Btw-Commentaar. Invoer (15.05.2025)
BOEKWERK I: Belastingplicht en belastbare handelingen
Hoofdstuk 4: Invoer
Bijwerking 15.05.2025 – Vorige versies: [01.07.2018] [01.09.2020] [01.10.2022] [01.09.2023] [01.07.2024]
Inhoud · 81 onderdelen
1. Overzicht bepalingen Btw-Wetboek
2. Overzicht bepalingen uitvoeringsbesluiten
A. Derde land en derdelands gebied
B. In het vrije verkeer brengen
3. Voorwaarden waaronder een invoer in België aan de btw is onderworpen
4. Aangifte van een invoer die in België aan de btw is onderworpen
Afdeling 3: Plaats van een invoer
2. Invoer zonder toepassing van een opschortende regeling inzake douane of van een fiscale regeling
3. Invoer met toepassing van een opschortende regeling inzake douane
B. Plaatsing van goederen onder opeenvolgende opschortende regelingen inzake douane
C. Bevoegde lidstaten inzake invoerrechten en inzake btw
b. Grensoverschrijdende vergunningen douane-entrepot en actieve veredeling
4. Invoer met toepassing van een fiscale regeling
Afdeling 4: Toepassing van de douanereglementering
1. Voorwaarden waaronder goederen op het Belgische grondgebied mogen worden gebracht
A. Binnenbrengen van niet-Uniegoederen
B. Binnenbrengen van Uniegoederen
2. Procedure inzake douane bij het binnenkomen van goederen op het Belgisch grondgebied
B. Plaatsing onder een douaneregeling of wederuitvoer
c. Vermeldingen in de douaneaangifte
B. Regeling in het vrije verkeer brengen
b. Bijzondere situatie van de in de territoriale zee gelegen boor- en werkeilanden
a. Regeling extern douanevervoer
b. Regeling intern douanevervoer
E. Regeling actieve veredeling
b. Equivalentieverkeer en voorafgaande uitvoer
a. Regeling tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten
b. Regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten
G. Regeling passieve veredeling
Afdeling 5: Invoer met voldoening van de btw
1. Belastbare feit en tijdstip van opeisbaarheid van de belasting
B. Afwijkende regel met betrekking tot het tijdstip van opeisbaarheid
2. Berekening van de verschuldigde belasting
3. Voldoening van de belasting
b. De goederen worden in België door of voor rekening van de leverancier geïnstalleerd of gemonteerd
C. Personen die aansprakelijk zijn voor de voldoening van de btw
D. Modaliteiten van de betaling
a. Over te leggen stukken ter staving van de voldoening van de belasting
E. Verlegging van heffing naar de periodieke btw-aangifte
Afdeling 1 - Wetgevend kader
1. Overzicht bepalingen Btw-Wetboek
Artikel 3
Artikel 23
Artikel 24
Artikel 25
2. Overzicht bepalingen uitvoeringsbesluiten
[Top]
Afdeling 2 - Algemeenheden
1. Terminologie
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden volgende begrippen gedefinieerd.
A. Derde land en derdelands gebied
Onder derde land en derdelands gebied, in de zin van artikel 1, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek, wordt ieder ander gebied verstaan dan dat waarbinnen het Europees btw-stelsel van toepassing is. Het betreft met andere woorden de landen en gebieden die niet tot de Gemeenschap, in de zin van artikel 1, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek, behoren. Voor een omschrijving van het begrip Gemeenschap wordt verwezen naar ‘Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 2, titel 1, rubriek A’, van dit Boekwerk I.
In het kader van dit hoofdstuk is het nuttig op te merken dat het btw-gebied van de Europese Unie (1) niet volledig overeenstemt met het douanegebied van de Europese Unie (2). Dit laatste gebied is ruimer en omvat naast het integrale btw-gebied van de Europese Unie eveneens de gebieden opgesomd in artikel 1, § 4, eerste lid, van het Btw-Wetboek.
(1) Met andere woorden de Gemeenschap in de zin van artikel 1, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek.
(2) Zoals omschreven in artikel 4 van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 09.10.2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (hierna: het Douanewetboek van de Unie).
In onderstaande tabel worden het btw-gebied en het douanegebied van de Europese Unie schematisch weergegeven:
Bijzondere status inzake btw van Noord-Ierland
Sinds 01.02.2020 maakt het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland geen deel meer uit van de Europese Unie.
Ingevolge het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie gedaan te
Brussel en Londen op 24.01.2020 (‘het terugtrekkingsakkoord’), begon er op 01.02.2020 een overgangsperiode te lopen. In deze tweede fase was het Verenigd Koninkrijk vanaf die datum formeel een derde land, met dien verstande dat overeenkomstig het terugtrekkingsakkoord het EU-recht op alle beleidsterreinen volledig van toepassing bleef op en in het Verenigd Koninkrijk, voor zover het bindend was voor en in het Verenigd Koninkrijk voordat het terugtrekkingsakkoord in werking trad. Inzake btw hield dit in dat de btw-reglementering als onderdeel van het 'communautaire acquis' ook tijdens deze tweede fase verder onverkort van toepassing bleef, waarbij het Verenigd Koninkrijk voor de toepassing van de btw-regels aldus bij voortduur als een lidstaat van de Europese Unie (als onderdeel van de Gemeenschap) moest worden beschouwd.
Bij de afloop van de overgangsperiode zijn de bepalingen van het terugtrekkingsakkoord die het EU-recht nog tijdelijk van toepassing verklaarden op en in het Verenigd Koninkrijk niet langer van toepassing. In deze derde fase die is ingegaan op 01.01.2021 is het Verenigd Koninkrijk aldus ook voor de toepassing van de btw voortaan een derde land.
Een belangrijke uitzondering op dit principe is evenwel opgenomen in het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland dat integraal deel uitmaakt van het terugtrekkingsakkoord dat op een aantal domeinen een bijzondere regeling uitwerkt voor Noord-Ierland dat een onderdeel vormt van het Verenigd Koninkrijk (zie artikel 1, § 3bis, van het Btw-Wetboek).
Dit protocol is in eerste instantie van toepassing voor een periode van vier jaar na het einde van de overgangsperiode (artikel 18, lid 5, van het protocol), maar het is mogelijk dat het protocol nog gedurende één of meer daaropvolgende periodes van toepassing blijft (artikel 18, lid 5, in fine, van het protocol).
Inzake btw geldt, overeenkomstig artikel 8, eerste alinea, van het protocol, dat gedurende de voormelde geldigheidsperiode ervan, de in bijlage 3 van dat protocol vermelde bepalingen van het recht van de Unie enkel betreffende goederen op en in het Verenigd Koninkrijk van toepassing zijn met betrekking tot Noord-Ierland. De in bijlage 3 van het protocol vermelde bepalingen omvatten met name de bepalingen van het recht van de Unie inzake btw, zoals inzonderheid de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011, houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.
De leveringen van goederen vanuit Noord-Ierland naar een lidstaat en omgekeerd gedurende de geldigheidsperiode van het protocol inzake btw worden nog steeds beschouwd als intracommunautaire leveringen en verwervingen van goederen.
De leveringen van goederen vanuit Noord-Ierland naar andere delen van het Verenigd Koninkrijk en omgekeerd zullen gedurende de geldigheidsperiode van het protocol inzake btw worden beschouwd als in- en uitvoeren.
Deze tijdelijke regeling geldt niet voor diensten, ten aanzien waarvan Noord-Ierland met ingang van 01.01.2021 samen met de andere delen van het Verenigd Koninkrijk inzake btw het statuut heeft van een derde land.
B. In het vrije verkeer brengen
Niet-Uniegoederen die bestemd zijn om op de markt van de Unie te worden gebracht of bestemd zijn voor particulier gebruik of consumptie binnen het douanegebied van de Europese Unie, worden geplaatst onder de douaneregeling in het vrije verkeer brengen, overeenkomstig artikel 201 van het Douanewetboek van de Unie.
Het in het vrije verkeer brengen omvat volgende handelingen:
•de inning van verschuldigde invoerrechten
•de inning, voor zover van toepassing, van andere heffingen, overeenkomstig de relevante voorschriften met betrekking tot de inning van deze heffingen
•de toepassing van handelspolitieke maatregelen en verboden en beperkingen voor zover deze niet in een eerder stadium moeten worden toegepast
•de vervulling van de andere formaliteiten voor de invoer van de goederen.
Niet-Uniegoederen die in het vrije verkeer worden gebracht, verkrijgen daardoor de douanestatus van Uniegoederen.
C. Voor het verbruik aangeven
Op grond van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 7, van 29.12.1992, met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, moeten de overeenkomstig artikel 23 van het Btw-Wetboek in België ingevoerde goederen voor het verbruik worden aangegeven. De aangifte ten verbruik dient derhalve te worden ingediend op het tijdstip dat de goederen ofwel de Gemeenschap binnenkomen ofwel worden onttrokken aan één van de regelingen bedoeld in artikel 23, §§ 4 en 5, van het Btw-Wetboek, indien zij vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap onder één van die regelingen zijn geplaatst.
De invoer is in beginsel op datzelfde tijdstip aan de belasting onderworpen. Derhalve kan de aangifte ten verbruik gebeuren met:
•betaling van de btw aan de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen
•verlegging van de heffing naar de periodieke btw-aangifte, zoals bedoeld in Afdeling 5, titel 3, rubriek E, van dit Hoofdstuk 4, hierna
•vrijstelling van de btw.
D. Uniegoederen
Overeenkomstig artikel 5, punt 23, van het Douanewetboek van de Unie, hebben goederen de douanestatus van Uniegoederen wanneer zij tot één van de volgende categorieën behoren:
•goederen die geheel zijn verkregen in het douanegebied van de Europese Unie zonder toevoeging van goederen die zijn ingevoerd uit landen of gebieden buiten het douanegebied van de Europese Unie
•goederen die in het douanegebied van de Europese Unie zijn binnengebracht uit landen of gebieden buiten dat gebied en die in het vrije verkeer zijn gebracht
•goederen die in het douanegebied van de Europese Unie zijn verkregen of vervaardigd, hetzij uitsluitend uit goederen als bedoeld onder de tweede bullet point, hetzij uit goederen als bedoeld onder de eerste en tweede bullet point.
Het betreft goederen die in het vrije verkeer zijn in het douanegebied van de Europese Unie. In principe zijn Uniegoederen bij hun verkeer tussen lidstaten of binnen een lidstaat niet aan douanetoezicht (douanecontroles en -formaliteiten) onderworpen.
Uniegoederen die afkomstig zijn uit delen van het douanegebied van de Europese Unie die niet tot het btw-gebied van de Europese Unie behoren (zie rubriek A van deze titel 1, hiervoor), zijn bij hun binnenkomst in laatstgenoemd gebied evenwel alsnog aan douaneformaliteiten onderworpen, zoals voorzien in artikel 1, lid 3, van het Douanewetboek van de Unie en de artikelen 274 en 275 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd. Die formaliteiten zijn ingesteld voor btw-doeleinden, meer bepaald voor de vaststelling van de invoer, het vervullen van de btw-verplichtingen bij invoer en de eventuele toepassing van de regelingen bedoeld in artikel 23, § 5, van het Btw-Wetboek. In bedoeld geval zijn de goederen immers reeds in het vrije verkeer op het stuk van invoerrechten, maar zijn zij nog niet voor het verbruik aangegeven op het stuk van de btw.
Voorbeeld
De Canarische Eilanden behoren tot het douanegebied van de Europese Unie, maar niet tot het btw-gebied van de Europese Unie. Bij het binnenbrengen in België van goederen die afkomstig zijn van één van deze eilanden, moeten douaneformaliteiten in verband met de btw worden vervuld.
E. Niet-Uniegoederen
Overeenkomstig artikel 5, punt 24, van het Douanewetboek van de Unie, hebben goederen de douanestatus van niet-Uniegoederen wanneer het ofwel andere goederen dan de in rubriek D van deze titel 1 beoogde goederen betreft, ofwel goederen betreft die de douanestatus van Uniegoederen hebben verloren.
Uniegoederen verliezen in beginsel hun douanestatus wanneer ze het douanegebied van de Europese Unie verlaten. In afwijking van dat principe, behouden Uniegoederen hun douanestatus wanneer ze onder de regeling intern douanevervoer (zie Afdeling 4, titel 3, rubriek C, subrubriek b, van dit Hoofdstuk 4, hierna), via een derde land, van één plaats in het douanegebied van de Europese Unie naar een andere plaats in het douanegebied van de Europese Unie worden verzonden of vervoerd.
Het betreft goederen die niet in het vrije verkeer zijn in het douanegebied van de Europese Unie en derhalve aan douanetoezicht (douanecontroles en –formaliteiten) zijn onderworpen.
Niet-Uniegoederen blijven aan douanetoezicht onderworpen totdat zij een andere douanestatus krijgen, zij het douanegebied van de Europese Unie hebben verlaten (wederuitvoer) of zij vernietigd zijn.
F. Douaneregelingen
Overeenkomstig artikel 5, punt 16, van het Douanewetboek van de Unie, wordt onder douaneregeling verstaan één van de onderstaande regelingen waaronder goederen overeenkomstig dat wetboek kunnen worden geplaatst:
•in het vrije verkeer brengen
•bijzondere regelingen bedoeld in artikel 210 van het Douanewetboek van de Unie, meer
bepaald:
•douanevervoer (intern en extern douanevervoer)
•opslag (douane-entrepot en vrije zones)
•specifieke bestemming (tijdelijke invoer en bijzondere bestemming)
•veredeling (actieve en passieve veredeling)
•uitvoer
G. Tijdelijke opslag
Overeenkomstig artikel 5, punt 17, van het Douanewetboek van de Unie, wordt onder tijdelijke opslag verstaan de toestand van tijdelijk onder douanetoezicht opgeslagen niet-Uniegoederen tussen het moment waarop zij bij de douane zijn aangebracht en het moment waarop zij onder een douaneregeling zijn geplaatst of zijn weder uitgevoerd.
Het betreft met andere woorden de periode tussen:
•enerzijds, het tijdstip van de mededeling aan de douaneautoriteiten dat de goederen bij het douanekantoor of op enige andere door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats zijn aangekomen en beschikbaar zijn voor douanecontrole, door middel van een aangifte tot tijdelijke opslag
•en anderzijds, het tijdstip waarop de goederen onder een douaneregeling worden geplaatst of worden wederuitgevoerd, door middel van respectievelijk een douaneaangifte of een kennisgeving van wederuitvoer.
Merk op dat de regeling tijdelijke opslag geen douaneregeling is, zoals bedoeld in Rubriek F van deze titel 1, hiervoor.
2. Definitie van een invoer
Overeenkomstig artikel 23, § 1, van het Btw-Wetboek wordt onder invoer van een goed verstaan het binnenkomen van een goed in de Gemeenschap.
De invoer van een goed is dus het louter materiële feit een goed vanuit een derde land of een derdelandsgebied binnen te brengen op het grondgebied van de Gemeenschap, zoals dat voor de toepassing van de btw in artikel 1, §§ 2 tot en met 5, van het Btw-Wetboek wordt omschreven.
Voorbeeld
Het binnenkomen van een goed in Portugal dat vanuit de Verenigde Staten rechtstreeks naar Portugal is verzonden, is een invoer bedoeld in artikel 23, § 1, van het Btw-Wetboek.
Een invoer heeft uitsluitend betrekking op lichamelijke goederen, zoals bedoeld in artikel 9 van het Btw-Wetboek. Bovendien volgt uit de definitie van het begrip invoer dat de goederen roerend van aard moeten zijn. Daartoe wordt verwezen naar ‘Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 3’ van dit Boekwerk I.
Hoewel het binnenkomen in de Gemeenschap van ongeacht welk lichamelijk roerend goed als een invoer moet worden aangemerkt, maakt artikel 23, § 1, van het Btw-Wetboek een onderscheid tussen goederen die de douanestatus van niet-Uniegoederen hebben en goederen die de douanestatus van Uniegoederen hebben.
Het merendeel van de invoeren heeft betrekking op niet-Uniegoederen, zoals bedoeld in artikel 23, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek.
De in artikel 23, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek bedoelde invoeren van Uniegoederen hebben betrekking op enkele specifieke situaties. Die bepaling beoogt immers het binnenbrengen in de Gemeenschap van Uniegoederen uit delen van het douanegebied van de Europese Unie die buiten het toepassingsgebied van de btw vallen, zijnde de Berg Athos, de Franse Overzeese Departementen, de Canarische Eilanden, de Aland-eilanden, Campione d’Italia en de nationale wateren van het meer van Lugano. Deze gebieden worden opgesomd in artikel 1, § 4, eerste lid, van het Btw-Wetboek (zie titel 1, Rubriek A, van deze Afdeling 2, hiervoor).
Het in de Gemeenschap binnenbrengen van een goed dat afkomstig is uit of in het vrije verkeer is gebracht in één van die gebieden, wordt als een invoer aangemerkt op het stuk van de btw. Voor de toepassing van de douanereglementering heeft dergelijk goed de douanestatus van een Uniegoed en wordt de handeling als een loutere goederenbeweging binnen het douanegebied van de Europese Unie aangemerkt.
Voorbeeld
Het via de luchthaven van Zaventem binnenbrengen in de Gemeenschap van een fototoestel die een Belgische toerist op de Canarische Eilanden heeft gekocht, vormt een invoer bedoeld in artikel 23, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek.
3. Voorwaarden waaronder een invoer in België aan de btw is onderworpen
Artikel 3 van het Btw-Wetboek bepaalt dat de invoer van goederen, door wie ook, aan de belasting onderworpen is wanneer de invoer in België plaatsvindt.
Daaruit volgt dat een invoer in België aan de btw is onderworpen wanneer de volgende twee voorwaarden zijn vervuld:
•de handeling is een invoer van een goed zoals bedoeld in artikel 23, § 1, van het Btw-Wetboek (zie titel 2 van deze Afdeling 2, hiervoor)
•de invoer vindt op grond van artikel 23, §§ 2 tot en met 5, van het Btw-Wetboek in België plaats (zie Afdeling 3 van dit Hoofdstuk 4, hierna).
