Tekst van de beslissing
HOF VAN BEROEP BRUSSEL – Toegevoegde kamer "6SN" (wet van 9 juli 1997) - Openbare terechtzitting van 03.03.2010
Nr. van de zaak : 20O7/AR/495
IN ZAKE VAN :
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, woonst kiezende ten kantore van FOD Financiën, Administratie van de Ondernemings-en Inkomstenfiscaliteit-Sector van de BTW, G. Goossensvest 3 te Tienen,
appellant,
vertegenwoordigd door Meester L. V. H., advocaat …, …
tegen :
De BVBA JJMT R. T., thans gevestigd te …, …,
geïntimeerde, die niet verschijnt.
Het hof. na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :
Gelet op het vonnis van 29 augustus 2006 gewezen door de 12de kamer van de burgerlijke rechtbank van eerste aanleg te Leuven, waarvan van geen akte van betekening wordt voorgelegd.
EINDARREST - gegrond
Gelet op het verzoekschrift in hoger beroep dat door appellant tijdig en regelmatig naar vorm werd neergelegd ter griffie van het hof op 15 februari 2007.
Gelet op de beschikking tot regeling van de rechtspleging van 9 maart 2007 op grond van het oude artikel 747, § 2 Gerechtelijk Wetboek.
Gelet op de conclusies van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 5 april 2007.
Gelet op de conclusies van appellant neergelegd ter griffie op 29 mei 2007.
Gelet op artikel 747, § 2 gerechtelijk wetboek in de versie van vóór de wijziging door de wet 26 april 2007, die van toepassing blijft op zaken waarin vóór 1 september 2007 een conclusiekalender of rechtsdag werd aangevraagd of vastgesteld, en appellant toelaat een op tegenspraak gewezen arrest te vorderen.
1. Wat voorafgaat
De betwisting neemt een aanvang bij een controle op de maatschappelijke zetel van geïntimeerde te … door een ambtenaar van de Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit verbonden aan het controlecentrum te Tienen op 24 oktober 2003.
Op 5 juli 2004 stelt de ambtenaar een proces-verbaal op waarin melding gemaakt wordt van inbreuken i.v.m. artikel 21 van het BTW-Wetboek.
Na de integrale weergave van de tekst van het artikel 21 van het BTW-Wetboek worden de specifieke inbreuken op dit artikel opgenomen in een tabel.
De eerste inbreuk die in de tabel wordt opgenomen heeft het betrekking op de factuur uitgeschreven op 30 april 2001 onder nr. 0011.2001 (d.i. het nummer van het verkoopjournaal en niet van het aankoopjournaal zoals verkeerdelijk vermeld in het procesverbaal).
Deze factuur, voor een bedrag van … BF (€ …) werd gericht aan een vennootschap gevestigd in Italië, …, …, met de benaming
"B. M. Serv. SRL S.”..
De factuur vermeldt : "Location d’un siège sur une Porsche Speedster pour l’année 2001 en Belcar" (vertaling : huur van een zetel in een Porsche Speedster voor het jaar 2001 in Belcar).
Bij de reden voor het verschuldigd zijn van Belgische BTW wordt in het proces-verbaal enkel verwezen naar artikel 21, § 3, 6° van het BTW-Wetboek : "huur van Porsche Speedster voor het jaar 2001 - deelname Belcar'' zonder verdere opgave van motieven.
De sommen die op grond van het proces-verbaal gevorderd werden, werden opgenomen in een dwangbevel van 23 augustus 2004 voor een totaal bedrag van : € … aan BTW, te vermeerderen met de verminderde proportionele boete van 20 % en de intresten op grond van artikel 91, § 1 BTW-Wetboek à 0,8 % per maand te rekenen vanaf 21 januari 2003.
Geïntimeerde diende op 8 december 2004 een verzoekschrift op tegenspraak in bij de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.
Zij vorderde voor de rechtbank :
- het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren
- het dwangbevel van 23 augustus 2004 nietig te verklaren
- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
In het vonnis van 29 augustus 2006 verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en vernietigt zij het dwangbevel in de mate dat de factuur van 30 april 2001 voor een bedrag van € … werd onderworpen aan Belgische BTW.
De rechtbank beveelt de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van het aldus vernietigde dwangbevel werden geïnd en veroordeelt appellant tot de kosten.
Appellant vraagt in zijn verzoekschrift in hoger beroep dat op 15 februari 2007 ter griffie van het hof werd neergelegd, het bestreden vonnis te horen vernietigen, enkel in de mate waarin het de oorspronkelijke vordering gegrond achtte en opnieuw recht doende het verzet tegen het dwangbevel ongegrond te horen verklaren, kosten als naar recht.
Geïntimeerde vraagt het hof :
- het beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren
- het vonnis van de rechtbank te Leuven te bevestigen
- het dwangbevel d.d. 23 augustus 2004 nietig te verklaren in de mate dat de factuur 11/2001 onderworpen werd aan Belgische BTW
- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd
- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding.
