Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 30.10.1998
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, Tiende kamer, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :
G. N., vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de kantoren gevestigd zijn op het gemeentehuis te …, ….'
eiseres,
voor wie is opgetreden meester P. H. D., advocaat, te …, ….
tegen :
BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van de Ontvanger der Belastingen over de Toegevoegde Waarde te Oostende, wiens kantoren gevestigd zijn te Oostende, Vrijhavenstraat 1
verweerder,
voor wie: is opgetreden meester J. V. d. P., advocaat te …, …,
I. PROCEDURE
Gelet op de dagvaarding betekend op 10 juni 1993.
De rechtbank nam kennis van het dossier van rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in openbare terechtzitting
De artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
Bij verzetsakte betekend op 10 juni 1993 tekende eiseres verzet aan tegen het op 28 april 1993 uitgevaardigd dwangbevel haar ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven van 7 mei 1993 en betekend met bevel bij exploot van gerechtsdeurwaarder W. P. met standplaats te … op 2 juni 1993 en strekkende tot betaling van de som van … frank uit hoofde van belasting over de toegevoegde waarde en de som van … frank als wettelijke geldboete, of samen … frank te vermeerderen met de intresten van 0,8 % per maand, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf datum van betekening, de wettelijke innings- en kwijtingsrechten en de kosten.
Het verzet. van eiseres tegen voormeld dwangbevel is gesteund op de nietigheid ingevolge vormgebreken en op de ongegrondheid ingevolge het gebrek aan bewijs nopens het bestaan van de retributies welke het voorwerp van een gebeurlijke heffing kunnen uitmaken. Eiseres betwist inzonderheid de hoedanigheid van belastingplichtige in haar hoofde en houdt voor dat de daar haar geheven "mijnrechten" geenszins als aan BTW onderhevige retributies te aanzien zijn doch als belastingen. Zij stelt verder dat wat de opbrengst van de huur der pakhuizen betreft, deze verhuur van onroerende goederen géén handeling is waarop BTW verschuldigd is en betwist tenslotte eveneens de onderworpenheid aan BTW van de opbrengsten inzake de verkoperskaarten. Tegenover de gevorderde geldboete brengt zij in dat deze vordering niet gemotiveerd werd en dat de betwisting een louter juridisch probleem betreft waardoor er géén reden is om boeten te heffen.
lIl. BEOORDELING
1. Nietigheid van het dwangbevel
1.1. In eerste instantie stelt eiseres in haar verzetsakte dat heer Inspecteur te Brugge, R. D. niet gemachtigd is om dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren, minstens dat de Administratie de verleende delegatie niet bewijst.
Deze redenering kan niet gevolgd worden en dit om volgende redenen.
Artikel 85, § 1 BTW-wetboek stelt o.m. het volgende : "Bij gebreke van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren wordt door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd; dit wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald daar de Koning, door de gewestelijke directeur van de Administratie der douane en accijnzen, of door de door hem aangewezen ambtenaar".
Het visum en de uitvoerbaarverklaring van het dwangbevel zijn aldus geen toevoegingen aan de authentieke akte, die het dwangbevel uitmaakt, nu géén van beide wijzigingen aanbrengt aan de inhoud ervan. Het visum en de uitvoerbaarverklaring zijn wettelijke vereisten zonder dewelke het dwangbevel niet uitvoerbaar zou zijn. De rechtsgeldige naleving van deze vereisten is daarom een strikte noodzaak, doch er dienen uiteraard niet méér vereisten te worden nageleefd dan wettelijk voorzien.
Zoals blijkt uit geciteerd artikel 85, § 1ste lid BTW-wetboek dient het dwangbevel te worden geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de Administratie of door de door hem aangewezen ambtenaar, doch nergens wordt vereist dat de delegatie zelf bij dit dwangbevel wordt gevoegd of mede ter kennis wordt gebracht of betekend. Het is vereist doch het volstaat dat het visum en de uitvoerbaarverklaring benevens de datum de naam van de ambtenaar vermeldt die heeft geviseerd en uitvoerbaar verklaard gevolgd door diens handtekening en desgevallend met de vermelding van de aanwijzing door de gewestelijke directeur van de Administratie, ingeval het niet deze laatste is die het visum en de uitvoerbaarverklaring heeft verleend.