Daarbij zijn de volgende elementen van geen belang:
•de hoedanigheid van de persoon die de invoer verricht (particulier, niet-belastingplichtige rechtspersoon, belastingplichtige met een volledig recht op aftrek …).
•de reden die aan de goederenbeweging ten grondslag ligt (verkoop, schenking, inbreng in vennootschap, verhuis, erfenis …). Het binnenbrengen van de goederen in de Gemeenschap moet dus niet het gevolg zijn van een overeenkomst.
•het gebruik van de goederen na hun invoer (privégebruik of gebruik voor beroepsdoeleinden).
Het onderworpen zijn aan de btw betekent evenwel niet dat de invoer automatisch wordt belast. In sommige situaties wordt een invoer van goederen immers vrijgesteld van de belasting. Die situaties worden uitgebreid toegelicht in ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer, Afdeling 5’.
Opmerking
Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat het beginsel van fiscale neutraliteit zich verzet tegen een algemeen onderscheid tussen legale en illegale transacties. Derhalve zijn handelingen die een strafbaar feit uitmaken in beginsel ook aan de btw onderworpen. Het Hof stelt dat een uitzondering op dat principe alleen gerechtvaardigd is in specifieke situaties waarin bepaalde goederen en diensten wegens hun aard en hun bijzondere kenmerken niet in het legale handelsverkeer mogen worden gebracht of in de economische kringloop mogen komen, waardoor elke mededinging tussen een legale en illegale economische sector is uitgesloten.
Het Hof heeft in die zin geoordeeld dat geen btw mag worden geheven van:
•de illegale invoer van verdovende middelen die geen deel uitmaken van het door de bevoegde autoriteiten streng bewaakte handelsverkeer ten behoeve van gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Senta Einberger, zaak 294/82, van 28.02.1984)
•de invoer van vals geld (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Max Witzemann, zaak C-343/89, van 06.12.1990).
De invoer van gesmokkelde ethylalcohol is daarentegen wel aan de btw onderworpen. Het betreft immers geen goed waarvan de verhandeling wegens zijn aard of bijzondere kenmerken verboden is. Ethylalcohol kan niet als een van het economische circuit uitgesloten product worden beschouwd. Derhalve is de mededinging tussen als smokkelgoed ingevoerde alcohol en alcohol die in het legale circuit wordt verhandeld niet uitgesloten (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest K. Salumets e.a., zaak C-455/98, van 29.06.2000).
4. Aangifte van een invoer die in België aan de btw is onderworpen
Op grond van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, moeten goederen die overeenkomstig artikel 23 van het Btw-Wetboek in België zijn ingevoerd, voor het verbruik worden aangegeven.
Wanneer niet-Uniegoederen in België in het vrije verkeer worden gebracht
•ofwel onmiddellijk bij het binnenkomen van die goederen
•ofwel bij hun onttrekking in België aan een opschortende regeling inzake douane zoals bedoeld in artikel 23, § 4, van het Btw-Wetboek (zie de regelingen bedoeld in Afdeling 3, titel 3, Rubriek A, van dit Hoofdstuk 4, hierna),
moeten die goederen derhalve op hetzelfde tijdstip voor het verbruik worden aangegeven op het stuk van de btw.
Niet-Uniegoederen die in België onder een douaneregeling van tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten worden geplaatst, moeten daarentegen voor het verbruik worden aangegeven op het tijdstip dat ze onder die douaneregeling worden geplaatst. De douaneregeling van tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten wordt immers niet bedoeld in artikel 23, § 4, van het Btw-Wetboek.
Uniegoederen die
•vanuit één van de gebieden opgesomd in artikel 1, § 4, eerste lid, van het Btw-Wetboek in België worden binnengebracht zonder toepassing van een regeling voor intern Uniedouanevervoer of een fiscale regeling die equivalent is aan een regeling bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 2°, 4°, 5°, 6° of 7°, van het Btw-Wetboek (zie de regelingen bedoeld in Afdeling 3, titel 4, van dit Hoofdstuk 4, hierna), of
•in België aan een regeling voor intern Uniedouanevervoer of een fiscale regeling die equivalent is aan een regeling bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 2°, 4°, 5°, 6° of 7°, van het Btw-Wetboek worden onttrokken,
moeten voor het verbruik worden aangegeven op het stuk van de btw.
De aangifte ten verbruik vindt plaats met voldoening van de btw (zie Afdeling 5, van dit Hoofdstuk 4, hierna) of met vrijstelling van de btw (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer, Afdeling 5’).
5. Algemeen overzicht
In Afdeling 3 van dit Hoofdstuk wordt de plaats van een invoer besproken. Er wordt een onderscheid gemaakt naargelang de invoer plaatsvindt zonder toepassing van een opschortende regeling inzake douane of van een fiscale regeling, met toepassing van een opschortende regeling inzake douane of met toepassing van een fiscale regeling.
In Afdeling 4 worden de voor de btw relevante bepalingen van de douanereglementering toegelicht. Eerst worden de voorwaarden besproken waaronder goederen het Belgisch grondgebied mogen binnenkomen. Vervolgens komt de voorgeschreven procedure voor het binnenbrengen van goederen in België aan bod. Tot slot worden de verschillende bestemmingen inzake douane besproken die aan in België binnengebrachte goederen kunnen worden gegeven.
In Afdeling 5 worden de bij een invoer met voldoening van de belasting relevante bepalingen van het Btw-Wetboek behandeld. In eerste instantie wordt het belastbare feit en het tijdstip van opeisbaarheid van de belasting toegelicht. In tweede instantie wordt dieper ingegaan op de berekening van de verschuldigde belasting, meer bepaald de maatstaf van heffing en het toepasselijke tarief. In laatste instantie komt het werkelijk voldoen van de belasting aan bod, waarbij het tijdstip van betaling, de tot betaling van de verschuldigde belasting gehouden personen en de modaliteiten van de betaling worden belicht.
[Top]
Afdeling 3: Plaats van een invoer
1. Algemeen
De invoer van een goed is in België slechts aan de belasting onderworpen wanneer die invoer in België plaatsvindt, overeenkomstig artikel 3 van het Btw-Wetboek.
Overeenkomstig artikel 23, § 2, van het Btw-Wetboek, vindt een invoer in België plaats wanneer de lidstaat van invoer België is. De criteria voor het bepalen van de lidstaat van invoer worden opgesomd in artikel 23, §§ 3 tot en met 5, van het Btw-Wetboek.
Er wordt een onderscheid gemaakt naargelang het een invoer betreft:
•zonder toepassing van een opschortende regeling inzake douane of van een fiscale regeling (artikel 23, § 3, van het Btw-Wetboek)
•met toepassing van een opschortende regeling inzake douane (artikel 23, § 4, van het Btw-Wetboek)
•met toepassing van een fiscale regeling (artikel 23, § 5, van het Btw-Wetboek).
Voor de toepassing van deze Afdeling 3 wordt onder opschortende regeling inzake douane zowel de regeling van tijdelijke opslag (zie Afdeling 2, titel 1, rubriek G, van dit Hoofdstuk 4, hiervoor) als de bijzondere regelingen (zie Afdeling 2, titel 1, rubriek F, van dit Hoofdstuk 4, hiervoor) opgesomd in artikel 23, § 4, van het Btw-Wetboek bedoeld.
2. Invoer zonder toepassing van een opschortende regeling inzake douane of van een fiscale regeling
Krachtens de algemene regel vervat in artikel 23, § 3, van het Btw-Wetboek vindt de invoer van een goed plaats in de lidstaat op het grondgebied waarvan het zich ten tijde van het binnenkomen in de Gemeenschap bevindt.
Voorbeeld
Een Belgische meubelmaker koopt hout aan van een Canadees houtverwerkingsbedrijf. Het hout wordt per schip vanuit Canada, via de haven van Antwerpen, naar de inrichting van de Belgische meubelmaker in Antwerpen vervoerd. Overeenkomstig artikel 23, §§ 2 en 3, van het Btw-Wetboek, vindt de invoer van het hout in België plaats.
Opmerking
Naast de opschortende regelingen inzake douane die in artikel 23, § 4, van het Btw-Wetboek worden opgesomd (zie titel 3, rubriek A, van deze Afdeling 3, hierna), voorziet de douanewetgeving van de Europese Unie tevens in onder meer de douaneregeling van de tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten. Niet-Uniegoederen die in een lidstaat onder die regeling worden geplaatst, worden geacht in die lidstaat te zijn ingevoerd, overeenkomstig de algemene plaatsbepalingsregel vervat in artikel 23, § 3, van het Btw-Wetboek.
3. Invoer met toepassing van een opschortende regeling inzake douane
A. Algemeen principe
In afwijking van artikel 23, § 3, van het Btw-Wetboek, vindt de invoer van een niet-Uniegoed op grond van artikel 23, § 4, van het Btw-Wetboek plaats in de lidstaat op het grondgebied waarvan het goed aan één van de volgende regelingen wordt onttrokken, wanneer dat goed vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap, overeenkomstig de douanewetgeving:
•bij de douane wordt aangebracht en eventueel wordt geplaatst onder een regeling van tijdelijke opslag
•wordt geplaatst onder een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten
•wordt geplaatst onder een regeling voor extern douanevervoer
•wordt geplaatst onder een regeling van vrije zones of vrije entrepots
•wordt geplaatst onder een regeling van douane-entrepots
•wordt geplaatst onder een regeling van actieve veredeling
•wordt geplaatst onder een regeling inzake de in de territoriale zee toegelaten goederen voor boor- en werkeilanden.
Ingeval een goed vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap onder één van voornoemde regelingen wordt geplaatst, vindt artikel 23, § 3, van het Btw-Wetboek derhalve geen toepassing.
Die opschortende regelingen hebben een voorlopig karakter en worden in de regel aangezuiverd door de goederen te bestemmen voor ofwel de interne markt van het douanegebied van de Europese Unie ofwel de wederuitvoer uit het douanegebied van de Europese Unie.
Goederen die aan één van voornoemde regelingen worden onttrokken om in het douanegebied van de Europese Unie op de markt te worden gebracht, te worden aangewend voor particulier gebruik of te worden geconsumeerd, moeten overeenkomstig de douanereglementering in het vrije verkeer worden gebracht (zie Afdeling 2, titel 1, rubriek B, van dit Hoofdstuk 4, hiervoor).
B. Plaatsing van goederen onder opeenvolgende opschortende regelingen inzake douane
Een goed kan onder verschillende opeenvolgende opschortende regelingen inzake douane worden geplaatst. Zo kan een goed bij het binnenkomen in de Gemeenschap onder een regeling van tijdelijke opslag worden geplaatst, vervolgens onder een regeling van douane-entrepot worden geplaatst en ten slotte het douane-entrepot verlaten onder een regeling voor extern douanevervoer. De invoer van dat goed vindt dan plaats en is aan de btw onderworpen in de lidstaat waar het goed, ter aanzuivering van de regeling voor extern douanevervoer, in het vrije verkeer wordt gebracht.
Derhalve heeft artikel 23, § 4, van het Btw-Wetboek tot gevolg dat er geen invoer (en dus geen belastbare handeling) in België plaatsvindt, wanneer een goed via België de Gemeenschap binnenkomt, onmiddellijk onder één van de in die bepaling bedoelde opschortende regelingen inzake douane wordt geplaatst en onder die regeling (of een andere opschortende regeling) het Belgische grondgebied verlaat.
In dat verband wordt opgemerkt dat de regeling tijdelijke opslag kan worden beëindigd en de bijzondere regelingen kunnen worden gezuiverd door de wederuitvoer van de goederen. Wanneer de onder die regelingen opgeslagen goederen het grondgebied van de Gemeenschap verlaten, worden zij voor de toepassing van de btw geacht niet aan de betrokken opschortende regeling te zijn onttrokken. Dergelijke goederenbewegingen geven bijgevolg dan ook geen aanleiding tot een aan de btw onderworpen invoer in een lidstaat van de Gemeenschap.
Het louter materiële feit van een niet-Uniegoed in België binnen te brengen, geeft dus niet noodzakelijk aanleiding tot een belastbare handeling inzake btw.
Voorbeeld
Een in de Verenigde Staten gevestigde fabrikant verkoopt goederen aan een in Duitsland gevestigde persoon. De goederen komen via Antwerpen de Gemeenschap binnen.
•Eerste veronderstelling
De goederen worden in Antwerpen in het vrije verkeer gebracht op het stuk van de invoerrechten alvorens naar Duitsland te worden vervoerd.
Overeenkomstig de algemene regel vervat in artikel 23, § 3, van het Btw-Wetboek, vindt de invoer in België plaats. Bijgevolg moeten de goederen in België voor het verbruik worden aangegeven.
•Tweede veronderstelling
De goederen worden in Antwerpen onder een regeling van douane-entrepot geplaatst. Met het oog op hun vervoer naar Duitsland, worden de goederen uit het entrepot uitgeslagen en in het vrije verkeer gebracht.
Overeenkomstig artikel 23, § 4, van het Btw-Wetboek, vindt de invoer in België plaats, alwaar de goederen aan de regeling van douane-entrepot worden onttrokken. De goederen moeten in België voor het verbruik worden aangegeven.
•Derde veronderstelling
De goederen worden in Antwerpen onder een regeling van douane-entrepot geplaatst en vervolgens onder een regeling voor extern Uniedouanevervoer naar Duitsland vervoerd om er in het vrije verkeer te worden gebracht.
Overeenkomstig artikel 23, § 4, van het Btw-Wetboek, vindt de invoer in Duitsland plaats, alwaar de goederen aan de regeling voor extern Uniedouanevervoer worden onttrokken. Er vindt derhalve geen belastbare handeling plaats in België.
•Vierde veronderstelling
De goederen worden in Antwerpen onder een regeling van douane-entrepot geplaatst. Bij de uitslag van de goederen uit het entrepot wordt de regeling douane-entrepot gezuiverd door de wederuitvoer van de goederen, welke naar Rusland worden vervoerd om er door de Duitse koper op een werf te worden gebruikt.
De goederen worden niet in het vrije verkeer gebracht in de Gemeenschap en worden voor de toepassing van de btw geacht de Gemeenschap te hebben verlaten zonder aan de regeling van douane-entrepot te zijn onttrokken. Er vindt derhalve geen invoer in de Gemeenschap plaats, vermits artikel 23, § 4, van het Btw-Wetboek geen toepassing vindt.
C. Bevoegde lidstaten inzake invoerrechten en inzake btw
a. Algemeen principe
Ingevolge artikel 23, § 4, van het Btw-Wetboek zijn de btw en de invoerrechten in de regel in dezelfde lidstaat verschuldigd. Op grond van die bepaling is de invoer van een goed doorgaans aan de btw onderworpen in de lidstaat waar het goed in het vrije verkeer wordt gebracht op het stuk van de invoerrechten.
Het algemeen beginsel dat de btw en de invoerrechten bij het in het vrije verkeer brengen van de goederen in dezelfde lidstaat worden voldaan, is evenwel niet absoluut.
b. Grensoverschrijdende vergunningen douane-entrepot en actieve veredeling
In het kader van de grensoverschrijdende vergunning douane-entrepot en de grensoverschrijdende vergunning actieve veredeling waarin de douanewetgeving van de Europese Unie voorziet, vallen de lidstaat waar de goederen in het vrije verkeer worden gebracht (voor de invoerrechten) en de lidstaat waar de goederen voor het verbruik worden aangegeven (voor de btw) niet noodzakelijk samen. Bedoelde vergunningen gelden niet alleen in de lidstaat die ze heeft uitgereikt, maar eveneens in de andere lidstaten die in de vergunning worden vermeld.
De grensoverschrijdende vergunning douane-entrepot laat toe om niet-Uniegoederen in meer dan één lidstaat onder de regeling van douane-entrepot te plaatsen door hun opslag in een erkend particulier entrepot, op grond van één enkele vergunning die wordt uitgereikt door de douaneautoriteiten van de lidstaat waar de hoofdboekhouding van de houder van de vergunning wordt bijgehouden. Onder ‘houder van de vergunning’ wordt de titularis van de vergunning douane-entrepot verstaan, met andere woorden de persoon die door de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen gemachtigd is het entrepot te beheren.
Wanneer goederen uit een douane-entrepot worden uitgeslagen om ze in het vrije verkeer te brengen, moet de aangifte voor het vrije verkeer worden ingediend in de lidstaat die de grensoverschrijdende vergunning heeft uitgereikt, ongeacht of het douane-entrepot waaruit de goederen worden uitgeslagen zich in die lidstaat dan wel in een andere in de vergunning opgenomen lidstaat bevindt. Voor de toepassing van de btw vindt de invoer evenwel plaats, en moeten de goederen voor het verbruik worden aangegeven, in de lidstaat op het grondgebied waarvan zich het douane-entrepot bevindt waaruit de goederen materieel worden uitgeslagen om in het vrije verkeer te worden gebracht.
De grensoverschrijdende vergunning actieve veredeling laat toe om niet-Uniegoederen in meer dan één lidstaat te veredelen, op grond van één enkele vergunning die wordt uitgereikt door de douaneautoriteiten van de lidstaat waar de hoofdboekhouding van de houder van de vergunning wordt bijgehouden.
Wanneer de regeling actieve veredeling wordt beëindigd om de goederen in het vrije verkeer te brengen, moet de aangifte voor het vrije verkeer worden ingediend in de lidstaat die de grensoverschrijdende vergunning heeft uitgereikt. Het is daarbij van geen belang of de goederen zich in die lidstaat dan wel in een andere in de vergunning opgenomen lidstaat bevinden. Voor de toepassing van de btw vindt de invoer evenwel plaats, en moeten de goederen voor het verbruik worden aangegeven, in de lidstaat op het grondgebied waarvan de goederen zich bevinden op het tijdstip dat ze aan de regeling actieve veredeling worden onttrokken om in het vrije verkeer te worden gebracht.
c. Onregelmatige invoer
Ook in de gevallen waarin de plaats van het ontstaan van de douaneschuld op grond van artikel 87, lid 4, van het Douanewetboek van de Unie wordt bepaald, kunnen de invoerrechten en de btw in verschillende lidstaten verschuldigd zijn. Die bepaling stelt dat indien de douaneautoriteit van een lidstaat vaststelt dat krachtens artikel 79 van het Douanewetboek van de Unie in een andere lidstaat een douaneschuld is ontstaan (3) en het met die schuld overeenkomend bedrag aan invoerrechten minder is dan 10.000 euro, die douaneschuld wordt geacht te zijn ontstaan in de lidstaat waarin het ontstaan van die douaneschuld is vastgesteld.
