Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Leuven 19 januari 2007

Zoeken

Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handelingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-belastbare-handeling-rechtbank-leuven-2007-01-19-6626

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Leuven
Datum
19 januari 2007

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

84 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 19.01.2007

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN - AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK - twaalfde kamer

Zitting : 19 januari 2007.

eindvonnis

Rol nr. : 04/225/A

M A. BVBA, ondernemingsnummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder het nummer …, met zetel gevestigd te …;

eiseres,

ter zitting vertegenwoordigd door meester D. L. loco meester D., advocaat te …, …;

tegen :

De Belgische Staat, FOD Financiën, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector van de BTW, Controlecentrum Tienen, te 3300 Tienen, Goossensvest 3;

verweerster,

ter zitting vertegenwoordigd door meester M. C. loco meester d. N., advocaat te …, ….

De rechtbank doet uitspraak: in deze zaak die op de zitting van 22 december 2006 in beraad werd genomen.

De procedure verliep met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

De rechtbank nam onder meer kennis van :

- het dwangbevel van de e.a. inspecteur van het ontvangkantoor van de BTW te Tienen van 5 december 2003, RCIV nr. …, inventarisnr. …, uitvoerbaar verklaard op 8 december 2003;

- het verzoekschrift op tegenspraak ter griffie neergelegd op 29 januari 2004;

- de conclusies van partijen en de door hen neergelegde stukken;

- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.

De advocaten van partijen werden gehoord op de openbare zitting van 22 december 2006.

I. FEITEN EN VOORWERP VAN DE VORDERING

1. Eiseres baat een kleinhandel in dameskleding uit te …. Voor deze activiteit is eiseres belastingplichtig in de BTW.

Blijkens het overnamecontract van 1 januari 2000 heeft eiseres "de volledige winkelinrichting en cliënteel" overgenomen van L. P., tevens zaakvoerder van eiseres. Volgens dit contract betaalde eiseres in totaal … frank (thans … euro), zonder BTW vermits de overdracht geschiedde bij toepassing van artikel 11 W.BTW (overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling).

2. Ingevolge een fiscale controle uitgevoerd in de loop van het jaar 2003, werd voor het jaar 2000 een tekort in de aangegeven omzet berekend van … frank (thans … euro). Op de vastgestelde meeromzet werd een surplus aan verschuldigde BTW geheven van … frank of … euro. Tevens werd een boete bepaald van … euro en interesten aan 0,8 % per maand op … euro vanaf 21 januari 2002.

De meeromzet werd berekend op basis van het verschil tussen de beginvoorraad per 1 januari 2000 plus de in 2000 aangekochte handelsgoederen enerzijds en de eindvoorraad per 31 december 2000 anderzijds. Op grond van een prijsopname door fiscale ambtenaren d.d. 24 januari 2000, werd op dit verschil een gemiddelde winstmarge toegepast van (afgerond) 90 %, met dien verstande dat voor de soldenperiodes (januari, juli en augustus 2000) werd uitgegaan van de werkelijke omzet. Op het verschil tussen het resultaat van deze berekening enerzijds en de aangegeven omzet anderzijds, werd een surplus aan verschuldigde BTW berekend aan 21 % (zie proces-verbaal D. BARTHOLOMÉ van 6 oktober 2003).

Volgens eiseres is het verschil tussen de begin- en de eindvoorraad van het jaar 2000 voor een deel te verklaren door een schenking van gedateerde kledingstukken aan de L. C. … in het kader van een inzamelactie voor het goede doel. Eiseres ontving per brief van 30 maart 2000 alvast een schriftelijke bedanking van de serviceclub "voor de wel erg grote en voor [hen] belangrijke partij kleding welke [zij] zo bereidwillig ter beschikking stelde voor [hun] kledinginzamelactie op paasmaandag 24 april 2000 eerstkomend".

3. Op 5 december 2003 werd door W. W., e.a. inspecteur van het ontvangkantoor van de BTW te Tienen, op naam van eiseres een dwangbevel uitgevaardigd tot betaling van de BTW-schuld van … euro in hoofdsom, vermeerderd met de boete van … euro en de intresten vanaf 21 januari 2002.

