Werkingssfeer, levering van goederen, plaats van de levering · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 25 september 2012

Zoeken

Werkingssfeer, levering van goederen, plaats van de leveringBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-plaats-intracommunautaire-hof-van-beroep-antwerpen-2012-09-25-e1ec

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
25 september 2012

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

78 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 25.09.2012

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep Antwerpen, zesde bis kamer burgerlijke zaken

Datum van uitspraak 25 september 2012

Rolnummer 2011/AR/2906

Fiscaal - Eind arrest

E. S. BVBA, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven onder het KSO-nummer …

eiseres in hoger beroep,

vertegenwoordigd door Mr. A. K.-W., advocaat te …, …

tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 28 maart 2011

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer Gewestelijk Directeur te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4 bus 4

verweerder in hoger beroep,

vertegenwoordigd door Mr. A. L., advocaat te …, …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 28 maart 2011, dat op verzoek van de Belgische Staat werd betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 9 september 2011, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 7 oktober 2011, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwisting

BVBA E. S. diende haar aangifte voor september 2008 te laat in en betaalde niet. Bijgevolg werd op 30 april 2009 overgegaan tot het afsluiten van de rekening-courant van de BTW en werd in toepassing van artikel 8, § 1 van KB nr. 24 een bijzondere rekening opgemaakt voor de periode van 31 januari 2009 tot 30 april 2009.

Uit deze bijzondere rekening bleek een schuld, samengesteld als volgt (stuk 1 administratief dossier) :

- BTW : 38.648,50 EUR

- Interesten : 309,12 EUR

- Geldboete : 3.860,00 EUR

Deze bijzondere rekening werd bij aangetekende brief van 2 juni verstuurd naar BVBA E. S., …, … (stuk 5 administratief dossier). De brief werd teruggebracht naar de post met de vermelding 'ontvangt de briefwisseling niet (meer) op het aangeduide adres'.

Op 12 juni 2009 werd een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 17 juni 2009 (stuk 2 administratief dossier).

Het dwangbevel, met daaraan gehecht de bijzondere rekening, werden bij gerechtsdeurwaardersexploot van 29 juni 2009 betekend aan de belastingplichtige (stuk 3 administratief dossier).

1.2. Procedure voor de eerste rechter

Tegen dit dwangbevel werd verzet gedaan bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 7 juli 2009.

De belastingplichtige stelde dat de bijzondere rekening vernietigd moest worden, vermits ze niet naar het juiste adres werd verstuurd en de belastingplichtige derhalve niet heeft bereikt. De eerste rechter oordeelde dat de bijzondere rekening werd opgemaakt conform de eigen aangifte van de vennootschap en dat ze de brief van 2 juni 2009 voorafging, zodat de onjuiste aanzegging de geldigheid van de bijzondere rekening niet aantastte. De bijzondere rekening werd ook gehecht aan het dwangbevel, dat aan de belastingplichtige werd betekend, zodat de vennootschap zich volop kon verweren.

De belastingplichtige dient in te staan voor de gevolgen van het feit dat één van haar personeelsleden zich zou hebben vergist in de aangifte. Het ging niet om een materiële vergissing.

De boete van 10 % was volgens de eerste rechter volkomen evenredig met de feiten.

De vordering van de belastingplichtige werd toelaatbaar, doch ongegrond verklaard. en de vennootschap werd veroordeeld tot de kosten van het geding, vereffend op een rechtsplegingsvergoeding van 1.320,00 EUR.

1.4. Procedure voor het hof van beroep

Voor het hof van beroep vordert BVBA E. S. om haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, om het bestreden vonnis teniet te doen en om opnieuw recht doende, haar verzet tegen het dwangbevel van 7 juli 2009 ontvankelijk en gegrond te verklaren. Ze vordert dienvolgens om het bestreden dwangbevel te vernietigen, dan wel van nul en generlei waarde te verklaren en om de belastingplichtige te ontslaan van alle in dit dwangbevel gevorderde sommen.

De vennootschap vordert tevens om de beslissing tot opmaak van de bijzondere rekening te vernietigen, alsook de bijzondere rekening zei en om de BTW-boete kwijt te schelden.

De vennootschap vordert om haar te ontslaan van de ten onrechte betaalde BTW en om de terugbetaling te bevelen van de betaalde en/of ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriuminteresten en om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 1.200,00 EUR.

Ter zitting van 26 juni 2012 vraagt eiseres in hoger beroep om de oor haar gevorderde rechtsplegingsvergoeding te indexeren tot een bedrag van 1.320,00 EUR per aanleg.

De Belgische Staat vordert om de vordering van BVBA E. S. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het vonnis te bekrachtigen om de vennootschap te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 1.320,00 EUR.