(3) Het betreft situaties waarin een douaneschuld ontstaat door de niet-naleving van bepaalde door de douanewetgeving vastgelegde verplichtingen of voorwaarden.
De btw-reglementering kent evenwel geen gelijkaardige bepaling. In tegenstelling tot de invoerrechten, moet de btw steeds worden voldaan in de lidstaat waarin de invoer op grond van artikel 23 van het Btw-Wetboek plaatsvindt, ongeacht het bedrag van de verschuldigde btw. Wanneer de plaats van het ontstaan van de douaneschuld overeenkomstig artikel 87, lid 4, van het Douanewetboek van de Unie wordt bepaald en de invoer voor de toepassing van de btw in een andere lidstaat heeft plaatsgevonden, dienen de invoerrechten en de btw in verschillende lidstaten te worden voldaan.
d. Voorbeelden
Voorbeeld 1
De Belgische Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen heeft aan een in België gevestigde groothandelaar een grensoverschrijdende vergunning van douane-entrepot uitgereikt om niet-Uniegoederen in België, Duitsland en Italië binnen te brengen en er op te slaan in opslagplaatsen die door de douaneautoriteiten van die landen als particulier douane-entrepot zijn erkend.
Wanneer goederen uit die entrepots worden weggenomen om te worden geleverd aan kleinhandelaars die zijn gevestigd in de lidstaat op het grondgebied waarvan het betrokken douane-entrepot is gelegen, zal de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen in België moeten worden ingediend, zijnde de lidstaat die de grensoverschrijdende vergunning heeft uitgereikt. Het feit dat de goederen die uit een Duits of een Italiaans entrepot worden uitgeslagen nooit in België worden binnengebracht, doet daar geen afbreuk aan.
Voor de toepassing van de btw moeten de goederen in België, in Duitsland of in Italië voor het verbruik worden aangegeven, naargelang ze respectievelijk aan een Belgisch, een Duits of een Italiaans douane-entrepot worden onttrokken.
Voorbeeld 2
De Franse douaneautoriteiten hebben een in Frankrijk gevestigde maakloonwerker een grensoverschrijdende vergunning van actieve veredeling verleend om uit derde landen afkomstige garens (niet-Uniegoederen) in Frankrijk onder een regeling van actieve veredeling te plaatsen om er te worden geverfd en ze vervolgens met behoud van die regeling naar België te versturen om er door een onderaannemer tot dekens te worden geweven.
Een deel van de vervaardigde dekens wordt aan een Belgische belastingplichtige verkocht. Die koper haalt de dekens op bij de in België gevestigde onderaannemer.
Daartoe worden die dekens in Frankrijk in het vrije verkeer gebracht, zijnde de lidstaat die de grensoverschrijdende vergunning heeft uitgereikt. De overeenstemmende aangifte ten verbruik moet daarentegen in België worden ingediend, zijnde de lidstaat waar de goederen zich bevinden op het tijdstip dat ze aan de regeling van actieve veredeling worden onttrokken om in het vrije verkeer te worden gebracht.
Voorbeeld 3
Voor in het douanegebied van de Europese Unie binnengebrachte goederen werden de in artikel 139 van het Douanewetboek van de Unie voorgeschreven formaliteiten niet vervuld. Bij een routinecontrole stellen de douaneambtenaren van de motorbrigade van Gent vast dat de goederen de status van niet-Uniegoederen hebben.
Uit inlichtingen van de Duitse douaneautoriteiten blijkt dat die goederen op onregelmatige wijze via Hamburg in Duitsland zijn binnengebracht. De douaneschuld bedraagt 8.900 euro.
Hoewel de douaneschuld in werkelijkheid in Duitsland is ontstaan, wordt ze op grond van artikel 87, lid 4, van het Douanewetboek van de Unie geacht in België te zijn ontstaan. De invoerrechten moeten bijgevolg in België worden voldaan. Voor de toepassing van de btw heeft de invoer evenwel in Duitsland plaatsgevonden, zijnde de lidstaat waarlangs de goederen de Gemeenschap zijn binnengekomen. De over de invoer verschuldigde btw moet derhalve in Duitsland worden voldaan.
4. Invoer met toepassing van een fiscale regeling
In afwijking van artikel 23, § 3, van het Btw-Wetboek, vindt de invoer van een Uniegoed op grond van artikel 23, § 5, van het Btw-Wetboek plaats in de lidstaat op het grondgebied waarvan het goed aan één van de volgende regelingen wordt onttrokken, wanneer dat goed vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap wordt geplaatst onder:
•een regeling voor intern Uniedouanevervoer
•één van de fiscale regelingen die equivalent zijn aan de regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 2°, 4°, 5°, 6° en 7°, van het Btw-Wetboek.
Uniegoederen afkomstig uit delen van het douanegebied van de Europese Unie die buiten de werkingssfeer van de btw vallen (zie Afdeling 2, titel 1, rubriek A, van dit Hoofdstuk 4, hiervoor), kunnen in België worden geplaatst onder een fiscale regeling die equivalent is aan de regeling:
•van tijdelijke opslag
•van tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten
•van douane-entrepots
•van actieve veredeling en
•inzake de in de territoriale zee toegelaten goederen voor boor- en werkeilanden,
binnen de beperkingen en onder de voorwaarden die gelden voor niet-Uniegoederen die onder de overeenkomstige opschortende regeling inzake douane worden geplaatst.
Merk op dat Uniegoederen in België niet kunnen worden geplaatst onder een fiscale regeling die equivalent is aan de regeling van vrije zones, om reden dat die douaneregeling in België niet wordt toegepast.
Uniegoederen kunnen onder verschillende opeenvolgende van de in artikel 23, § 5, van het Btw-Wetboek bedoelde regelingen worden geplaatst. De invoer vindt dan plaats en is aan de btw onderworpen in de lidstaat waar het goed aan één van die regelingen wordt onttrokken.
Derhalve heeft artikel 23, § 5, van het Btw-Wetboek tot gevolg dat er geen invoer (en dus geen belastbare handeling) in België plaatsvindt, wanneer een Uniegoed via België de Gemeenschap binnenkomt, onmiddellijk onder een in die bepaling bedoelde regeling wordt geplaatst en onder die regeling (of één van de andere bedoelde regelingen) het Belgische grondgebied verlaat.
Bovendien heeft de uitvoer uit de Gemeenschap van onder voornoemde regelingen opgeslagen goederen tot gevolg dat er geen invoer in een lidstaat van de Gemeenschap plaatsvindt. Wanneer de onder die regelingen opgeslagen goederen de Gemeenschap verlaten, worden zij voor de toepassing van de btw immers geacht niet aan de betrokken regeling te zijn onttrokken. Dergelijke goederenbewegingen geven bijgevolg dan ook geen aanleiding tot een aan de btw onderworpen invoer in een lidstaat van de Gemeenschap.
[Top]
Afdeling 4: Toepassing van de douanereglementering
1. Voorwaarden waaronder goederen op het Belgische grondgebied mogen worden gebracht
A. Binnenbrengen van niet-Uniegoederen
Overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, zijn niet-Uniegoederen die België binnenkomen aan de douanereglementering onderworpen, ook al gaat het om goederen die wegens hun aard, hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrechten zijn onderworpen.
Ingevolge die reglementering zijn goederen die het douanegebied van de Europese Unie binnenkomen, vanaf het tijdstip van binnenkomst, aan douanetoezicht onderworpen. Niet-Uniegoederen blijven aan douanetoezicht onderworpen totdat zij een andere douanestatus krijgen, zij het douanegebied van de Europese Unie hebben verlaten of zij vernietigd zijn.
Goederen die in het douanegebied van de Europese Unie worden gebracht, worden onmiddellijk bij aankomst bij de douane aangebracht bij het aangewezen douanekantoor, of op een daartoe door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats, waar de goederen moeten worden vertoond en aangegeven tijdens de openingsuren van dat kantoor. De verplichting de goederen te vertonen en aan te geven, geldt zowel voor de goederen waarvoor invoerrechten of accijnzen moeten worden betaald als voor de goederen die van die rechten zijn vrijgesteld.
Vanaf het moment dat zij bij de douane worden aangebracht, zijn niet-Uniegoederen in tijdelijke opslag. Zij worden binnen 90 dagen onder een douaneregeling geplaatst (meer bepaald die vermeld in de eerste twee bullet points in Afdeling 2, titel 1, rubriek F, van dit Hoofdstuk 4, hiervoor) of wederuitgevoerd. Indien daartoe gegronde redenen zijn, kunnen de douaneautoriteiten de vernietiging van de aangebrachte goederen eisen, de goederen in beslag nemen of de goederen verbeurd verklaren.
Tevens kunnen de goederen aan de staat worden afgestaan.
Voornoemde mogelijke bestemmingen inzake douane worden bondig toegelicht in titel 3 van deze Afdeling 4, hierna.
B. Binnenbrengen van Uniegoederen
Overeenkomstig artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, zijn Uniegoederen die België binnenkomen:
•ofwel rechtstreeks vanuit één van de gebieden opgesomd in artikel 1, § 4, eerste lid, van het Btw-Wetboek
•ofwel na in een andere lidstaat onder een regeling voor intern Uniedouanevervoer of een fiscale regeling die equivalent is aan een regeling bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 2°, 4°, 5°, 6° of 7°, van het Btw-Wetboek te zijn geplaatst,
aan de douanereglementering onderworpen, onder meer voor wat betreft de kantoren en wegen waarlangs de goederen mogen worden binnengebracht, de verplichting de goederen op die kantoren te vertonen en aan te geven en de uren tijdens dewelke die formaliteiten moeten worden verricht.
Overeenkomstig artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, en zoals reeds vermeld in Afdeling 3, titel 4, van dit Hoofdstuk 4, hiervoor, kunnen Uniegoederen in België onder een fiscale regeling worden geplaatst en verblijven onder dezelfde voorwaarden als die waaronder niet-Uniegoederen onder de overeenstemmende opschortende regeling inzake douane kunnen worden geplaatst en verblijven. Tevens kunnen Uniegoederen in België onder een regeling voor intern Uniedouanevervoer worden binnengebracht of in België onder die regeling worden geplaatst.
2. Procedure inzake douane bij het binnenkomen van goederen op het Belgisch grondgebied
A. Binnenbrengen van goederen
Overeenkomstig artikel 127 van het Douanewetboek van de Unie, wordt voor goederen die het douanegebied van de Europese Unie worden binnengebracht in beginsel een summiere aangifte bij binnenbrengen gedaan. Die summiere aangifte wordt binnen een specifieke termijn bij het douanekantoor van eerste binnenkomst ingediend, voordat de goederen het douanegebied van de Europese Unie binnenkomen. De summiere aangifte bij binnenbrengen bevat de informatie die nodig is voor een risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden.
De persoon die goederen in het douanegebied van de Europese Unie binnenbrengt, brengt deze onverwijld, in voorkomend geval via de door de douaneautoriteiten aangegeven route en op de door hen vastgestelde wijze, naar het door de douaneautoriteiten aangewezen douanekantoor of naar enige andere door deze autoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats. Daar worden zij door voornoemde persoon of door een andere persoon bij de douaneautoriteiten aangebracht.
De persoon die de goederen bij de douaneautoriteiten aanbrengt, verwijst naar de voor deze goederen ingediende summiere aangifte bij binnenbrengen. Bij de douane aangebrachte goederen mogen niet zonder toestemming van de douaneautoriteiten worden weggevoerd van de plaats waar zij zijn aangebracht.
Niet-Uniegoederen zijn in tijdelijke opslag vanaf het moment dat zij bij de douane worden aangebracht. Zij worden daarbij gedekt door een aangifte tot tijdelijke opslag, die wordt ingediend ten laatste op het moment dat de goederen bij de douane worden aangebracht. De aangifte tot tijdelijke opslag bevat een verwijzing naar elke summiere aangifte bij binnenbrengen die voor de bij de douane aangebrachte goederen is ingediend, behalve indien deze goederen reeds in tijdelijke opslag waren of onder een douaneregeling zijn geplaatst en het douanegebied van de Europese Unie niet hebben verlaten.
B. Plaatsing onder een douaneregeling of wederuitvoer
a. Algemeen
Niet-Uniegoederen in tijdelijke opslag worden binnen 90 dagen onder een douaneregeling geplaatst of wederuitgevoerd. Voor alle goederen die bestemd zijn om onder een douaneregeling te worden geplaatst, moet een douaneaangifte tot plaatsing onder de desbetreffende regeling worden gedaan. Ingeval de niet-Uniegoederen in tijdelijke opslag daarentegen het douanegebied van de Europese Unie verlaten, moet een kennisgeving van wederuitvoer worden ingediend. Het wederuitvoeren van niet-Uniegoederen die zich reeds onder een bijzondere regeling bevinden, vindt plaats met een aangifte tot wederuitvoer.
Een douaneaangifte kan worden ingediend door eenieder die in staat is alle informatie te verstrekken die vereist is voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven. Die persoon moet ook in staat zijn de goederen bij de douane aan te brengen of te doen aanbrengen. De aangever dient in beginsel in het douanegebied van de Europese Unie te zijn gevestigd.
Douaneaangiften die aan de door de douanereglementering gestelde voorwaarden voldoen, worden onmiddellijk door de douaneautoriteiten aanvaard, voor zover de desbetreffende goederen bij de douane zijn aangebracht.
Opmerking
Onder het stelsel van de gecentraliseerde vrijmaking kunnen de douaneautoriteiten een persoon, op diens verzoek, vergunning geven om bij het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar hij is gevestigd, een douaneaangifte in te dienen voor goederen die bij een ander douanekantoor bij de douane worden aangebracht. Dit stelsel is zowel binnen eenzelfde lidstaat als tussen verschillende lidstaten van toepassing.
Het douanekantoor waar de douaneaangifte is ingediend en het douanekantoor waar de goederen zijn aangebracht, wisselen dan de nodige informatie uit voor de verificatie van de douaneaangifte en voor de vrijgave van de goederen. Teneinde van dat stelsel te genieten, dient de aanvrager van voornoemde vergunning een geautoriseerde marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen te zijn.
b. Wijze van aangifte
Een douaneaangifte wordt in de regel elektronisch gedaan. Voor het plaatsen van niet-Uniegoederen onder een douaneregeling en van Uniegoederen onder de regeling intern Uniedouanevervoer of een fiscale regeling bedoeld in Afdeling 3, titel 4, van dit Hoofdstuk 4, hiervoor, wordt in de regel een formulier enig document gebruikt. Dat standaarddocument wordt in alle lidstaten van de Europese Unie gebruikt voor goederenbewegingen waarvoor overeenkomstig de douanereglementering een schriftelijke douaneaangifte is vereist.
Daarnaast wordt het enig document eveneens gebruikt voor het aangeven voor het verbruik van zowel niet-Uniegoederen als Uniegoederen die in België worden ingevoerd.
Voor het elektronisch indienen en verwerken van aangiften inzake douane, wordt gebruik gemaakt van de toepassing PaperLess Douane en Accijnzen (PLDA). Daarbij wordt de elektronische aangifte ingediend op het Enig kantoor van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen.
Sinds 01.07.2021 is het evenwel mogelijk om voor de invoer van zendingen met een geringe waarde en van zendingen tussen particulieren een elektronische douaneaangifte in te dienen via de toepassing Import Declaration Management System (IDMS). Het gaat meer bepaald om:
•zendingen van goederen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro die op grond van artikel 23, lid 1, van verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16.11.2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen, een vrijstelling van invoerrechten genieten wanneer zij voor het vrije verkeer worden aangegeven, voor zover de goederen in die zendingen niet aan verboden en beperkingen onderworpen zijn (B2B en B2C context).
•zendingen van goederen tussen particulieren die op grond van artikel 25, lid 1, van de verordening (EG) nr. 1186/2009 een vrijstelling van invoerrechten genieten wanneer zij voor het vrije verkeer worden aangegeven, voor zover de goederen in die zendingen niet aan verboden en beperkingen onderworpen zijn (C2C context)
Deze mogelijkheid is voorzien in artikel 143bis van de gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28.07.2015 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie.
Het betreft een douaneaangifte met een zeer beperkte dataset (dataset H7), die aldus minder gegevenselementen bevat dan de standaard douaneaangifte. Het gaat steeds om een douaneaangifte voor het vrij verkeer en ten verbruik.
Uiteraard heeft de persoon die de goederen bij de douane aanbrengt, steeds de mogelijkheid om voor de invoer van de goederen gebruik te maken van een standaard douaneaangifte.
Merk op dat de toepassing IDMS in de nabije toekomst de toepassing PLDA integraal zal vervangen voor wat de invoeren van goederen betreft. De toepassing IDMS zal in de loop van dit jaar gefaseerd worden uitgerold, met een geleidelijke uitbreiding van de scope en functionaliteiten. Voor meer informatie daaromtrent wordt verwezen naar de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen.
c. Vermeldingen in de douaneaangifte
Hierna wordt een korte omschrijving gegeven van de wijze waarop de voor de btw bij invoer relevante vakken van een douaneaangifte door middel van een formulier enig document worden ingevuld. Voor een omstandige bespreking wordt verwezen naar de toelichting van het enig document.
Voor de voor btw-doeleinden relevante gegevens in een douaneaangifte via IDMS in het kader van een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen, wordt verwezen naar ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 7, titel 3, rubriek H’.
