lid 1In geval van niet-naleving door de belastingplichtige of van eenieder, van de verplichtingen opgenomen in de artikelen 60, 61, 62, 62bis, 63, van dit Wetboek, kan de fiscale administratie van de in het tweede lid bevoegde rechter eisen dat de betrokken belastingplichtige veroordeeld wordt tot betaling van een dwangsom in overeenstemming met de artikelen 1385bis tot 1385nonies van het Gerechtelijk Wetboek.
lid 2De vordering wordt aanhangig gemaakt bij de rechter die bevoegd is om te oordelen over de toepassing van de belastingwet zoals bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek en deze vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding.
lid 3De dwangsom kan gevorderd worden wanneer de onderzoekingen uitgevoerd worden op vraag van een Staat waarmee België een rechtsgrond tot uitwisselen van inlichtingen heeft inzake de belasting over de toegevoegde waarde.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
5Rechtspraak
2België
2Rechtbank van eerste aanleg te Namen18.05.2022
Ambtshalve aanslag, Geen willekeur, Omkering van de bewijslast
Administratieve doctrine
13 verwijzen naar geen enkel bijzonder punt. De koppeling wordt in de tekst van de documenten gelezen.
Opeenvolgende versies
1 versie eerste op 10.12.2022| Van kracht | Wijziging | Bron |
|---|---|---|
| 10.12.2022van kracht | het artikel werd ingevoegd | W 20.11.2022, B.S. 30.11.2022 |