Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 20.12.2005
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :
in de zaak AR nr. 03/191/A van :
de heer W. P., wonende te …, …, geregistreerd onder het nummer …,
eiser,
die voor de rechtbank niet verschenen is, en tegen wie vonnis werd gevorderd, geacht op tegenspraak te zijn gewezen.
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Brugge wiens burelen gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat nr. 4,
verweerder,
vertegenwoordigd door meester J. V. d. P., advocaat te ….
I. PROCEDURE
De partijen hebben hun middelen en besluiten kunnen voordragen in de openbare terechtzitting van 22 november 2005, waarop zij allen regelmatig uitgenodigd waren. Alleen verweerder is op die terechtzitting verschenen, terwijl eiser niet verscheen, noch vertegenwoordigd was. Verweerder heeft tegen eiser vonnis gevorderd dat geacht wordt op tegenspraak te zijn met toepassing van artikel 751 Ger.W. Daarna nam de rechtbank de zaak in beraad.
De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :
1. de gedinginleidende dagvaarding van 14 januari 2003 tegen het dwangbevel·dat op 26 november 2002 is uitgevaardigd;
2. de conclusie voor verweerder van 15 september 2004 en
3. de gerechtsbrief op verzoek van verweerder met toepassing van artikel 751 Ger.W. aan eiser verstuurd op 16 augustus 2005.
Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.
II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. De feiten die relevant zijn voor het geschil
Eiser is dierenarts, gevestigd te Brugge. Hij is als dierenarts geregistreerd voor de BTW.
Op18 november 2002 heeft de BTW-administratie een proces-verbaal opgesteld waarin zij uiteenzet dat er een controle gebeurd is van de facturatie voor de jaren 1999 en 2000 en dat eiser in het kader daarvan zijn facturen heeft voorgelegd. Op basis van de vaststelling dat eiser voor prestaties in andere EG-lidstaten dan België geen BTW aanrekende aan zijn buitenlandse afnemers enerzijds en dat eiser voor leveringen van medicatie het verlaagd tarief van 6 % toepaste anderzijds, heeft de BTW-administratie geoordeeld dat er reden was voor naheffing. Aldus werd voor de jaren 1999 en 2000 een bedrag van 27.083,82 euro BTW verschuldigd verklaard, meer 2.700 euro verminderde proportionele boete en meer de wettelijke interesten.
Bij gebrek aan betaling op eenvoudig verzoek, heeft verweerder op naam van eiser op 26 november 2002 onder RCIV-nummer … voor dezelfde bedragen, meer interest en kosten een dwangbevel uitgevaardigd op naam van eiser. Het dwangbevel werd op 5 december 2002 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en vervolgens per aangetekende brief van 11 december 2002 aan eiser betekend.
Met een dagvaarding van 14 januari 2003 stelde eiser zijn huidige vordering in.
2. De vorderingen van de partijen
Eiser doet verzet tegen het genoemde dwangbevel en vordert dat de rechtbank verweerder zou veroordelen tot terugbetaling van 32.282,25 euro meer 2.700 euro boete, meer de interest vanaf 24 december 2002 (datum van uitvoerend (derden)beslag.
Eiser vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.
Verweerder vordert dat de vordering van eiser door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiser zou verwezen worden in de gerechtskosten.
III. BESPREKING
0. Vonnis op tegenspraak
Hoewel eiser behoorlijk bij gerechtsbrief van 16 augustus 2005 werd opgeroepen met toepassing van artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek, is hij op de terechtzitting van 22 november 2005 niet verschenen en werd hij evenmin vertegenwoordigd. Hij had ook binnen de termijn die vermeld is in dit artikel geen conclusies neergelegd ter griffie. In die omstandigheden moeten wij gevolg geven aan de vraag van verweerder om hem het voordeel te verlenen dat deze uitspraak geacht wordt op tegenspraak te zijn gedaan.
1. De ontvankelijkheid van de vordering
Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.
2. De grond van de vordering
2.1. Plaats van de dienst
In wezen voert eiser aan dat de BTW ten aanzien van verweerder slechts verschuldigd is voor de prestaties op Belgisch grondgebied, omdat hij al zijn diensten steeds 'ter plaatse' verricht zodat alle niet in België verrichte diensten in het buitenland plaats vinden. Per analogie met artikel 2 W.BTW zouden die in het buitenland verrichte diensten dan ook niet in België belastbaar zijn.
De rechtspraak waar verweerder zich op beroept, zouden de Belgische wetgever slechts kunnen aanmanen tot het aanpassen van de wetgeving, terwijl verweerder, de wet anders zou toepassen zonder een wetswijziging door te voeren.
Samen met verweerder komt de rechtbank evenwel tot de vaststelling dat verweerder slechts toepassing gemaakt heeft van het· BTW-wetboek en dit in overeenstemming met de interpretatie die door het Hof van Justitie aan de BTW-richtlijnen werd gegeven, terwijl de Belgische wetgeving daarmee in overeenstemming is.
Eiser beweert niet dat hij geen diensten verricht op Belgisch grondgebied; hij beweert alleen dat hij geen enkele prestatie 'thuis' verricht. Deze diensten worden evenwel niet alleen op Belgisch grondgebied verstrekt.