2. Bespreking

1. Schending van artikel 8 van KB nr. 24 van 29 december 1992

Artikel 8, § 1 KB nr. 24 van 29 december 1992, met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna KBµ. nr. 24) bepaalt als volgt :

“Door of vanwege de Minister van Financiën kan worden beslist dat handelingen, die vóór een door of vanwege hem te bepalen datum worden verricht, aan de in artikel 5 bedoelde rekening-courant worden onttrokken en dat een bijzondere rekening zal worden bijgehouden voor het tijdvak dat aan die datum voorafgaat.

In dat geval maakt de beslissing melding van de toestand van de rekening-courant op die datum, alsmede van het tijdvak waarvoor die bijzondere rekening wordt bijgehouden.

Van die beslissing wordt aan de belastingplichtige kennis gegeven bij aangetekende brief. De afgifte van het stuk ter post geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag.

De betalingen die op de bijzondere rekening moeten worden toegerekend, moeten worden gedaan op de door of vanwege de Minister van Financiën bepaalde wijze. (...)"

De belastingplichtige houdt voor dat de bijzondere rekening de vennootschap nooit heeft bereikt en dat ze bijgevolg nietig is. Ze werd volgens de belastingplichtige verstuurd naar het verkeerde adres, ondanks het feit dat de administratie het juiste adres kende of moest kennen.

Bijgevolg moet volgens de belastingplichtige ook het dwangbevel worden vernietigd.

De administratie argumenteert dat de belastingplichtige geen aangifte deed van de adreswijzing overeenkomstig artikel 2 van KB nr. 10 en ze stuurde de kennisgeving derhalve naar het correcte, door haar gekende adres. Volgens de administratie is een schending van artikel 8, § 1 KB nr. 24 niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. Het gaat in elk geval maar om een relatieve nietigheid, waarbij hier geen belangenschade werd aangetoond.

Artikel 2 van KB nr. 10 (van 29 december 1992, met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 5, derde lid en 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde (uitvoering van de artikelen 15, § 5, 25ter, § 1, 53bis en 53octies van het Wetboek)), 1 idt als volgt :

"Elke belastingplichtige, gehouden tot het indienen van de in artikel 1 bedoelde aangifte, die zijn woonplaats of maatschappelijke zetel verplaatst, die een wijziging aanbrengt in de benaming of de juridische vorm waaronder hij zijn economische activiteit uitoefent, die een administratieve zetel, een bedrijfszetel of een bedrijfsinrichting opricht, verplaatst of afschaft (...) moet daarvan binnen een termijn van één maand aangifte doen op het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert."

De belastingplichtige, bedoeld in artikel 1 van KB nr. 10 betreft "eenieder, vooraleer een economische activiteit uit te oefenen waardoor hij belastingplichtige wordt voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde". Deze bepaling schrijft voor dat dergelijke persoon daarvan aangifte moet doen op het controlekantoor van de BTW dat bevoegd is voor de plaats waar hij is gevestigd.

Overeenkomstig artikel 6 van KB nr. 10 moeten de in artikel 1 tot 5 bedoelde aangiften, kennisgevingen en verklaringen worden gedaan op formulieren waarvan het model door of vanwege de Minister van Financiën wordt vastgesteld en die door de betrokkenen kunnen bekomen worden op de controlekantoren van de BTW.

Ten onrechte stelt de belastingplichtige dat de vennootschap niet valt onder de verplichting van artikel 2 van KB nr. 10. Dit KB betreft onder meer de uitvoering van·artikel 53octies W.BTW dat bepaalt dat de Koning de toepassingsmodaliteiten regelt van de artikelen 53 tot 53septies W.BTW. Dit KB betreft blijkens zijn opschrift trouwens eveneens de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit. De artikelen 1 en 2 van dit KB bevestigen het ruim toepassingsgebied ervan, door de aangifteplicht van de aanvang van activiteit en de meldingsplicht van de verplaatsing van de woonplaats of maatschappelijke zetel toepasselijk te maken voor elke belastingplichtige.

Het hof stelt vast dat de belastingplichtige geen aangifte overeenkomstig artikel 2 van KB nr. 10 heeft gedaan van het feit dat zijn maatschappelijke zetel werd overgeplaatst van de … te … naar de … te …. De administratie heeft derhalve aan haar verplichting, voorgeschreven in artikel 8, § 1 van KB nr. 24 voldaan, door de kennisgeving op 2 juni 2009 aangetekend te versturen naar het door haar gekende adres, met name de … te … (zie stuk 5 administratie). Zij was niet verplicht om zelf op zoek te gaan in het Belgisch Staatsblad of op de griffie van de Rechtbank van Koophandel naar een eventuele adreswijziging van de belastingplichtige. De griffiers zijn niet verplicht om de Kruispuntbank van Ondernemingen, in kennis te stellen van elke neerlegging van een beslissing van de buitengewone algemene vergaderingen van vennootschappen.

Ten overvloede merkt het hof op dat de verplichting tot aangetekende kennisgeving van artikel 8, § 1 KB nr. 24 niet is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de kennisgeving of van de bijzondere rekening. Er wordt bovendien in hoofde van de belastingplichtige geen belangenschade aangetoond, doordat de kennisgeving naar een verkeerd adres zou zijn gestuurd. De bijzondere rekening. werd immers aangehecht aan het dwangbevel en samen met dit dwangbevel betekend aan de belastingplichtige bij gerechtsdeurwaardersexploot van 29 juni 2009 op het adres, …, … (stukken 2 en 3. administratie).