Vak 1
In het eerste deelvak van vak 1 worden de Uniecodes IM, EU of CO vermeld. Ze worden als volgt gebruikt:
•IM: in het handelsverkeer met landen en gebieden die zich buiten het douanegebied van de Europese Unie bevinden, met uitzondering van de partijen bij de Overeenkomst inzake vereenvoudiging van de formaliteiten in het goederenverkeer (Zwitserland, Noorwegen, IJsland, Liechtenstein, Noord-Macedonië, Servië, Turkije, het Verenigd Koninkrijk en vanaf 01.10.2022 Oekraïne).
•De code IM wordt uitsluitend voor invoerbewegingen gebruikt.
•EU: in het handelsverkeer met de partijen bij de Overeenkomst inzake vereenvoudiging van de formaliteiten in het goederenverkeer (Zwitserland, Noorwegen, IJsland, Liechtenstein, Noord-Macedonië, Servië, Turkije, het Verenigd Koninkrijk en vanaf 01.10.2022 Oekraïne).
•De code EU wordt voor zowel invoer- als uitvoerbewegingen gebruikt.
•CO: voor de aangifte ten verbruik van Uniegoederen in het handelsverkeer tussen delen van het douanegebied van de Europese Unie die tot de Gemeenschap behoren en delen van dat gebied die niet tot de Gemeenschap behoren (zie Afdeling 2, titel 1, rubriek A, van dit Hoofdstuk 4, hiervoor).
•De code CO wordt voor zowel invoer- als uitvoerbewegingen gebruikt.
Vak 8
In vak 8 worden de naam en voornaam of de firmanaam, het volledige adres en het EORI-nummer (4) vermeld van de persoon in wiens naam de wegens invoer verschuldigde btw moet worden voldaan. Bedoelde persoon is de geadresseerde beoogd in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd (zie Afdeling 5, titel 3, rubriek B, van dit Hoofdstuk 4, hierna).
(4) Identificatienummer inzake douane bedoeld in artikel 1, punt 18, van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28.07.2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie.
Bij een door een lid van een btw-eenheid verrichte invoer dient de naam en voornaam of de firmanaam, het volledige adres en het EORI-nummer van het lid te worden vermeld. De invoer door een lid van een btw-eenheid wordt immers geacht door de btw-eenheid zelf te zijn verricht, maar ze moet verlopen op naam van het lid die de handeling stelt.
Indien de geadresseerde een niet in België gevestigde belastingplichtige is die niet over een individueel Belgisch btw-identificatienummer beschikt, maar voor de betreffende invoer in België een beroep doet op een vooraf erkende persoon bedoeld in artikel 55, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek, moeten de naam, het adres en het EORI-nummer van die niet in België gevestigde geadresseerde (de vertegenwoordigde) worden vermeld.
Vak 37
In vak 37 wordt de regeling vermeld waarvoor de goederen zijn aangegeven. In het eerste deelvak van vak 37 dient een viercijferige code te worden ingevuld, waarvan de eerste twee cijfers de gevraagde regeling en de laatste twee cijfers de voorafgaande regeling aanduiden.
Onder voorafgaande regeling wordt verstaan de regeling waaronder de goederen zich bevonden alvorens onder de gevraagde regeling te worden geplaatst. Indien er geen voorafgaande regeling is, wordt de code 00 gebruikt.
De meest gebruikte codes voor de invoer zijn:
•40 (gelijktijdige aangifte voor het vrije verkeer en ten verbruik van goederen met betaling in België of vrijstelling in België)
•42 (gelijktijdige aangifte voor het vrije verkeer en ten verbruik van goederen met vrijstelling van btw op grond van artikel 40, § 1, 1°, d), van het Btw-Wetboek)
•45 (aangifte voor het vrije verkeer en ten verbruik, hetzij met voorlopige vrijstelling inzake btw en inzake accijnzen, hetzij met voorlopige vrijstelling inzake btw, met plaatsing van de goederen onder de regeling btw-entrepot).
Vak 44
In vak 44 wordt het Belgische btw-identificatienummer van de in vak 8 vermelde geadresseerde vermeld, waaronder de invoer in België wordt verricht, zelfs ingeval het EORI-nummer en het btw-identificatienummer identiek zijn. Dat Belgische btw-identificatienummer moet in de EORI-databank gelinkt zijn aan het in vak 8 vermelde EORI-nummer. Het btw-identificatienummer dient in vak 44 voorafgegaan te worden door de TARIC-certificaatcode Y040.
Bij een door een lid van een btw-eenheid verrichte invoer dient het sub-btw-identificatienummer van het lid van de btw-eenheid te worden vermeld. Het btw-identificatienummer van de btw-eenheid zelf mag niet voorkomen in vak 44.
Indien de geadresseerde een niet in België gevestigde belastingplichtige is die over een individueel Belgisch btw-identificatienummer beschikt, dient na de TARIC-certificaatcode Y040 in vak 44 het individuele Belgische btw-identificatienummer van de niet in België gevestigde belastingplichtige te worden vermeld. Het Belgisch btw-identificatienummer moet in de EORI-databank gelinkt zijn aan het in vak 8 vermelde EORI-nummer.
Indien de geadresseerde een niet in België gevestigde belastingplichtige is die niet over een individueel Belgisch btw-identificatienummer beschikt, kan hij beroep doen op een vooraf erkende persoon bedoeld in artikel 55, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek. In dat geval dient na de TARIC-certificaatcode Y040 in vak 44 het globaal Belgisch btw-identificatienummer (met beginkenmerk BE 0796.5 of BE 0796.6) van die vooraf erkende persoon te worden vermeld.
Vak 47
In de eerste kolom wordt de soort belasting (invoerrechten, btw, accijnzen …) weergegeven. Voor de btw wordt de code B00 gebruikt.
In de tweede kolom wordt de heffingsgrondslag aangeduid. Voor de btw betreft het de maatstaf van heffing (zie Afdeling 5, titel 2, rubriek B, van dit Hoofdstuk 4, hierna).
In de derde kolom wordt het toepasselijke belastingtarief vermeld (inzake btw zie Afdeling 5, titel 2, rubriek A, van dit Hoofdstuk 4, hierna).
In de vierde kolom wordt het bedrag van de verschuldigde belasting opgenomen. Ingeval van vrijstelling, wordt de vermelding ‘vrijstelling’ aangebracht.
In de vijfde kolom wordt door middel van een code de gekozen wijze van betaling aangeduid. Indien in de vierde kolom de vermelding ‘vrijstelling’ is aangebracht, mag de vijfde kolom niet worden ingevuld, vermits er geen betaling heeft plaatsgevonden.
Vak 48
Indien toepassing wordt gemaakt van het stelsel van de verlegging van heffing bij invoer (zie Afdeling 5, titel 3, rubriek E, van dit Hoofdstuk 4, hierna), dient het nummer van de bijhorende vergunning E.T. 14.000 te worden vermeld. Dergelijke vergunning is een machtiging om de betaling van de bij invoer verschuldigde btw via de periodieke btw-aangifte te laten verlopen.
Merk op dat de huidige toepassing PLDA in de nabije toekomst integraal zal worden vervangen door de toepassing IDMS, voor wat de invoeren van goederen betreft, waardoor voornoemde vermeldingen op een andere wijze zullen moeten worden opgenomen in de douaneaangifte ten invoer. De toepassing IDMS zal in de loop van dit jaar gefaseerd worden uitgerold, met een geleidelijke uitbreiding van de scope en functionaliteiten. Voor meer informatie daaromtrent wordt verwezen naar de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen.
3. Bestemmingen inzake douane
In het internationaal goederenverkeer bestaat er een grote wisselwerking tussen de douanereglementering en de btw-wetgeving. Hierna wordt een beknopte omschrijving gegeven van de bestemmingen die overeenkomstig de douanereglementering aan ingevoerde goederen kunnen worden gegeven evenals van de gevolgen ervan voor de toepassing van de btw.
A. Regeling tijdelijke opslag
Goederen die in het douanegebied van de Europese Unie worden binnengebracht, moeten onverwijld, in voorkomend geval via de door de douaneautoriteiten aangegeven route en op de door hen vastgestelde wijze, naar het door de douaneautoriteiten aangewezen douanekantoor of naar enige andere door deze autoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats worden gebracht.
Niet-Uniegoederen zijn in tijdelijke opslag vanaf het moment dat zij bij de douane worden aangebracht. Bij de douane aangebrachte niet-Uniegoederen worden gedekt door een aangifte tot tijdelijke opslag die alle gegevens bevat die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor tijdelijke opslag. De aangifte tot tijdelijke opslag wordt ingediend ten laatste op het moment dat de goederen bij de douane worden aangebracht.
Goederen in tijdelijke opslag worden alleen in ruimten voor tijdelijke opslag opgeslagen. Voor het beheer van dergelijke ruimten is een vergunning van de douaneautoriteiten vereist, tenzij de beheerder van de tijdelijke opslagruimte de douaneautoriteit zelf is. Indien gerechtvaardigd, mogen de goederen op een andere door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats worden opgeslagen.
Goederen die onder de regeling tijdelijke opslag zijn geplaatst, mogen geen andere behandelingen ondergaan dan die welke noodzakelijk zijn om deze goederen in ongewijzigde staat te behouden zonder dat de presentatie of de technische kenmerken worden gewijzigd.
Niet-Uniegoederen in tijdelijke opslag worden binnen 90 dagen onder een douaneregeling geplaatst (meer bepaald die vermeld in de eerste twee bullet points in Afdeling 2, titel 1, rubriek F, van dit Hoofdstuk 4, hiervoor) of wederuitgevoerd.
Overeenkomstig artikel 23, § 4, 1°, van het Btw-Wetboek, vindt er geen invoer in België plaats zolang niet-Uniegoederen zich hier te lande onder een regeling van tijdelijke opslag bevinden.
B. Regeling in het vrije verkeer brengen
a. Principe
Niet-Uniegoederen die bestemd zijn om op de markt van de Unie te worden gebracht of bestemd zijn voor particulier gebruik of consumptie binnen het douanegebied van de Europese Unie, worden geplaatst onder de regeling in het vrije verkeer brengen. Niet-Uniegoederen die in het vrije verkeer worden gebracht, verkrijgen daardoor de douanestatus van Uniegoederen. In het vrije verkeer gebrachte goederen mogen in het douanegebied van de Europese Unie worden vervoerd, opgeslagen en verhandeld zonder aan douanetoezicht te zijn onderworpen.
Het in het vrije verkeer brengen omvat volgende handelingen:
•de inning van verschuldigde invoerrechten
•de inning, voor zover van toepassing, van andere heffingen, overeenkomstig de relevante voorschriften met betrekking tot de inning van deze heffingen
•de toepassing van handelspolitieke maatregelen en verboden en beperkingen voor zover deze niet in een eerder stadium moeten worden toegepast, en
•de vervulling van de andere formaliteiten voor de invoer van de goederen.
Het in het vrije verkeer brengen geschiedt in de regel met het formulier enig document gebruikt als:
•aangifte IM of EU, regeling 40, 41, 42, 43, 45 of 48, wanneer de goederen gelijktijdig in het vrije verkeer worden gebracht en ten verbruik worden aangegeven
•aangifte IM of EU, regeling 61, 63 of 68, wanneer tijdelijk uit het douanegebied van de Europese Unie uitgevoerde goederen worden wederingevoerd en gelijktijdig in het vrije verkeer worden gebracht en ten verbruik worden aangegeven.
Wanneer niet-Uniegoederen in België in het vrije verkeer worden gebracht:
•ofwel onmiddellijk bij het binnenkomen van die goederen
•ofwel bij hun onttrekking in België aan een opschortende regeling inzake douane (zie de regelingen bedoeld in Afdeling 3, titel 3, rubriek A, van dit Hoofdstuk 4, hiervoor)
vindt er in België een invoer plaats en moeten de goederen voor het verbruik worden aangegeven op het stuk van de btw.
b. Bijzondere situatie van de in de territoriale zee gelegen boor- en werkeilanden
Voornoemde btw-gevolgen gelden evenwel niet voor goederen die onder de douaneregeling van de bijzondere bestemmingen worden gebruikt om integrerend deel uit te maken van in de territoriale zee gelegen boor- of werkeilanden of dienen voor de bevoorrading van die eilanden. Die situatie wordt bedoeld in artikel 23, § 4, 7°, van het Btw-Wetboek.
In het kader van die regeling worden goederen die bestemd zijn om voor voornoemde doeleinden te worden aangewend, in het vrije verkeer gebracht zonder heffing van de invoerrechten. Ze genieten van een zogenaamd nulrecht. De niet-heffing van de invoerrechten is evenwel niet definitief.
Hoewel de goederen ingevolge hun aangifte voor het vrije verkeer de douanestatus van Uniegoederen hebben verkregen, blijven ze aan het douanetoezicht en de eventuele heffing van invoerrechten onderworpen. Dat toezicht eindigt pas wanneer de goederen uit het douanegebied van de Europese Unie worden uitgevoerd, wanneer ze worden vernietigd of wanneer de douane toestaat dat ze worden gebruikt voor andere doeleinden dan die welke zijn voorgeschreven voor de toepassing van het nulrecht.
In dat laatste geval kan het toegepaste nulrecht niet worden gehandhaafd en moeten de niet geheven invoerrechten worden voldaan. Wanneer de goederen daarentegen worden uitgevoerd of onder douanetoezicht volledig worden vernietigd, dient niet op het toegepaste nulrecht te worden teruggekomen.
Op het stuk van de btw vindt er in dergelijke situatie geen invoer in België plaats, overeenkomstig artikel 23, § 4, 7°, van het Btw-Wetboek. Derhalve vindt er op grond van artikel 24, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek geen belastbare feit plaats op het tijdstip dat de bedoelde goederen in het kader van de douaneregeling van de bijzondere bestemmingen voor het vrije verkeer worden aangegeven met toepassing van het nulrecht. Veralgemeend kan worden gesteld dat er slechts een aan de btw onderworpen invoer plaatsvindt, wanneer de goederen aan het stelsel van de bijzondere bestemmingen worden onttrokken in omstandigheden waarin op het toegepaste nulrecht moet worden teruggekomen.
C. Regeling douanevervoer
De regeling voor douanevervoer omvat een regeling voor extern douanevervoer en een regeling voor intern douanevervoer.
De begrippen extern en intern hebben geen geografische betekenis, maar verwijzen naar de douanestatus van de vervoerde goederen. De regeling extern douanevervoer geldt gewoonlijk voor het vervoer van niet-Uniegoederen (in het kader van die regeling ook T1-goederen genoemd) en de regeling intern douanevervoer heeft betrekking op het vervoer van Uniegoederen (in het kader van die regeling ook T2-goederen genoemd).
a. Regeling extern douanevervoer
Onder de regeling extern douanevervoer kunnen niet-Uniegoederen van een plaats in het douanegebied van de Europese Unie naar een andere plaats in het douanegebied van de Europese Unie worden vervoerd, zonder dat zij worden onderworpen aan:
•invoerrechten
•andere heffingen overeenkomstig andere toepasselijke voorschriften
•handelspolitieke maatregelen, voor zover zij de binnenkomst in of het uitgaan van goederen uit het douanegebied van de Europese Unie niet verbieden.
Het extern douanevervoer vindt meestal plaats met toepassing van de regeling extern Uniedouanevervoer, dat wil zeggen met een aangifte NCTS in de normale procedure. Operatoren die over een vergunning beschikken, kunnen vereenvoudigde procedures inzake Uniedouanevervoer gebruiken.
In bepaalde specifieke gevallen kan het vervoer plaatsvinden overeenkomstig de TIR-overeenkomst, overeenkomstig de ATA-overeenkomst/Overeenkomst van Istanboel, onder geleide van het Rijnvaartmanifest, onder geleide van formulier 302 of onder het poststelsel.
Wanneer niet-Uniegoederen België binnenkomen onder een regeling extern douanevervoer, vindt er in België, overeenkomstig artikel 23, § 4, 3°, van het Btw-Wetboek, geen invoer plaats zolang de goederen er niet aan die regeling worden onttrokken.
b. Regeling intern douanevervoer
Onder de regeling intern douanevervoer kunnen Uniegoederen van een plaats in het douanegebied van de Europese Unie naar een andere plaats in het douanegebied van de Europese Unie worden vervoerd, via een buiten dat douanegebied gelegen land of grondgebied, zonder wijziging van hun douanestatus.
Het intern douanevervoer vindt meestal plaats onder de regeling intern Uniedouanevervoer, voor zover een internationale overeenkomst in die mogelijkheid voorziet. In de normale procedure gebeurt dat met een aangifte NCTS. Operatoren die over een vergunning beschikken, kunnen vereenvoudigde procedures inzake Uniedouanevervoer gebruiken.
Uniegoederen die voor intern Uniedouanevervoer zijn aangegeven, bevinden zich onder douanetoezicht vanaf de aanvaarding van de aangifte tot plaatsing onder die regeling totdat de regeling regelmatig wordt aangezuiverd in de lidstaat van bestemming, de goederen het douanegebied van de Europese Unie verlaten, de goederen aan de staat worden afgestaan, de goederen worden vernietigd of de douaneaangifte ongeldig is gemaakt.
In bepaalde specifieke gevallen kan het vervoer plaatsvinden overeenkomstig de TIR-overeenkomst, overeenkomstig de ATA-overeenkomst/Overeenkomst van Istanboel, onder geleide van het Rijnvaartmanifest, onder geleide van formulier 302 of onder het poststelsel.
Wanneer Uniegoederen, afkomstig uit of in het vrije verkeer gebracht in de Gemeenschap:
•vanuit een lidstaat van de Gemeenschap, via een derde land, naar een andere lidstaat van de Gemeenschap worden vervoerd
•onder geleide van een in de lidstaat van vertrek gevalideerde aangifte voor intern (Unie)douanevervoer
•en de regeling intern (Unie)douanevervoer in de lidstaat van bestemming regelmatig wordt aangezuiverd
wordt die goederenbeweging in de lidstaat van bestemming niet als een invoer in de zin van artikel 23, § 1, van het Btw-Wetboek aangemerkt. Het betreft dan een louter intracommunautaire handeling die in de lidstaat van bestemming aanleiding kan geven tot een aan de belasting onderworpen handeling (intracommunautaire verwerving, intracommunautaire afstandsverkoop of een levering met montage of installatie).
