lid 1Overeenkomstig artikel 46, § 1, eerste lid, van het Wetboek stelt elke belastingplichtige die zijn recht op aftrek uitoefent overeenkomstig het in deze afdeling bedoelde algemeen verhoudingsgetal, de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde daarvan vooraf in kennis.
lid 2De belastingplichtige doet de in het eerste lid bedoelde kennisgeving door middel van de aangifte bedoeld in artikel 1 of 2 of 7bis van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992, met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde, ten laatste voor het einde van het eerste aangiftetijdvak waarin de aanvang van zijn activiteit plaatsvindt.
lid 3In afwijking van het tweede lid, doet een belastingplichtige:
1°die zijn activiteit zodanig wijzigt dat hij zowel handelingen verricht die recht geven op aftrek op grond van artikel 45 van het Wetboek als andere handelingen, de in het eerste lid bedoelde kennisgeving op dezelfde wijze vóór het einde van het eerste aangiftetijdvak waarin de wijziging van zijn activiteit plaatsvindt;
2°die op 31 december 2023 de aftrek verricht overeenkomstig het in deze afdeling bedoelde algemeen verhoudingsgetal, de in het eerste lid bedoelde kennisgeving op dezelfde wijze vóór 1 juli 2024 volgens de procedure bedoeld in het tweede lid.
lid 2De in het eerste lid bedoelde kennisgeving heeft uitwerking voor een onbepaalde duur vanaf de eerste dag van de aanvang of wijziging van zijn activiteit.
lid 1De in artikel 46, § 2, van het Wetboek bedoelde belastingplichtige die zijn recht op aftrek wenst uit te oefenen overeenkomstig het in deze afdeling bedoelde algemeen verhoudingsgetal, brengt de administratie die belast is met de belasting over de toegevoegde waarde op de hoogte door middel van een voorafgaande kennisgeving overeenkomstig de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde modaliteiten.
lid 2Onverminderd artikel 18bis, § 1, vierde lid, heeft de in het eerste lid bedoelde kennisgeving voor onbepaalde tijd uitwerking vanaf 1 januari van het jaar volgend op die kennisgeving.
lid 1De in de paragraaf 1 bedoelde belastingplichtige die de aftrek volgens het algemeen verhoudingsgetal wenst te beëindigen, stelt de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde daarvan in kennis door middel van de in artikel 18bis, § 1, eerste lid, bedoelde voorafgaande kennisgeving. Die beëindiging gaat in op de dag waarop die kennisgeving uitwerking heeft overeenkomstig artikel 18bis, § 1, vierde lid.
lid 2De belastingplichtige doet geen in het eerste lid bedoelde kennisgeving, wanneer:
1°uit de verklaring bedoeld in artikel 2, eerste lid of 7bis van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde, blijkt dat de belastingplichtige in het kader van zijn economische activiteit uitsluitend handelingen verricht die hetzij recht geven op aftrek op grond van artikel 45 van het Wetboek hetzij geen recht op aftrek geven;
2°uit de verklaring bedoeld in artikel 3 of 7bis van het in 1° vermelde koninklijk besluit blijkt dat de belastingplichtige alle economische activiteiten die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verlenen, heeft beëindigd.