2. Beoordeling
In het proces-verbaal van 5 juli 2004 wordt enkel gesteund op het artikel 21, § 3, 6° BTW-Wetboek als rechtsgrond om de BTW te vorderen op de door geïntimeerde uitgeschreven factuur van 30 april 2001
Dit artikel kan echter in casu niet dienen als rechtsgrond voor het vorderen van Belgische BTW omdat dit artikel verwijst naar de plaats waar het vervoermiddel wordt gebruikt in het geval het vervoermiddel verhuurd wordt door een Belgische belastingplichtige en buiten de Gemeenschap wordt gebruikt : artikel 21, § 3, 6°, litt. a) BTW-Wetboek..
Appellant wijzigt echter in zijn conclusie de rechtsgrond van de vordering en steunt op de algemene regel van artikel 21, § 2 BTW-Wetboek, namelijk de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd van waaruit hij de dienst heeft verricht, namelijk België.
Deze regel wordt nog versterkt door artikel 21, § 5 BTW-Wetboek dat een wettelijk vermoeden juris tantum invoert dat de plaats van een dienst geacht wordt zich in België te bevinden als één van de bij de dienst betrokken partijen er een zetel van activiteit heeft.
Een dergelijke wijziging van de rechtsgrond in de loop van het geding is geoorloofd, daar noch de oorzaak (vordering van Belgische BTW) noch het voorwerp van de vordering (gedeeltelijke vernietiging van het dwangbevel) worden gewijzigd.
Geïntimeerde beroept zich in haar conclusies op het artikel 21, § 3, 7° litt. h BTW-Wetboek, namelijk de plaats waar de ontvanger van de dienst is gevestigd, aangezien het volgens geïntimeerde gaat om een verhuur van een lichamelijke roerend goed dat geen vervoermiddel is.
Volgens appellant gaat het duidelijk om een vervoermiddel, zodat de algemene regel van de plaats waar de dienstverrichter gevestigd os van toepassing is, versterkt met het hierboven vermelde vermoeden van artikel 21, § 5 BTW-Wetboek.
De bewijslast voor de toepassing van de regel van artikel 21, § 3, 7° BTW-Wetboek rust op de geïntimeerde.
Opdat de regel van artikel 21, § 3, 7° h) BTW-wetboek van toepassing zou zijn dient het hof vooreerst na te gaan of het om een medecontractant gaat die handelt voor de doeleinden van zijn economische activiteit.
Het hof laat opmerken dat de factuur geen melding maakt van een BTW-registratienummer van de medecontractant in Italië, zodat er geen zekerheid over bestaat dat de medecontractant in Italië üherhaupt wel een BTW-belastingplichtige is die gehouden is aldaar de verschuldigde BTW in een periodieke aangifte op te nemen.
Het hof beschikt zodoende over geen enkel bewijskrachtig gegeven dat het zou gaan over een medecontractant die handelde in het kader van een economische activiteit in de zin van de BTW-Wetgeving bij het huren van de Porsche Speedster van geïntimeerde.
Volgens de bewoording van de factuur gaat het prima facie over een vervoermiddel, namelijk over een Porsche Speedster.
Evenwel brengt geïntimeerde geen enkel bewijs bij dat het verhuurde voertuig nl. de Porsche Speedster zodanig werd omgebouwd dat het enkel geschikt zou zijn om te worden gebruikt in een gesloten circuit en niet meer bruikbaar zou zijn als vervoermiddel op de openbare weg.
Er worden namelijk ook rally's gereden op de openbare wegen en niet enkel in gesloten circuits.
Het Hof van Justitie heeft als regel gesteld dat uitzonderingen restrictief dienen geïnterpreteerd te worden en dat een vervoermiddel, zelfs wanneer het voor sportieve doeleinden worden gebruikt, toch als vervoermiddel moet gekwalificeerd worden wanneer het de verplaatsing van personen en goederen over grote afstanden mogelijk maakt (Arrest Knut Hamann van 15 maart 1989 zaak C 51 /88).
Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 2 maart 2004 is ter zake niet vergelijkbaar gelet op het feit dat de rechtbank zich heeft uitgesproken over een zeer specifieke situatie van een voertuig dat werd omgebouwd om op een ijspiste te rijden en geenszins geschikt was om op de openbare weg te rijden.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend bij arrest geacht op tegenspraak te zijn gewezen ten aanzien van geïntimeerde, overeenkomstig art. 747, § 2 G.W.,
Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;
Vernietigt het bestreden vonnis, behalve waar het de vordering van geïntimeerde ontvankelijk verklaart;
Opnieuw rechtdoende, verklaart de vordering van geïntimeerde ongegrond.
Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, in hoger beroep begroot op … EUR voor de Belgische Staat.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de toegevoegde kamer ''6SN" van het hof van beroep te Brussel, op 03 maart 2010.
alwaar aanwezig waren en zitting namen :
J. V., raadsheer dd voorzitter,
R. T., plaatsvervangend raadsheer,
L. D., plaatsvervangend raadsheer,
C. D. N., griffier.
C. D. N. L. D. R. T. J. V.