Voorbeeld
Een in Italië gevestigde belastingplichtige olijventeler verkoopt zelf geteelde olijven aan een in België gevestigde belastingplichtige speciaalzaak B. Beiden zijn gehouden tot de indiening van periodieke btw-aangiften en handelen in de uitoefening van hun economische activiteit. De olijven worden van Milaan naar Brussel vervoerd, via Zwitserland, onder geleide van een in Italië gevalideerde T2-aangifte.
Bij ontstentenis van een invoer in de Gemeenschap in de zin van artikel 23, § 1, van het Btw-Wetboek, is er ingevolge de onttrekking van de olijven aan de regeling intern Uniedouanevervoer in België geen btw verschuldigd. B verricht in België evenwel een aan de belasting onderworpen intracommunautaire verwerving van goederen.
De regeling intern Uniedouanevervoer wordt niet alleen gebruikt om Uniegoederen met behoud van hun douanestatus over derde landen te vervoeren, maar wordt voor btw-doeleinden ook toegepast voor het vervoer van Uniegoederen binnen het douanegebied van de Europese Unie. Meer bepaald, wanneer Uniegoederen worden vervoerd langs zowel het grondgebied van de Gemeenschap als een gedeelte van het douanegebied van de Europese Unie dat buiten de werkingssfeer van de btw valt (zie Afdeling 2, titel 1, rubriek A, van dit Hoofdstuk 4, hiervoor).
De regeling intern Uniedouanevervoer geldt immers voor Uniegoederen die worden verzonden:
•van een gedeelte van het douanegebied van de Europese Unie dat buiten de werkingssfeer van de btw valt naar het grondgebied van de Gemeenschap
•van een gedeelte van het douanegebied van de Europese Unie dat buiten de werkingssfeer van de btw valt naar een ander gedeelte van het douanegebied van de Europese Unie dat eveneens buiten de werkingssfeer van de btw valt, met gebruikmaking van het grondgebied van de Gemeenschap
•van het grondgebied van de Gemeenschap naar een gedeelte van het douanegebied van de Europese Unie dat buiten de werkingssfeer van de btw valt.
Het binnenbrengen van Uniegoederen in de Gemeenschap, bedoeld in de eerste twee situaties, betreft een invoer bedoeld in artikel 23, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek, die overeenkomstig artikel 23, § 5, van het Btw-Wetboek slechts aan de btw onderworpen is in de lidstaat waar de goederen desgevallend aan de regeling intern Uniedouanevervoer worden onttrokken om voor het verbruik te worden aangegeven. Indien de goederen uit de Gemeenschap worden uitgevoerd na doorlopend in één of meerdere lidstaten te zijn geplaatst onder een regeling intern Uniedouanevervoer of één van de fiscale regelingen die equivalent zijn aan de regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 2°, 4°, 5°, 6° of 7°, van het Btw-Wetboek, vindt er voor de toepassing van de btw in geen enkele van de betrokken lidstaten een invoer plaats.
De goederenbeweging, bedoeld in de derde situatie, betreft een uitvoer voor de toepassing van de btw (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer, Afdeling 2’).
D. Regeling douane-entrepot
Onder de regeling douane-entrepot kunnen niet-Uniegoederen in het douanegebied van de Europese Unie worden opgeslagen zonder dat zij worden onderworpen aan:
•invoerrechten
•andere heffingen overeenkomstig andere toepasselijke voorschriften
•handelspolitieke maatregelen, voor zover zij de binnenkomst in of het uitgaan van goederen uit het douanegebied van de Europese Unie niet verbieden.
Een douane-entrepot is een door de douaneautoriteiten goedgekeurde en onder toezicht van de douaneautoriteiten staande ruimte of andere locatie. Het kan een publiek douane-entrepot (type I, II of III) of een particulier douane-entrepot zijn. Een publiek douane-entrepot kan door iedereen worden gebruikt, terwijl een particulier douane-entrepot is voorbehouden voor de opslag van goederen door de houder van een vergunning douane-entrepot. Onder laatstgenoemde persoon wordt verstaan de persoon die door de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen gemachtigd is het entrepot te beheren.
Er wordt vergunning verleend voor het beheer van een opslagruimte gebruikt als douane-entrepot van goederen op voorwaarde dat de opslagruimte niet wordt gebruikt voor de detailhandel, tenzij goederen in het klein worden verkocht in een van de volgende situaties:
•met vrijstelling van invoerrechten aan reizigers naar of van landen of gebieden buiten het douanegebied van de Unie
•met vrijstelling van invoerrechten aan leden van internationale organisaties
•met vrijstelling van invoerrechten aan NAVO-strijdkrachten
•met vrijstelling van invoerrechten in het kader van diplomatieke of consulaire overeenkomsten
•op afstand, daaronder begrepen via het internet.
Voor de opslag van goederen onder de regeling douane-entrepot geldt in beginsel geen tijdsbeperking, waardoor zij gedurende een onbeperkte periode onder de regeling kunnen blijven opgeslagen. In uitzonderlijke gevallen kunnen de douaneautoriteiten een termijn voor de zuivering van de regeling vaststellen, met name wanneer de soort en de aard van de goederen in geval van langdurige opslag een gevaar kunnen vormen voor de gezondheid van mens, dier en plant of voor het milieu.
Goederen die onder de regeling douane-entrepot zijn geplaatst, kunnen gebruikelijke behandelingen ondergaan om ze in goede staat te bewaren, ter verbetering van de presentatie of handelskwaliteit of ter voorbereiding van de distributie of wederverkoop. De lijst van toegestane gebruikelijke behandelingen is opgenomen in bijlage 71-03 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446.
De opslag van goederen onder de regeling geschiedt met een aangifte IM of EU, regeling 71.
Het binnenbrengen in de Gemeenschap van niet-Uniegoederen die onder de regeling douane-entrepot worden geplaatst, is een invoer in de zin van artikel 23, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek. Dergelijke invoer is evenwel slechts aan de btw onderworpen in de lidstaat waar de goederen aan die regeling worden onttrokken om in het vrije verkeer te worden gebracht, overeenkomstig artikel 23, § 4, 5°, van het Btw-Wetboek.
E. Regeling actieve veredeling
a. Algemeen
Onder de regeling actieve veredeling kunnen niet-Uniegoederen in het douanegebied van de Europese Unie worden gebruikt bij één of meer veredelingen zonder dat zij worden onderworpen aan:
•invoerrechten
•andere heffingen overeenkomstig andere toepasselijke voorschriften
•handelspolitieke maatregelen, voor zover zij de binnenkomst in of het uitgaan van goederen uit het douanegebied van de Europese Unie niet verbieden.
In andere gevallen dan herstelling en vernietiging, mag uitsluitend van de regeling actieve veredeling gebruik worden gemaakt indien, onverminderd het gebruik van hulpmiddelen bij de productie, de onder de regeling geplaatste goederen in de veredelingsproducten kunnen worden geïdentificeerd. De regeling actieve veredeling geldt voor vernietiging, behalve wanneer de vernietiging door de douane of onder haar toezicht geschiedt.
Van de regeling actieve veredeling kan ook gebruik worden gemaakt voor elk van de volgende goederen:
•goederen die bestemd zijn om te worden bewerkt om ze in overeenstemming te brengen met technische vereisten zodat ze in het vrije verkeer kunnen worden gebracht
•goederen die gebruikelijke behandelingen moeten ondergaan om ze in goede staat te bewaren, ter verbetering van de presentatie of handelskwaliteit of ter voorbereiding van de distributie of wederverkoop.
De douaneautoriteiten stellen de termijn (verlengbaar) vast waarbinnen de regeling actieve veredeling moet worden gezuiverd. Die termijn gaat in op de datum waarop de niet-Uniegoederen onder de regeling zijn geplaatst en wordt vastgesteld met inachtneming van de tijd die nodig is om de veredeling uit te voeren en de regeling te zuiveren.
Hierbij wordt opgemerkt dat de regeling actieve veredeling kan worden gezuiverd door de veredelingsproducten in het vrije verkeer te brengen en voor het verbruik aan te geven. De wederuitvoer van de veredelingsproducten is geen voorwaarde voor de toepassing van de regeling actieve veredeling.
De plaatsing van goederen onder de regeling actieve veredeling geschiedt met een aangifte IM of EU, regeling 51.
De Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen aanvaardt de toepassing van de regeling actieve veredeling ook wanneer de niet-Uniegoederen die het douanegebied van de Europese Unie worden binnengebracht, noch aan rechten bij invoer noch aan handelspolitieke maatregelen zijn onderworpen. De regeling actieve veredeling dient in dat geval enkel voor btw-doeleinden, met name het niet verschuldigd worden van de btw zolang de goederen zich onder de regeling bevinden.
Het binnenbrengen in de Gemeenschap van niet-Uniegoederen die onder de regeling actieve veredeling worden geplaatst, is een invoer bedoeld in artikel 23, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek. Dergelijke invoer is evenwel slechts aan de btw onderworpen in de lidstaat waar de goederen aan die regeling worden onttrokken om in het vrije verkeer te worden gebracht, overeenkomstig artikel 23, § 4, 6°, van het Btw-Wetboek.
b. Equivalentieverkeer en voorafgaande uitvoer
De systemen van het equivalentieverkeer en de voorafgaande uitvoer laten de verwerkingsonderneming toe de rotatie van haar goederenvoorraad te optimaliseren.
Het systeem van het equivalentieverkeer biedt de mogelijkheid om in het productieproces van de veredelingsproducten, equivalente Uniegoederen te gebruiken in plaats van niet-Uniegoederen.
De equivalente goederen moeten in beginsel onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur zijn ingedeeld en dezelfde handelskwaliteit en technische kenmerken hebben als de goederen die zij vervangen.
Worden echter eveneens als equivalente goederen voor de regeling actieve veredeling aangemerkt:
•goederen die zich in een verder gevorderd fabricagestadium bevinden dan de onder de regeling actieve veredeling geplaatste niet-Uniegoederen wanneer het voornaamste deel van de veredeling van deze equivalente goederen in het bedrijf van de vergunninghouder of namens hem in een ander bedrijf wordt verricht
•in geval van herstelling, nieuwe goederen in plaats van gebruikte goederen of goederen die zich in een betere staat bevinden dan de onder de regeling actieve veredeling geplaatste niet-Uniegoederen
•goederen met vergelijkbare technische kenmerken als de goederen die zij vervangen, mits zij onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld zijn en dezelfde handelskwaliteit hebben.
Het gebruik van equivalente goederen wordt niet toegestaan indien uitsluitend gebruikelijke behandelingen worden verricht om ze in goede staat te bewaren, ter verbetering van de presentatie of handelskwaliteit of ter voorbereiding van de distributie of wederverkoop.
Op basis van het systeem van de voorafgaande uitvoer kunnen de uit equivalente goederen verkregen veredelingsproducten buiten het douanegebied van de Europese Unie worden uitgevoerd, voorafgaand aan de invoer van de niet-Uniegoederen die zij vervangen.
Dat systeem kan bijvoorbeeld worden toegepast om dringende leveringen te verrichten wanneer geen enkel niet-Uniegoed beschikbaar is om te worden ingevoerd. Ter vervanging van de gebruikte equivalente Uniegoederen kunnen nadien niet-Uniegoederen worden ingevoerd met vrijstelling van invoerrechten. De voorafgaande uitvoer is dus enkel mogelijk wanneer equivalente goederen worden gebruikt.
In de economie van de regelingen equivalentieverkeer en voorafgaande uitvoer doet zich een verandering voor in de douanestatus van de goederen. De ingevoerde niet-Uniegoederen verkrijgen de status van de equivalente Uniegoederen en worden dus Uniegoederen, terwijl de equivalente Uniegoederen de status verkrijgen van de ingevoerde niet-Uniegoederen en dus niet-Uniegoederen worden.
De verandering van de douanestatus van de ingevoerde niet-Uniegoederen vindt plaats zonder dat die goederen douanetechnisch worden onttrokken aan de regeling actieve veredeling, waaronder ze bij hun invoer zijn geplaatst. Bij ontstentenis van een onttrekking van de ingevoerde niet-Uniegoederen aan die regeling, vindt er voor de toepassing van de btw geen invoer plaats en is er bijgevolg geen btw wegens invoer verschuldigd.
F. Regeling tijdelijke invoer
Onder de regeling tijdelijke invoer kan aan voor wederuitvoer bestemde niet-Uniegoederen in het douanegebied van de Europese Unie een specifieke bestemming worden gegeven, met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten, zonder dat zij aan een van de volgende maatregelen onderworpen zijn:
•andere heffingen overeenkomstig andere toepasselijke voorschriften
•handelspolitieke maatregelen, voor zover zij de binnenkomst in of het uitgaan van goederen uit het douanegebied van de Europese Unie niet verbieden.
De regeling tijdelijke invoer mag alleen worden gebruikt indien de goederen niet bestemd zijn om enige wijziging te ondergaan, met uitzondering van hun normale waardevermindering door gebruik.
De douaneautoriteiten stellen de termijn (verlengbaar) vast waarbinnen de goederen die onder de regeling tijdelijke invoer zijn geplaatst, wederuitgevoerd moeten zijn of onder een volgende douaneregeling moeten zijn geplaatst. Deze termijn moet lang genoeg zijn om het doel van het toegestane gebruik te bereiken.
Het plaatsen van de goederen onder de regeling tijdelijke invoer geschiedt in principe met een aangifte IM of EU, regeling 53. Voor vervoermiddelen wordt de vrijstelling evenwel meestal zonder douanedocument verleend.
a. Regeling tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten
De goederen die tijdelijk kunnen worden ingevoerd met volledige vrijstelling van invoerrechten worden op limitatieve wijze opgesomd in de artikelen 208 tot en met 236 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446.
Volgende tabel geeft een overzicht van de goederen die met volledige vrijstelling van invoerrechten kunnen worden ingevoerd en verwijst tevens naar de overeenkomstige wettelijke bepaling:
Het binnenbrengen in de Gemeenschap van niet-Uniegoederen die onder de regeling tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten worden geplaatst, is een invoer bedoeld in artikel 23, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek. Dergelijke invoer is evenwel slechts aan de btw onderworpen in de lidstaat waar de goederen aan die regeling worden onttrokken om in het vrije verkeer te worden gebracht, overeenkomstig artikel 23, § 4, 2°, van het Btw-Wetboek.
b. Regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten
De regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten wordt in de regel toegestaan voor goederen die in de tabel vermeld in subrubriek a, van deze rubriek F, hiervoor, zijn opgenomen, maar niet voldoen aan de voorwaarden om tijdelijk te worden ingevoerd met volledige vrijstelling van invoerrechten. Daarnaast is de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten echter ook mogelijk voor goederen die niet in bedoelde tabel zijn opgenomen.
Bij het plaatsen van niet-Uniegoederen onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten, zijn invoerrechten verschuldigd naar verhouding van hun verblijfsduur onder die regeling.
Het verschuldigde bedrag aan invoerrechten voor goederen die onder die regeling zijn geplaatst, is 3% van het bedrag aan invoerrechten dat over die goederen zou zijn geheven indien deze op de datum waarop zij onder de regeling tijdelijke invoer werden geplaatst, in het vrije verkeer zouden zijn gebracht. Dat bedrag is verschuldigd per maand of gedeelte van een maand dat de goederen zich onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten hebben bevonden.
Het bedrag aan invoerrechten mag evenwel niet hoger zijn dan het bedrag dat zou zijn geheven indien de betrokken goederen op de datum waarop zij onder de regeling tijdelijke invoer werden geplaatst, in het vrije verkeer zouden zijn gebracht.
Het, via België, in de Gemeenschap binnenbrengen van niet-Uniegoederen die onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten worden geplaatst, is een invoer bedoeld in artikel 23, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek. Overeenkomstig artikel 23, §§ 2 en 3, van het Btw-Wetboek, vindt die invoer in België plaats. Bij het plaatsen van de goederen onder voornoemde douaneregeling moeten ze voor de toepassing van de btw in België voor het verbruik worden aangegeven, vermits die regeling geen opschortende regeling inzake btw is in de zin van artikel 23, § 4, van het Btw-Wetboek.
Wanneer de begunstigde van de gedeeltelijke vrijstelling inzake invoerrechten tevens de geadresseerde inzake btw (zie Afdeling 5, titel 3, rubriek B, van dit Hoofdstuk 4, hierna) is, vindt de aangifte tot plaatsing van de goederen onder betreffende douaneregeling en de aangifte ten verbruik plaats met eenzelfde aangifte IM of EU, regeling 53. Indien dat niet het geval is, vindt de aangifte ten verbruik plaats met een onderscheiden douaneaangifte CO op naam van de geadresseerde.
Wanneer de verschuldigde invoerrechten na de aanzuivering van de regeling worden betaald, dient ook de btw over die rechten te worden voldaan.
G. Regeling passieve veredeling
Onder de regeling passieve veredeling kunnen Uniegoederen tijdelijk uit het douanegebied van de Europese Unie worden uitgevoerd om te worden veredeld. De uit die goederen voortkomende veredelingsproducten kunnen vervolgens met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten in het vrije verkeer worden gebracht.
De douaneautoriteiten stellen de termijn (verlengbaar) vast waarbinnen tijdelijk uitgevoerde goederen in de vorm van veredelingsproducten opnieuw in het douanegebied van de Europese Unie moeten worden ingevoerd en in het vrije verkeer moeten worden gebracht om in aanmerking te kunnen komen voor gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten.
De wederinvoer geschiedt met een aangifte IM of EU, regeling 61, 63 of 68, indien de veredelingsproducten in het vrije verkeer worden gebracht.
De douaneregeling passieve veredeling is geen opschortende regeling inzake btw in de zin van artikel 23, § 4, van het Btw-Wetboek en staat los van de vrijstelling voorzien in artikel 40, § 1, 2°, b), van het Btw-Wetboek met betrekking tot de wederinvoer van goederen die tijdelijk uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd om er een herstelling, een bewerking, een verwerking of een aanpassing te ondergaan.