In concreto draagt het betwiste dwangbevel. onderaan de vermelding ;
"Reg' 127/183:51
Dwangbevel op naam van het G. V. N. met RCIV, nr. … geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 05 mei 1993, door D. R., Inspecteur te Brugge, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Brugge, onmiddellijk gevolg door diens handtekening.
Aangezien verweerster in de procedure onder haar stuk 8 het document voorlegt waaruit ontegensprekelijk blijkt dat de gewestelijke directeur, in casu de waarnemend gewestelijke directeur P. V., op 2 maart 1992 aan “De Heer D. R. Inspecteur Directie BTW Brugge", zijn wettelijke bevoegdheid heeft gedelegeerd "om alle dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren" "met ingang van heden en tot nader order", dient te worden vastgesteld dat het visum en de uitvoerbaarverklaring d.d. 5/5/1993 conform de bepalingen van artikel 85, § 1 1ste lid BTW-wetboek zijn geschied, nu geen meerdere vereisten wettelijk worden opgelegd.
Eiseres brengt trouwens géén redenen naar voor op grond waarvan de waarachtigheid van het document d.d. 2/3/1992 zou moeten in twijfel getrokken worden. Het louter feit dat door verweerster voorgelegde fotocopie van dit document niet voor eensluidend werd verklaard, maakt dit voorliggende document niet minder bewijskrachtig, nu de wetgever niet·heeft vereist dat de delegatiebeslissing de kennisgeving en/of betekening van het dwangbevel moet vergezellen, evenmin als dat wordt vereist dat deze delegatie moet worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
1.2. Eiseres betwist verder de bevoegdheid in hoofde van de BTW-ontvanger om het dwangbevel en het proces-verbaal eensluidend te verklaren, zulks als tweede nietigheidsgrond. Dit zou de kennisgeving immers ongeldig maken waardoor het dwangbevel als onbestaand en niet tegenstelbaar zou moeten aanzien worden. Doch deze redengeving kan evenmin gevolgd worden.
Het dwangbevel inzake BTW, uitgevaardigd door de met de invordering belaste ambtenaar, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, of door de door deze aangewezen ambtenaar, is een uitvoerbare titel en derhalve een authentieke akte, waarvan de kennisgeving gebeurt bij een ter post aangetekende brief of bij betekening van een gerechtsdeurwaardersexploot (artikel 85, § 1 en 3 BTW-wetboek). Zoals de betekening geschiedt de kennisgeving door de afgifte van een gelijkluidend verklaard afschrift van het dwangbevel en van de uitvoerbaarverklaring. Het aan de belastingplichtige aldus ter kennis gegeven of betekend afschrift van het dwangbevel of van de uitvoerbaarverklaring geldt voor deze als een origineel.
In casu wordt het niet betwist dat het bij ter post aangetekende brief op 7/5/1993 ter kennis gebrachte afschrift van het dwangbevel met visum en uitvoerbaarverklaring en het proces-verbaal voor eensluidend werd verklaard door de Ontvanger van BTW dhr. R. C., als zijnde dezelfde persoon die instond voor de uitvaardiging van het dwangbevel en de kennisgeving ervan. Dit is conform voormeld artikel 85, § 1, 1ste lid nu de hierin vervatte bewoordingen impliceren. dat de met de invordering belaste ambtenaar tevens belast is met de kennisgeving ervan. Waar de kennisgeving noch meer noch min een uitvoeringsmodaliteit van het dwangbevel zelf is, is een logische consequentie hiervan dat ook dezelfde ambtenaar de bevoegdheid heeft een voor eensluidend verklaard afschrift af te leveren van het dwangbevel, waartoe hij de uitvaardigingsbevoegdheid heeft uit kracht van de wet. De logica blijkt ten andere uit het feit dat ingeval van betekening van het dwangbevel, zoals in casu, het gelijkluidend verklaard afschrift wordt afgeleverd door de ambtenaar, die instaat voor de betekening, nl. de gerechtsdeurwaarder, bevoegdheiddie door eiseres in hoofde van deze laatste trouwens ook niet betwist wordt.
Nergens wordt bovendien vereist dat de bevoegdheid tot het afleveren van eensluidend verklaarde afschriften zou dienen geregeld te worden bij afzonderlijke wet of Koninklijk Besluit.
Op deze nietigheidsexceptie kan derhalve evenmin worden ingegaan.