De betwisting heeft alleen betrekking op de diensten die eiser in andere EG-Lidstaten dan België verricht. Voor de bepaling van de plaats van de dienst geldt in sommige gevallen een specifieke bepaling, namelijk deze van artikel 21, § 3, 7° W.BTW. Waar artikel 21, § 2 W.BTW als regel stelt dat de plaats van de dienst deze is waar de dienstverrichter (eiser) de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd of, bij gebreke daaraan, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats, voorziet het genoemde artikel 21, § 3, 7°, daarop uitzonderingen. In het bijzonder heeft eiser zich op artikel 21, § 3, 7), d) W.BTW beroepen. Dat artikel luidt als volgt :
In afwijking van § 2 wordt als plaats van de dienst aangemerkt :
(...)
7° de plaats waar de ontvanger van de dienst de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd, waarvoor de dienst is verricht, of bij gebreke, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats, wanneer de dienst wordt verleend aan een ontvanger die. buiten de Gemeenschap is gevestigd of aan een belastingplichtige die in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter is gevestigd en handelt voor de doeleinden van zijn economische activiteit, en voor zover de dienst tot voorwerp heeft;
(…)
d) intellectueel werk in het kader van hun geregelde werkzaamheden verricht door juridische of andere adviseurs, accountants, ingenieurs, adviesbureaus en andere soortgelijke dienstverrichters alsook informatieverwerking en - verschaffing, met uitzondering van de in 1° bedoelde diensten en de in 2° bedoelde expertises;
Deze bepaling stemt overeen met artikel 9, 2., e), derde streepje van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977, dat als volgt luidt :
In afwijking hiervan is :
(…)
e) de plaats van de hieronder vermelde diensten, die worden verleend aan ontvangers die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd of aan belastingplichtigen die weliswaar in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter zijn gevestigd, de plaats waar de ontvanger de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de dienst is verricht, of bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats;
(...)
- diensten verricht door raadgevende personen, ingenieurs, adviesbureaus, advocaten, .accountants en andere soortgelijke diensten, alsmede informatieverwerking en -verschaffing;
De tekst van artikel 21, § 3, 7°, d) W.BTW is daarmee duidelijk in overeenstemming. Waar de tekst ruimte voor interpretatie toelaat, is het aan het Hof van Justitie om daarin de richting aan te geven.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van 9 maart 1997 (de zaak Linthorst; zaak C-167/95, BTW-revue, nr. 127, p. 463) blijkt duidelijk dat het beroep van dierenarts door de Europese wetgever niet bedoeld werd bij de weergave van artikel 9, lid 2, e), derde streepje van de Zesde Richtlijn. Ter argumentatie werd aangevoerd dat de Zesde Richtlijn elders wel uitdrukkelijk verwijst naar het beroep van dierenarts en dat de voornaamste en gewoonlijke activiteiten van dierenartsen niet van aard zijn om die vrije beroepen te rangschikken onder de begrippen 'raadgevende personen' of 'adviesbureaus' noch om ze als 'soortgelijk' aan te merken.
Bijgevolg is niet artikel 21, § 3, 7°, d) W.BTW toepasselijk maar artikel 21, § 2 W.BTW. Dat betekent dat het aanknopingspunt voor de plaats van de dienst bij de dienstverrichter, zijnde eiser, moet gezocht worden.
Gelet op de bewoordingen van artikel 21, § 2 W.BTW volstaat het niet dat de activiteiten van eiser steeds 'buitenshuis' zouden plaats vinden (wat op zich eigenlijk al niet bewezen is) om de diensten door hem verricht in andere EG- lidstaten, van BTW vrij te stellen (met verlegging van de heffing). Zelfs als eiser op zijn adres geen 'zetel van zijn economische activiteit' of 'een vaste inrichting' zou gevestigd hebben op zijn adres in Brugge, dan is dat adres zijn woonplaats of minstens zijn verblijfplaats.
De betwiste diensten worden dus geacht in België te zijn verricht zodat de BTW op die diensten verschuldigd is. De argumentatie van eiser is dus ongegrond.
2.2. Verantwoordelijkheid raadgever
Met reden voert verweerder aan dat de eventuele tekortkomingen vanwege de (boekhoudkundige) raadgever waarop eiser beroep heeft gedaan, niet aan hem kunnen worden tegengeworpen. Ten aanzien van verweerder is de overeenkomst tussen eiser en zijn raadgevers een extern gegeven waarvan verweerder geen nadeel kan ondervinden. Eisermoet zijn raadgevers eventueel met hun verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid confronteren.
2.3.Conclusie
De vordering van eiser is in die omstandigheden ongegrond.
3. De gerechtskosten
Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.
4. Uitvoerbaarheid bij voorraad
Nu de vordering van eiser niet kan ingewilligd worden, heeft een voorlopige tenuitvoerlegging voor hem geen nut. Ook dat deel van de vordering is dus ongegrond.
Beschikkend gedeelte
IV. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en geacht op tegenspraak met toepassing van artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek.
Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.
De rechtbank verwijst eiser in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :
aan de zijde van verweerder :
- rechtsplegingsvergoeding 356,97 euro
terwijl de kosten aan de zijde van eiser niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hem zelf moeten gedragen worden.
De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot de voorlopige tenuitvoerlegging af als ongegrond.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op twintig december tweeduizend en vijf.
De rechtbank is als volgt samengesteld :
D. V., alleenrechtsprekend rechter
A. V., griffier
A. V. D. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.