Op 8 december 2003 werd dit dwangbevel uitvoerbaar verklaard door E. V. D. P., gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt.

Op 29 januari 2004 legde eiseres ter griffie een verzoekschrift neer gericht tegen dit dwangbevel. Eiseres vordert dat de rechtbank voor recht zou zeggen dat zij geen overtreding heeft begaan van de BTW-reglementering wat de aangegeven omzet betreft, dat de vordering van de BTW-administratie ongegrond zou worden verklaard en dat het bestreden dwangbevel zou worden vernietigd.

II. BEOORDELING

1. Het verzoekschrift werd naar vorm en tijd regelmatig neergelegd.

De vordering van eiseres is derhalve ontvankelijk.

2. De oorzaak van een vordering in rechte is niets anders dan het geheel van feitelijke omstandigheden dat door een partij wordt aangevoerd tot staving van de eis.

In haar verzoekschrift van 29 januari 2004 vraagt eiseres de vernietiging van het bestreden dwangbevel op grond van de overweging "dat voormelde berekening van de BTW-diensten zoals opgenomen in het proces-verbaal van 06/10/03 (...) niet in rechte kan gehonoreerd worden daar zij gebaseerd is op een foutieve input, nu de goederen ter waarde van … bef. dienen in mindering gebracht om de theoretische omzet te berekenen".

De oorzaak van de vordering van eiseres, zoals bepaald in het inleidend verzoekschrift, is derhalve de beweerde "foutieve input" bij de berekening van de meeromzet.

Door in haar naderhand neergelegde conclusies niet alleen te verdedigen dat de beweerdelijk weggeschonken handelsgoederen volledig uit de berekeningsbasis van de meeromzet moeten worden geweerd, maar ondergeschikt ook de door verweerster toegepaste winstmarge te betwisten, wijzigt eiseres geenszins de oorzaak van haar vordering maar preciseert zij slechts met bijkomende argumenten in welke mate de door verweerster weerhouden "input" van handelsgoederen ter waarde van … frank (aankoopprijs), naar haar oordeel, als "foutief' moet worden beschouwd. Eiseres heeft haar verzoekschrift overigens beëindigd met het gebruikelijke "voorbehoud van verdere aanvulling/wijziging in de loop van het geding".

In tegenstelling tot wat verweerster voorhoudt, dient de rechtbank derhalve wel degelijk acht te slaan op de door eiseres ontwikkelde motieven met betrekking tot de toegepaste winstmarges.

3. Hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen wordt behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de BTW opeisbaar wordt (art. 64, § 1 W.BTW).

Uit de vergelijking tussen de beginvoorraad per 1 januari 2000 plus de in 2000 aangekochte handelsgoederen enerzijds en de eindvoorraad per 31 december 2000 anderzijds, heeft verweerster afgeleid dat een deel van de handelsgoederen van eiseres werd geleverd zonder dat dit tot uiting is gekomen in de aangegeven omzet voor het jaar 2000.

Indien een deel van deze handelsgoederen zou zijn geleverd onder voorwaarden die geen aanleiding geven tot de heffing van BTW, zoals eiseres voorhoudt, is het dan ook aan eiseres om het bewijs te leveren van de aard en de omvang van dergelijke leveringen.

4. Met een (belastbare) levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld, het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van goederen om deze gratis te verstrekken, wanneer voor deze goederen recht op aftrek van BTW is ontstaan (art. 12, § 1, 2° W.BTW).

De door eiseres beweerdelijk weggeschonken goederen betroffen, naar eigen zeggen, gedateerde kledingstukken van de seizoenen 1993 of 1994 tot en met 1997, afkomstig uit de voorraad die eiseres had overgenomen van de vroegere eenmanszaak van haar zaakvoerder L. P.. De aankoop van deze handelsgoederen heeft in hoofde van deze laatste stellig aanleiding gegeven tot aftrek van de betaalde BTW. Eiseres moet, als overnemer van het handelsfonds van L. P., bovendien geacht worden de persoon van L. P. voort te zetten (art. 11 W.BTW).