2. Ten gronde
2.1. Eiseres betwist in haar verzetsexploot de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige in hare hoofde, stellende dat zij géén exploitante is van de haven ende vismijn. Dit kan uiteraard niet aanvaard worden om de eenvoudige reden dat de vismijn van … een stedelijke vismijn is uit hoofde waarvan eiseres van ambtswege als belastingplichtige werd geregistreerd onder het BTW identificatienummer …. Dit is een vaststaand gegeven waaraan geen afbreuk kan gedaan worden.
Krachtens artikel 1, 1° van het KB nr. 26 van 2 december 1970 met betrekking tot het onderwerpen van de openbare instellingen aan de belasting over de toegevoegde waarde (B.S. 5 december 1990) wordt trouwens als belastingplichtige aangemerkt de diensten van de regieën van de Staat … van de provincies en van de gemeenten … ten aanzien van o.m. “de levering van goederen en het verrichten van diensten in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens”, waaronder dan ook begrepen zijn de exploitaties van vissershavens en de vismijn, nu vooreerst de vissershaven een integrerend deel uitmaakt van de haven en onder de toepassing valt van alle wetten en reglementen m.b.t. de haven en vervolgens de vismijnreglementering op zich een integrerend deel uitmaakt van de havenreglementering (artikel 6, 1ste lid van de wet van 5 mei 1936 betreffende de exploitatie van de haven en de reglementering van de goederen) (dit laatste gegevens zijnde uit het proces-verbaal welke door eiseres niet betwist worden).
2.2. Eiseres betwist voorts het verschuldigd zijn van BTW op de door haar geïnde bedragen als gevolg van het innen van “mijnrechten" of “stadsrechten”, de opbrengsten van de verhuur van opbrengsten van koperskaarten.
2.2.1. Deze betwisting heeft vooreerst en zelfs in hoofdzaak te maken met het onderscheid tussen belasting en retributie, en inzonderheid het onderscheid tussen belasting-retributie en vergoeding retributie, nu enkel op dit laatste gebeurlijk BTW kan geheven worden.
Hierbij dient vooraf te worden opgemerkt dat de kwalificatie die de overheid zelf toekent aan een bepaalde heffing niet absoluut bindend is en het aan de rechter toekomt zelf de juiste aard van de heffing te bepalen. Bijgevolg, wanneer eiseres in haar gemeenteraadsbeslissing van 9/2/1988 m.b.t. de "Vaststelling retributievergoeding op de verkoop en de aankoop van vis in de stedelijke vismijn" de term "retributie" heeft vervangen door "mijnrecht" (omwisseling die kennelijk in de titel zelf vergeten werd) brengt dit niet automatisch mee dat de hieruit voortvloeiende heffingen een belasting gaan uitmaken die uit haar aard niet aan BTW onderworpen is, daar waar zij in een vorige beslissing van 8/2/1983 (slaande uiteraard op vroegere dienstjaren) als "retributie" in de zin van vergoeding-retributie (zie verder) waren genoemd.
Het heffen van belastingen is een eenzijdige handeling van de overheid waardoor een derde verplicht wordt tot het uitvoeren van een verbintenis zonder een rechtstreeks aanwijsbare tegenprestatie doch met één enkel oogmerk : de financiering van de overheidsuitgaven .
Een belasting wordt gekenmerkt door enerzijds een dwangkarakter en anderzijds het ontbreken van een geïndividualiseerde tegenprestatie.
Een retributie daarentegen bestaat in twee betekenissen :
- In haar eerste betekenis wijst het begrip retributie eveneens op een belasting, als zijnde een heffing waartegenover geen geïndividualiseerde tegenprestatie staat doch waarvan de opbrengst toekomt aan andere dan de in de grondwet genoemde instanties (artikelen 170 e.v., en 173 van de Grondwet, voorheen de artikelen 110 en 113 van de Grondwet). Dit is de belasting-retributie.
