden wordt. Deze intracommunautaire afstandsverkopen en TBE-diensten vinden dus plaats in België.
In september 2021 verricht D een intracommunautaire afstandsverkoop voor een bedrag van 600 euro (exclusief btw) vanuit België naar lidstaat 1. Door deze levering overschrijdt D de drempel van 10.000 euro. De volledige levering vindt plaats in lidstaat 1 en wordt daar aan de btw onderworpen.
c.7. Voorbeeld 7
E is een elektronische interface gevestigd in lidstaat 1 die de intracommunautaire afstandsverkopen vanuit lidstaat 1 naar België faciliteert voor volgende belastingplichtigen:
F enkel gevestigd in lidstaat 1:
•jaarlijks bedrag exclusief btw aan particulieren: 20.000 euro
G niet gevestigd in de Gemeenschap:
•jaarlijks bedrag exclusief btw aan particulieren: 3.000 euro
•jaarlijks bedrag exclusief btw aan kleine ondernemingen die de vrijstellingsregeling van artikelen 56bis tot 56undecies van het Btw-Wetboek toepassen (behoort tot de groep van vier): 6.000 euro;
H niet gevestigd in de Gemeenschap:
•jaarlijks bedrag exclusief btw aan niet-belastingplichtige rechtspersonen: 1.500 euro
I niet gevestigd in de Gemeenschap:
•jaarlijks bedrag exclusief btw aan particulieren: 5.000 euro.
E wordt als gelijkgestelde leverancier beschouwd voor de volgende intracommunautaire afstandsverkopen (artikel 13bis, § 2, van het Btw-Wetboek, zie rubriek C hiervoor):
•de verkopen door G aan particulieren exclusief btw (3.000 euro)
•de verkopen door H exclusief btw (1.500 euro)
•de verkopen door I exclusief btw (5.000 euro).
We gaan er in dit voorbeeld van uit dat E niet geopteerd heeft.
Aangezien E enkel gevestigd is in lidstaat 1 en hij jaarlijks slechts voor 9.500 euro aan intracommunautaire afstandsverkopen verricht, is de afwijking voor micro-ondernemingen van toepassing en is de plaats van de levering lidstaat 1 en niet België.
E treedt niet op als gelijkgestelde leverancier voor de leveringen van F. Aangezien F de drempel van 10.000 euro ieder jaar overschrijdt, is de afwijking voor micro-ondernemingen niet van toepassing in hoofde van F en is de plaats van de levering België.
E treedt niet op als gelijkgestelde leverancier voor de leveringen van G aan kleine ondernemingen. Aangezien G niet in de gemeenschap is gevestigd is de afwijking voor micro-ondernemingen niet van toepassing in hoofde van G en is de plaats van de levering België.
E. Bijzondere regeling van toepassing op de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen en op bepaalde leveringen van goederen (de regeling EU of Unieregeling OSS)
Een optionele regeling wordt vanaf 01.07.2021 ingevoerd voor de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen (artikel 58quater, van het Btw-Wetboek). Die bijzondere regeling is identiek aan de bijzondere regeling voor de diensten B2C die worden verricht door een in de Europese Unie gevestigde belastingplichtige (regeling EU of Unieregeling OSS).
Die regeling laat de leverancier die intracommunautaire afstandsverkopen van goederen, gelokaliseerd in de lidstaat van aankomst van de goederen, verricht toe om de in de Europese Unie verschuldigde btw aan te geven en te voldoen door middel van een in één enkele lidstaat gecentraliseerde OSS-aangifte.
In dit verband wordt verwezen naar het derde richtsnoer van het 118e btw-comité van 19.04.2021 (Document D – taxud.c.1(2021)8354974 – 1021) dat stelt dat wanneer een belastingplichtige slechts in één lidstaat gevestigd is en de hierboven vermelde afwijking voor micro-ondernemingen toepast voor wat betreft de intracommunautaire afstandsverkopen die hij verricht vanuit de lidstaat van vestiging, en die persoon ook intracommunautaire afstandsverkopen verricht vanuit een andere lidstaat waar hij een voorraad aanhoudt die niet wordt beschouwd als een vaste inrichting, deze persoon niet tezelfdertijd de OSS-unieregeling kan toepassen voor de afstandsverkopen vanuit de andere lidstaat dan de lidstaat van vestiging, maar zich moet identificeren voor btw-doeleinden en moet btw aanrekenen volgens de normale regels in de lidstaat van aankomst van de goederen (zie ook rubriek D, subrubriek c.4, hierboven).
Er wordt verwezen naar onder ‘Boekwerk VI: Specifieke topics - Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 10’, voor een gedetailleerde toelichting van die nieuwe regeling.
[Top]
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.