Hieruit volgt dat, zélfs in de veronderstelling dat eiseres een deel van haar voorraad zou hebben weggeschonken in het kader van een inzamelactie voor het goede doel, deze schenking krachtens de wet gelijkgesteld is met een levering onder bezwarende titel en dus eveneens onderworpen is aan de heffing van BTW (art. 12, § 1, 2° W.BTW).

5. De belastingplichtige die een onttrekking verricht die door artikel 12 W.BTW met een levering wordt gelijkgesteld, dient een stuk op te maken dat deze handeling vaststelt (art. 3 K.B. nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde) en dit uiterlijk de vijfde werkdag van de maand na die waarin de belasting opeisbaar werd m.a.w. na die waarin de onttrekking plaatsvond (art. 4, § 1 K.B. nr. 1).

Dit stuk dient (onder meer) de volgende vermeldingen te bevatten (art. 5, § 2 K.B. nr. 1) :

1° een opeenvolgend nummer, volgens één of meer reeksen, dat het stuk op eenduidige wijze identificeert, waaronder het is ingeschreven in het boek voor uitgaande facturen;

2° de naam of de maatschappelijke benaming van de belastingplichtige, het adres van zijn administratieve of maatschappelijke zetel en het in artikel 50 W.BTW bedoelde BTW­identificatienummer;

3° de datum van de handeling;

4° de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten;

5° per tarief, de vermelding van de maatstaf van heffing en het totaalbedrag van de verschuldigde belasting.

6. Met betrekking tot de beweerde schenking van gedateerde kledingstukken aan de L. C. … brengt eiseres géén dergelijk stuk bij.

De dankbrief van de L. C. … aan eiseres d.d. 30 maart 2000 beantwoordt alvast niet aan de hoger vermelde voorschriften.

De handgeschreven "detaillijst" van de beweerde schenking, die eiseres thans in haar stukken bij de brief van 30 maart 2000 voegt, is niet ondertekend noch gedateerd. Deze lijst kan evenmin worden beschouwd als een stuk in de zin van de artikelen 3, 4, § 1 en 5, § 2 van het K.B. nr. 1 van 29 december 1992.

7. Uit de dankbrief van 30 maart 2000 kan hoogstens het vermoeden worden afgeleid dat eiseres bij de inzamelactie van 24 april 2000 een schenking van kledingstukken heeft gedaan aan de L. C. …. De vraag of, en zo ja : in welke mate, de door eiseres weggeschonken kledingstukken nog begrepen waren in de beginvoorraad handelsgoederen per 1 januari 2000, die het vertrekpunt is van de door verweerster berekende meeromzet, blijft evenwel onbeantwoord.

Het overnamecontract tussen L. P. en eiseres van 1 januari 2000 maakt enkel gewag van de winkelinrichting en het cliënteel, maar zwijgt over voorraden.

Uit de vergelijking van de ? volgens het aankoopseizoen gespecificeerde ? inventarissen van eiseres d.d. 31 december 1999 en 31 december 2000, kan weliswaar worden afgeleid dat er in de loop van het jaar 2000 een afname is geweest van de respectieve stocks van de seizoenen 1993 tot en met 1999. Deze afnamen bewijzen op zichzelf echter geenszins dat eiseres de betrokken handelsgoederen zou hebben weggeschonken : zij kunnen immers evengoed hun oorsprong vinden in de gewone verkoop (al dan niet in solden) van deze goederen.

De inventaris van 31 december 1999 vermeldt inde marge naast verschillende posten een nummer. Dit zou volgens eiseres verwijzen naar de stukken die opgenomen zijn in de detaillijst van de schenking. Los van de beperkte bewijswaarde van deze detaillijst (zie hierboven), bevat deze lijst zelf géén nummering, zodat de beweerde overeenstemming door de rechtbank niet kan worden gecontroleerd.

8. Bij gebrek aan een verantwoordingsstuk in de zin van de artikelen 3, 4, § 1 en 5, § 2 van het K.B. nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot het bestaan en de omvang van een schenking van gedateerde kledingsstukken uit de voorraad handelsgoederen van eiseres in de loop van het jaar 2000, kan met een dergelijke schenking géén rekening worden gehouden.

Bij de berekening van de meeromzet paste verweerster dan ook terecht de gehanteerde winstmarge bij verkoop van (afgerond) 90 % toe op het geheel van de vastgestelde voorraadwijziging en aankopen handelsgoederen van het jaar 2000.