- In haar tweede betekenis slaat het begrip retributie op betalingen in ruil voor bepaalde prestaties van een openbare dienst. Dit is de vergoeding-retributie. Het louter feit dat de openbare dienst in een monopoliepositie verkeert derwijze dat de burgers voor welbepaalde diensten niet anders kunnen dan zich op haar te beroepen voor het verkrijgen van een welbepaalde dienstverlening, is niet van aard om aan de overeenstemmende heffing het karakter van "vergoeding-retributie" te ontnemen en haar als belasting te bestempelen. De Raad van State oordeelde dienaangaande dat de "verplichting om zich voor bepaalde diensten tot een openbare dienst te wenden die voor die diensten het monopolie heeft (niet meebrengt) dat een vergoeding voor geleverde diensten die als retributie bedoeld en berekend is, een belasting wordt alleen maar omdat men verplicht is zich tot de openbare dienst te wenden" (arrest Staes nr. 21.061 van 24/3/198; B. Peeters, "De begrippen belasting, last en retributie in de artikelen 110 en 113 van de Grondwet, R.W. 1987-1988, kol. 241 e.v.). Eiseres kan zich bijgevolg niet beroepen op een door haar beweerd gecreëerde monopoliepositie teneinde te ontsnappen aan haar BTW-verplichtingen. Trouwens dit beweerde monopolie is enigszins in tegenstrijd met haar eigen besluit van de Gemeenteraad van 7 november 1989 waarin werd besloten tot het heffen van een retributie van 2,5 frank/kg voor het wegen van vis welke niet in officiële afslag in de vismijn te … wordt verkocht, maar onder douanetoezicht naar een andere officiële afslag wordt getransporteerd (zie het proces-verbaal d.d. 16/3/1993, 3de blad).
Het Hof van Cassatie beschreef in haar arrest van 28/1/1988 (R.W. 1988-1989, kol. 190).de retributie als de “vergoeding die de overheid van sommige betalingsplichten vordert voor een bijzondere prestatie die zij te hunnen persoonlijke bate heeft uitgevoerd of voor een rechtstreeks en bijzonder voordeel dat zij hun heeft verleend”. Het is duidelijk dat, gelet op het voorgaande, hiermede het begrip “vergoeding-retributie" bedoeld wordt, nu tegenover de heffing een geïndividualiseerde tegenprestatie staat.
Hierna zal bijgevolg moeten onderzocht worden in hoeverre de door eiseres geïnde heffingen al dan niet als een retributie, in de zin van vergoeding retributie, dan wel als een belasting' moeten aanzien worden.
2.2.2. Wat betreft de "mijnrechten" :
Dit betreffen retributies geheven op de bruto-opbrengst van alle in de afslag gebrachte vis.
Bij gemeenteraadsbeslissing van 9/2/1988 werd voor de dienstjaren 1988 t/m 1992, ten voordele van de gemeente een mijnrecht geheven vastgesteld op 3 % op de verkoop van vis in de stedelijke vismijn, te betalen door de verkopers van de vis en op 1 % op de aankoop van vis in de stedelijke vismijn, te betalen door de kopers van de vis. Dit mijnrecht omvat krachtens ,·voormeld besluit·:
"voor de verkopers : het eigenlijk mijnrecht om vis te mogen verkopen in de vismijn van de stad waar de visafslag kosteloos wordt gedaan door stadspersoneel."
“voor de kopers : het viskeurrecht wettelijk verplicht door de wet d.d. 13 juli 1981 tot oprichting van een instituut voor veterinaire keuring en de koninklijke besluiten tot uitvoering van de wet."
In het proces-verbaal opgesteld door verificateur-accountant Delecluyse op 16/3/1993, dat als basis dient voor de heffing van de BTW, wordt duidelijk aangegeven dat enkel als belastbaar worden beschouwd de retributies "die geen betrekking hebben op rechten geheven van de keuringen en gezondheidscontroles door dierenartsen als personeelslid verbonden aan het Instituut der veterinaire keuring." Aangezien de viskeuringsrechten door eiseres begrepen worden in het stadsrecht van 1 % nu dit globaal wordt gefactureerd aan de viskoper, heeft verweerster deze bedragen begrepen in de maatstaf van heffing voor de berekening van de verschuldigde BTW op de facturatie. Dit laatste wordt door eiseres kennelijk ook niet betwist noch ernstig tegengesproken.
In tegenstelling tot hetgeen eiseres nochtans wil voorhouden beantwoordt het geheven mijnrecht wel degelijk aan een welbepaalde tegenprestatie nl. het betreft een vergoeding voor een globaal aanbod van diensten door de Stad … als dienstverstrekker geleverd teneinde de (ver)koop van vis mogelijk te maken, inzonderheid de kosteloze organisatie van de afslag van de vis, het ter beschikking stellen van ruimten dienaangaande, het reinigen van de (vis) kaden ed.
