§ 1
lid 1De belastingplichtige die een economische activiteit aanvangt, kan de vrijstellingsregeling van belasting genieten wanneer hij, onder controle van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, in de bij artikel 53, § 1, eerste lid, 1°, van het Wetboek bedoelde aangifte verklaart dat zijn activiteit naar alle waarschijnlijkheid zal voldoen aan de voorwaarden die voor de toepassing van die regeling zijn gesteld in artikel 56bis van het Wetboek.
lid 2Wanneer evenwel uit de omstandigheden duidelijk blijkt dat aan de voorwaarden gesteld voor de toepassing van de vrijstellingsregeling van belasting niet is voldaan, beslist de administratie dat de belastingplichtige onderworpen is aan een andere belastingregeling.
Wanneer voor het verstreken kalenderjaar, de omzet van een belastingplichtige onderworpen aan de normale belastingregeling of aan de forfaitaire regeling voorzien in artikel 56 van het Wetboek, niet meer bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 56bis, § 1, eerste lid, van het Wetboek, stelt de administratie deze laatste in kennis dat hij vanaf 1 juli de vrijstellingsregeling van belasting kan genieten. De belastingplichtige die deze vrijstellingsregeling wenst te genieten, moet in dat geval vóór 1 juni daarvan aangifte doen door middel van de aangifte bedoeld in artikel 2 of 7bis van het koninklijk besluit nr. 10, van 29 december 1992, met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d) van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde.
lid 1De belastingplichtige onderworpen aan de normale belastingregeling of aan de forfaitaire regeling bedoeld in artikel 56 van het Wetboek, die wil genieten van de vrijstellingsregeling van belasting vanaf 1 januari van het volgend jaar, kan daartoe een aanvraag indienen in de loop van het laatste kwartaal maar vóór 15 december van het lopend jaar, door middel van de aangifte bedoeld in artikel 2 of 7bis van het koninklijk besluit nr. 10, van 29 december 1992, met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d) van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde.
lid 2De in het eerste lid bedoelde aanvraag vermeldt ook het bedrag van de omzet van de eerste drie kwartalen van het lopende jaar, evenals een raming van de omzet van het vierde kwartaal.