9. Deze winstmarge van (afgerond) 90 % steunt op een prijsopname ter plaatse die werd uitgevoerd door fiscale controleambtenaren. Deze prijsopname werd door de zaakvoerder van eiseres ondertekend op 24 januari 2000.

Uit het proces-verbaal van 6 oktober 2003 blijkt de basis van de door verweerster berekende meeromzet in hoofdzaak (namelijk voor … frank) te bestaan uit handelsgoederen die werden aangekocht in 2000 en slechts zeer gedeeltelijk (namelijk voor … frank- … frank = … frank) uit de afname van de stocks van de vorige seizoenen. Dit laatste wordt bevestigd door de vergelijking van de - volgens aankoopseizoen gespecificeerde - inventarissen van eiseres d.d. 31 december 1999 en 31 december 2000.

Aangenomen dat de handelsgoederen uit de vorige seizoenen, zoals eiseres voorhoudt, onmogelijk kunnen zijn verkocht aan de courante winstmarge van (afgerond) 90 %, is hieraan voldoende tegemoetgekomen doordat verweerster, bij de berekening van de meeromzet, voor de soldenmaanden (januari, juli en augustus 2000) is uitgegaan van de werkelijke omzet in plaats van de theoretische omzet op basis van de winstmarge van (afgerond) 90 % - temeer daar handelsgoederen uit vorige seizoenen juist bij uitstek het voorwerp uitmaken van de verkoop in deze soldenmaanden.

10. Ten onrechte voert eiseres aan dat verweerster bij de berekening van de meeromzet geen rekening heeft gehouden met de zogenaamde "valois-kortingen" die zij aan haar klanten verleende op de aangekochte waren.

De BTW op de toegestane "valois-kortingen" werd door eiseres immers rechtstreeks teruggevorderd door aangifte in vak 62 van de eerste kwartaalaangifte van het jaar 2001.

Bijgevolg diende verweerster met deze kortingen geen rekening te houden bij de berekening van de meeromzet van eiseres voor het jaar 2000.

11. Tot slot wordt opgemerkt dat eiseres zich geenszins kan beroepen op de winstmarge van 52 % die wordt gebruikt in het kader van de forfaitaire regeling.

Voor zover eiseres al zou voldoen aan de voorwaarden om onderworpen te zijn aan deze forfaitaire regeling, moet worden vastgesteld dat zij hiervoor nooit heeft geopteerd, zoals vereist door artikel 5, § 2 van het K.B. nr. 2 van 7 november 1969 met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de belasting over de toegevoegde waarde.

Eiseres is dus hoe dan ook aan de BTW onderworpen volgens de normale regeling.

12. Uit dit alles volgt dat de door verweerster weerhouden meeromzet correct werd berekend op basis van het vastgestelde verschil tussen de beginvoorraad per 1 januari 2000 plus de in 2000 aangekochte handelsgoederen enerzijds en de eindvoorraad per 31 december 2000 anderzijds, met toepassing van een winstmarge van (afgerond) 90 % op het geheel doch met een correctie in functie van de werkelijke omzet voor wat betreft de soldenmaanden (januari, juli en augustus 2000).

De vordering van eiseres is derhalve ongegrond.

Beschikkend gedeelte

III. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

De vordering is ontvankelijk maar ongegrond.

De rechtbank veroordeelt eiseres tot de kosten en stelt deze als volgt vast :

- voor eiseres : … euro (rechtsplegingsvergoeding);

- voor verweerster : … euro (rechtsplegingsvergoeding).

Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op vrijdag 19 januari 2007, waar zetelden :

- de heer L. W., rechter d.d. voorzitter;

- mevrouw K. G., rechter;

- de heer A. G., gerechtelijk stagiair, plaatsvervangend rechter in toepassing van artikel 259octies paragraaf 6, laatste lid Ger. W.;

- mevrouw G. D., griffier.

G. D. A. G. K. G. L. W.

Aangehaalde teksten

4
KB nr. 1 art. 33 voorkomens
KB nr. 1 art. 43 voorkomens
KB nr. 1 art. 53 voorkomens
KB nr. 2 art. 51 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8