Laatstgenoemde vrijstelling is immers onderworpen aan voorwaarden die eigen zijn aan de btw-reglementering (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer, Afdeling 5, titel 3, rubriek G’).
H. Regeling vrije zone
De lidstaten kunnen in bepaalde delen van het douanegebied van de Europese Unie vrije zones instellen. Zij bepalen van elke vrije zone de geografische grenzen en stellen de in- en uitgangen ervan vast. De grenzen en de in- en uitgangen van de vrije zones staan onder douanetoezicht. Personen, goederen en vervoermiddelen die een vrije zone binnenkomen of verlaten, kunnen aan douanecontroles worden onderworpen.
Onder de regeling vrije zone kunnen niet-Uniegoederen in het douanegebied van de Europese Unie worden opgeslagen zonder dat zij worden onderworpen aan:
•invoerrechten
•andere heffingen overeenkomstig andere toepasselijke voorschriften
•handelspolitieke maatregelen, voor zover zij de binnenkomst in of het uitgaan van goederen uit het douanegebied van de Europese Unie niet verbieden.
Goederen die in een vrije zone zijn geplaatst, kunnen gebruikelijke behandelingen ondergaan om ze in goede staat te bewaren, ter verbetering van de presentatie of handelskwaliteit of ter voorbereiding van de distributie of wederverkoop. De lijst van toegestane gebruikelijke behandelingen is opgenomen in bijlage 71-03 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446.
In België wordt aan de economische behoefte inzake de opslag van niet-Uniegoederen voldaan door de toepassing van de regeling douane-entrepot. Derhalve heeft de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen geen vrije zones ingesteld.
I. Wederuitvoer
In het geval van niet-Uniegoederen die het douanegebied van de Europese Unie verlaten, wordt bij het bevoegde douanekantoor een kennisgeving van wederuitvoer of een aangifte tot wederuitvoer ingediend.
Wanneer niet-Uniegoederen het grondgebied van de Gemeenschap binnenkomen en terug verlaten, na doorlopend in één of meerdere lidstaten onder één of meerdere opschortende regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, van het Btw-Wetboek te zijn geplaatst, vindt er een invoer in de Gemeenschap plaats, overeenkomstig artikel 23, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek. Bij gebrek aan een onttrekking aan één van die opschortende regelingen in de Gemeenschap, kan er in dergelijk geval evenwel geen lidstaat van invoer worden aangeduid. Bij ontstentenis van een invoer in één van de betrokken lidstaten, geeft die goederenbeweging derhalve geen aanleiding tot een btw-heffing op de invoer.
J. Verwijdering van goederen
Indien daartoe gegronde redenen zijn, kunnen de douaneautoriteiten de vernietiging van de aangebrachte goederen eisen, de goederen in beslag nemen of de goederen verbeurd verklaren. Tevens kunnen niet-Uniegoederen en goederen die onder de regeling bijzondere bestemming zijn geplaatst, met voorafgaande toestemming van de douaneautoriteiten, aan de staat worden afgestaan.
Niet-Uniegoederen die aan de staat zijn afgestaan, in beslag zijn genomen of zijn verbeurd verklaard, worden geacht onder de regeling douane-entrepot te zijn geplaatst. De eventuele restanten en het eventuele afval van een vernietiging dienen onder één van de voor niet-Uniegoederen voorziene douaneregelingen te worden geplaatst.
[Top]
Afdeling 5: Invoer met voldoening van de btw
1. Belastbare feit en tijdstip van opeisbaarheid van de belasting
A. Algemene regel
Overeenkomstig artikel 24, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek, vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip waarop de invoer van het goed in België geschiedt.
Overeenkomstig artikel 24, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek, geschiedt de invoer in België op het tijdstip waarop het goed in België wordt binnengebracht of, wanneer het goed vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap werd geplaatst onder één van de in artikel 23, §§ 4 en 5, van het Btw-Wetboek bedoelde regelingen, op het tijdstip waarop dat goed in België aan die regeling wordt onttrokken.
B. Afwijkende regel met betrekking tot het tijdstip van opeisbaarheid
a. Principe
Om het tijdstip waarop de btw verschuldigd is in de praktijk steeds te laten samenvallen met het tijdstip waarop de invoerrechten verschuldigd zijn, bepaalt artikel 24, § 2, van het Btw-Wetboek dat het tijdstip van opeisbaarheid inzake btw plaatsvindt:
•op het tijdstip van het ontstaan van de douaneschuld, indien de ingevoerde goederen zijn onderworpen aan invoerrechten, aan landbouwheffingen of aan heffingen van gelijke werking die zijn ingesteld in het kader van een gemeenschappelijk beleid
•op het tijdstip bepaald overeenkomstig de vigerende bepalingen met betrekking tot het vaststellen van het tijdstip van het ontstaan van de douaneschuld, indien de ingevoerde goederen niet aan één van die communautaire rechten zijn onderworpen (bijvoorbeeld: goederen waarop een nulrecht van toepassing is of goederen afkomstig uit een gedeelte van het douanegebied van de Europese Unie dat buiten de werkingssfeer van de btw valt).
Onder douaneschuld bij invoer wordt verstaan, de verplichting van een persoon tot betaling van het bedrag aan invoerrechten dat uit hoofde van de geldende douanewetgeving verschuldigd is.
De situaties die aanleiding geven tot het ontstaan van een douaneschuld bij invoer evenals het tijdstip van het ontstaan van die douaneschuld zijn opgenomen in de artikelen 77 tot en met 79 van het Douanewetboek van de Unie. De meest voorkomende gevallen worden in onderstaande tabel weergegeven.
In het algemeen ontstaat een douaneschuld wanneer aan invoerrechten onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht. Zoals blijkt uit bovenstaande tabel, ontstaat de douaneschuld in dat geval op het tijdstip waarop de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen door de douaneautoriteiten wordt aanvaard.
Douaneaangiften die aan de door de douanereglementering gestelde voorwaarden voldoen, worden onmiddellijk door de douaneautoriteiten aanvaard, voor zover de desbetreffende goederen bij de douane zijn aangebracht.
b. Voorbeelden
Voorbeeld 1
Aan invoerrechten onderworpen goederen worden op 01.02.2023, via Portugal, het douanegebied van de Europese Unie binnengebracht, waar ze met het oog op hun verzending naar België onmiddellijk onder de regeling extern Uniedouanevervoer worden geplaatst door middel van een aangifte T1. Die aangifte vermeldt het douanekantoor van Brussel als kantoor van bestemming. De geldigheidsduur van voormelde aangifte verstrijkt op 15.02.2023. De goederen komen op 06.02.2023 aan op het douanekantoor van Brussel en worden er op 07.02.2023 in het vrije verkeer gebracht door het indienen van een douaneaangifte die aan de wettelijke vereisten voldoet.
De invoer van die goederen vindt in België plaats (artikel 23, §§ 2 en 4, 3°, van het Btw-Wetboek) op het tijdstip dat de goederen aan de regeling extern Uniedouanevervoer worden onttrokken, zijnde op 07.02.2023 (artikel 24, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek). Dat tijdstip komt overeen met de datum waarop de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen door de douaneautoriteiten wordt aanvaard. Het belastbare feit vindt op hetzelfde tijdstip plaats.
Vermits de goederen aan invoerrechten zijn onderworpen, wordt de btw opeisbaar op het tijdstip van het ontstaan van de douaneschuld, zijnde op 07.02.2023 (artikel 24, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek). Dat is eveneens de datum waarop de douaneaangifte tot het in het vrije verkeer brengen door de douaneautoriteiten wordt aanvaard.
Voorbeeld 2
Goederen afkomstig uit Gran Canaria komen, via België, de Gemeenschap binnen en worden er onmiddellijk voor het verbruik aangegeven. Het betreft Uniegoederen die als zodanig niet aan de douanereglementering zijn onderworpen.
De invoer van die goederen vindt in België plaats (artikel 23, §§ 2 en 3, van het Btw-Wetboek). Vermits de ingevoerde goederen niet aan invoerrechten zijn onderworpen, wordt het tijdstip van opeisbaarheid van de btw bepaald overeenkomstig de douanebepalingen met betrekking tot het vaststellen van het tijdstip van het ontstaan van de douaneschuld, zijnde in dit geval de datum waarop de douaneautoriteiten de douaneaangifte aanvaarden (artikel 24, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek).
2. Berekening van de verschuldigde belasting
A. Tarief van de belasting
Het voor de invoer van goederen toe te passen tarief is het tarief dat in het binnenland voor de leveringen van eenzelfde goed wordt toegepast, overeenkomstig artikel 38bis, tweede lid, van het Btw-Wetboek. De bij invoer verschuldigde btw wordt aldus berekend met toepassing van het tarief dat voor het betrokken goed wordt bepaald in het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 7: Tarieven van de belasting’).
Op grond van artikel 38, § 3, van het Btw-Wetboek is het toe te passen tarief voor de invoer van goederen, het tarief dat van kracht is op het tijdstip waarop het belastbare feit overeenkomstig artikel 24, § 1, van het Btw-Wetboek plaatsvindt.
In de gevallen bedoeld in artikel 24, § 2, van het Btw-Wetboek is het bij de invoer van goederen toe te passen tarief evenwel het tarief dat van kracht is op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt.
B. Maatstaf van heffing
Op grond van artikel 34 van het Btw-Wetboek komt de maatstaf van heffing voor ingevoerde goederen overeen met de waarde berekend volgens de geldende communautaire regels tot vaststelling van de douanewaarde, ook al heeft de invoer betrekking op goederen die om welke reden ook niet aan invoerrechten onderworpen zijn. Bijkomend dienen er in de maatstaf van heffing bepaalde heffingen en kosten te worden opgenomen, voor zover zij niet reeds daarin zijn begrepen.
Wanneer goederen ingevolge een verkoop worden ingevoerd, bestaat de douanewaarde normaliter uit de overeengekomen transactiewaarde. Bij opeenvolgende verkopen van goederen bestemd om naar de Gemeenschap te worden uitgevoerd, kunnen dan ook situaties ontstaan waarin meer dan één verkoopprijs bruikbaar is als douanewaarde. Alsdan bestaat de maatstaf van heffing van de btw uit de verkoopprijs die bij het in het vrije verkeer brengen van de goederen effectief als douanewaarde wordt aangemerkt, desgevallend vermeerderd met bepaalde heffingen en kosten die niet in die douanewaarde zijn begrepen. Het is daarbij van geen belang dat de verkoopprijs die als douanewaarde fungeert, al dan niet de prijs is die werd of zal worden betaald door de persoon die als geadresseerde van de ingevoerde goederen optreedt.
Bij de invoer geschieden het in het vrije verkeer brengen voor de toepassing van de invoerrechten en de aangifte ten verbruik op het stuk van de btw in de regel met hetzelfde formulier enig document, gebruikt als aangifte IM of EU. Voor aan invoerrechten onderworpen goederen kan die aangifte desgewenst worden uitgesplitst in twee onderscheiden documenten, met name een aangifte IM of EU voor het in het vrije verkeer brengen en een aangifte CO voor het aangeven ten verbruik. Ook in dat geval moet de op de aangifte IM of EU vermelde douanewaarde worden gebruikt als grondslag voor de berekening van de op de aangifte CO te vermelden maatstaf van heffing inzake btw.
Merk op dat de huidige toepassing PLDA in de nabije toekomst integraal zal worden vervangen door de toepassing IDMS, voor wat de invoeren van goederen betreft, waarbij de douaneaangifte ten invoer niet meer zal plaatsvinden via het huidige enig document. De toepassing IDMS zal in de loop van dit jaar gefaseerd worden uitgerold, met een geleidelijke uitbreiding van de scope en functionaliteiten. Voor meer informatie daaromtrent wordt verwezen naar de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen.
Van het beginsel bepaald in artikel 34 van het Btw-Wetboek wordt evenwel afgeweken wanneer goederen aan één van de regelingen bedoeld in artikel 23, §§ 4 en 5, van het Btw-Wetboek worden onttrokken en voor het verbruik worden aangegeven, na één of meerdere handelingen te hebben ondergaan die op grond van artikel 40, § 2, van het Btw-Wetboek zijn vrijgesteld van de belasting.
Voor een omstandige toelichting omtrent het bepalen van de maatstaf van heffing bij de invoer van goederen wordt verwezen naar ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 6: Maatstaf van heffing van de belasting, Afdeling 12’.
3. Voldoening van de belasting
A. Tijdstip van betaling
De belasting is opeisbaar op het tijdstip bepaald in titel 1, rubriek B, van deze Afdeling 5, hiervoor.
Artikel 52, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek verleent de Koning de bevoegdheid te bepalen op welk tijdstip de belasting moet worden voldaan. Overeenkomstig artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, moet ze in beginsel aan de douane worden voldaan op het tijdstip waarop de aangifte ten verbruik wordt aanvaard.
Op grond van artikel 1 van het ministerieel besluit nr. 6, van 04.03.1993, waarbij uitstel wordt verleend voor de voldoening van de ter zake van de invoer van goederen verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde, genomen ter uitvoering van artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, kan de voldoening van de belasting aan het Enig kantoor van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen worden uitgesteld tot de donderdag van de week volgend op die waarin de aangifte ten verbruik is aanvaard.
Elke persoon die uitstel van betaling wenst te genieten, moet:
•een schriftelijke aanvraag richten aan het Enig kantoor van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen
•een voldoende borgtocht storten of een andere zekerheid stellen, volgens de regels die inzake invoerrechten gelden
•in vak B van de aangifte ten verbruik de vermelding ‘Uitstel’ of ‘Uitstel van betaling’ aanbrengen
•de betalingen verrichten door storting of overschrijving op de postrekening van het Enig kantoor van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen of met een gekruiste cheque.
Daarnaast kan de voldoening van de btw naar de periodieke btw-aangifte worden verlegd, overeenkomstig artikel 5, §§ 3 tot en met 6, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd. In dergelijk geval moet de bij invoer verschuldigde belasting worden opgenomen in de periodieke btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de aangifte ten verbruik van de ingevoerde goederen door de douane wordt aanvaard. Daartoe wordt verwezen naar rubriek E, van deze titel 3, hierna.
Tot slot voorziet artikel 58sexies, § 3, van het Btw-Wetboek in een globale maandelijkse betaling van de btw die verschuldigd is op de invoeren van goederen die in het kader van een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen plaatsvinden onder de bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer. Voor een omstandige toelichting van die bijzondere regeling wordt verwezen naar ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 7, titel 3, rubriek I, subrubriek e’.
B. Geadresseerde
Artikel 52, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek verleent de Koning de bevoegdheid te bepalen op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde btw mag of moet worden voldaan. Overeenkomstig artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, is de belasting verschuldigd door de geadresseerde die in België een belastbare invoer van goederen verricht.
De omschrijving van de geadresseerde heeft niet alleen tot doel de schuldenaar van de over de invoer verschuldigde btw aan te duiden, maar is eveneens van belang:
•om te bepalen wie de bij invoer betaalde belasting desgevallend in aftrek mag brengen
•om de maatstaf van heffing in bepaalde situaties te bepalen (zie met name ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 6: Maatstaf van heffing van de belasting, Afdeling 12: Invoer van goederen, titel 5’)
•om uit te maken of in zijn hoofde is voldaan aan de voorwaarden om een vrijstelling toe te passen.
De personen die als geadresseerde kunnen optreden, worden opgesomd in artikel 6, §§ 2 tot en met 5, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd. Bedoelde personen worden hierna toegelicht. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt naargelang het ingevoerde goed al dan niet door of voor rekening van de leverancier in België wordt geïnstalleerd of gemonteerd.
a. De goederen worden in België niet door of voor rekening van de leverancier geïnstalleerd of gemonteerd
Algemeen
In de regel kunnen zowel de verkrijger als de leverancier of een vorige leverancier (artikel 6, § 2, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd) als geadresseerde optreden. In bepaalde situaties kan dat eveneens de maakloonwerker, de huurder of de ontlener zijn (artikel 6, § 4, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd) alsook de persoon die goederen ontvangen heeft op zicht, op proef, in consignatie of om te worden hersteld, bewerkt, verwerkt of aangepast (artikel 6, § 5, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd). De persoon die daadwerkelijk als geadresseerde optreedt, wordt in principe niet opgelegd door de btw-wetgeving.
Op voormeld principe bestaan er evenwel vier uitzonderingen van gevallen waarin de geadresseerde wordt aangeduid door de btw-wetgeving:
•de eigenaar treedt op als geadresseerde wanneer er geen verkrijger is, in het bijzonder bij een invoer van goederen die niet het voorwerp uitmaken van een levering (artikel 6, § 2, eerste lid, in fine, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd
•de leverancier of de verkrijger treedt op als geadresseerde wanneer de invoer plaatsvindt in het kader van een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen in de volgende omstandigheden:
•de leverancier voor de invoer van andere goederen dan accijnsproducten, in zendingen met een intrinsieke waarde van meer dan 150 euro, verricht ten behoeve van een afstandsverkoop van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen die plaatsvindt in een andere lidstaat dan België (artikel 6, § 2, derde lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd)
•de verkrijger voor de invoer van andere goederen dan accijnsproducten, in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro, verricht ten behoeve van een afstandsverkoop van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen wanneer de persoon die voor rekening van de persoon voor wie de goederen zijn bestemd de goederen bij de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen aanbrengt, gebruikmaakt van de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58sexies van het Btw-Wetboek (artikel 6, § 2, derde lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd)
•de leverancier voor de invoer van andere goederen dan accijnsproducten, in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro, verricht voor een afstandsverkoop van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen wanneer de persoon die voor rekening van de persoon voor wie de goederen zijn bestemd de goederen bij de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen aanbrengt geen gebruikmaakt van de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58sexies van het Btw-Wetboek en wanneer de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58quinquies van het Btw-Wetboek niet wordt toegepast (artikel 6, § 2, derde lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd).