2. Schending van motiveringsverplichting

Volgens de belastingplichtige moet het dwangbevel worden vernietigd, vermits het niet afdoende werd gemotiveerd. De motivering moet in de akte zelf staan.

Volgens de administratie werd het dwangbevel voldoende gemotiveerd door de bijzondere rekening, die als bijlage was gehecht aan het dwangbevel.

Het dwangbevel is een bestuurshandeling zoals omschreven in artikel 1 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Het betreft immers een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur. Bijgevolg dient het dwangbevel krachtens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 uitdrukkelijk te worden gemotiveerd.

Artikel 3 van deze wet bepaalt dat de motivering de vermelding impliceert van de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen. Die motivering moet afdoende zijn, in die zin dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen.

De concrete invulling van deze motiveringsvereiste blijft evenwel aanleiding geven tot discussie. Het Hof van Cassatie bevestigde dat na het opstellen van het dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, door het bestuur nog nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens mogen worden aangevoerd, doch enkel ter ondersteuning van hetgeen in het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld (Cass., 1 december 2005, www.cass.be ). Het Hof van Cassatie sprak zich onlangs uit er wat onder een 'afdoende motivering' moet worden verstaan : "Dat de motivering afdoende moet zijn, betekent dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen en dat de motivering evenredig moet zijn met de belangrijkheid van de genomen beslissingen de aard van de bevoegdheid van de overheid. Een afdoende motivering moet aan de bestemmeling toelaten de gronden te kennen van de beslissing die hem aanbelangt. Of zij al dan niet afdoende is zal afhangen van alle omstandigheden van de zaak, inzonderheid van de voorafgaande effectieve kennis die de bestemmeling heeft van de gegevens van het dossier" (zie Cass., 22 mei 2008, www.cass.be , met conclusies advocaat­generaal THIJS, besproken door X, 'Dwangbevel inzake successierechten en motivering van de bestuurshandelingen’, Fiscale Koerier, 2008, afl. 12, 564).

In deze wordt in de bijzondere rekening, die als bijlage bij het dwangbevel wordt gevoegd, afdoende uiteengezet om welke reden en bijzondere rekening werd opgemaakt, op welke periode ze betrekking heeft en welke fiscale schuld ze impliceert, met een uitsplitsing tussen de BTW zelf, de interesten en de boeten en een vermelding van de periodes waarop de betrokken bedragen betrekking hebben. Er wordt tevens uiteengezet hoe de boete werd berekend, met vermelding van de toepasselijke bepalingen, de periodes en de berekening van de vermindering.

Het hof oordeelt dat de administratie aldus op afdoende wijze het dwangbevel heeft gemotiveerd. Het feit dat de motivering uitgewerkt werd in de bijlage waarnaar in het dwangbevel verwezen werd en die met het dwangbevel mee werd betekend doet aan het voorgaande geen afbreuk.

3. Rechten van verdediging

Volgens de belastingplichtige werden haar rechten van verdediging geschonden. Zij kon zich volgens haar niet verdedigen vermits zij de bijzondere rekening niet ontving.

Hierboven werd reeds geoordeeld dat de rechten van verdediging van de vennootschap op afdoende wijze werden gevrijwaard, doordat de bijzondere rekening naar het door de administratie gekende adres werd gestuurd en doordat ze werd mee betekend met het dwangbevel op 29 juni 2009.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat de bijzondere rekening werd opgemaakt op basis van de gegevens, vermeld in de aangifte van de belastingplichtige zelf. De vennootschap heeft sinds de betekening van het dwangbevel in juni 2009 niet het bewijs geleverd dat er in de aangifte sprake zou geweest zijn van een materiële vergissing. De loutere bewering dat de aangiften niet overeenstemden met de werkelijkheid volstaat dienaangaande niet. Ook op heden wordt geen bewijs geleverd dat er sprake zou zijn van een materiële vergissing.

De bijzondere rekening werd aldus correct opgemaakt en de daarin vermelde bedragen zijn verschuldigd.

Beschikkend gedeelte

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep In overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van BVBA E. S. toelaatbaar doch ongegrond.

Het Hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het Hof verwijst BVBA E. S. in de gedingkosten in hoger beroep, vereffend aan de zijde van de Belgische Staat op en rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van 1.320,00 EUR.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 25 september 2012 door :

M. G., Raadheer;

L. K., Griffier.

L. K. M. G.

Aangehaalde teksten

6
KB nr. 24 art. 86 voorkomens
KB nr. 10 art. 24 voorkomens
WBTW art. 152 voorkomens
WBTW art. 25ter2 voorkomens
KB nr. 10 art. 11 voorkomen
KB nr. 10 art. 61 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8