Het is dus niet, zoals eiseres stelt, een louter eenzijdig opleggen van een betaling teneinde haar middelen te verschaffen om in haar uitgaven te voorzien. Deze rechten worden ook enkel geheven binnen het kader van de exploitatie van de vismijn, niet ter financiering van de stadsuitgaven in het algemeen (zie ook hoger punt 2.1.).
Welnu, bij toepassing van artikel 26 BTW-wetboek iuncto artikel 1, § 2 van het KB nr. 16 van 3 juni 1970 met betrekking tot de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde inzake de verkoop van vis, schaal-, schelp- en weekdieren in de gemeentelijke vismijn (BS 5 juni 1970), zijn de uit dien hoofde door eiseres ontvangen retributies onderhevig aan BTW.
Artikel 1, § 2 van voormeld Koninklijk Besluit stelt immers uitdrukkelijk dat degene die bij de in § 1 bedoelde openbare verkopen (nI. openbare verkopen in de gemeentelijke vismijn van vis, schaal-, schelp- en weekdieren) de afslag organiseert de verplichtingen moet nakomen die door het Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten aan verkopers zijn opgelegd, inzonderheid op het stuk van de aangifte en de voldoening van de belasting, daar waar artikel 26 van het BTW-wetboek bepaalt dat, voor de levering van goederen en diensten, de belasting wordt berekend over alles wat de leverancier van het goed of de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verstrekt.
Nopens de cijfermatige berekening van de belasting noch nopens de maatstaf van heffing en de toegepaste tarifering worden door eiseres specifieke grieven geuit.
2.2.3. De opbrengsten uit verhuur van pakhuizen (aan groothandelaars in vis) :
Terzake moet toepassing gemaakt worden van artikel 18, § 1 9° van het BTW-wetboek waarin het volgende wordt bepaald : "Als een dienst wordt onder meer beschouwd, de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft … 9° de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen."
De term "terbeschikkingstelling" mag ook een verhuring inhouden. Zo wordt in het verslag van de Commissie voor de Financiën van de Kamer het volgende gesteld : "Huurt men, voor het opslaan van goederen, een plaats in een halle, dan is de BTW hiervoor verschuldigd, voor zover het vanzelfsprekend gaat om een terbeschikkingstelling door een belastingplichtige".
Bedoeld wordt de handeling waarbij iemand die over een bergruimte beschikt, deze tegen vergoeding ter beschikking stelt van een ander persoon om er goederen op te slaan, met of zonder de verplichting de goederen te bewaken en ongeacht trouwens de aard van het contract, een bewakingscontract of een contract voor onroerende verhuur (zie BTW – Commentaar, 1 februari 1975, 122/99 met verwijzing naar Z. Parl. Besch. Kamer v. Volksvert., buitengewone zitting 1968 nr. 88, blz. 82 - zie stuk 10 bundel verweerster).
Waar de verhuur van de pakhuizen op zich niet betwist wordt en deze verhuur of terbeschikkingstelling ongetwijfeld kadert binnen de exploitatie van de gemeentelijke vismijn, op grond waarvan eiseres als belastingplichtige wordt aangemerkt (zie artikel 1, 1° KB nr. 26 van 2 december 1970), zijn de opbrengsten afkomstig van voormelde verhuring aan BTW onderhevig. Ook hier worden geen betwistingen geuit nopens de maatstaf van heffing en de toegepaste tarieven noch nopens de uiteindelijke cijfermatige BTW-berekening.
2.2.4. Retributies in de vorm van koperskaarten :
Het betreffen koperskaarten die tegen een jaarlijkse vergoeding (… frank) worden uitgereikt aan de vishandelaars die vis wensen te kopen in de vismijn te …. Deze koperskaart maakt de vishandelaars gerechtigd op het kopen van vis bij openbare afslag in de stedelijke vismijn te ….
Overeenkomstig artikel 18, § 1 6° BTW-wetboek wordt hier als dienst beschouwd de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft "… 6° de overdracht van of het verlenen van rechten op een verkoop- inkoopmonopolie alsook de overdracht van of het verlenen van al niet exclusieve rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit oefenen ."
Het is duidelijk dat de koperskaart aan dit criterium beantwoordt aangezien zij aan de houder het kooprecht bij openbare afslag in de stedelijke vismijn te … verleent .
In deze optiek zijn de hieruit voortvloeiende opbrengsten in hoofde van eiseres aan BTW onderhevig, te meer het verlenen van dergelijke koperskaarten ongetwijfeld kaderen binnen de exploitatiebevoegdheid van eiseres m.b.t. de stedelijke vismijn, uit hoofde waarvan, het weze herhaald, zij als BTW-belastingplichtige wordt beschouwd.