De omstandigheden waarin en de voorwaarden waaronder de hiervoor bedoelde personen als geadresseerde kunnen optreden, worden hierna besproken.
Voor een omstandige toelichting omtrent de aanwijzing van de geadresseerde bij een invoer in het kader van een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen, wordt evenwel verwezen naar ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 7, titel 3, rubriek G’.
Verkrijger
De geadresseerde is in de regel de verkrijger aan wie de goederen worden verzonden op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt (artikel 6, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd).
Opdat de verkrijger als geadresseerde zou kunnen optreden, is derhalve vereist dat:
•hij de goederen heeft verkregen op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt
•hij de goederen heeft verkregen ter uitvoering van een contract onder bezwarende of ten kosteloze titel tot overdracht of aanwijzing van eigendom of vruchtgebruik
•op het tijdstip dat de belasting opeisbaar wordt, de goederen worden verzonden of vervoerd tot op de plaats waar hij over de goederen kan beschikken.
Hier wordt dus voornamelijk de koper in het kader van een levering van goederen met verzending of vervoer bedoeld.
Voorbeelden
•De onderneming die in België grondstoffen invoert die ze in een derde land heeft gekocht en die bestemd zijn om in haar productieketen in België te worden gebruikt.
•De belastingplichtige die goederen koopt die zich in Antwerpen in een douane-entrepot bevinden en die hij naar zijn bedrijf in Charleroi overbrengt na ze voor het verbruik te hebben aangegeven.
Bij kettingverkopen die een opeenvolging van leveringen van goederen tussen de opeenvolgende verkopers en kopers inhouden, dient rekening te worden gehouden met de bijzonderheid dat het vervoer slechts in één van de opeenvolgende contractuele relaties plaatsvindt (zie ‘Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 10’ van dit Boekwerk I). In principe is het dan ook uitsluitend de persoon die als koper is opgetreden in de relatie waarin het vervoer wordt verricht, die kan worden aangemerkt als verkrijger aan wie de goederen worden toegestuurd. De vorige kopers zijn weliswaar ook verkrijger, maar kunnen in die hoedanigheid niet als geadresseerde optreden vermits de goederen hen niet worden toegestuurd bij ontstentenis van vervoer in de contractuele relatie met hun respectievelijke verkopers. Desgevallend kunnen zij in hun hoedanigheid van verkoper of vorige verkoper als geadresseerde worden aangemerkt (zie ‘Verkoper of vorige verkoper’ van deze subrubriek a, hierna).
Voorbeeld
Een in Japan gevestigde fabrikant A verkoopt goederen aan een in België gevestigde handelaar B, die ze op zijn beurt doorverkoopt aan een eveneens in België gevestigde persoon C. De goederen worden rechtstreeks van de inrichting van A in Japan naar de inrichting van C in België vervoerd.
Volgende drie situaties kunnen zich voordoen:
•Eerste situatie: het vervoer van de goederen wordt verricht door of voor rekening van A
In dat geval vindt het vervoer plaats in de relatie A-B, vermits B de enige is waarmee A een overeenkomst heeft gesloten. A en B zijn derhalve overeengekomen dat A het vervoer van de goederen verricht. Daarbij worden de goederen niet naar de inrichting van B in België vervoerd, maar naar een andere plaats in België die B als bestemming heeft opgegeven, zijnde de inrichting van C.
Bij de invoer van de goederen wordt B als geadresseerde aangemerkt. Het vervoer vindt immers plaats in de relatie A-B, waardoor B de verkrijger is aan wie de goederen worden toegestuurd. Merk op dat A in zijn hoedanigheid van leverancier eveneens als geadresseerde kan optreden (zie ‘Leverancier of vorige leverancier’ van deze subrubriek a, hierna). C kan daarentegen niet als geadresseerde optreden, vermits de goederen hem bij ontstentenis van een vervoer in de relatie B-C niet worden toegestuurd en hij evenmin de hoedanigheid van leverancier of vorige leverancier heeft.
De levering van A aan B is een levering met vervoer en vindt, overeenkomstig artikel 14, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek, plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van vertrek van de verzending of het vervoer naar de afnemer, zijnde in Japan. Die levering is niet aan de btw onderworpen.
De levering van B aan C is een levering zonder vervoer en vindt, overeenkomstig artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek, plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van de levering, zijnde in België. Die levering is derhalve in België aan de btw onderworpen.
•Tweede situatie: het vervoer van de goederen wordt verricht door of voor rekening van B
Vermits B zowel verkrijger is ten opzichte van A als leverancier ten opzichte van C, moet aan de hand van de feitelijke omstandigheden, onder meer de verkoopsvoorwaarden opgenomen in de gesloten overeenkomsten, worden onderzocht in welke contractuele relatie het vervoer plaatsvindt.
Indien daaruit blijkt dat het vervoer in de relatie A-B wordt verricht, is het bepaalde in de eerste situatie, hiervoor, van toepassing.
Indien daaruit blijkt dat het vervoer in de relatie B-C wordt verricht, is het bepaalde in de derde situatie, hierna, van toepassing.
•Derde situatie: het vervoer van de goederen wordt verricht door of voor rekening van C
In dat geval vindt het vervoer plaats in de relatie B-C, vermits B de enige is waarmee C een overeenkomst heeft gesloten. B en C zijn derhalve overeengekomen dat C het vervoer van de goederen verricht. Daarbij worden de goederen vanuit de inrichting van A in Japan naar de inrichting van C in België vervoerd.
Bij de invoer van de goederen wordt C als geadresseerde aangemerkt. Het vervoer vindt immers plaats in de relatie B-C, waardoor C de verkrijger is aan wie de goederen worden toegestuurd. Merk op dat zowel B in zijn hoedanigheid van leverancier als A in zijn hoedanigheid van vorige leverancier eveneens als geadresseerde kunnen optreden (zie ‘Leverancier of vorige leverancier’ van deze subrubriek a, hierna).
De levering van A aan B is een levering zonder vervoer en vindt, overeenkomstig artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek, plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van de levering, zijnde in Japan. Die levering is niet aan de btw onderworpen.
De levering van B aan C is een levering met vervoer en vindt, overeenkomstig artikel 14, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek, plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van vertrek van de verzending of het vervoer naar de afnemer, zijnde eveneens in Japan. Die levering is dus evenmin aan de btw onderworpen.
Eigenaar
Bij ontstentenis van een verkrijger, is de geadresseerde in de regel de persoon die eigenaar is van de goederen op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt (artikel 6, § 2, eerste lid, in fine, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd).
Voorbeelden
•De in de Verenigde Staten gevestigde producent die door hem vervaardigde goederen in België invoert om er te worden tentoongesteld in één van zijn verkooppunten.
•De particulier die zijn persoonlijke goederen invoert naar aanleiding van de overbrenging van zijn normale verblijfplaats naar België.
•De Belgische toerist die uit China terugkeert met souvenirs in zijn persoonlijke bagage.
•De belastingplichtige die goederen van zijn onderneming in België wederinvoert na ze naar Marokko te hebben uitgevoerd om er te worden bewerkt.
Leverancier of vorige leverancier
De leverancier of een vorige leverancier kan ervoor opteren om als geadresseerde op te treden, onder de voorwaarden gesteld in artikel 6, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd.
Krachtens die bepaling kan bedoelde persoon steeds als geadresseerde optreden wanneer hij in België is gevestigd.
Indien de leverancier of vorige leverancier daarentegen niet in België is gevestigd, kan hij slechts als geadresseerde optreden voor zover hij:
•ofwel in België voor btw-doeleinden is geïdentificeerd ingevolge de erkenning van een individuele aansprakelijke vertegenwoordiger of ingevolge een rechtstreekse btw-identificatie. Die laatste optie is slechts mogelijk voor belastingplichtigen die in een andere lidstaat van de Gemeenschap zijn gevestigd of voor belastingplichtigen die niet in de Gemeenschap zijn gevestigd en die uitsluitend handelingen verrichten vanuit de zetel van hun economische activiteit of een vaste inrichting die gevestigd is in een land waarmee er een rechtsinstrument inzake wederzijdse bijstand (5) bestaat. Dergelijk rechtsinstrument bestaat momenteel met Noorwegen.
(5) Waarvan de strekking gelijk is aan die van richtlijn 2010/24/EU van 16.03.2010 van de Raad betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen en die van Verordening (EU) nr. 904/2010 van 07.10.2010 van de Raad betreffende de administratieve samenwerking en de strijd tegen de fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde.
•ofwel zich bij de aangifte ten verbruik van de goederen laat vertegenwoordigen door een vooraf door de administratie erkende aansprakelijke vertegenwoordiger die over een globaal btw-identificatienummer met beginkenmerk BE 0796.5 of BE 0796.6 beschikt, waaronder hij meerdere niet in België gevestigde belastingplichtigen vertegenwoordigt.
De problematiek omtrent de btw-identificatie van niet in België gevestigde belastingplichtigen, inzonderheid de fiscale vertegenwoordiging, wordt omstandig toegelicht in ‘Hoofdstuk 1: De belastingplichtige, Afdeling 10, van dit Boekwerk I’.
Om commerciële of technische redenen kan de leverancier er belang bij hebben dat de koper de identiteit van zijn verkoper of dienstverrichter en/of de herkomst van de goederen niet kent. In dergelijk geval kan de leverancier onder de hiervoor bedoelde voorwaarden als geadresseerde optreden.
Bijzonder geval: levering van de goederen aan de koper
Wanneer de leverancier als geadresseerde optreedt, voldoet hij de naar aanleiding van de invoer verschuldigde btw.
Bij toepassing van artikel 14, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek zou de daaropvolgende levering aan de koper buiten de Gemeenschap plaatsvinden, vermits het vervoer naar de koper buiten de Gemeenschap aanvangt en wordt verricht in de contractuele relatie tussen de leverancier die als geadresseerde optreedt en zijn koper. Op grond van die bepaling, zou de levering aan de koper bijgevolg niet aan de btw zijn onderworpen.
Indien de levering wordt verricht door de leverancier die als geadresseerde optreedt, zou dus geen btw over die levering moeten worden voldaan. Om die abnormale toestand te verhelpen, bepaalt artikel 14, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek dat de plaats van de levering, door de leverancier die als geadresseerde optreedt en op wiens naam de wegens de invoer verschuldigde belasting regelmatig is voldaan, evenals de plaats van eventuele daaropvolgende leveringen, geacht wordt in de lidstaat van invoer van de goederen te liggen. Ingeval van een invoer in België, wordt de levering aldus geacht hier te lande te zijn verricht, waardoor die levering aan de btw is onderworpen.
Voorbeeld
Een in België gevestigde handelaar B koopt goederen aan bij een buiten de Gemeenschap gevestigde groothandelaar A. B verkoopt de goederen door aan de eveneens in België gevestigde persoon C. De goederen worden door B rechtstreeks van de inrichting van A buiten de Gemeenschap naar de inrichting van C in België vervoerd.
Het betreft een kettingverkoop waarbij B zowel verkrijger ten opzichte van A als leverancier ten opzichte van C is. Om te bepalen wie als geadresseerde kan worden aangemerkt, dient aan de hand van de feitelijke omstandigheden, onder meer de verkoopsvoorwaarden opgenomen in de gesloten overeenkomsten, te worden onderzocht in welke contractuele relatie het vervoer plaatsvindt (zie ‘Verkrijger’ van deze subrubriek a, hiervoor).
Er wordt voorafgaandelijk opgemerkt dat A in zijn hoedanigheid van verkoper of vorige verkoper niet als geadresseerde kan worden aangemerkt, vermits hij niet in België is gevestigd en er evenmin voor btw-doeleinden is geïdentificeerd. Bovendien laat hij zich bij de invoer van de goederen in België evenmin vertegenwoordigen door een vooraf door de administratie erkende aansprakelijke vertegenwoordiger die over een globaal btw-identificatienummer beschikt waaronder hij meerdere buitenlandse belastingplichtigen vertegenwoordigt.
•Eerste situatie: het vervoer wordt verricht in de relatie B-C
In dat geval kunnen zowel B als C als geadresseerde worden aangemerkt:
•Indien C optreedt als geadresseerde, dient hij de naar aanleiding van de invoer verschuldigde btw te voldoen in zijn hoedanigheid van verkrijger aan wie de goederen worden toegestuurd.
De levering van A aan B is een levering zonder vervoer die, op grond van artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek, buiten de Gemeenschap plaatsvindt en derhalve niet aan de btw is onderworpen.
De levering van B aan C is een levering met vervoer die, op grond van artikel 14, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek, buiten de Gemeenschap plaatsvindt en bijgevolg evenmin aan de btw is onderworpen.
•Indien B optreedt als geadresseerde, dient hij de naar aanleiding van de invoer verschuldigde btw te voldoen in zijn hoedanigheid van in België gevestigde leverancier.
De levering van A aan B is een levering zonder vervoer die, op grond van artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek, buiten de Gemeenschap plaatsvindt en derhalve niet aan de btw is onderworpen.
De levering van B aan C is een levering met vervoer die, op grond van artikel 14, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek, geacht wordt in België plaats te vinden en er aldus aan de btw is onderworpen.
•Tweede situatie: het vervoer wordt verricht in de relatie A-B
Vermits de levering van B aan C een levering zonder vervoer is, kan alleen B als geadresseerde worden aangemerkt. Niet in zijn hoedanigheid van leverancier, maar als verkrijger aan wie de goederen worden toegestuurd.
De levering van A aan B is een levering met vervoer die, op grond van artikel 14, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek, buiten de Gemeenschap plaatsvindt en derhalve niet aan de btw is onderworpen.
De levering van B aan C is een levering zonder vervoer die, op grond van artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek, plaatsvindt daar waar het goed zich bevindt op het tijdstip van de levering, zijnde de inrichting van C in België. Het betreft dus een binnenlandse levering die in België aan de btw is onderworpen.
De maakloonwerker, de huurder of de ontlener
Overeenkomstig artikel 6, § 4, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, kan de persoon die in de hoedanigheid van maakloonwerker, huurder of ontlener goederen heeft uitgevoerd buiten de Gemeenschap om ze een herstelling, bewerking, verwerking of aanpassing te laten ondergaan, voor de toepassing van de vrijstelling bedoeld in artikel 40, § 1, 2°, b), van het Btw-Wetboek als geadresseerde optreden bij de wederinvoer van die goederen.
Onder maakloonwerker wordt, voor de toepassing van dat artikel, niet alleen de persoon verstaan die een maakloonwerk in de zin van artikel 1, § 22, van het Btw-Wetboek verricht, maar meer algemeen elke opdrachtnemer die gelast is een goed dat hem door de opdrachtgever werd verstrekt een herstelling, een bewerking, een verwerking of een aanpassing bedoeld in artikel 41, § 1, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, te doen ondergaan.
Persoon aan wie de goederen op zicht, op proef of in consignatie worden toegezonden
De persoon aan wie goederen op zicht, op proef of in consignatie worden toegezonden, mag op grond van artikel 6, § 5, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, als geadresseerde optreden op voorwaarde dat:
•hij een belastingplichtige is die de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek bedoelde periodieke aangifte indient
•hij de ingevoerde goederen achteraf koopt of, zo niet, ze wederuitvoert buiten de Gemeenschap
•de persoon die de goederen op zicht, op proef of in consignatie zendt, niet in België is gevestigd en overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek in België niet voor btw-doeleinden is geïdentificeerd.
Persoon aan wie de goederen ter herstelling, bewerking, verwerking of aanpassing worden toegezonden
De persoon aan wie goederen worden toegezonden om te worden hersteld, bewerkt, verwerkt of aangepast, mag op grond van artikel 6, § 5, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, als geadresseerde optreden op voorwaarde dat:
•hij een belastingplichtige is die de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek bedoelde periodieke aangifte indient
•hij de goederen achteraf wederuitvoert buiten de Gemeenschap, hij ze vernietigt of dat ze hem worden overgedragen
•de persoon die de goederen ter herstelling, bewerking, verwerking of aanpassing zendt, niet in België is gevestigd en overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek in België niet voor btw-doeleinden is geïdentificeerd.
b. De goederen worden in België door of voor rekening van de leverancier geïnstalleerd of gemonteerd
Overeenkomstig artikel 6, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, is de geadresseerde in de regel de leverancier door wie of voor wiens rekening de installatie of de montage wordt gedaan, wanneer:
•de ingevoerde goederen door of voor rekening van de leverancier in België worden geïnstalleerd of gemonteerd, en
•de levering bij toepassing van artikel 14, § 3, van het Btw-Wetboek in België plaatsvindt.
Daarnaast voorziet artikel 6, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, evenwel dat de persoon die de goederen aan bovengenoemde leverancier heeft verkocht of overgedragen, of een vorige verkoper of overdrager, eveneens als geadresseerde mag optreden.
Voor zowel de leverancier als zijn verkoper of een vorige verkoper, geldt dat zij steeds als geadresseerde kunnen optreden wanneer zij in België zijn gevestigd en er aldus voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd.
Indien zij daarentegen niet in België zijn gevestigd, kunnen zij slechts als geadresseerde optreden voor zover zij:
•ofwel in België voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd ingevolge de erkenning van een individuele aansprakelijke vertegenwoordiger of ingevolge een rechtstreekse btw-identificatie. Die laatste optie is slechts mogelijk voor belastingplichtigen die in een andere lidstaat van de Gemeenschap zijn gevestigd of voor belastingplichtigen die niet in de Gemeenschap zijn gevestigd en die uitsluitend handelingen verrichten vanuit de zetel van hun economische activiteit of een vaste inrichting die gevestigd is in een land waarmee er een rechtsinstrument inzake wederzijdse bijstand (6) bestaat. Dergelijk rechtsinstrument bestaat momenteel met Noorwegen.
(6) Waarvan de strekking gelijk is aan die van richtlijn 2010/24/EU van 16 maart 2010 van de Raad betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen en die van Verordening (EU) nr. 904/2010 van 7 oktober 2010 van de Raad betreffende de administratieve samenwerking en de strijd tegen de fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde.
