lid 1De belastingplichtige die de zetel van zijn economische activiteit in België heeft gevestigd en die is onderworpen aan de forfaitaire regeling kan overeenkomstig artikel 56ter, § 1, van het Wetboek gebruikmaken van de vrijstellingsregeling van belasting vanaf 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober van een kalenderjaar wanneer zijn totale omzet die aan de forfaitaire regeling onderworpen is gedurende het voorgaande kalenderjaar het in artikel 56ter, § 1, eerste lid, van het Wetboek bedoeld bedrag niet heeft overschreden.
lid 2De belastingplichtige die van die regeling gebruik wil maken, dient in dat geval de aanvraag in binnen de termijn en volgens de modaliteiten bedoeld in artikel 3, § 2, tweede tot en met vijfde lid, van het koninklijk besluit nr. 19 van 15 december 2024 met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen.
lid 3De in het tweede lid bedoelde kennisgeving heeft uitwerking overeenkomstig artikel 3, § 2, vierde en vijfde lid, van het koninklijk besluit nr. 19 van 15 december 2024 met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen.
§ 2
Bij de overgang naar de vrijstellingsregeling van belasting, verricht de belastingplichtige de herziening onder de voorwaarden bedoeld in artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit nr. 19 van 15 december 2024 met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen. Hij kan evenwel overeenkomstig artikel 56, § 4, derde lid, van het Wetboek, teruggaaf van de voldane belasting verkrijgen volgens de in artikel 3, § 3, tweede en derde lid voorziene modaliteiten.