Ook hier betwist eiseres de maatstaf van heffing noch de toegepaste tarieven en de berekende en verschuldigde bedragen.
Er is derhalve aan verweerster uit hoofde van belasting over de toegevoegde waarde door eiseres terdege een bedrag van … frank verschuldigd, zoals door de administratie berekend, bedrag dat cijfermatig trouwens nooit betwist is geworden.
2.3. Eiseres betwist eveneens de aangerekende boete welke in het dwangbevel weliswaar werd bepaald op … frank, doch welke in proces-verbaal van 16/3/1993 slechts op … frank werd begroot.
2.3.1. Eiseres kan vooreerst bezwaarlijk het gebrek aan motivering van de boete inroepen nu deze boete werd vastgesteld op grond van artikel 70, § 1 BTW-wetboek, krachtens hetwelk de boeten van rechtswege verschuldigd zijn en overeenkomtig artikel 1 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (BS 7 februari 1987). Overeenkomstig voormeld artikel 70, § 1 wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. In casu kwam dit normaliter neer op een bedrag van … frank. Verweerster maakte evenwel toepassing van de wettelijke verminderingen zoals vastgelegd in voormeld KB nr. 41 en inzonderheid van artikel 1 met verwijzing naar tabel A, afdeling I, II op grond waarvan de boete 10 % van de verschuldigde belasting bedroeg (het bedrag van de verschuldigde belasting voor een controle-periode van één jaar meer dan … frank bedragende), hetzij … frank.
Dit alles blijkt ten andere uit het proces-verbaal van 16/3/1993 inzonderheid de hoofding "Samenvatting van de verschuldigde bedragen" waar voor wat de verschuldigde boete betreft duidelijk verwezen wordt én naar het wetsartikel 70, § 1 en naar het KB nr. 41 met vermelding van tabel A, Afd. 1, II.
2.3.2. In haar besluiten neergelegd op 30/9/1993 heeft verweerster de boete thans expliciet vastgesteld op … frank, en niet … frank, zoals in het dwangbevel vermeld, stellende dat het dwangbevel bij toepassing van artikel 85, § 2 BTW-wetboek reeds op 7 mei 1993 ter kennisgeving was gestuurd, aldus op een ogenblik dat de gebruikelijke betalingstermijn van 1 maand nog niet verstreken was (uitvaardiging van het dwangbevel daterende van 28/4/1993), en er aldus géén reden was tot toepassing van de verhoging van de geldboete met 50 %, weze tot … frank bij toepassing van artikel 2 van voormeld KB nr. 41.
Aangezien de boete op wettelijke basis correct werd begroot op … frank en géén toepassing (meer) wordt gemaakt van de vermeerderingsmogelijkheid zoals voorzien in artikel 2 van voormeld KB nr. 41, blijft het bedrag van … frank als boete verschuldigd. Teneinde verdere discussie hieromtrent in de toekomst uit te sluiten, zal dit in het dispositief opgenomen worden.
De argumentatie tenslotte dat de betwisting een louter juridisch probleem betreft zodat géén boete kan verschuldigd zijn, kan niet weerhouden worden nu dergelijke betwistingen geenszins het verschuldigd zijn van de BTW en de boete kan opheffen.
3. Besluit
Gelet op het alle voorgaande overwegingen en vaststellingen komt het verzet van eiseres ontvankelijk doch ongegrond voor en dient eiseres veroordeeld te worden tot de gedingkosten.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alle strijdige en meeromvattende besluiten verwerpend als niet dienend, overbodig of ongegrond.
Verklaart het ingestelde verzet ontvankelijk doch ongegrond.
Zegt zoals weliswaar voor recht dat de boete wordt bepaald op … frank, zoals ook door verweerster in haar besluiten neergelegd op .30/9/1993 wordt gesteld.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten vermits deze toch ten hare laste blijven, en aan de zijde van verweerster te begroten op … frank rechtsplegingsvergoeding .
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dertig oktober negentienhonderd achtennegentig.
Aanwezig :
A. V. d. P., rechter-voorzitter van de kamer
B. V. H., rechter
D. P., plaatsvervangend rechter
K. D., griffier.
K. D. D. P. B. V. H. A. V. D. P.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.