•ofwel zich bij de aangifte ten verbruik van de goederen laten vertegenwoordigen door een vooraf door de administratie erkende aansprakelijke vertegenwoordiger die over een globaal btw-identificatienummer met beginkenmerk BE 0796.5 beschikt, waaronder hij meerdere niet in België gevestigde belastingplichtigen vertegenwoordigt.
c. Algemene opmerkingen
•Bij de zending van goederen naar of door een commissionair of een tussenpersoon die overeenkomstig artikel 13 van het Btw-Wetboek met een commissionair wordt gelijkgesteld, kunnen die personen als geadresseerde optreden. Zij worden immers met kopers en verkopers gelijkgesteld.
•Bij de invoer van een gehuurd goed is de geadresseerde de eigenaar van het goed. De huurder van het goed kan in beginsel niet als geadresseerde optreden. Op dit principe bestaat er evenwel één uitzondering voor de situatie van wederinvoer voorzien in artikel 6, § 4, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd (zie subrubriek a, ‘De maakloonwerker, de huurder of de ontlener’, van deze rubriek B, hiervoor).
•Wanneer een lid van een btw-eenheid, in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, een goed invoert en daarbij handelt in één van de hoedanigheden en omstandigheden bedoeld in de subrubrieken a en b, van deze rubriek B, hiervoor, is de geadresseerde de btw-eenheid.
•In vak 8 van de aangifte ten verbruik moeten evenwel niet de gegevens van de btw-eenheid zelf worden vermeld, maar de naam, het adres en het EORI-nummer van het lid door wiens toedoen de goederen worden ingevoerd. Het in artikel 50, § 1, eerste lid, 6°, of § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek bedoelde sub-btw-identificatienummer van voormeld lid dient in vak 44 van de aangifte ten verbruik te worden vermeld, overeenkomstig artikel 9, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd.
•Merk op dat de huidige toepassing PLDA in de nabije toekomst integraal zal worden vervangen door de toepassing IDMS, voor wat de invoeren van goederen betreft, waardoor voornoemde vermeldingen op een andere wijze zullen moeten worden opgenomen in de douaneaangifte ten invoer. De toepassing IDMS zal in de loop van dit jaar gefaseerd worden uitgerold, met een geleidelijke uitbreiding van de scope en functionaliteiten. Voor meer informatie daaromtrent wordt verwezen naar de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen.
•Wanneer goederen worden verzonden naar een depothouder die geen consignataris is, mag die depothouder niet als geadresseerde optreden. Enkel de eigenaar van de goederen kan de hoedanigheid van geadresseerde aannemen.
C. Personen die aansprakelijk zijn voor de voldoening van de btw
Artikel 52, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek verleent de Koning de bevoegdheid te bepalen wie aansprakelijk is voor de voldoening van de ter zake van invoer verschuldigde btw.
Artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, genomen ter uitvoering van die bepaling, duidt de geadresseerde aan als schuldenaar van de wegens invoer verschuldigde btw.
Overeenkomstig artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, eveneens genomen ter uitvoering van voornoemde bepaling, zijn volgende personen met de geadresseerde hoofdelijk gehouden tot de voldoening van de wegens invoer verschuldigde btw:
•de aangever, met name de persoon die in eigen naam of in naam van een andere persoon goederen aangeeft voor het verbruik of voor één van de regelingen bedoeld in artikel 23, §§ 4 en 5, van het Btw-Wetboek
•de lastgever van de in het vorige punt bedoelde aangever
•en meer algemeen, ieder ander persoon gehouden tot de voldoening van de invoerrechten, ook al zijn de goederen om welke reden dan ook niet aan invoerrechten onderworpen.
Wanneer de naar aanleiding van de invoer verschuldigde btw niet aan de douane wordt voldaan, maar bij toepassing van het stelsel van de verlegging van heffing bij invoer in de periodieke btw-aangifte dient te worden opgenomen (zie rubriek E, van deze titel 3, hierna), is evenwel alleen de persoon die de goederen heeft aangegeven voor het extern douanevervoer of het intern Uniedouanevervoer hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, overeenkomstig artikel 8, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd.
De hoofdelijkheid houdt in dat elk van die personen hoofdschuldenaar is van de ter zake van invoer verschuldigde btw en dus op voet van gelijkheid met de andere hoofdelijke schuldenaars gehouden is tot het betalen van de belasting.
Voornoemde personen die samen met de geadresseerde hoofdelijk gehouden zijn tot de betaling van de belasting zijn, overeenkomstig artikel 8, § 2, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, ontslagen van de hoofdelijke aansprakelijkheid wanneer zij aantonen dat zij geen fout hebben begaan of niet nalatig zijn geweest. Die personen kunnen in geen geval van die aansprakelijkheid worden ontslagen, indien zij wisten of moesten weten dat de verschuldigde belasting bij de invoer niet werd of zal worden gestort aan de Staat.
Verder bepaalt artikel 68, § 3, van het Btw-Wetboek dat voor de invoeren bedoeld in § 1 en § 2 van dat artikel (goederen aanwezig binnen de overeenkomstig de douanereglementering afgebakende tolkring, met een motor uitgeruste vervoermiddelen en aanhangwagens) de importeur, de eigenaar, de houder en indien het om een voertuig gaat de bestuurder ervan, hoofdelijk gehouden zijn tot het betalen van de belasting en de bij artikel 70, § 1, van het Btw-Wetboek ingestelde geldboete.
Tot slot zijn eveneens hoofdelijk aansprakelijk tot de voldoening van de naar aanleiding van een invoer verschuldigde belasting:
•de individuele aansprakelijke vertegenwoordiger bedoeld in artikel 55, §§ 1 en 2, van het Btw-Wetboek, overeenkomstig artikel 55, § 4, tweede lid, van het Btw-Wetboek
•de vooraf door de administratie erkende aansprakelijke vertegenwoordiger die over een globaal btw-identificatienummer met beginkenmerk BE 0796.5 of BE 0796.6 beschikt en die wordt bedoeld in artikel 55, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek, overeenkomstig artikel 55, § 4, tweede lid, van het Btw-Wetboek
•de persoon die een overtreding heeft begaan, overeenkomstig de artikelen 70, § 4, tweede lid, en 73sexies van het Btw-Wetboek.
D. Modaliteiten van de betaling
a. Over te leggen stukken ter staving van de voldoening van de belasting
Om de voldoening van de belasting te verzekeren, dient een document te worden opgemaakt op naam van de geadresseerde, dat op het tijdstip van de aangifte ten verbruik bij het bevoegde douanekantoor (via de douanetoepassing PLDA) moet worden ingediend, overeenkomstig de artikelen 1, 2 en 9 van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd.
Dat document is het als aangifte ten verbruik aangewende formulier enig document. Dat formulier bevat alle gegevens die nodig zijn inzake douaneformaliteiten evenals voor de toepassing van de btw, zodat het in beginsel tegelijkertijd als aangifte voor het in het vrije verkeer brengen inzake invoerrechten en als aangifte ten verbruik inzake btw wordt gebruikt. Het wordt zowel door belastingplichtige als niet-belastingplichtige geadresseerden gebruikt bij de invoer van goederen in België.
Overeenkomstig artikel 9, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, moet voor iedere geadresseerde afzonderlijk een aangifte worden opgemaakt. De identiteit, het adres en, in voorkomend geval, het EORI-nummer van de geadresseerde moeten in vak 8 van de aangifte ten verbruik worden vermeld. Het Belgisch btw-identificatienummer waaronder de geadresseerde de invoer in België verricht, dient, in voorkomend geval, in vak 44 van de aangifte ten verbruik te worden vermeld. Wat betreft de invoer door een lid van een btw-eenheid, wordt verwezen naar de derde bullet point in rubriek B - subrubriek c, van deze titel 3, hiervoor.
De aangifte ten verbruik kan gebeuren met:
•betaling van de btw aan de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen, al dan niet met uitstel van betaling zoals omschreven in rubriek A, van deze titel 3, hiervoor
•verlegging van de heffing naar de periodieke btw-aangifte zoals bedoeld in rubriek E, van deze titel 3, hierna
•vrijstelling van de btw.
Het enig document bestaat in beginsel uit een set van acht exemplaren, waarvan de exemplaren 6, 7 en 8 worden gebruikt voor het verrichten van de invoerformaliteiten in de lidstaat van invoer. Het exemplaar 8 is bestemd voor de geadresseerde en wordt na aanvaarding door de douane aan de aangever bezorgd. Indien de aangever een andere persoon is dan de geadresseerde, bezorgt die dat exemplaar aan de geadresseerde die het bewaart.
Merk op dat het vanaf 01.07.2021 evenwel mogelijk is om voor de invoer van zendingen met een geringe waarde en van zendingen tussen particulieren een elektronische douaneaangifte in te dienen via de toepassing Import Declaration Management System (IDMS). Voor meer informatie daaromtrent wordt verwezen naar Afdeling 4, titel 2, rubriek B, subrubriek b, van dit Hoofdstuk 4, hiervoor.
In de nabije toekomst zal de huidige toepassing PLDA integraal vervangen worden door IDMS voor wat de invoeren van goederen betreft. De toepassing IDMS zal in de loop van dit jaar gefaseerd worden uitgerold, met een geleidelijke uitbreiding van de scope en functionaliteiten. Voor meer informatie daaromtrent wordt verwezen naar de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen.
b. Wijze van betaling
Overeenkomstig artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, wordt, behoudens de toepassing van het stelsel van de verlegging van heffing naar de periodieke btw-aangifte (zie rubriek E, van deze titel 3, hierna), de naar aanleiding van een invoer verschuldigde btw aan de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen betaald. Die betaling gebeurt in de regel door middel van een overschrijving van het verschuldigde bedrag op het rekeningnummer van het Enig kantoor van die administratie. In uitzonderlijke gevallen kan de betaling met een cheque of in speciën op een hulpkantoor van dat Enig kantoor worden verricht.
De voldoening van de belasting wordt dan op grond van artikel 9, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, vastgesteld door, in vak B (comptabele gegevens) van het voor de geadresseerde bestemde exemplaar 8 van het enig document, kwijting te verlenen voor het totale bedrag van de bij invoer voldane belastingen. Dat bedrag kan ook andere rechten en heffingen dan de btw (bijvoorbeeld invoerrechten en accijnzen) bevatten. Het werkelijk geïnde bedrag aan btw wordt apart vermeld in vak 47 van het enig document. In dat vak worden per type van belasting de maatstaf van heffing, het tarief, het verschuldigde bedrag en de wijze van betaling vermeld. De btw wordt er in de kolom ‘type’ aangeduid met de code B00.
Indien de invoer evenwel kadert binnen een afstandsverkoop van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen onder de bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer, voorzien in artikel 58sexies van het Btw-Wetboek, wordt de voldoening van de belasting niet vastgesteld op het voor de geadresseerde bestemde exemplaar van de aangifte ten verbruik. De invoeren onder die bijzondere regeling maken immers het voorwerp uit van een maandelijkse betaling van de in totaal verschuldigde btw. De toepassing van die bijzondere regeling maakt daarentegen wel het voorwerp uit van een vermelding aangebracht met het elektronisch systeem voor de indiening van douaneaangiften dat de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen gebruikt om aangiften voor het verbruik te aanvaarden. Voor een omstandige toelichting van die bijzondere regeling wordt verwezen naar ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 7, titel 3, rubriek I, subrubriek e’.
Merk op dat de huidige toepassing PLDA in de nabije toekomst integraal zal worden vervangen door de toepassing IDMS, voor wat de invoeren van goederen betreft, waardoor voornoemde vermeldingen op een andere wijze zullen moeten worden opgenomen in de douaneaangifte ten invoer. De toepassing IDMS zal in de loop van dit jaar gefaseerd worden uitgerold, met een geleidelijke uitbreiding van de scope en functionaliteiten. Voor meer informatie daaromtrent wordt verwezen naar de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen.
E. Verlegging van heffing naar de periodieke btw-aangifte
a. Algemeen
Het stelsel van de verlegging van heffing bij invoer houdt in dat de geadresseerde ontheven wordt van de verplichting om de naar aanleiding van een invoer verschuldigde belasting aan de douane te voldoen. In plaats daarvan vermeldt hij de verschuldigde belasting in rooster 57 van de periodieke btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de aangifte ten verbruik door de douane wordt aanvaard. In dezelfde periodieke btw-aangifte kan hij in rooster 59 zijn recht op aftrek uitoefenen.
b. Beoogde personen
Overeenkomstig artikel 5, § 3, lid 1 en 2, van het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd, kan een vergunning voor de toepassing van het stelsel van de verlegging van heffing bij invoer worden toegekend:
•aan belastingplichtigen die de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek bedoelde periodieke aangifte (maandelijks of driemaandelijks) indienen
•aan de personen die, overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek, vooraf zijn erkend om niet in België gevestigde belastingplichtigen te vertegenwoordigen.
Zijn aldus beoogd:
•de in België gevestigde belastingplichtigen die handelingen verrichten die hen een volledig of een gedeeltelijk recht op aftrek verlenen en waarvoor zij periodieke btw-aangiften indienen (met inbegrip van de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek).
•de niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen die handelingen verrichten die hen een volledig of een gedeeltelijk recht op aftrek verlenen en waarvoor zij periodieke btw-aangiften indienen door middel van een erkende individuele aansprakelijke vertegenwoordiger zoals bedoeld in artikel 55, § 1, van het Btw-Wetboek.
•de niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen die uitsluitend handelingen verrichten vanuit de zetel van hun economische activiteit of een vaste inrichting die gevestigd is in een land waarmee er een rechtsinstrument inzake wederzijdse bijstand (7) bestaat, welke hen een volledig of een gedeeltelijk recht op aftrek verlenen en waarvoor zij periodieke btw-aangiften indienen. Het is daarbij van geen belang of dergelijke belastingplichtige zich in België voor btw-doeleinden identificeert door middel van een rechtstreekse btw-identificatie of door de erkenning van een individuele aansprakelijke vertegenwoordiger zoals bedoeld in artikel 55, § 2, van het Btw-Wetboek.
(7) Waarvan de strekking gelijk is aan die van richtlijn 2010/24/EU van 16 maart 2010 van de Raad betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen en die van Verordening (EU) nr. 904/2010 van 7 oktober 2010 van de Raad betreffende de administratieve samenwerking en de strijd tegen de fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde.
•de niet in België maar in een andere lidstaat van de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen die handelingen verrichten die hen een volledig of een gedeeltelijk recht op aftrek verlenen en waarvoor zij periodieke btw-aangiften indienen. Het is daarbij van geen belang of dergelijke belastingplichtige zich in België voor btw-doeleinden identificeert door middel van een rechtstreekse btw-identificatie of door de erkenning van een individuele aansprakelijke vertegenwoordiger zoals bedoeld in artikel 55, § 2, van het Btw-Wetboek.
•de vooraf door de administratie erkende personen bedoeld in artikel 55, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek aan wie een globaal btw-identificatienummer met beginkenmerk BE 0796.5 is toegekend, om niet in België gevestigde belastingplichtigen te vertegenwoordigen die er niet voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd op grond van artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek.
Zijn aldus niet beoogd:
•de niet-belastingplichtigen (zowel particulieren als rechtspersonen)
•de belastingplichtigen onderworpen aan de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen bedoeld in artikel 56bis van het Btw-Wetboek
•de belastingplichtigen onderworpen aan de bijzondere regeling voor landbouwondernemingen bedoeld in artikel 57 van het Btw-Wetboek
•de belastingplichtigen die uitsluitend handelingen verrichten die op grond van artikel 44 van het Btw-Wetboek zijn vrijgesteld en hen geen recht op aftrek verlenen
•de belastingplichtigen die in het kader van bepaalde bijzondere administratieve regelingen ontheven zijn van de verplichting tot indiening van periodieke btw-aangiften (zie daartoe ‘Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 4, titel 3, rubriek D’, van dit Boekwerk I)
•de vooraf door de administratie erkende personen bedoeld in artikel 55, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek aan wie een globaal btw-identificatienummer met beginkenmerk BE 0796.6 is toegekend, om niet in België gevestigde belastingplichtigen te vertegenwoordigen die er niet voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd op grond van artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek.
c. Voorwaarden en formaliteiten
De toepassing van het stelsel van de verlegging van heffing bij invoer is onderworpen aan het bezit van een vergunning uitgereikt door de dienst Operationele Expertise en Ondersteuning - Btw van de centrale diensten van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit. Die vergunning dient bij de inklaring van de goederen niet aan de douane te worden voorgelegd.
Bij de invoer wordt in de regel een als aangifte ten verbruik gehanteerd formulier enig document ingediend. De aangever moet de code ‘G’ vermelden in de kolom ‘WB’ (wijze van betalen) van vak 47 van dat document. Vak 48 moet worden aangevuld met het nummer van de vergunning dat aan de geadresseerde of de vooraf door de administratie erkende persoon bedoeld in artikel 55, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek is toegekend.
Merk op dat het sinds 01.07.2021 mogelijk is om voor de invoer van zendingen met een geringe waarde een elektronische douaneaangifte in te dienen via de toepassing Import Declaration Management System (IDMS). Voor meer informatie daaromtrent wordt verwezen naar Afdeling 4, titel 2, rubriek B, subrubriek b, van dit Hoofdstuk 4, hiervoor.
De huidige toepassing PLDA zal in de nabije toekomst overigens integraal worden vervangen door de toepassing IDMS, voor wat de invoeren van goederen betreft, waardoor voornoemde vermeldingen op een andere wijze zullen moeten worden opgenomen in de douaneaangifte ten invoer. De toepassing IDMS zal in de loop van dit jaar gefaseerd worden uitgerold, met een geleidelijke uitbreiding van de scope en functionaliteiten. Voor meer informatie daaromtrent wordt verwezen naar de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen.
De verlegging van heffing bij invoer is onderworpen aan het naleven van de voorwaarden en het vervullen van de formaliteiten vermeld in de circulaire AAFisc nr. 25/2013 (nr. E.T. 123.777) van 27.06.2013.
[Top]
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.